JAARGANG 33#1 VOORJAAR 2023
Goud voor Leiden
Foto: Siepke van Keulen
JongRembrandt in Teylers Steeds meer jonge leden van de Vereniging Rembrandt ontdekken de JongRembrandt Art Talks, waar altijd iets nieuws te zien en te horen is. Eind 2022 troffen ongeveer honderd leden tot 35 jaar elkaar in Teylers Museum in Haarlem. Het ging over 16de-eeuwse tekenkunst, David Hockney, optica en nog veel meer (zie ook p. 51). Ben jij er de volgende keer ook bij? Houd je inbox in de gaten.
INHOUD BULLETIN VAN DE VERENIGING REMBRANDT 2023 #1
6
10
12
15
Buitenkans voor het Rembrandthuis
Museumdirecteur in extase
Een vaandeldrager voor Leiden
In memoriam Ger Luijten (1956-2022)
De Vereniging Rembrandt zet in op collectiemobiliteit
140 jaar Vereniging Rembrandt: een duik in de geschiedenis
Kant, zijde, veren: fijnschilder Ary de Vois kon het allemaal
Over een dierbaar bestuurslid met een scherp oog voor schoonheid
20
24
28
32
Mecenaat in een veranderende wereld
Een hedendaags Chinees landschap
Vrouwen in de kunst wereld: blijvend zichtbaar
Een gesprek over kansen en bedreigingen voor goede doelen
Lofzang op de grote stad of angstaanjagend visioen?
Inhaalslag voor het Rijksmuseum
40
De Vermeer die niet mocht ontbreken Wat als je moet kiezen tussen Het melkmeisje en Het straatje?
4 20 23# 1
Pioniers in zilver Onderzoek Zilvermuseum naar vrouwelijke ontwerpers afgerond
42
46
Van diverse pluimage
Een ingewikkelde puzzel
Museum Rotterdam verwerft Rotterdams werk Cornelis Saftleven
Restauratie topstuk Kasteel Huis Bergh in beeld
16
Voorwoord GEERT-JAN JANSE
Onverminderd actueel Parcours met uitdagingen Het Kröller-Müller maakt zich op voor grote futurisme tentoonstelling
36
Een confronterende boodschap Spraakmakende aankoop voor Stedelijk Museum Amsterdam
en verder 31 Rembrandtlid persoonlijk: Pauline Geskes 35 Enerzijds, anderzijds 39 Rembrandtlid persoonlijk: Marc-Jan van Laake 45 Denkraam 53 Lidmaatschapspagina 50 R kort
De rode draad in de geschiedenis van de Vereniging Rembrandt is steunverlening bij aankopen voor Nederlandse musea. Het verzamelen voor de Collectie Nederland is een grillig verhaal, met grote successen en soms – helaas – ook gemiste kansen. Beide komen samen in de verzamelgeschiedenis van Vermeer, nu zo alomtegenwoordig door de fenomenale tentoonstelling van zijn werk in het Rijksmuseum. Toen zijn Kantwerkster in 1869 aan de stad Rotterdam gelegateerd werd, weigerde het stadsbestuur de verschuldigde successiebelasting te betalen. Zo verdween de ‘Rotterdamse Vermeer’ voor ruim 3600 gulden naar het buitenland om uiteindelijk in het Louvre te belanden. Juist voor het behoud van dergelijke meesterwerken is veertien jaar later de Vereniging Rembrandt o pgericht. Toen De liefdesbrief (in 1892) en Het melkmeisje (in 1908) op de markt kwamen, wist zij met v ereende krachten beide werken voor Nederland te behouden. De liefdesbrief is afgebeeld op de boekenlegger die u ter gelegenheid van het jubileum bij dit Bulletin ontvangt. Een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het connaisseurschap in Nederland, die ook verbonden is met Vermeer – en met de Vereniging – wordt door Wim Pijbes belicht in zijn ‘Denkraam’. Tegenwoordig zet de Vereniging zich niet alleen in voor de aankoop van meesterwerken die het land dreigen te verlaten, maar steunt zij aankopen voor het Nederlands openbaar kunstbezit in de volle breedte. Ook het bijdragen aan restauraties en onderzoek is op een bijna vanzelfsprekende manier bij de doelstelling gaan behoren. Dankzij de genereuze steun van de VriendenLoterij kunnen wij het VriendenLoterij Restauratiefonds continueren (p. 52). In dit Bulletin vindt u enkele artikelen over onderzoeksprojecten over de betekenis van vrouwen in de kunstgeschiedenis. De studie naar vrouwelijke verzamelaars en mecenassen belicht een aspect dat voorheen weinig aandacht heeft gekregen. Vaak leidt zulk onderzoek tot onverwachte ontdekkingen, zoals de recente vondst dat een van Vermeers grootste vroege verzamelaars een vrouw is geweest, Maria de Knuijt. De Vereniging Rembrandt draagt bij aan het onderzoeksproject De Andere Helft. Door haar kernwaarden in ere te houden maar tegelijkertijd ook aandacht te hebben voor wat er speelt in de samenleving en in de museale wereld, blijft de Vereniging Rembrandt relevant voor nu en voor toekomstige generaties.
54 Over de Vereniging 55 Ondersteunde musea
Geert-Jan Janse is directeur van de Vereniging Rembrandt
GERDIEN WUESTMAN
Buitenkans voor het Rembrandthuis
Foto: Tomas Mutsaers
Op 18 maart opent in Museum Rembrandthuis een presentatie rond een heel bijzondere gast: Titus aan de lezenaar uit Museum Boijmans Van Beuningen. Daarmee is het portret voor het eerst terug op de plaats waar het in 1655 werd ge schilderd. Deze presentatie is mogelijk gemaakt door de Vereniging Rembrandt en de Turing Foundation. ‘Droomt u wel eens over die ene, bijzondere bruikleen? Een buitenkans, waarmee u de nieuwsgierigheid van de lokale achterban kunt prikkelen?’ Met deze zinnen begon de mailing die wij in maart 2022 naar zo’n 125 kunstmusea stuurden. Dat was het startsein van de actie ‘Buitenkans’, een gezamenlijk initiatief van de Vereniging Rembrandt en de Turing Foundation. Musea werden uitge nodigd een presentatie te bedenken rond een iconisch kunstwerk uit een ander Nederlands museum. Hiermee doet de Vereniging Rembrandt iets nieuws. Naast het steunen van nieuwe aankopen stimuleert zij met initiatieven als ‘Buitenkans’ en het Fonds Fusien nu ook actief dat musea hun kunstschatten met elkaar delen (zie p. 9). De gedachte hierachter is dat alle
7 20 23# 1
openbare kunstverzamelingen in Nederland in feite één geheel vormen, de Collectie Nederland, en dat de kunst die wij in de loop van de eeuwen met elkaar hebben verzameld aan betekenis wint door een levendige uitwisseling tussen musea.
‘Titus is een droombruikleen voor ons’ – Milou Halbesma –
PERSOONLIJK VERHA AL
Twee medewerkers van Museum Boijmans Van Beuningen met Titus aan de lezenaar in het Depot in Rotter dam. Links Geert-Jan Janse van de Vereniging Rembrandt en Sandra Kisters van het Boijmans, rechts Milou Halbesma van Museum Rembrandthuis.
Museum Rembrandthuis was een van de zestien musea die een plan voor ‘Buitenkans’ inzonden. Het onderwerp was al snel bepaald: Titus aan de lezenaar uit Museum Boijmans Van Beuningen. Rembrandt schilderde het in 1655 in zijn atelier aan de Jodenbreestraat, nu onderdeel van Museum Rembrandthuis. Na omzwervingen door Groot-Brittannië kwam het in 1940 – met steun van de Vereniging Rembrandt en 120 vrienden van het Museum Boymans – in Rotterdam terecht. Het plan voor de presentatie Titus is weer thuis werd gehonoreerd en dankzij de bereidheid van het Boijmans om het portret voor drie maanden af te staan kan de presentatie deze maand van start gaan in het pas verbouwde museum. ‘We openen met de presentatie Titus is weer thuis en een tentoonstelling met tekeningen uit de Peck Collection van het Ackland Art Museum (Verenigde Staten). Deze verzameling 17de-eeuwse tekeningen is voor het eerst in Nederland te zien, en Titus aan de lezenaar is voor het eerst weer terug in het huis waar het ooit geschilderd is. Titus komt heel mooi te hangen, midden in de expo-
sitie van de Peck Collection, in een ruimte waar bezoekers op een bijna meditatieve manier naar het schilderij kunnen kijken,’ vertelt Milou Halbesma, sinds juni 2022 directeur van Museum Rembrandthuis. ‘Er is een multimediatour met verschillende vormen van geluidsbegeleiding en verhalen, zowel vanuit een kunsthistorische als vanuit een psychologische invalshoek. Dat past in onze plannen om naast Rembrandt de kunstenaar nog meer het persoonlijke levensverhaal van Rembrandt te laten zien. Museum Rembrandthuis heeft soms nog de reputatie er vooral voor de toeristen te zijn, maar in de toekomst willen we ons nog meer richten op de Amsterdammers, naast het reguliere museumpubliek. Rembrandt en het Rembrandthuis horen bij de stad. We gaan ook trots met de presentatie naar buiten: er is een nieuw Rem brandthuis, mét Titus. Dit soort bruiklenen is ongelooflijk belangrijk. De actie “Buitenkans” gaf wat dat betreft precies een duwtje in de goede richting. Het is fantastisch dat fondsen musea willen stimuleren en helpen een goede presentatie te maken. Titus is een droombruikleen voor ons, dit wordt
door ons echt e rvaren als een buitenkans. Als prestigieuze partijen als de Vereniging Rembrandt en de Turing Foundation zich achter je scharen met financiële hulp en advies helpt dat natuurlijk wel om dit allemaal voor elkaar te krijgen – zo werkt het nu eenmaal.’ ANDERE CONTEX T
‘Bruikleenverkeer draagt ertoe bij dat werken in depots toegankelijk worden, maar er is ook een inhou delijk belang: een bruikleen werpt een ander licht op de eigen collectie, en je ziet het kunstwerk in een andere context,’ zegt Milou. ‘Voor ons museum is het lenen van werken uit andere verzamelingen van levens belang. Het Rembrandthuis is een uniek museum dat een enorme goodwill heeft in de museale sector. De verhalen over kleinere musea die moeite hebben bruiklenen te krijgen omdat ze weinig in ruil kunnen aanbieden herken ik wel, maar wij hebben er zelf gelukkig in geringe mate last van, terwijl wij slechts weinig kunnen uitlenen als wederdienst. We hebben een collectie waaruit niet vaak iets wordt uitgeleend en geen enkel schilderij van Rembrandt, maar er wordt ons heel veel gegund, al is het lenen van werken uit het depot natuurlijk makkelijker dan zaalstukken. Bruiklenen maken ons museum voor het publiek interessant, want er is steeds iets anders te zien. Het mooie van dat regelmatig wisselen is ook dat het ons scherp houdt, omdat het je dwingt om steeds opnieuw naar je collectie en je verhaal te kijken en na te denken over de inrichting. En als ik zie wat de komst van Titus hier betekent… In januari was er een bijeenkomst voor alle medewerkers,
8 20 23# 1
beveiligers en publieksbegeleiders, en de meesten wisten nog niet dat Titus hier zou komen. Wauw, reageerden ze toen ik het vertelde, iedereen was zo blij en trots. Op alle niveaus was het een boost.’ PUBLIEKSLIEVELING
Sandra Kisters, directeur Collectie en Onderzoek van Museum Boijmans Van Beuningen: ‘Bruikleenverkeer maakt een groot deel van onze werkzaamheden uit. Wij zijn heel erg bezig met manieren om de collectie toegankelijk te houden tijdens de verbouwing van het museum. We hebben net “Boijmans bij de buren” achter de rug. Dat project, mogelijk gemaakt door Stichting Droom en Daad, bestond uit elf tentoonstel lingen bij acht musea en instellingen in Rotterdam. Daarnaast hebben we langdurige bruiklenen uitstaan bij ongeveer vijftig verschillende partijen. Zo zijn er achttien werken uitgeleend aan het Chabot Museum. Die hangen daar ook niet altijd allemaal, maar zij kunnen ze actiever gebruiken dan wij. En verder hebben we ook goede incidentele samenwerkingen. Elk jaar lenen we honderden werken uit aan tentoonstellingen en voor het aankomende jaar worden dat er wel vijf- of zeshonderd. “Buitenkans” is een mooie actie, het is een sympathiek idee om bruiklenen mogelijk te maken, juist voor kleine musea. Musea vragen vaak topstukken aan, en dan ook nog vaak dezelfde werken. Die zijn niet altijd beschikbaar, dat is minder makkelijk dan bij werken in het depot. We proberen zoveel mogelijk toe te zeggen en ook kleinere instellingen de kans te geven om topstukken te laten zien, maar
moeten daarbij wel een afweging maken. Hoe kwetsbaar is een werk, welke risico’s zijn er, in welke context wordt het getoond? En als een werk door verschillende musea tegelijk wordt aangevraagd: welke tentoonstelling is belangrijker? In zo’n geval kiezen we bijvoorbeeld eerder voor een monografische tentoonstelling dan voor een thematische. Het wisselen in onze huidige topstukken presentatie is bewerkelijk door het ophangsysteem, de “glazen ezels” van Lina Bo Bardi, maar als het belangrijk genoeg is doen we het gewoon. Weigeren doen we alleen als daar een belangrijke reden voor is. Sommige werken hebben een behandeling nodig of zijn echt te kwetsbaar om te reizen. De toren van Babel van
‘Mooie actie om bruiklenen mogelijk te maken voor kleine musea’ – Sandra Kisters –
Bruegel bijvoorbeeld, of De populierenlaan bij Nuenen door Van Gogh. En bij werken op papier die vaak worden aangevraagd, zoals Leda en de zwaan van Leonardo da Vinci of Het uilennest van Jheronimus Bosch, moeten we er rekening mee houden dat ze niet te vaak aan licht mogen worden blootgesteld. Naast veiligheid is een andere reden om iets niet uit te lenen dat het educatieve programma niet werkt als een bepaald schilderij continu weg is. Titus wordt heel vaak gevraagd, en het is een schilderij dat we zelf ook graag tonen. Het is een van onze publiekslievelingen. Maar we begrijpen waarom het Rembrandthuis het wil laten zien. Een paar jaar geleden vroeg het Fries Museum het aan voor de Saskia-tentoonstelling. Die aan-
vraag is toen afgewezen vanwege de bruikleenstop die we hadden ingesteld vanwege de uithuizing van het museum voor de renovatie en voor de grote collectieverhuizing naar het depot. Kort daarop, na de sluiting en uithuizing van het museum, is het schilderij wel uitgeleend aan het Rijksmuseum voor de tentoonstelling Rembrandt-Velazquez en in de Kunsthal te zien geweest voor een hoogtepuntenpresentatie van werken uit het Boijmans. Verder heeft Titus vooral naar het buitenland gereisd. Extra bijzonder dus dat hij nu in het Rembrandthuis te zien zal zijn.’ ACTUEEL THEMA
Milou en Sandra signaleren beiden een toenemende aandacht voor bruikleenverkeer. Sandra: ‘Er is de laatste jaren veel gebeurd en er wordt ook veel gestimuleerd. Vanuit het Boijmans heb ik deelgenomen aan het project “Slimmer lenen” van de Museumvereniging, waarin uitgangspunten voor een makkelijker bruik leenverkeer binnen Nederland zijn geformuleerd. En Rotterdam is een van de gemeentes die hebben besloten beperkt verzekeren toe te staan, dus alleen tegen herstelbare schade en niet tegen verlies. Want het is vooral het verzekeren dat lenen zo duur maakt. De bedoeling is om binnen Nederlandse instellingen waar de faciliteiten op orde zijn zoveel mogelijk toegankelijk te maken door kosten inzichtelijk te maken en waar mogelijk belemmeringen weg te nemen.’ ‘Er is een groeiend bewustzijn dat werken vaker getoond kunnen worden,’ beaamt Milou. ‘Daarmee geven we een behoorlijk signaal naar de buitenwereld dat we zoveel
9 20 23# 1
mogelijk willen tonen. Ik hoop dat de actie van de Vereniging Rembrandt en de Turing Foundation inspireert en dat er nog meer op gang komt, ook op het gebied van digitalisering, transparantie en heldere normen en criteria. Een bruikleen regelen is heel veel werk. Je moet echt alert zijn en durven te vragen en het is een behoorlijke puzzel om alles voor elkaar te krijgen. Dat het niet altijd lukt is geen onwil, maar je zou het meer moeten faciliteren. Onderschat ook niet het financiële aspect. Kleine musea hebben een klein budget en geen enorme aantallen bezoekers. Dat de kosten voor transport, inrichting en verzekering worden gedragen maakt dat je grootser kunt denken.’
Meisje aan het venster van Nicolaes Maes uit het Rijksmuseum: voor vijf jaar uitgeleend aan het Dordrechts Museum
Gerdien Wuestman is hoofdredacteur van het Bulletin van de Vereniging Rembrandt
Samenwerking De tentoonstelling Titus is weer thuis is tot en met 4 juni te zien in Museum Rembrandthuis in Amsterdam. Later dit jaar opent een tweede presentatie in het kader van de actie ‘Buitenkans’ in Museum Belvédère. De Vereniging Rembrandt en de Turing Foundation werkten al eerder samen om de Nederlandse musea te ondersteunen. In 2020, kort na het uitbreken van de coronapandemie, organiseerden zij de actie ‘De kracht van onze Neder landse collecties’. Dat resulteerde in 45 presentaties door heel Nederland.
Fonds Fusien Vanaf dit voorjaar kunnen musea ook een aanvraag indienen voor een bijdrage uit Fonds Fusien, ingesteld ter gelegenheid van het vertrek van Fusien Bijl de Vroe als directeur van de Vereniging Rembrandt. Net als het geval is bij de gezamenlijke actie met de Turing Foundation, is dit fonds bedoeld om musea te stimuleren hun collecties nog meer met elkaar te delen, maar er is een belangrijk verschil. Waar het bij ‘Buitenkans’ gaat om tijdelijke presentaties rond één of meer iconische werken uit een ander Nederlands museum, is Fonds Fusien er voor het mogelijk maken van langdurige bruiklenen van ten minste drie jaar. Zo kan een museum zijn vaste presentatie vernieuwen zonder daarvoor een kostbare nieuwe aankoop te hoeven doen. Zie voor meer informatie onze website.
Vrouwenhoofd (Extase) Matthijs Maris 1894-1906. Zwart krijt en houtskool, 50 x 34 cm MUSEUM BOIJMANS VAN BEUNINGEN, ROTTERDAM
Aangekocht in 1906 met steun van de Vereniging Rembrandt en 71 Rotterdamse particulieren.
10 202 3# 1
HILBERT LOOTSMA
In 2023 bestaat de Vereniging Rembrandt 140 jaar. Ter gelegenheid van dit jubileumjaar duiken we drie keer in onze eigen g eschiedenis, op zoek naar opzienbarende m omenten die nieuw licht werpen op de Vereniging. De eerste duiktocht brengt ons naar het begin van de v orige eeuw, naar een moment waarop het bestuur voor het eerst besloot drastisch af te wijken van het tot dan toe gevoerde steunbeleid.
Museumdirecteur in extase
‘Wonderschoon werk van den geniaalsten en zeldzaamsten der levende Hollandsche meesters’
Dale Chihuly’s Grand Stairwell Installation, Patricia Kaersenhouts Guess Who’s Coming to Dinner Too? en El Anatsui’s In the World But Don’t Know the World. De laatste jaren steunt de Vereniging Rembrandt musea regelmatig bij de aankoop van spraakmakende kunstwerken uit de eigen tijd. Dat is zeker niet altijd zo geweest. In de vroege jaren vijftig werden nog stevige discussies gevoerd over steunverlening voor werken van moderne kunstenaars als Marc Chagall en Picasso, en pas in 1956 – 73 jaar na de oprichting van de Vereniging Rembrandt – werd voor het eerst op papier gezet dat de eigentijdse kunst hetzelfde zou worden behandeld als de oude. Iemand die vermoedelijk heel blij zou zijn geweest met deze nieuwe houding ten opzichte van de eigentijdse kunst, was de zeeschilder Hendrik Willem Mesdag (1831-1915), die in de beginjaren van de Vereni ging deel uitmaakte van het bestuur. Al bij de oprichting in 1883 wierp hij de vraag op of zij niet ook werk van hedendaagse kunstenaars moest helpen aankopen. Dat voorstel werd door voorzitter Jacob Ankersmit resoluut van de hand gewezen, met als argument ‘dat dit den werkkring der Vereeniging veel te zeer zou uitbreiden en dat dit nimmer in de bedoeling der oprichters heeft gelegen’.
11 20 23# 1
Het zou ruim twintig jaar duren voordat het bestuur voor het eerst van deze lijn afweek. De aanleiding hiervoor was een aanvraag van Pieter Haverkorn van Rijswijk, directeur van Museum Boymans en een groot liefhebber van eigentijdse kunst. Kort daarvoor was hij afgereisd naar Londen voor een bezoek aan het atelier van Matthijs Maris (1839-1917), toen door velen beschouwd als de belangrijkste nog levende Nederlandse kunstenaar. Daar raakte hij betoverd door een tekening van een meisje dat uit de mist lijkt op te doemen, een prachtig voorbeeld van Maris’ late stijl. De op slag verliefde Haverkorn was meteen bereid de gevraagde 6.000 gulden te betalen, een voor die tijd enorm bedrag voor een tekening. Om het geld bijeen te krijgen, organiseerde het museum een inzamelingsactie, waarbij de tekening een week lang werd getoond bij de Rotterdamse Kunstkring. De actie verliep wonderwel en dat was zeker ook te danken aan Haverkorns beslissing de tekening een aansprekende titel te geven: Extase. Maris was het hier bepaald niet mee eens. Hij schreef Haverkorn dat hij deze ‘high title’ t otaal misplaatst vond en zich afvroeg waarom de tekening niet gewoon ‘meisjeskopje’ of ‘houtskooltekening’ kon worden genoemd.
Ook legde hij uit waarom hij de teke ning niet had willen signeren: ‘I didn’t know where to put it, besides it looks so businesslike & does not matter.’ Haverkorn stelde voor het desnoods zelf te doen als Maris hem een voorbeeld op een papiertje vanuit Londen toestuurde. De kunstenaar wist niet wat hij hoorde. Met de inzamelingsactie werd 3.000 gulden opgehaald, het restant werd voorgeschoten door de Vereni ging Rembrandt. Dat de helft van het aankoopbedrag door particulieren bijeengebracht was, zag het bestuur als bewijs voor hoe graag het publiek de tekening voor Nederland wilde behouden. Wat een geluk dat het belang van deze aankoop werd gezien en dat het bestuur ook toen al begreep dat er altijd ruimte moet worden gelaten voor uitzonderingen. Zo kunnen wij nu in Nederland samen genieten van een ‘wonderschoon werk van den geniaalsten en zeldzaamsten der levende Hollandsche meesters’, om nog even een verliefde museumdirecteur te citeren. Hilbert Lootsma is hoofd Inhoud en Communicatie van de Vereniging Rembrandt
12 202 3 # 1
JANNEKE VAN ASPEREN
Een uiterst zorgvuldige en gedetailleerde schildertrant op klein formaat, daaraan herken je het werk van de Leidse fijnschilders. Ary de Vois was een van hen. Dit portret van een vaandeldrager laat zijn grote talent voor de weergave van stoffen zien en biedt bovendien een bijzonder inzicht in de geschiedenis van de stad Leiden. Waar beter is het op zijn plaats dan in Museum De Lakenhal?
Een vaandeldrager voor Leiden Leiden was in de 17de eeuw de grootste stad van de Republiek na Amsterdam. Dankzij de Leidse universiteit, de eerste universiteit van Nederland, bestond er een levendige intellectuele cultuur en ook op artistiek gebied was de stad een broedplaats voor talent en vernieuwing. Leiden bracht kunstenaars voort als Jan Steen, Jan van Goyen en Jan Lievens, en was ook de geboorteplaats en eerste werkplek van Rembrandt. Toch waren het de fijnschilders die bij verzamelaars de meeste aandacht trokken, en die de hoogste prijzen konden bedingen. Hun werk was zeer gewild, ook internationaal, en mocht in geen enkele Europese verzameling van belang ontbreken. Leidse fijnschilders
Ary de Vois (ca. 1632-1680) werd in Leiden waarschijnlijk tot schilder opgeleid door Abraham van den Tempel en kwam samen met collega’s als Frans van Mieris de Oude en Quiringh van Brekelenkam regelmatig in De Vreede, de herberg van Jan Steen. Met de laatste ontstond bovendien een nauwe familieband toen de zus van Ary de Vois trouwde met de broer van Jan Steen. Al deze schilders zijn vertegenwoordigd in de collectie van Museum De Lakenhal, dat geldt als het museum bij uitstek op het gebied van de Leidse fijnschilders. Met name de afgelopen dertig jaar heeft het museum op dat gebied een prachtige verzameling kunnen opbouwen, vaak mede dankzij steun van de Vereniging Rembrandt. Werk van
13 20 23# 1
De Vois was in Nederlandse musea nog amper aanwezig, terwijl het nu aangekochte schilderij direct duidelijk maakt dat hij tot de top van zijn generatie behoorde. Spectaculair is met name de manier waarop De Vois de verschillende stoffen heeft weergegeven. Het verfijnde patroon van de platte kanten kraag met kwastjes, het bijna dansende witte hemd, de glanzende sjerp, de gouden ornamenten op het vaandel – in alles komt zijn talent als fijnschilder naar voren. Het werk is intiem door het kleine formaat, maar tegelijkertijd buitengewoon krachtig door de fenomenale uitwerking van deze details. Niet voor niets inspireerde het werk in de vroege 19de eeuw niemand minder dan de Franse kunstenaar Théodore Géricault, grootmeester van de Franse romantiek, om het tot in detail te kopiëren. Rode sleutel
Alleen al vanwege deze uitzonderlijke kwaliteit bij een ondervertegenwoordigde Leidse fijnschilder is de aankoop een schot in de roos, zowel voor de collectie van Museum De Laken hal als voor de Collectie Nederland. Maar ook de voorstelling vertelt ons een interessant verhaal. Op het wit met gouden vaandel is nog net een deel van een rode sleutel te zien, onderdeel van het stadswapen van Leiden. De man was dus lid van de Leidse schutterij, een ge wapende burgerwacht opgericht om de stad te beschermen. In Leiden was een op de acht volwassen mannen lid van de schutterij, waarin
NIEUWE AANWINST Portret van een vaandeldrager van de Leidse schutterij Ary de Vois 1664. Olieverf op paneel, 38,3 x 32,6 cm Bijdrage: € 116.500 waarvan € 109.785 uit het VriendenLoterij Aankoopfonds MUSEUM DE LAKENHAL, LEIDEN
(Bruikleen Vereniging van Belangstellenden in Museum De Lakenhal) Aangekocht in 2022 door de Vereniging van Belangstellenden in Museum De Lakenhal met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar VriendenLoterij Aankoopfonds en een schenking van The School of Life Amsterdam).
Portret van een vaandel drager van de Leidse schutterij Théodore Géricault 1817 (?). Lithografie, 16,6 x 14 cm BRITISH MUSEUM, LONDEN
verschillende achtergronden, beroepen en religies vertegenwoordigd waren. Vaandeldragers hadden binnen de schutterij een prominente positie. Zij liepen in tijden van strijd het grootste risico om te sneuvelen, en moesten daarom altijd vrijgezelle mannen zijn. Op schuttersstukken zijn het doorgaans de meest modieus geklede figuren van de hele groep. Opmerkelijk is dat grote compagniestukken, zoals bekend uit Haarlem en Amsterdam, in Leiden nauwelijks voorkwamen. De Vois schilderde zijn vaandeldrager op een manier die typisch is voor Leiden, als individueel portret en op klein formaat. Eerdere voorbeelden moeten hem daarbij voor ogen hebben gestaan. Zo circuleerden er al sinds de 16de eeuw verschillende prenten van individuele vaandeldragers door onder anderen Albrecht Dürer, Hendrick Goltzius en wonderkind Lucas van Leyden. Ook zou het niet verbazen wanneer De Vois De vaandeldrager kende die Rembrandt had geschilderd in 1636, slechts enkele jaren na diens vertrek uit Leiden.
l edenlijsten van de schutterij uit deze periode, maar mogelijk zal nader onderzoek in het stadsarchief en naar bijvoorbeeld de gebouwen in de achtergrond meer informatie opleveren. Ook vertoont het gelaat van de vaandeldrager opmerkelijke gelijkenissen met bekende beeltenissen van de schilder zelf. Zou het dan misschien om een zelfportret kunnen gaan? We weten het niet. Het is om verschillende redenen onwaarschijnlijk dat De Vois op dit moment zelf vaandeldrager was, maar wellicht kan nog worden gekeken naar de biografieën van Ary’s drie broers: Anthonie, Cornelis en Pieter de Vois. Nu dit uitzonderlijke schilderij na ruim drieënhalve eeuw een plek heeft gekregen in een publieke collectie, biedt dat kansen voor nieuw onderzoek. Ook zonder naam is de vaandeldrager in zijn stralend witte kostuum echter een buitengewoon krachtige nieuwe aanwezigheid aan de muren van Museum De Lakenhal. Janneke van Asperen is conservator oude kunst van Museum De Lakenhal
Identititeit
De identiteit van De Vois’ vaandeldrager is vooralsnog onbekend. Helaas ontbreken de
14 202 3 # 1
Zelfportret als jager Ary de Vois 1660. Olieverf op paneel, 28,7 x 21,8 cm MAURITSHUIS, DEN HAAG
IN MEMORIAM
Ger Luijten (1956 – 2022)
Dat viel al op toen hij nog studeerde. Zijn derdejaars excursie herinner ik mij nog goed: drie weken Frankrijk na een semester 19de-eeuwse Franse kunst. Op zo’n reis ontdekte je als docent al snel wie er liever aan het strand had gelegen, maar ook wie kon kijken en wie niet. Ger keek met hartstocht. Hij studeerde af op Schmidt-Degener, de man die als twintiger directeur van Museum Boymans werd en enkele jaren later het Rijksmuseum zou reorganiseren. De analyse van de manier waarop Schmidt-Degener met de verzamelingen van die twee instellingen was omgegaan, bleek een uitstekende oefening voor Ger, die in beide musea zou komen te werken. Tegen het einde van zijn studie liep Ger ook stage in het Rijksprenten kabinet bij Jan Piet Filedt Kok, die hem introduceerde in de wereld van de prent- en tekenkunst. De scriptie over Schmidt-Degener werd gepubliceerd en Ger ging werken bij de Hollstein, de reeks waarin de Noord- en Zuid-Nederlandse grafiek uit de periode 1450-1700 zo volledig mogelijk wordt beschreven. Wij vulden destijds samen ook een nummer van Kunstschrift over tien jaar aankopen voor het Nederlands openbaar kunstbezit. De NRC noemde ons toen ‘twee onverbiddelijke kunst inspecteurs’. Meteen daarna haalde Wim Crouwel Ger in 1987 naar het ingedutte prentenkabinet van Museum Boijmans Van Beuningen, dat hij al snel tot leven wekte. Hij kocht er een belangrijke tekening van Rembrandt, organiseerde een tentoonstelling rond de Rotterdamse tekeningen van Fra Bartolommeo en schreef het publieksboek Van Pisanello tot Cézanne. Korte tijd later ging hij naar het Rijksprentenkabinet in Amsterdam, waar hij ook weer verschillende spraakmakende tentoonstellingen realiseerde, en in 2010 vertrok hij naar Parijs. Dat er in het Rijksmuseum na de verbouwing geen behoorlijke
15 202 3# 1
Foto: Gijsbert van der Wal
Vlak voor de kerst stierf geheel onverwachts Ger Luijten, directeur van de Fondation Custodia in Parijs, waar de legendarische kunstcollectie van Frits Lugt wordt bewaard. Ger was op dat moment in Amsterdam en belde vanuit de ambulance nog twee vergaderingen af, want hij was een veelgevraagd bestuurder. Zo kwam hij tweeënhalf jaar geleden ook in het bestuur van de Vereniging Rembrandt. Hij was deskundig en integer – en een echte kunstliefhebber was hij ook.
tentoonstellingsruimte voor het prentenkabinet meer was, heeft daarbij zeker een rol gespeeld. In Parijs kon Ger zijn vleugels uitslaan. De collecties van de Fondation Custodia waren altijd al een begrip onder liefhebbers en specialisten, maar nu kwamen daar ook tentoonstellingen bij die internationaal de aandacht trokken. Voor kunst op papier moest men voortaan in Parijs naar Custodia. Intussen verzamelde Ger met een enorme gedrevenheid en sloeg daarbij ook enkele nieuwe wegen in. Wie nu Custodia zegt, zegt ook: de 19de-eeuwse olieverfschets. De tentoonstelling True to Nature en de bijbehorende catalogus waren een triomf. Ger was gul en genereus. Kunst moest te zien zijn en kennis worden gedeeld. Hij hield van het leven en genoot ervan. Maar juist toen alles hem zo toelachte, vonden de schikgodinnen het kennelijk wel genoeg geweest. Voor wie achterbleven is het nauwelijks te bevatten. Peter Hecht
LISETTE PELSERS
Eind april opent in het Kröller-Müller Museum de tentoonstelling Het futurisme & Europa. De esthetiek van een nieuwe wereld. De tentoon stelling laat de invloed zien van het futurisme op de overige avant-gardebewegingen aan het begin van de 20ste eeuw en vice versa. Lisette Pelsers, directeur van het Kröller-Müller Museum, neemt ons mee over de hobbelige weg ernaartoe. Over aanvragen die kwijtraken, verrassende bruiklenen en de zegeningen van het digitaal koerieren.
Lange tijd was het Italiaanse futurisme het zwarte schaap van de 20ste-eeuwse kunstgeschiedenis. De beweging, in 1909 gelanceerd door dichter en schrijver Filippo Tommaso Marinetti (1876-1944), streefde naar een nieuwe esthetiek en naar een totale vernieuwing van de cultuur en de hele samenleving. De futuristen waren niet de enigen die, aangejaagd door de industrialisatie en de technologie, riepen om vernieuwing en verjonging. Maar van alle avant-gardes uit die tijd was het futurisme het meest radicaal. Marinetti’s opgewonden, masculiene retoriek van strijd en aanval, zijn verheerlijking van de oorlog als middel om af te rekenen met al het oude en zijn aansluiting bij het fascistische regime om Italië de gewenste moderniteit in te sturen, hebben niet bijgedragen aan de waardering van de beweging.
Parcours met uitdagingen
A ANDACHT VOOR HET FUTURISME
Ook Helene Kröller-Müller (1869-1939) zag het belang van de beweging aanvankelijk over het hoofd. In haar verzameling, bijeengebracht in de eerste decennia van de 20ste eeuw, was niet één futuristisch werk te vinden. Toen ze besefte dat de ‘futuristische fase’ eigenlijk niet had mogen ontbreken, was het te laat. Pas in de jaren zeventig werden de eerste futuristische werken voor het Kröller-Müller Museum verworven: Volo di rondini (1913) van Giacomo Balla en Forme uniche della continuità
Fabio Benzi, Lavinia Biagiotti en Lisette Pelsers bij de Fondazione Biagiotti Cigna in Rome
De futurismezaal van het Kröller-Müller Museum met het kamerscherm Paravento con linea di velocità (1916/17) van Giacomo Balla en tegen
Foto: Marjon Gemmeke
16 202 3 # 1
de achterwand La Tour Eiffel (1913) van Gino Severini en Volo di rondini (1913) van Balla. De beide werken van Balla zijn met steun van de
Vereniging Rembrandt aangekocht (het kamerscherm mede dankzij haar Maljers-de Jongh Fonds).
nello spazio (1913) van Umberto Boccioni. De afgelopen tien jaar kreeg de futuristische collectie een ware boost met aankopen van werken van onder anderen Balla, de Oekraïener Oleksandr Bohomazov en de Belg Jules Schmalzigaug. Hiermee is het Kröller-Müller wijd en zijd het enige museum dat het futurisme kan laten zien als onderdeel van de geschiedenis van de moderne kunst. En daarmee ook dé plek voor een tentoonstelling die een nieuw licht werpt op de beweging. Met Het futurisme & Europa. De esthetiek van een nieuwe wereld voegt het Kröller-Müller een hoofdstuk toe aan het onderzoek dat sinds de jaren tachtig heeft geleid tot een herwaardering van de betekenis van het futurisme en tot een reeks grote tentoonstellingen, begeleid door lijvige catalogi. De eerste in deze reeks was Futurismo & Futurismi in het Palazzo Grassi in Venetië in 1986, die liet zien dat het futurisme niet louter een Italiaanse beweging was, maar een internationaal fenomeen, met een reikwijdte van Rusland tot Mexico en van Japan tot Engeland. In 2014 bracht Italian Futurism, 1909–1944: Reconstructing the Universe in het Solomon R. Guggenheim Museum in New York voor het eerst de zeer uiteenlopende disciplines waarmee de futuristen zich bezighielden in beeld. In Nederland besteedde het Rijksmuseum Twenthe recent aandacht aan het futurisme aan de hand van zijn voorman
Marinetti, waarbij ook de politiek-ideologische aspecten van de beweging aan de orde kwamen. EÉN GROOT FUTURISTISCH UNIVERSUM
De tentoonstelling in het Kröller-Müller Museum laat zien wat de futuristische esthetiek heeft betekend voor de overige avant-gardes aan het begin van de 20ste eeuw. Als ‘bijbel’ van de futuristische esthetische idealen gold het door Giacomo Balla en Fortunato Depero in 1915 opgetekende manifest Ricostruzione Futurista dell’Universo (Futuristische reconstructie van het universum). Volgens dit manifest moest de kunst bevrijd worden van de grenzen van de traditionele kunsten en worden uitgebreid naar het hele dagelijkse leven, dat zou worden omgevormd tot één groot futuristisch universum: een ‘opera d’arte totale’, een totaalkunstwerk. De futuristen brachten dit in praktijk door zich op zeer gevarieerde terreinen te begeven: naast schilder- en beeldhouwkunst ook architectuur, toegepaste kunst, decor- en kostuum ontwerpen, typografie en reclame en mode. Het is met name dit futuristische ideaal van het continuüm van kunst en leven dat als de belangrijkste verworvenheid van de beweging moet worden beschouwd en dat van grote invloed is geweest op onder meer het Bauhaus in Duitsland, De Stijl in Nederland en het Russische constructivisme. Op hun beurt oefenden
Gratticieli e tunnel Fortunato Depero 1930. Tempera op papier, 68 x 102 cm
Forme uniche della continuità nello spazio Umberto Boccioni 1913. Brons, H 117 cm
MUSEO DI ARTE MODERNA E CONTEMPORANA DI TRENTO E
KRÖLLER-MÜLLER MUSEUM, OTTERLO
ROVERETO, FONDO DEPERO, ROVERETO
17 202 3 # 1
Schenking Dr. C.H. van der Leeuw Stichting
deze bewegingen weer hun invloed uit op de futuristen. De tentoonstelling Het futurisme & Europa richt voor het eerst de aandacht op de wisselwerking tussen de verschillende avant-gardes, die gepaard ging met zowel wederzijdse bewondering als onvermijdelijke onderlinge fricties en wedijver. AMBITIEUS PL AN
De eerste gedachten over een grote futurismetentoonstelling dateren al van 2017. Maar voor het Kröller-Müller Museum met zijn mini-staf betekent een dergelijk ambitieus plan op zijn minst dat er een gastconservator aangetrokken moet worden. Voor de recente aankopen op het gebied van het futurisme werd regelmatig advies ingewonnen van experts en zo kwam het museum begin 2019 in contact met Fabio Benzi, hoogleraar aan de Università degli Studi ‘G. d’Annunzio’, Chieti-Pescara, auteur van vele publicaties over de beeldende kunst van de tweede helft van de 19de en de vroege 20ste eeuw en een van de medewerkers aan de futurismetentoonstelling in 2014 in New York. Fabio Benzi was verantwoordelijk voor het concept en de samenstelling van de tentoonstelling, in voortdurend overleg met de ‘eigen’ conservator Renske Cohen Tervaert. In december 2019 werd gestart met het aanvragen van de eerste bruiklenen voor de sleutelwerken. De
overige aanvragen volgden in het voorjaar van 2020. Helaas ging in maart van dat jaar de wereld op slot vanwege Covid-19. Met name voor de aanvragen bij musea in de Verenigde Staten had dit direct consequenties. Het MoMA liet na de ontvangst van het bruikleenverzoek uit Otterlo zo ongeveer per kerende post weten dat het vanwege de gereduceerde staf en budgetten de komende jaren niet meer kon voldoen aan de vele aanvragen. Ook enkele particuliere verzamelaars hebben vanwege de onzekerheden door de coronacrisis geen werken beschikbaar gesteld, ondanks soms al informeel gedane toezeggingen. Veel aanvragen belandden in gesloten musea en op lege bureaus en raakten ‘kwijt’ en moesten soms wel vier keer per post en digitaal opnieuw worden verzonden. En natuurlijk waren er ook aanvragen waarop nooit werd gereageerd, onder meer voor werken van Sonia Delaunay. Dit gebeurt ook in normale tijden, maar in dit geval is het bijzonder spijtig vanwege de nagestreefde deelname van vrouwelijke kunstenaars aan de tentoonstelling. REISBEPERKINGEN
Om de processen in tijden van crisis enigszins overzichtelijk en beheersbaar te houden, is uiteindelijk besloten om de bruiklenen te beperken tot Europa, met uitzondering van twee onmisbare werken: een reliëf van Alexander
Construction in Space (Crystal) Naum Gabo 1937/39. Celluloseacetaat, 220 x 270 x 180 mm
Variété la gare Natalia Goncharova 1912. Olieverf op doek
TATE, LONDEN
PARTICULIERE COLLECTIE, VERENIGD KONINKRIJK
Gelegateerd in 1995 door Miriam Gabo, de weduwe van de kunstenaar.
18 202 3 # 1
Archipenko uit het Tel Aviv Museum of Art en een schilderij van Umberto Boccioni uit het Nakanoshima Museum of Art in Osaka. Ook bij dit museum waren er grote twijfels over de bruikleen, met name omdat gevreesd werd dat het schilderij vanwege de reisbeperkingen voor personen zou moeten reizen zonder een koerier, die normaal gesproken toeziet op het vervoer en de installatie van het werk. De bruikleen werd ten slotte toch toegezegd dankzij het tijdens corona ontwikkelde ‘op afstand, digitaal koerieren’, wat dan weer als een verworvenheid van de pandemie kan worden beschouwd. Ook het bezoeken van potentiële bruikleengevers was aanvankelijk onmogelijk. Pas in een laat stadium kon een bezoek worden gebracht aan de Opera Roma, waar uit duizenden kostuums twee kostuums werden uitgezocht naar ontwerp van Pablo Picasso voor het ballet Parade van de Ballet Russes van Sergei Diaghilev. Op de valreep werd de Fondazione Biagiotti Cigna in Rome bezocht, met zeventien objecten een van de belangrijkste bruikleengevers. PARTNERS GEZOCHT
Gelet op het belang en het internationale karakter van de tentoonstelling lag het voor de hand om een buitenlandse samenwerkingspartner te zoeken, maar ook hier gooide de coronacrisis roet in het eten. Ondanks groot
enthousiasme voor het project moesten twee musea om begrijpelijke, met name financiële redenen afhaken. Nu de effecten van de crisis wat beginnen weg te ebben, is er mogelijk weer zicht op een overnamepartner, maar hierover bestaat nog geen zekerheid. Ondanks alle hobbels, tegenslagen en teleurstellingen die er bij een project van een dergelijke omvang natuurlijk altijd zijn, is de opzet van Het futurisme & Europa gehaald. Dat wil zeggen, de tentoonstelling brengt het ‘futuristische universum’ in de brede context van de Europese avant-garde in beeld door een uitgebreid scala aan objecten uit de periode 1912 tot 1939: van schilderijen en sculpturen tot kinderspeelgoed en daartussenin meubels, tapijten, keramiek, interieur- en toneelontwerpen, kleding, grafisch werk en meer. Natuurlijk zijn de grote Italiaanse futuristen aanwezig, maar ook de overige avant-gardes uit de eerste decennia van de 20ste eeuw zijn rijkelijk vertegenwoordigd met kunstenaars uit heel Europa. Een eeuw na Helene Kröller-Müller is het met de ‘futuristische fase’ alsnog goed gekomen in het Kröller-Müller Museum. Met de komende tentoonstelling wil het museum een nieuwe stap zetten in het denken over het futurisme als een brede, rijkgeschakeerde, internationale beweging. Lisette Pelsers is directeur van het Kröller-Müller Museum
Forze di una strada Umberto Boccioni 1911. Olieverf op doek, 99,5 x 80,5 cm
Volo di rondini Giacomo Balla 1913. Gouache op karton, 49 x 69,5 cm
NAKANOSHIMA MUSEUM OF ART, OSAKA
KRÖLLER-MÜLLER MUSEUM, OTTERLO
Aangekocht in 1971 met steun van de Vereniging Rembrandt.
19 20 23# 1
Binnenkort te zien De tentoonstelling Het futurisme & Europa. De esthetiek van een nieuwe wereld is van 29 april tot en met 3 september 2023 te bezoeken in het KröllerMüller Museum te Otterlo.
Mecenaat in een veranderende wereld
Foto’s: Marijke Phoa
Particuliere betrokkenheid is de basis voor alles wat de Vereniging Rembrandt doet, want zonder de vrijgevigheid van haar leden begint zij weinig. Daarom is het van belang om actuele ontwikkelingen in de gaten te houden en alert te zijn op eventuele kansen en bedrei gingen. Wat zijn bijvoorbeeld de gevolgen van de nieuwe fiscale maatregel die de aftrekmogelijk heden van periodieke giften aan goede doelen beperkt? En hoe ziet de toekomst eruit van het
mecenaat in een veranderende samenleving? We gingen hier over in gesprek met Helleke van den Braber, Katrien van de Linde en Rien van Gendt. GERDIEN WUESTMAN
20 20 23# 1
V.l.n.r. Katrien van de Linde, Helleke van den Braber, Rien van Gendt en Geert-Jan Janse. Op de rug gezien: Mathilde van der Werff.
De directe aanleiding voor het gesprek is de invoering van de beperking van de belastingaftrek voor periodieke schenkingen aan ANBI’s (algemeen nut beogende instellingen) per 1 januari 2023. Deze maatregel is ingevoerd naar aanleiding van een Interdepar tementeel Beleidsonderzoek (IBO) waaruit naar voren kwam dat zeer vermogenden hun belastbaar inkomen sterk kunnen verminderen of zelfs tot nul kunnen terugbrengen door zelf een ANBI op te richten. In een reactie liet het kabinet weten dit onwenselijk te vinden en daarom de aftrek te gaan begrenzen tot € 250.000 per huishouden per jaar. Op het eerste gezicht lijkt dit plafond de goede doelen en ook de Vereniging Rembrandt niet direct te raken. Toch is er aanleiding tot zorg, vindt Geert-Jan Janse, directeur van de Vereniging Rembrandt. In de eerste plaats omdat de maatregel en de argumentatie erachter mecenaat en filantropie in het algemeen in een kwaad daglicht stellen. Wie groots geeft, zal daar wel eigen financiële belangen bij hebben, lijkt de gedachte te zijn – terwijl misbruik van de regeling niet is aangetoond. Daar komt bij dat de invoering van een maximum het voor iedere volgende coalitie makkelijker maakt om de grens naar beneden te verlagen. Om mee te denken over deze en andere actuele
kwesties nodigde hij met Mathilde van der Werff, hoofd Mecenaat van de Vereniging Rembrandt, drie deskundigen op het gebied van mecenaat en filantropie uit: Helleke van den Braber, Katrien van de Linde en Rien van Gendt (zie kader). NEGATIEVE TENEUR
Rien van Gendt reageerde al in november 2022 in een ingezonden artikel in Het Financieele Dagblad op de maximering van de giftenaftrek. De titel die hij boven zijn stuk zette, ‘De afbraak van maatschappelijke, culturele en kerkelijke organisaties door Den Haag’, laat weinig twijfel bestaan over zijn standpunt. Hij valt zijn kritiek kort samen: ‘Het begon allemaal met dat IBO-rapport over vermogensverdeling, met daarin een passage over rijken die hun eigen ANBI oprichten om faciliteiten te scheppen. Eén: een eigen ANBI bestaat niet, zodra er geld in een ANBI is geplaatst kan de oprichter er niet meer over beschikken. En twee: de negatieve teneur die uit dat rapport spreekt, dat mensen die geld geven aan maatschappelijke doelen dat doen voor eigen voordeel. Het is bizar: de overheid schept regels en begint vervolgens over misbruik. Het is onwijs als de regering een besluit neemt met een onbedoeld effect dat negatief is voor de sector. Geen voedselbanken zonder privaat geld, geen nieuwe vleugel in Singer Laren zonder Els Blokker, geen IMC Weekendschool. Het lijkt wel alsof de overheid een gunst verleent, maar waarom belasting betalen over een schenking waar de samenleving van profiteert? Met privaat geld kun je iets doen wat de overheid niet doet.’ De negatieve toon van het rapport en de discussie die daarop
21 20 23# 1
Wantrouwen tegenover de gever is van alle tijden – Helleke van den Braber –
volgde stoorde ook de andere gesprekspartners. Katrien van de Linde: ‘De positie van filantropie in de Nederlandse samenleving is opvallend; in de Verenigde Staten en ook in Groot-Brittannië is het veel meer vanzelfsprekend dat je iets teruggeeft aan de maatschappij. Dat schenken wordt nu op een negatieve manier weggezet. Maar wat blijft er over zonder dit? Heel veel mensen weten niet wat het betekent als het particuliere mecenaat wegvalt, bijvoorbeeld op het gebied van cultuur, natuur en mensenrechten. Dat belang moet wel duidelijk zijn.’ ‘Wantrouwen tegenover de gever is van alle tijden,’ zegt Helleke van den Braber. ‘Grootschalig geven wordt verdacht gevonden. Omdat we vinden dat de enige gift die telt de gift “om niet” is, de onbaatzuchtige gift. Op het moment dat men beseft dat iemand profijt heeft van zijn schenking ontstaat er wantrouwen. In de Verenigde Staten is dat inderdaad veel minder. We kijken met wantrouwen naar een gever die naar buiten wil treden, terwijl je eigenlijk moet zeggen: die gift, daar staat wel iets tegenover, maar die is zo belangrijk dat we die moeten omarmen.’ Het gevaarlijke van die negatieve beeldvorming is dat zij potentiële gevers ontmoedigt, waarschuwt Katrien: ‘Er staat een nieuwe generatie gevers op van jonge mensen die succesvolle bedrijven hebben opgericht. Je kunt je laten afschrik-
Wie is wie? Prof. dr. Helleke van den Braber is hoogleraar mecenaatstudies aan de Universiteit Utrecht vanwege Stichting Geef om Cultuur en universitair hoofddocent bij het Radboud Institute for Culture and History (RICH) aan de Radboud Universiteit. Sinds 2022 is zij lid van de raad van adviseurs van de Vereniging Rembrandt. Drs. Katrien van de Linde is Netherlands director van Human Rights Watch. Eerder werkte zij bij het Stedelijk Museum Amsterdam en in Londen bij Tate Modern en Tate Britain, waar ze zich bezighield met het opzetten van geefstructuren voor deze organisaties. Sinds 2020 is zij lid van de raad van adviseurs van de Vereniging Rembrandt. Dr. Rien van Gendt heeft een adviesbureau op het gebied van filantropie en bekleedt bestuurs- en adviseursfuncties bij verschillende culturele organisaties in binnen- en buitenland. In 2022 verscheen zijn boek Filantropie terug naar de tekentafel. Een toekomstagenda voor fondsen.
ken als toekomstige filantroop als je anderen eerst moet geruststellen over je intenties.’ Rien wijst op een ander mogelijk negatief effect: het risico dat vermogenden zich wel twee keer bedenken voor ze een ANBIstatus aanvragen voor hun stichting nu de fiscale aftrekpost wordt gemaximeerd, en dat de overheid, als vermogenden inderdaad geen ANBIstatus aanvragen, daarmee ook het zicht op de sector verliest. REGULERING
Is het tij nog te keren? Een motie van CDA, VVD, PvdA en 50Plus in de Eerste Kamer, die mede dankzij de inzet van de Vereniging Rembrandt tot stand gekomen is, roept staatssecretaris van Fiscaliteit en Belasting dienst Marnix van Rij op de maatregel niet uit te voeren voordat er onderzoek naar de gevolgen is gedaan en de Kamer over de uitkomsten daarvan is geïnformeerd. Hoewel de zorgen over de belastingwijziging breed worden gedeeld, is het voor de sector moeilijk om zich te verweren tegen maatregelen als deze, consta-
teert Geert-Jan. ‘Er worden harde cijfermatige voorbeelden gevraagd die het negatieve effect op de sector aantonen, maar met dit plafond is dat lastig. Het is een optelsom, en grote gevers zullen nu eerder afzien van het steunen van een aanvullend goed doel. Op termijn zal de hele samenleving daar de nadelige gevolgen van ondervinden.’ Publiciteit zou een rol kunnen spelen in die bewustwording, suggereert Helleke: ‘We hebben een poster boy of girl nodig, iemand die kan laten zien dat schenken iets is om trots op te zijn. Jonge mensen die bereid zijn om een ingezonden stuk te schrijven of bij een talkshow aan te schuiven. Dat het fijn is om te steunen. De kracht die uitgaat van iets met z’n allen doen, de energie die dat uitstraalt. We moeten oog hebben voor wederkerigheid. Bij geven gaat er altijd een tellertje
De in 2022 geopende nieuwe museumvleugel van Singer Laren met de collectie Nardinc, beide geschonken door Els Blokker.
Het is belangrijk om positiviteit over het mecenaat uit te stralen – Katrien van de Linde –
22 20 23# 1
lopen: krijgen we er wel iets voor terug? Dat kan erkenning zijn, of waardering. Dat wantrouwen is er vooral als mensen te veel terug willen of iets te zeggen willen hebben en daarmee de autonomie van een organisatie bedreigen.’ Katrien: ‘Daar wil ik wel een kanttekening bij plaatsen. Macht is iets waar goed naar gekeken moet worden. Bijvoorbeeld in een groot museum, als mensen zeggenschap willen hebben, willen bepalen welke tentoonstellingen er moeten komen en wat er moet worden aangekocht.’ ‘Musea zijn er heel beducht voor dat hun autonomie in het geding komt,’ zegt Helleke. ‘Ze weten niet altijd hoe ze mensen moeten omarmen en tegelijkertijd grenzen moeten stellen. Sommige musea zeggen: gevers willen te veel van ons. Daar moet je heldere afspraken over maken, anders ontstaat er een sfeer van ongemak.’ ‘Tegelijkertijd wil je mensen ook kunnen bedanken voor hun betrokkenheid. Daar wil en mag je alleen niet te veel aan uitgeven. Volgens de ANBI-regels mogen wij als organisatie niet meer dan 10 procent besteden aan tegenprestaties voor de schenker,’ zegt Mathilde van der Werff. ‘Dus wij zijn constant aan het rekenen, wat kan er en wat mag er?’
Foto: Karin Borghouts
FISCALE VOORDELEN
Om het particulier mecenaat te versterken moet het eigenaarschap meer worden aangewakkerd, betoogt Helleke. ‘Het is van belang dat kunstliefhebbers zich meer eigenaar van de kunst voelen, dat kunst niet van de overheid is.’ ‘De overheid heeft geen monopolie op het algemeen nut,’ knikt Rien instemmend. Dat passie, en niet het fiscale voordeel, in de meeste gevallen het primaire motief is om te geven is duidelijk. Toch ervaart de Vereniging Rem brandt dat fiscale regelingen wel degelijk een belangrijke stimulans kunnen zijn, zegt Geert-Jan: ‘Er is een aantal bestaande regelingen, zoals de successieregeling en de multiplier. De successieregeling is in veel gevallen van fundamenteel belang bij de afweging of een kunstwerk aan het openbaar kunstbezit wordt overgedaan of naar de veiling wordt gebracht. Deze regelingen zouden best bekender mogen zijn. Bij kleinere instellingen zijn ze dat soms nog onvoldoende. Wij wijzen particulieren en musea op dat soort constructies en proberen er meer bekendheid aan te geven. In het rapport van de Commissie Collectie Nederland zijn ook enkele fiscale aanbevelingen gedaan om schenken aantrekkelijker te maken. Helaas wordt daar in de beleidsreactie van OCW niet op ingegaan. Vanuit de Vereniging Rembrandt blijven we het pleidooi voeren voor dergelijke regelingen.’ TOEKOMST
Is de goededoelensector, in het bijzonder de organisaties die zich op het gebied van de cultuur begeven, goed voorbereid op de toekomst?
23 20 23# 1
De overheid heeft geen monopolie op het algemeen nut – Rien van Gendt –
Helleke en Rien wijzen op het belang van ongeoormerkt geven en stellen dat vertrouwen in de deskundigheid van de goededoelenorganisaties de basis moet zijn. ‘De Vereniging Rembrandt stimuleert geoormerkt geven juist, bijvoorbeeld via onze Themafondsen,’ merkt Mathilde op. ‘Ik zie het ook wel als een instrument om mensen juist te betrekken bij iets wat hen aan het hart gaat.’ Katrien: ‘Wat ik nog steeds een probleem vind, is dat de culturele sector niet divers genoeg is. Een hele groep groeit op zonder cultuur. In Londen krijgt ieder kind de gelegenheid de collectie in een groot museum te zien. Kan dat ook in Nederland? Zulke initiatieven worden gesteund door de particuliere sector, maar ik zie daar een rol voor de overheid in. Ook voor kinderen in kwetsbare wijken, ook voor het toekomstige mecenaat. En we moeten kijken naar de man-vrouwverhouding in de raden van toezicht en de besturen. Dat vind ik heel belangrijke thema’s.’ ‘Eens,’ reageert Geert-Jan, ‘daar zijn wij ons ook zeer van bewust. en daar wordt ook over nagedacht.’ De opmerkingen van Katrien over diversiteit (Rien: ‘Dat gaat ook om de kwaliteit van de besluitvorming’) en het belang van het betrekken van jongeren vinden bijval bij de andere gesprekspartners. ‘De gevers van de toekomst zijn de jongeren van nu,’ zegt Helleke. ‘Die herkennen zich in andere thema’s. Kunnen we nog van
de jongeren van nu verwachten dat ze later aan musea geven?’ ‘Het is voor ons een uitdaging om relevant te blijven voor de volgende generaties,’ zegt Geert-Jan. ‘Dingen die voor vorige generaties bekender waren, zijn nu niet zo vanzelfsprekend meer. Denk alleen al aan onderwerpen in de beeldende kunst, onderwerpen uit de Bijbel en de mythologie. We zeggen daarom altijd: iedere generatie moet opnieuw voor de oude kunst gewonnen worden. Zo’n doelstelling moet misschien meer prioriteit krijgen.’ ‘Ik denk dat de Vereniging Rem brandt een rol kan spelen in het thema van de jongere generatie,’ zegt Rien, ‘het is goed als dat van jullie komt.’ Ook als het gaat om diversiteit heeft de Vereniging Rembrandt potentie, denkt Katrien: ‘De Vereniging steunt heel diverse aankopen voor diverse organisaties. Maar wat ook van groot belang is, is het imago van het mecenaat. Het is belangrijk voor alle partijen, dus ook voor de overheid, om positiviteit hierover uit te stralen: dít hebben we kunnen doen dankzij deze gift. Het is mooi als donateurs dan zien, bijvoorbeeld bij een aankoop van een museum: dit hebben wíj voor elkaar gekregen.’
NIEUWE AANWINST Phantom Landscape III – Triptych Yang Yongliang 2007. Gicleedruk op papier, drie panelen van elk 50 x 200 cm Bijdrage: € 23.750 uit het Themafonds Fotografie en Video NATIONAAL MUSEUM VAN WERELDCULTUREN Aangekocht in 2022 met steun van Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Themafonds Fotografie en Video).
24 20 2 3 # 1
WILLEMIJN VAN NOORD
Een hedendaags Chinees landschap Op het eerste gezicht lijkt het alsof we kijken naar een drie luik van traditionele Chinese landschapsschilderingen, ge schilderd met inkt op papier of zijde. Maar zodra we een stap dichterbij komen, blijkt dat we te maken hebben met een ingenieuze fotocollage die is opgebouwd uit beelden van stedelijke bebouwing. Mistige bergrotsen blijken te bestaan uit wolkenkrabbers, en wat van veraf bomen leken, zijn in feite bouwkranen en elektrici teitsmasten. Zelfs de rode stempels, die traditiegetrouw door kunstenaars en verzame laars met rode zegelinkt op Chinese schilderingen en kalligrafieën worden gezet, blijken bij nader inzien een verwijzing naar de urbane om geving: het zijn beeltenissen van putdeksels.
25 20 2 3 # 1
Dit monumentale werk van de toonaangevende Chinese kunstenaar Yang Yongliang (geb. 1980), getiteld Phantom Landscape III – Triptych, kon onlangs dankzij de genereuze steun van de Vereniging Rembrandt worden aan gekocht door het Nationaal Museum van Wereldculturen – de fusie van Museum Volkenkunde in Leiden, het Tropenmuseum in Amsterdam en het Afrikamuseum in Berg en Dal, in samenwerking met Wereldmuseum Rotterdam. Deze belangrijke aanwinst biedt het museum de mogelijkheid om zijn gerenommeerde collectie historische en 20ste-eeuwse Chinese kunst te verbinden met het heden. Yang borduurt namelijk voort op een eeuwenoud genre om commentaar te leveren op het hedendaagse China. Shanshui
Het genre waarnaar Yang verwijst heet shanshui [spreek uit: sjaansjwee] wat letterlijk ‘bergen en water’ betekent. Deze landschapsschilderingen met imposante hoge rotsen en waterpartijen in de vorm van rivieren of watervallen be lichamen de werking van het universum volgens de Chinese filosofie van de vijf elementen (hout, vuur, aarde, metaal en water), waarbinnen yin en yang een fundamentele rol spelen. De interacties tussen die elementen sturen de seizoe-
nen en alle fenomenen van de natuur aan. De schilders creëerden visioenen van landschappen die de onmetelijkheid en verscheidenheid van de schepping verbeelden. Het shanshui-genre werd toonaangevend in de Song-dynastie (960-1279), een absolute bloeiperiode voor de Chinese schilderkunst, waar latere kunstenaars zoals Wu Zheng (1878-1949) altijd weer naar terugverwijzen. Het genre werd vooral beoefend door literaten (ambtenaar-geleerden) die vaak in verre provincies gestationeerd waren en alle gelegenheid hadden om het veranderende landschap te observeren tijdens lange reizen van en naar de hoofdstad. Deze literati-kunstenaars streefden in hun landschapsschilderingen niet naar een directe weergave van de werkelijkheid, maar richtten zich op de essentie van de natuur. Het waren gecultiveerde landschappen waarin de kunstenaar zijn innerlijke beleving tot uitdrukking bracht. Yang Yongliang volgt deze traditie. Zijn landschappen zijn niet gewoonweg een impressie van wat hij om zich heen ziet als hij door de stad reist, maar reflecteren zijn beeld van en kritische blik op de hedendaagse samenleving. Door dezelfde beeldtaal te gebruiken als de traditionele Chinese shanshui-kunstenaars herhaalt Yang hun oproep tot de terugkeer naar een harmonieuze balans tussen mens en natuur. Serie Phantom Landscape
Yang is geboren en getogen in Shanghai, een metropool die gedurende zijn leven in een razend tempo is getransformeerd. Hij maakte van dichtbij mee hoe technologische ontwikkelingen, urbanisatie en modernisering onderdeel werden van de manier van leven
26 20 23# 1
Landschapsschildering Wang Shimin, naar 18de eeuw. Inkt op zijde, 134 x 56 cm (exclusief montering) NATIONAAL MUSEUM VAN WERELDCULTUREN
Aangekocht in 1955 met steun van de Vereniging Rembrandt. Landschapsschildering Wu Zheng 1944. Inkt op papier, 132 x 32,5 cm (exclusief montering) NATIONAAL MUSEUM VAN WERELDCULTUREN
in het zich nog altijd snel ontwik kelende China. Yang begon enorme hoeveelheden foto’s te nemen van het stedelijke landschap in zijn omgeving: oude gebouwen, modernere gebouwen van verschillende hoogten, bouwputten, sloopterreinen en een pretpark. Uit zijn inmiddels omvangrijke database met ruw materiaal selecteert hij details die hij bewerkt, bijvoorbeeld door achtergronden te verwijderen en individuele gebouwen uit te knippen. Vervolgens bouwt hij met deze bewerkte details een beeld op om een shanshui-landschap te creëren, op een manier die vergelijkbaar is met de traditionele penseelvoering in inktschilderingen. In Yangs woorden reflecteert dit ‘het ontwikkelingstraject in een doorsnee Chinese stad, alsook de verschillende lagen, fasen en textuur van deze stedelijke ontwikkeling’. Yang begon de serie Phantom Land scape in 2006, met shanshui-achtige werken in verschillende formaten, zoals horizontale stukken die verwijzen naar handrolschilderingen, en kleinere
ronde werken die associaties oproepen met schilderingen op zijde die van oudsher bedoeld waren om te worden gemonteerd als waaiers, maar vaak werden verzameld in albums. De onlangs aangekochte triptiek is het meest monumentale werk in de serie, en heeft daarmee de grootste impact. Door het verticale formaat slaat het visueel ook een sterke brug naar de bestaande collectie van Chinese beeldende kunst in het Nationaal Museum van Wereld culturen, waarvan het overgrote deel uit verticaal gemonteerde hangrolschilderingen bestaat. Complexe en gemengde emoties
Yang werpt in zijn werk vragen op over de verhouding tussen menselijkheid en snelle technologische ontwikkelingen, het dilemma van sociale vooruitgang versus het behoud van cultuur en milieu: ‘Ik houd van de stad om haar vertrouwdheid en de vriendelijkheid, maar ik haat haar nog meer omdat ze te snel verandert, en alles om zich heen in een onvoorstelbaar tempo verzwelgt;
Willemijn van Noord is conservator China van het Nationaal Museum van Wereldculturen
Nu te zien Nieuwsgierig geworden? Van 14 maart tot en met 7 mei is Phantom Landscape III – Triptych te bewonderen in een speciale opstelling in Museum Volkenkunde te Leiden.
27 20 23# 1
Foto: Siepke van Keulen
ik houd van de diepgang en diepzinnigheid van de traditionele Chinese cultuur, maar ik haat haar nog meer omdat ze zo conservatief is en zichzelf zo halsstarrig beperkt.’ Yang zegt deze complexe en gemengde emoties te gebruiken om zijn kunstwerken te maken, en het als een uitdaging te zien twee uitersten in een kunstwerk bijeen te brengen zonder de harmonie uit het oog te verliezen. In plaats van tegenstrijdige elementen rigoureus samen te voegen, bouwt hij naar eigen zeggen een systeem waarbinnen volledig tegengestelde motieven op een harmonieuze manier samen kunnen komen. Phantom Landscape III – Triptych is een esthetisch krachtige kritiek op de snelle urbanisatie en industrialisatie van China die ten koste gaat van de natuur. Daarnaast toont dit werk de huidige relevantie van het meer dan duizend jaar oude shanshui-genre, door te reflecteren op het veranderende landschap en de huidige realiteit. De aankomende maanden wordt het drieluik getoond in Museum Volkenkunde. Vanaf eind 2024 zal het een prominente plek innemen in een tijdelijke tentoonstelling over maakcultuur in China die achtereenvolgens te zien zal zijn in Wereldmuseum Rotterdam en het Tropenmuseum in Amsterdam.
Dichter bij de kunst Als lid van de Vereniging Rembrandt kom je dichter bij de kunst. Voor leden die hun gift toewijzen aan een van de Themafondsen geldt dit zelfs in letterlijke zin, want zij wor den uitgenodigd voor speciale bij eenkomsten rond nieuwe aanwin sten die met een bijdrage uit het Themafonds zijn aangekocht. Zo was er op zondag 11 december 2022 een intieme ontvangst in Museum Volkenkunde naar aanleiding van de aankoop van Phantom Landscape III – Triptych. Rembrandtleden Henk Keijser en Mieke Span waren erbij. Henk Keijser en Mieke Span zijn sinds 2005 lid van de Vereniging Rembrandt. Een jaar of zes geleden sloten ze een Leermeesterlidmaatschap af. Dat stelde hen in de gelegenheid hun schenking aan een specifiek Thema fonds toe te wijzen en daarmee aankopen op hun favoriete verzamelgebied te steunen. De keuze voor fotografie was snel gemaakt, vertelt Mieke: ‘We kijken graag naar kunst en bezoeken veel musea. Of het nu gaat om tentoonstellingen of om kunst voor thuis aan de muur: we merken dat we elke keer weer voor fotografie kiezen.’ ‘Ook de ontwikkeling van de fotografie vinden we interessant,’ vult Henk aan. ‘En hoe een kunstenaar als Breitner bijvoorbeeld fotografeerde, en die foto’s gebruikte voor zijn schilderijen.’
De bijeenkomst in Museum Volken kunde vond ver voor de b ekendmaking van de aankoop plaats, de foto’s van Yang Yongliang waren zelfs nog maar net in Leiden aangekomen. Het museum had speciaal voor de groep Rembrandtleden een kleine presentatie ingericht in het depot. EX TRA VERDIEPING
Voor Henk Keijser en Mieke Span was het de eerste kennismaking met het werk van de Chinese kunstenaar. Ze kijken met veel genoegen terug op de middag in Leiden. ‘Het was heel bijzonder, want we hingen met onze neus boven de werken,’ vertelt Mieke. ‘Normaal houd je gepaste afstand, maar nu konden we echt goed kijken. En het was ook interessant, want de conservator kon heel goed uitleggen hoe de foto’s passen in de traditie van de Chinese kunst en in de collectie van het museum. Er werd veel tijd voor ons genomen en er was ook gelegenheid voor het stellen van vragen. Zo’n ontvangst biedt extra verdieping bij het kijken.’
Voor meer informatie over de verschillende Themafondsen en lidmaatschapsvormen bij de Vereniging Rembrandt zie www.verenigingrembrandt.nl of p. 53.
JENNY REYNAERTS
Wat hebben De serenade en De vrolijke drinker van Judith Leyster, het poëzie album van Gesina ter Borch en een botanische tekening van Maria Sybilla Merian met elkaar g emeen? Behalve dat ze nu alle te bewonderen zijn in het Rijksmuseum – in de Eregalerij of in de tentoonstelling Vrouwen op papier – zijn ze ook allemaal verworven met steun van de Vereniging Rembrandt. Dat laatste geldt ook voor het Stilleven met bloemen op een marmeren tafelblad van Rachel Ruysch. Zonder uitzonde ring bevinden deze werken zich al meer dan honderd jaar in de collectie van het Rijksmuseum.
28 20 23 # 1
Vrouwen in de kunstwereld: blijvend zichtbaar Echtpaar dat elkaar te lijf gaat Gesina ter Borch ca. 1652. Pen in bruin over sporen van zwart krijt, 10 × 15,5 cm RIJKSMUSEUM, AMSTERDAM
Aangekocht in 1886 met steun van de Vereniging Rembrandt.
Het onderzoeksproject De Andere Helft wordt met € 20.000 gesteund door de Vereniging Rembrandt vanuit haar KroeseDuijsters Fonds. Zie hierover ook p. 52.
Hoewel deze kunstenaars bij kenners bekend zijn, zijn hun namen voor het grote publiek nog steeds nieuw. In de historiografie zijn veel vrouwen als het ware uitgegomd, maar ze zijn er natuurlijk wel degelijk. Nu ook musea zich er in toenemende mate bewust van worden dat hun collectie en presentatie kan winnen bij meer inclusiviteit, worden de schijnwerpers gericht op het werk van vrouwelijke kunstenaars. Er verschijnen boeken over individuele kunstenaars, maar ook opvallend veel overzichten, zoals het recent verschenen The Story of Art Without Men van Katy Hessel, dat een correctie wil zijn op het klassieke, maar vrijwel vrouwloze The Story of Art door Ernst H. Gombrich. In tentoonstellingsagenda’s buitelen de exposities over vrouwen – alleen dan wel in groepen – over elkaar heen. Hoewel alle aandacht zeer terecht is, mag wel de vraag gesteld worden of het voortdurend uit- dan wel afzonderen van vrouwen in de kunst zal leiden tot een betere balans over de hele linie. INHA ALSL AG
Ook in het Rijksmuseum wordt een inhaalslag gemaakt. Sinds maart 2021 richt het project ‘Vrouwen van het Rijksmuseum’ zich primair op onderzoek van de collectie en het inbedden van nieuwe kennis in het museale systeem. Met dat laatste bedoelen we niet alleen het aanvullen van onze collectiedatabase met relevante informatie, maar ook het bewustwordingsproces binnen het museum. Doen wij recht aan een evenwichtig verhaal over de kunst en geschiedenis van Nederland, of domineert hier het mannelijk perspectief? En hoe bereiken we een betere genderbalans en presenteren we een completere geschiedenis aan onze bezoekers? Dit gebeurt onder meer door nieuwe verwervingen, een aangepaste presentatie in het
29 20 23# 1
museum en een kritische redactie van onze etiketteksten bij de objecten. Het voornaamste doel is duurzaamheid. De ervaring heeft geleerd dat tentoonstellingen vaak grote aandacht genereren, maar vaak wel van korte duur. Om die reden streeft het Rijksmuseum ernaar de informatie beschikbaar te maken in duurzame bronnen, waardoor het vrouwelijk perspectief een blijvende en vanzelfsprekende overweging wordt in alles wat het museum onderneemt. Het project wordt financieel ondersteund door onder andere het nieuwe, speciaal opgerichte ‘Vrouwen van het Rijksmuseum’ Fonds.1 Met deze steun konden we al twee onderzoekers aanstellen en kan ondergetekende zich vanaf 1 maart volledig aan de leiding van dit project wijden. DRIE PIJLERS
Het onderzoek bestaat uit drie pijlers. Allereerst moeten alle vervaardigers in kaart worden gebracht en hun rol gespecificeerd. Het moge duidelijk zijn dat dit voor een schilderij makkelijker te bepalen is dan voor een prent, waar immers een ontwerper, graveur, etser of lithograaf aan werkt, voordat de prent naar de drukker en uitgever gaat. Vrouwen spelen een rol op al deze niveaus, en het is van belang hun bijdrage in kaart te brengen. Nieuwe vragen stellen we ook als het gaat om het tweede deel van het onderzoek: de verhalen over de vrouwen die met onze objecten verbonden zijn, bijvoorbeeld als afgebeelde of als opdrachtgever. In het kader daarvan werken we samen met dr. Judith Noorman van de Universiteit van Amsterdam, die in haar project ‘The Female Impact’ met een nieuwe blik kijkt naar de bijdrage van vrouwen in het 17deeeuwse verzamelwezen. Met haar bedachten we de werkgroep ‘De vrouw van’, en vroegen aan studenten om gegevens te achterhalen
over vrouwen op pendantportretten waarbij alleen de identiteit van de man bekend was. Soms was er een naam beschikbaar, waardoor genealogisch onderzoek mogelijk was, soms een maatschappelijke positie, zoals die van de admiraals- of brouwersvrouwen. In korte tijd leverde dit waardevolle bijdragen op. Op deze weg voortgaand hopen we meer te kunnen vertellen over b ijvoorbeeld Haesje Jacobsdr van Cleyburg, geschilderd door Rembrandt, wier portret bij het honderdjarig jubileum van het Rijksmuseumgebouw verworven werd met steun van de Vereniging Rembrandt. Nu staat zij slechts vermeld als echtgenote van een Rotterdamse bierbrouwer, maar door onderzoek van Femke Valkhoff naar Maritge Vooght, eveneens uit een bierbrouwersgeslacht, weten we nu dat dit veel meer behelsde dan slechts ‘de vrouw van’ te zijn.2 En ook over Catharina van der Voort, op
De serenade Judith Leyster 1629. Olieverf op paneel, 47 × 34,5 cm RIJKSMUSEUM, AMSTERDAM
Aangekocht in 1908 met steun van de Vereniging Rembrandt.
Tulp, twee takken mirte en twee s chelpen Maria Sibylla Merian, toegeschreven aan Ongedateerd. Penseel in waterverf en dekverf over sporen van grafiet, op perkament, 33,6 × 24 cm RIJKSMUSEUM, AMSTERDAM
Aangekocht in 1989 met steun van de Vereniging Rembrandt. Portret van Haesje Jacobsdr van Cleyburg Rembrandt 1634. Olieverf op paneel, 68,6 x 53,4 cm RIJKSMUSEUM, AMSTERDAM
Aangekocht in 1985 met steun van de Vereniging Rembrandt, de Stichting Jubileumfonds Rijksmuseum, de Staat der Nederlanden, de Rijksmuseum-Stichting, de Grote Loterij Nederland, de Stichting Klaver Vier, de Stichting Teleslag, bedrijven en particuliere begunstigers.
een portret door Abraham van den Tempel, is vast meer te vertellen dan alleen iets over haar prachtige kleding. Getrouwd met Pieter de la Court, belangrijk lakenkoopman, spraakmakend politicus en dichter, zal haar leven uit meer hebben bestaan dan het aantrekken van mooie japonnen. Zo verdienen vele geportretteerden een beter verhaal. DE ANDERE HELF T
Bij de derde pijler worden de bij dragen onderzocht van vrouwelijke medewerkers in het verleden en die van vrouwelijke schenkers. Het onderzoek naar de medewerksters van het Rijksmuseum wordt uitgevoerd door dr. Rachel Esner van de Univer siteit van Amsterdam en valt onder het platform De Andere Helft, een samenwerking opgericht door het Rijksmuseum, de Universiteit van Amsterdam, het RKD/Nederlands
30 202 3 # 1
Instituut voor Kunstgeschiedenis, het Stedelijk Museum Amsterdam en Museum Boijmans Van Beuningen. De Andere Helft richt zich op alle vrouwen die de kunstmarkt bevolken, maar geen vervaardiger zijn. Denk daarbij aan critici, conservatoren, kunsthandelaren, modellen en verzamelaars. De te onderzoeken periode is ca. 1780-1980, vanaf de oprichting van Teylers Museum tot aan de jaren tachtig van de 20ste eeuw, toen museumdirecteuren Liesbeth Brandt Corstius en Josine de Bruyn Kops op grote schaal museale aankopen van vrouwelijke kunstenaars deden. Een belangrijke groep binnen het project zijn de vrouwelijke schenkers aan het openbaar kunstbezit, de zogenaamde Collectie Nederland. Hun namen gaan echter vaak schuil achter de handtekening van hun echtgenoot, omdat vrouwen tot 1957 handelingsonbekwaam waren en geen rechtsgeldige handtekening hadden. De Andere Helft probeert hen en hun schenkingen uit de archieven op te duiken. Dit is een nauwelijks ontgonnen onderzoeksterrein en zou een mooie kans kunnen bieden aan jonge onderzoekers. Museummede werkers ontbreekt het vaak aan tijd voor zulk onderzoek. Desondanks hebben zich inmiddels zo’n twintig Nederlandse kunstmusea aange sloten die meer willen weten over het aandeel van vrouwen in hun eigen geschiedenis. Wanneer al deze informatie in de databases van het RKD wordt ingevoerd, is de informatie voor iedereen online toegankelijk. Een van de voorzichtige eerste conclusies van deze kennisuitwisseling is dat vrouwen vaker aan meer instellingen schonken en zo hun erfgoed verdeelden. Helene Kröller-Müller, Anna Singer en Henriëtte Polak zouden wel eens de uitzondering op die regel kunnen zijn. Ook netwerken worden onderzocht. Binnen de sectie De Andere
Helft van de Onderzoeksschool Kunstgeschiedenis doet promovendus Mariëlle Ekkelenkamp aan de UvA onderzoek naar de deelname van vrouwen aan verzamelaarsen schenkersnetwerken. Haar eerste deelonderzoek richt zich op de vrouwen die lid waren van de Vereniging Rembrandt. Vervaardigers, geportretteerden, opdrachtgevers, museumprofessionals en schenkers: de kunstwereld wordt, meer dan sommige andere circuits, bevolkt door vrouwen. Nu is het tijd dat blijvend zichtbaar te maken. Jenny Reynaerts is senior conservator schilderijen in het Rijksmuseum en voorzitter van de projectgroep ‘Vrouwen van het Rijksmuseum’
Noten 1. Dit project wordt mede mogelijk gemaakt door het Susi Zijderveld Fonds, het Familie Krouwels Fonds, het Machteld Vos & Willem Sijthoff Fonds, het Kind Courage Monique Maarsen Fonds en het ‘Vrouwen van het Rijksmuseum’ Fonds. 2. F. Valkhoff, ‘“Vrouwen die brouwen”: The Life and Work of Maritge Claesdr Vooght’, The Rijksmuseum Bulletin 71 (2023), nr. 1 (themanummer Vrouwen), pp. 32-41.
Ruim 17.000 leden telt de Vereniging Rembrandt. In elk Bulletin stelt ze twee van hen voor. Op deze pagina Pauline Geskes (33 jaar), fondsenwerver, lid van de Vereniging Rembrandt sinds 2018.
Rembrandtlid persoonlijk
Opvallende aanwinst ‘De vaandeldrager van Rembrandt. Omdat het een enorme verrijking van de Collectie Nederland is, maar ook vanwege de tour. Fantastisch dat hij door alle provincies reist zodat iedereen de mogelijkheid krijgt om hem te bekijken. Ik hoop dat zoiets in de toekomst vaker wordt gedaan.’ Museum binnenland ‘Singer Laren vind ik een heerlijk museum. Of je nu de vaste collectie bekijkt of een tentoonstelling, het is altijd een feest om er rond te lopen. Dat komt ook door het totaalplaatje: het museum, de tuin door Piet Oudolf en de beelden daarin.’ Museum buitenland ‘Tate Modern in Londen verveelt nooit. Met name de jaarlijkse tentoonstellingen in de Turbine Hall zijn telkens weer de moeite waard. Van Olafur Eliasson tot Ai Weiwei, allemaal grote, verrassende installaties waar de ruimte zich perfect voor leent.’
31 20 23# 1
Kunst thuis ‘Dat is een goed gebalanceerd geheel van antiek en modern. Mijn man restaureert antieke meubelen en ik houd van moderne en hedendaagse kunst, dus bij ons zie je bijvoorbeeld een 18de-eeuwse secretaire met een zigzagstoel van Rietveld ervoor. We kijken en verzamelen samen.’ Tekstbord of audiotour ‘Voor of na een museumbezoek iets lezen of een podcast luisteren vind ik fijn, maar tijdens ga ik liever zelf op ontdekkingstocht. Ik wil door de kunstwerken aan gesproken worden, zonder daarbij afgeleid te worden.’ Graag zien ‘De tentoonstelling over Kees van Dongen die nu in Singer Laren is. Ik houd van zijn kleuren en van de kracht die uit zijn werk spreekt.’ Verborgen schatten ‘Musea zouden meer kunstwerken uit hun depots moeten laten zien, door werken zelf te tonen of uit te lenen. Een tentoonstelling met alleen werken uit het depot kan voor het publiek volgens mij heel leuk zijn.’ Interessante ontwikkeling ‘Het is goed dat musea steeds vaker hun keuzes uitleggen en aandacht besteden aan de context waarin een werk is ontstaan en gekocht. Eerlijk naar het verleden kijken met de blik van nu.'
Foto: Sander van den Bosch
Vereniging Rembrandt ‘In 2018 ben ik gevraagd voor het bestuur van JongRembrandt, om jonge enthousiaste kunstliefhebbers bij de Vereniging Rembrandt te betrekken. Inmiddels ben ik met veel plezier lid van de Caius-cirkel. Het leuke van lid zijn is dat je vaak net iets meer ziet en kijkjes achter de schermen krijgt.’
Wetenschappelijk onderzoek naar de collectie is essentieel, vindt de Vereniging Rembrandt. Daarom verstrekt zij elk jaar beurzen waarmee jonge kunsthistorici het vak kunnen leren. Naomi Bisping tijdens de herinrichting van de Antal-Begeer-zaal in het Nederlands Zilvermuseum
In het interbellum deden de eerste vrouwelijke zilverontwerpers hun intrede bij de zilverfabrieken die later zouden fuseren tot Van Kempen & Begeer. Deze ontwerpsters, van wie er enkelen uit het buitenland kwamen, waren vaak echte pioniers binnen hun vakgebied. Naar hun betekenis voor Van Kempen & Begeer en voorgangers was nooit onderzoek gedaan. Een beurs vanuit het Ekkart Fonds van de Vereniging Rembrandt stelde het Nederlands Zilvermuseum in de gelegenheid de jonge onder zoekster Naomi Bisping aan te stellen om in deze materie te duiken.
NAOMI BISPING
Pioniers in zilver Met de aankoop van een aanzienlijk deel van de bedrijfscollectie van Van Kempen & Begeer in 2019, waarvan zeven topstukken met steun van de Vereniging Rembrandt zijn verworven, kwamen belangrijke werken van vrouwelijke ontwerpers in de collectie van het Nederlands Zilvermuseum terecht. Dit ging om stukken van – in volgorde van indiensttreding – Christa Ehrlich (1903-1995), Ans van Zeijst (1906-1988), Emmy Roth (1885-1942), Toos den Hartoog-Muijsert (1911-1961), Helga Kern (1927-2016) en Kirsten Begeer-Baatrup (1929-1981). Deze vrouwen maakten tussen 1927 en 1965 ontwerpen voor gebruikszilver die voldeden aan de artistieke visies van de fabrieksdirecteurs en de eisen van de klant. Tegelijkertijd werkten ze binnen de mogelijkheden en beperkingen die er in deze periode waren voor enerzijds werkende vrouwen en anderzijds de zilverindustrie. De centrale vraag van mijn onderzoek,
32 202 3# 1
dat in 2022 werd uitgevoerd, was welke rol deze ontwerpsters voor het imago van Van Kempen & Begeer en rechtsvoorgangers speelden. OP ZOEK NA AR BRONMATERIA AL
Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden, ben ik op zoek gegaan naar de beweegredenen om de ontwerpsters in dienst te nemen, hun ontwerpproces en de publieke reacties op hun werken. De belangrijkste bronnen hiervoor waren het bedrijfsarchief van Van Kempen & Begeer en rechtsvoorgangers, dat in het RKD in Den Haag bewaard wordt, en de geschreven pers. Het bedrijfsarchief bevat niet alleen een grote hoeveelheid ontwerptekeningen, maar ook documenten over personeels- en bedrijfszaken en briefwisselingen. Verder was de geschreven pers een cruciale bron voor de receptie van deze ontwerpsters en hun werken.
Koffie- en theeservies Emmy Roth 1939. Zilver, H 16 cm NEDERLANDS ZILVERMUSEUM, SCHOONHOVEN
Schaal of jardinière Christa Ehrlich ca. 1928-39. Zilver en glas, Ø 19,5 cm NEDERLANDS ZILVERMUSEUM, SCHOONHOVEN
‘EEN NIEUWEN STIJL’
In 1960 fuseerden de Zilverfabriek in Voorschoten en Gerritsen & Van Kempen in Zeist. Deze twee zilverfabrieken hebben een lange geschiedenis en groeiden in de tweede helft van de jaren 1920 uit tot grote concurrenten van elkaar. In beide fabrieken werden vanaf de late 19de eeuw regelmatig vrouwen in dienst genomen.
33 202 3# 1
De functies die ze bekleedden waren echter alle op kantoor of op lagere posities binnen het productie proces, zoals polijster. Onder leiding van Carel J.A. Begeer in Voorschoten en Anton van Kempen in Zeist kwam hier verandering in en werden vanaf 1927 voor het eerst vrouwen in dienst genomen die in hun functie als ontwerper een essentiële rol speelden voor de productie van gebruikszilver en de artistieke receptie ervan. Met Christa Ehrlich – een leerlinge van de Weense ontwerper-architect Josef Hoffmann – en de Duitse Emmy Roth haalde Begeer twee ontwerpsters naar Voorschoten die niet alleen zijn visie op industrieel vervaardigd gebruikszilver konden vertalen in ontwerpen, maar tegelijkertijd ook een nieuwe stijl in Nederlands gebruikszilver introduceerden, geïnspireerd door de Wiener Werkstätte en het Bauhaus. Hun werken behoren tot de beste voorbeelden van het functionalisme in Nederlands gebruikszilver. Hoe verrassend hun ontwerpen destijds waren, blijkt uit talrijke recensies. In 1929 schijft F. van Biestraten over Ehrlich: ‘En zoo is deze fabriek er plotseling in geslaagd, dankzij deze Oostenrijksche
Kandelabers en fruit- of bloemschaal Toos den Hartoog-Muijsert 1947/59. Zilver, H 29 cm; Ø 26 cm NEDERLANDS ZILVERMUSEUM, SCHOONHOVEN
‘Het Nederlands Zilvermuseum is een klein museum met grote ambities. Dankzij de steun van de Vereniging Rembrandt kunnen wij onze ambities
waarmaken.’ – Marcel Teheux directeur Nederlands Zilvermuseum –
rtiste, een nieuwen stijl te scheppen, die volkomen a aansluit aan de heerschende kunstbegrippen van dezen tijd’.1 Hoewel hun objecten machinaal werden geproduceerd, werden deze ontwerpsters doorgaans als kunstenaars beschouwd. Zo werd Roth, die nog soberder ontwerpen maakte dan Ehrlich, als beeld houwer omschreven.2 FRANSE EN DEENSE INVLOEDEN
Door de aanstelling van Ans van Zeijst kwam in Zeist een ontwerpster in dienst met wie de fabriek met die in Voorschoten kon concurreren. Zoals zij in een interview uit 1951 beschrijft, trok het grafische werk Van Zeijst echter meer en verliet zij de fabriek na drie jaar.3 Na de oorlog verzwakte het enthousiasme voor het strakke functionalisme: in Zeist getuigden de ontwerpen van Toos den Hartoog-Muijsert van een Frans georiënteerd modernisme, terwijl Kirsten Begeer-Baatrup Deense invloeden naar Voorschoten bracht. Al deze ontwerpsters hebben een significante bijdrage geleverd aan het vooruitstrevende en innovatieve imago dat de beide zilverfabrieken in de 20ste eeuw opbouwden. Ze verdienen daarom meer aandacht. Met mijn onderzoek heb ik daar op verschillende manieren aan bijgedragen. Zo was ik betrokken bij de kleine presentatie van werken van Christa Ehrlich in
34 202 3# 1
2022, naar aanleiding van de aanwinst van een door haar ontworpen mokkakan. Bij de vaste opstelling van het Nederlands Zilvermuseum, die naar aanleiding van dit onderzoek is aangepast, is een themarondleiding gekomen over vrouwelijke smeden en ontwerpers van de 19de eeuw tot heden. Verder volgt later dit jaar een wetenschappelijk artikel over dit onderwerp en organiseert het Nederlands Zilvermuseum op 30 maart 2023 een symposium waarop het onderzoek gepresenteerd wordt: ‘Made by her. Vrouwelijke ontwerpers van metaalkunst in de eerste helft van de twintigste eeuw’ (meer informatie hierover is te vinden op www.zilvermuseum.com/symposium). Naomi Bisping is thans junior conservator van het Nederlands Zilvermuseum
Noten 1. F. van Biestraten, ‘Over het werk van Christa Ehrlich. Nieuwe schoonheid in zilver’, Op de hoogte 26 (1928) 8, pp. 229-30. 2. O. Bloch, ‘Zilver en sieraden van Emmy Roth’, Maandblad
voor beeldende kunsten 17 (1940) 10, p. 275. 3. L. Vierkens, ‘Ans van Zeyst en haar grafisch werk’, De vrouw en haar huis 45 (1951), p. 173.
Geen kunstwerk of er zijn verschillende interpretaties mogelijk. Joke de Wolf gaat op zoek naar de extra betekenis van een werk dat momenteel in de schijnwerpers staat.
Enerzijds, anderzijds JOKE DE WOLF
New York ondersteboven ‘Schilderij van Mondriaan hangt al decennia op zijn kop’, kopte de NOS afgelopen oktober. Het is zo’n bericht uit de categorie: ‘schoonmaker gooit kunst per ongeluk weg’. Websites en tv-programma’s die zelden aandacht hebben voor kunst en cultuur, smullen van zulke berichten – alsof het nieuwtje onthult dat kunstmusea hun eigen kunst ook niet begrijpen. Het bericht klopte. Het kunstwerk New York City I uit 1941 van Piet Mondriaan heeft tientallen jaren ondersteboven gehangen, zo concludeerde conservator Susanne Meyer-Büser op basis van de compositie, en omdat er een foto is van Mondriaans atelier, kort na diens dood in 1944 genomen, waarop het schilderij andersom is te zien. Het werk, dat sinds 1980 in bezit is van de Kunst sammlung Nordrhein-Westfalen, bestaat uit gekleurde horizontale en verticale lijnen tegen een witte achtergrond. Net als bij de Victory Boogie Woogie is aan de lijmresten en aan losse stukjes tape duidelijk te zien hoe Mondriaan bleef zoeken naar de juiste balans in voor en achter elkaar kruisende kleuren. De kunstenaar heeft New York City I nooit gesigneerd, waardoor het niet opviel dat het werk verkeerd om hing. Het zou ook kunnen dat Mondriaan er zelf ook nog niet uit was wat de bovenkant moest zijn – vandaar dat musea ‘onvoltooid’ achter de titel zetten. Mondriaan deed er alles aan om elke driedimen sionale illusie te vermijden in zijn kunst. Het schilderij bevat geen herkenbare voorwerpen die ‘rechtop’ moeten staan. Toch suggereert Meyer-Büser dat bij het ‘verkeerde’ aanzicht – dus op z’n kop – de suggestie gewekt kan worden dat de vele lijnen onderin een horizon verbeelden, en dat je erboven de New Yorkse flatgebouwen ziet verrijzen die zo’n indruk hadden gemaakt op de kunstenaar. Als je het werk andersom zou hangen, kan je in de vele donkere strepen bovenin een donkere lucht herkennen, met op de voorgrond de wolkenkrabbers. Voorlopig blijft dat nieuwe perspectief een gedachteexperiment: als het doek nu opeens zou worden om gedraaid, zou de tape ervanaf vallen. Kunstwerken belanden vaker per ongeluk ondersteboven aan de museummuur. Het schilderij Boomwortels van Vincent van Gogh werd, toen het nog in het Stede lijk Museum Amsterdam hing, gezien als een abstract
35 202 3# 1
werk dat Van Gogh als een experiment in de art-nouveaustijl had gemaakt. Niks experiment, het bleek op z’n kop te hangen. Onlangs is de boomstronk teruggevonden die Van Gogh heel precies heeft nageschilderd. Ook zijn er kunstenaars die hun toeschouwers met opzet laten duizelen. De Duitse kunstenaar Georg Baselitz schilderde veel van zijn doeken ‘op z’n kop’ en liet ze ook zo hangen. ‘Dan bevrijdt het beeld zich van het gewicht van de traditie,’ zei hij. Precies dat is nu ook gebeurd met het werk van Mondriaan. Door de discussie over wat de goede kant boven is, blijft het beeld met de lijnen voorlopig nog wel even onderwerp van discussie. En kijken we er vanaf nu nét even anders naar. In het Fotomuseum Den Haag is tot en met 21 mei de tentoonstelling Strike a Pose. Mondriaan en fotografie te zien.
New York City I (onvoltooid) Piet Mondriaan 1941. Olieverf en papier op doek, 119 x 115 cm KUNSTSAMMLUNG NORDRHEIN-WESTFALEN, DÜSSELDORF
INGEBORG DE ROODE
Een confronterende boodschap
Maatschappelijk engagement staat hoog op de agenda van het Stedelijk Museum Amsterdam. De aankoop van Volkswagen Beetle 1980 past daar goed bij. Het werk zet ons op een originele en poëtische manier aan het denken over de impact van de mens op de omgeving.
36 202 3 # 1
NIEUWE AANWINST Volkswagen Beetle 1980 Drift 2018. Div. materialen, 105 x 311 x 134 cm (sokkel: 60 x 400 x 170 cm) Bijdrage: € 45.000 STEDELIJK MUSEUM AMSTERDAM
Foto: G.J. van Rooij
Aangekocht in 2022 met steun van de Vereniging Rembrandt.
Het Stedelijk Museum kocht vorig jaar Volkswagen Beetle 1980 uit de serie Materialism van DRIFT. Voor deze beeldend sterke installatie is een Kever uit 1980 uit elkaar gehaald. Van alle materialen is vervolgens de hoeveelheid bepaald en een rechthoekig blok met een verhouding van 1:1:2 gemaakt. Dat resulteerde in 41 blokken van evenzovele materialen, van groot naar klein: katoen, polyurethaan, paardenhaar, staal, rubber, teer, aluminium, houtpoeder, Tectyl, glas, polyoxymethyleen (POM), lakverf, polyvinylchloride (PVC), zuur, aluminium-magnesiumlegering, papier, smeer, motorolie, tandwielolie, polyamide, acrylonitril-butadieenstyreen (ABS), remvloeistof, lood, polymethylmethacrylaat (PMMA), rvs, koper, bakeliet, hogedichtheidpolyetheen (HDPE), kurk, messing, glaswol, porselein, plexiglas, polybutyleentereftalaat (PBT), magneet, kit, grafiet, Vitrite, blik, chroom, wolfraam. De sokkel waarop de blokken staan verwijst naar de maat van de oorspronkelijke auto. Behalve een Kever ontleedde DRIFT in de loop der jaren ook andere voorwerpen, waaronder een stofzuiger, een potlood, een waterfles en lampen. De installaties zijn te beschouwen als driedimensionale infographics. De serie Materialism refereert niet alleen aan de maakbaarheid van onze wereld, maar toont ons ook in detail waarvan voorwerpen worden gemaakt en kan ons doen beseffen welke onwaarschijnlijke hoeveelheden grondstoffen we aan de aarde onttrekken. Zonder al te nadrukkelijk met een vingertje te zwaaien, laat DRIFT ons met dit poëtische werk stilstaan bij de impact die de mens op onze omgeving heeft. Natuur, mens en technologie
DRIFT (voorheen Studio Drift) werd in 2007 opgericht in Eindhoven door Lonneke Gordijn (1980) en Ralph Nauta (1978). Het Stedelijk volgt vanaf het begin de ontwikkelingen in hun werk. Inmiddels werken Gordijn en Nauta vanuit Amsterdam-Noord met een multidisciplinair team van ruim zestig medewerkers aan ervaringsgerichte sculpturen, installaties en performances. Centraal in het werk van DRIFT staat de relatie tussen natuur, mens en technologie. De natuur speelt op verschillende niveaus een rol. Vaak vormen natuurlijke processen en hun onderliggende principes een belangrijke basis voor hun werk, zoals in Franchise
37 20 2 3 # 1
Lonneke Gordijn en Ralph Nauta onder de Drifter (2008-17), een zwevend betonblok. Campagnebeeld voor de tentoonstelling Coded Nature in het Stedelijk Museum Amsterdam, 2018.
Foto: Tom Cornelissen
Freedom (2017), een performance met minstens 300 drones waarvan de bewegingen op het vlieggedrag van een zwerm spreeuwen zijn geïnspireerd. Andere keren passen Gordijn en Nauta elementen uit de natuur of daarvan afgeleide vormen direct toe, zoals in het eerste belangrijke werk Fragile Future, waarin pluizenbollen van paardenbloemen op ledlampjes zijn geplakt – het werk groeide in de loop der tijd van een relatief eenvoudig lichtobject uit tot een ruimtevullende installatie. De eerste aankoop door het Stedelijk van een werk van DRIFT betrof Fragile Future Chandelier 3.5 uit 2012. Dit object ver tegenwoordigt precies de fase waarin het lichtobject zich met behulp van modules ging ontwikkelen tot grote transparante installaties. Actueel thema
Volkswagen Beetle 1980, dat focust op de impact van mens en technologie op de natuur, is het tweede sleutelstuk uit het oeuvre van DRIFT dat in de collectie van het Stedelijk is opgenomen. Het is de eerste, meest monumentale installatie uit de Materialism-serie en daarmee ook die met de meeste impact. Met deze serie heeft DRIFT een nieuwe stap gezet door een sterke beeldende kwaliteit te koppelen aan een inhoudelijk relevant en zeer actueel thema. Bijna vijf jaar na de introductie van de serie tijdens hun eerste museale solotentoonstelling, Studio Drift. Coded Nature in het Stedelijk, is de klimaatcrisis niet meer uit ons collectieve bewustzijn weg te denken. Een bewuster materiaalgebruik kan een positieve bijdrage leveren aan de bestrijding van deze voor mens en aarde bedreigende ontwikkeling. De installatie is een belangrijke aanvulling op de collectie van het Stedelijk, waarin de ontwikkeling van materiaalgebruik, de invloed van de mens op de wereld en de aandacht voor duurzaamheid en de klimaatcrisis steeds meer worden gethematiseerd. Ook voor de Collectie Nederland is het van belang dat er naast de site specific-installaties in het Rijksmuseum en Museum Voorlinden een werk van het internationaal zeer succesvolle collectief DRIFT in een openbare collectie is opgenomen. Na een eerste presentatie in de zomer van 2022 is het werk vanaf 17 juni weer een aantal maanden te zien in het Stedelijk. Ingeborg de Roode is conservator van het Stedelijk Museum Amsterdam
38 20 23# 1
Fragile Future Chandelier 3.5 DRIFT (gemaakt in beheer van Carpenters Workshop Gallery) 2012. Fosforbrons, paardenbloemzaden, ledlampen. STEDELIJK MUSEUM AMSTERDAM
Aangekocht in 2015 met steun van het Mondriaan Fonds.
Ruim 17.000 leden telt de Vereniging Rembrandt. In elk Bulletin stelt ze twee van hen voor. Op deze pagina Marc-Jan van Laake (52 jaar), kunstadviseur, lid van de Vereniging Rembrandt sinds 2022.
Rembrandtlid persoonlijk Eerste kunstervaring ‘Mijn moeder nam me vroeger vaak mee naar musea. Toen ik negen was bezochten we een tentoonstelling over Alberto Giacometti in de Commanderie van Sint-Jan in Nijmegen, de voorloper van Museum Het Valkhof. Die langgerekte beelden vergeet je niet licht.’ Opvallende aanwinsten ‘De aankoop van de collectie van Jan van der Heyden door Stadsarchief Amsterdam en het Amsterdam Museum. Bijzonder dat deze werken altijd in de familie zijn bewaard. En, omdat ik een fotoliefhebber ben: het materiaal uit de nalatenschap van Ed van der Elsken dat in 2020 werd aangekocht door het Nederlands Fotomuseum en het Rijksmuseum.’ Museum binnenland ‘Ik ben dol op Teylers Museum, een magische plek waar de geschiedenis van de wetenschap en de kunst samenkomt. Het bereiken van jong publiek is iets waar veel musea mee worstelen. Het Teylers lijkt voorzichtig en op een natuurlijke manier aansluiting te vinden bij de huidige tijd, zonder de standaarden te verlagen.’
39 20 23# 1
Museum buitenland ‘Het Metropolitan Museum in New York is voor mij absoluut nummer 1. Qua opzet en ambitie is het vergelijkbaar met het Louvre, maar waar je daar verdrinkt in het formaat en het aanbod, weet men het Metropolitan intiem te houden. Of de tentoonstelling nou gaat over wandtapijten, Aziatische keramiek of vooroudermaskers, de standaard ligt altijd hoog.’ Onderschat ‘Shinkichi Tajiri behoort met Carel Visser tot onze belangrijkste modernistische beeldhouwers. Absurd dat er na zijn overlijden in 2009 geen belangrijke overzichtstentoonstelling is geweest van zijn veelzijdige oeuvre.’ Screensaver ‘Op mijn telefoon staat Het vrolijke ritme van de stad van Corneille uit 1949 en op mijn desktop een werk van Rafaël Rozendaal. Deze kunstenaar maakt al jaren generatieve websites als kunstwerk en tegenwoordig ook nft’s [non-fungible tokens].’ Helaas gemist ‘Een meesterwerk dat wij ons nooit hadden mogen laten ontglippen is Clair de lune van Breitner, een mystiek nachtschilderij. In 1989 werd het geveild en iedereen zat te slapen. Nu hangt het in Parijs in Musée d’Orsay en dat is natuurlijk ook een ereplaats.’
Foto: Sander van den Bosch
Vereniging Rembrandt ‘Sinds 2005 geef ik aan de Vrije Universiteit gastcolleges over de kunstmarkt. Via een van de docenten raakte ik betrokken bij de Vereniging Rembrandt.’
LAURENS MEERMAN
De Vermeer die niet mocht ontbreken Vorige maand opende de grote Vermeertentoonstelling in het Rijksmuseum met daarin natuurlijk ook Het melkmeisje, waarvan de aankoop werd gesteund door de Vereniging Rembrandt. Een mooie gelegenheid om eens stil te staan bij een opmerkelijke discussie rond het aankoop proces. Stel, u kreeg de kans om terug in de tijd te reizen en u kon één werk van Johannes Vermeer kopen: Het straatje of Het melkmeisje. Welk schilderij zou u kiezen? De Nederlandse kunstkenner Frits Lugt had het wel geweten. In 1907 schreef hij een beschouwing over beide schilderijen, destijds nog in het bezit van de familie Six. Lugt was duidelijk een grotere fan van Het straatje dan van Het melkmeisje, dat volgens hem ten onrechte doorging voor hét meesterwerk van Vermeer. Als bewijs noemt Lugt een aantal andere Vermeers die minstens zoveel - ‘zo niet méér’ – aanspraak zouden kunnen maken op die titel. En inderdaad, het oeuvre van Vermeer bevat veel mooie schilderijen. Maar vond Lugt een schilderij als de Vrouw met schenkkan in New York oprecht een betere Vermeer dan Het melkmeisje? Er was nog iets anders aan de hand: Het melkmeisje stond op het punt te verhuizen. De Nederlandse staat overwoog het schilderij aan te kopen van de familie Six in een kostbare packagedeal met 38 andere schilderijen van uiteenlopende kwaliteit – selectie was niet mogelijk. Over die voorgenomen aankoop gaat Lugts beschouwing. Zijn mening is helder: de deal was niet goed. Vanwege de bijvangst aan schilderijen en vanwege het bedrag dat voor het geheel moest worden neergeteld. De aankoop van Het melkmeisje voor het Rijks museum was zeer wenselijk, maar niet noodzakelijk, vond Lugt. Daarom mocht de overheid het risico nemen dat het schilderij naar het buitenland zou gaan. Doe alleen een riant bod op Het melkmeisje, adviseerde
40 20 2 3 # 1
Het melkmeisje Johannes Vermeer ca. 1660. Olieverf op doek, 45,5 x 41 cm RIJKSMUSEUM, AMSTERDAM
Aangekocht in 1908 met steun van de Vereniging Rembrandt. Gezicht op huizen in Delft, bekend als ‘Het straatje’ Johannes Vermeer ca. 1658. Olieverf op doek, 54,3 x 44 cm RIJKSMUSEUM, AMSTERDAM
Geschonken in 1921 door de heer H.W.A. Deterding, Londen. Vrouw met schenkkan Johannes Vermeer ca. 1662. Olieverf op doek, 45,7 x 40,6 cm METROPOLITAN MUSEUM OF ART, NEW YORK
Geschonken in 1889 door Henry G. Marquand (Marquand Collection).
hij. En liep dat mis? Jammer, maar dan was niet alles verloren. Want het beste moest nog op de kunstmarkt komen: Het straatje. Dat schilderij vond Lugt belangrijker, want qua onderwerp veel zeldzamer dan Vermeers figuurstukken, waarvan de Nederlandse musea er bovendien al meerdere konden tonen. Dat het enige andere bewaard gebleven stadsgezicht van Vermeer, het Gezicht op Delft, al eigendom was van een Neder lands museum, vond Lugt geen bezwaar. Dat schilderij was in 1822 neergestreken in het Mauritshuis, als eerste werk van Vermeer in het Nederlands openbaar kunstbezit. Op het moment van Lugts schrijven bezat het Mauritshuis nog twee andere schilderijen van de kunstenaar: Diana en haar nimfen en het Meisje met de parel. Daarbij vergeleken was het Rijksmuseum er vooralsnog wat bekaaid af gekomen. Vanaf 1885 had het museum de Brieflezende vrouw in langdurig bruikleen van de stad Amsterdam. Een teer en gevoelig schilderij, schreef de kunsthistoricus Cornelis Hofstede de Groot in 1897, maar niettemin een Durchschnittsbild van Vermeer. Sinds 1892 werd de Brieflezende vrouw vergezeld door De liefdesbrief, in dat jaar verworven door de Vereniging Rembrandt van de erven van de weduwe Messchert van Vollenhoven. Dat duo kon nu verrijkt worden met een kroonjuweel, Het melkmeisje met haar ‘schitterende en forsche koloriet‘ (weer Hofstede de Groot). Besefte Lugt niet dat Het melkmeisje buitenklasse was? Hij was nog maar 23 jaar toen hij deze beschouwing schreef. Misschien ontwikkelde hij zijn voortreffelijke oog voor kwaliteit pas later. Wat we zeker weten: dat Lugts kritiek op de ‘verdiensten’ van Het melkmeisje werd gevoed door zijn weerstand tegen die packagedeal. Én door zijn voorliefde voor die andere Vermeer.
41 202 3# 1
Want als de overheid nu zo diep in de buidel tastte, schreef Lugt, dan werd het straks dubbel zo moeilijk om Het straatje voor Nederland te behouden. We weten hoe het afliep. Het melkmeisje werd in 1908 aangekocht, samen met die andere 38 schilderijen, waaronder De serenade van Judith Leyster (afb. op p. 29). De aankoop was bovendien een bijzonder moment in de geschiedenis van de Vereniging Rembrandt, die er maar liefst 200.000 gulden voor uittrok. Met deze ongekend grote gift als basis wist de Vereniging de staat ertoe te bewegen om de ontbrekende 550.000 gulden op tafel te leggen. Die gift van de Vereniging was mogelijk dankzij een schenking van een van haar oprichters, de genereuze Daniël Franken, die al in 1895 voor dit doel 100.000 gulden had gegeven. Die schenking had Franken destijds eigenlijk anoniem willen doen, maar zijn naam verscheen per ongeluk toch in de krant. Wat die bescheidenheid betreft leek hij op die andere illustere begunstiger van het Nederlands openbaar kunstbezit: sir Henri Deterding, degene die in 1921 Het straatje kocht, toen ook dat topstuk van Vermeer op de markt was gekomen. Deterding schonk het schilderij aan het Rijksmuseum op voorwaarde dat hij hiervoor geen lintje zou krijgen. Anders zou hij het schilderij weer ophalen. Gelukkig is ook dat niet gebeurd, zodat Het straatje en Het melkmeisje doorgaans gebroederlijk aan dezelfde wand in de Eregalerij hangen. Dankzij de generositeit van de mecenassen Franken en Deterding, en de samen werking van de staat en de Vereniging, hoeft nooit meer iemand tussen die topstukken te kiezen. Laurens Meerman is wetenschappelijk redacteur bij de Vereniging Rembrandt
Van diverse pluimage 42 20 23# 1
LIESBETH VAN DER ZEEUW
Op de openingsdag van de TEFAF van 2022 heeft Museum Rotterdam een rode stip mogen plaatsen bij een schilderij van Cornelis Saftleven uit 1659. Het laat een veemarkt zien met de ruïne van kasteel Honingen in Kralingen nabij Rotterdam. Saftleven bewijst zich met de Veemarkt als een meesterlijk landschaps- én figuurschilder. In een helder kleurenpalet en met oog voor detail brengt hij een stoet kleurrijke personages tot leven die op deze veemarkt zijn afgekomen. De diversiteit doet onwillekeurig denken aan de bezoekers van de markt aan de Binnenrotte in het Rotterdam van nu.
NIEUWE AANWINST Veemarkt Cornelis Saftleven 1659. Olieverf op paneel, 72 x 105 cm Bijdrage: € 175.000, waarvan € 50.000 uit het Gisbert van Laack Fonds en € 73.869 uit het VriendenLoterij Aankoopfonds MUSEUM ROTTERDAM Aangekocht in 2022 met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Gisbert van Laack Fonds, haar VriendenLoterij Aankoopfonds en een bijdrage uit Het Prins Fonds/Prins Bernhard Cultuurfonds), Stichting Vrienden van Museum Rotterdam, de G.Ph. Verhagen-Stichting en Stichting Droom en Daad.
43 20 2 3 # 1
Vanaf een hoge muur kijkt een poes gemoedelijk neer op de mensen tussen het vee, honden en manden vol producten van het land. De man in de rode jas, een accijns ambtenaar, keurt een stier; naast zijn been is nog een stuk van zijn schofthoogtemeter te zien. Omstanders kijken toe, onder wie twee vreemde snuiters: een man in een geel-zwart kostuum met plooikraag en een oude man in een opgelapte mantel met een rood hoofdkapje. Het kunnen komedianten of goochelaars zijn die met hun volksvermaak markten opluisterden.1 Deze figuren doen ook denken aan Arlecchino en Panta lone uit de commedia dell’arte of heeft Saftleven hier een eigentijdse klucht willen verbeelden? In hun schaduw staat een smoezelig groepje bedelaars, klein van gestalte. De voorste vrouw heeft een gezwachtelde voet en een klepper in de hand. Het lijkt op een leprozenklepper, maar in de 17de eeuw kwam lepra nauwelijks meer voor. Een ander kijkt nieuwsgierig naar een meisje in het groepje rechts, dat eruitziet als een dametje. Het licht valt op haar witte kapje, kanten kraag en mof van bont. De oudere vrouw naast haar draagt een chique huik in de vorm van een geplisseerde zwarte mantel met een ferme pluim op het hoofd.2 En weer iets verderop staat een man met een tulband, gewikkeld in een cape zo groot als een deken. Zo zijn er nog meer mensen van diverse pluimage te ontdekken. Een beetje Italië in Rotterdam
Cornelis Saftleven (1607-1681) heeft Italië nooit bezocht, maar zijn Veemarkt laat in opbouw en lichtwerking verwantschap zien met de italianisanten. Deze schilders trokken naar Italië en legden zich na terugkeer toe op landschappen badend in warm zonlicht en gevuld met antieke ruïnes waartussen mensen en vee rondscharrelen. Ook in Rotterdam drong de invloed van de italiani santen onder schilders door, onder andere
Ruïne van kasteel Honingen Cornelis Saftleven 1656. Zwart krijt, penseel in grijs en geel, 19,8 x 31 cm KUPFERSTICHKABINETT DER STAATLICHEN MUSEEN, BERLIJN
in het werk van Jan Sonjé, Adam Colonia en Lieve Verschuier. En ook al is de Veemarkt in een Hollandse omgeving gesitueerd, er is iets van die zuidelijke gloed te zien in de enorme wolkenlucht die door een op komende zon wordt beschenen. Het afgebrokkelde bouwwerk op de voorgrond heeft de monumentaliteit van een Romeinse ruïne. Ook het sterke tegenlicht dat vanaf links op de figuren valt, behoort tot het idioom van de italianisanten. Kasteel Honingen
In de verte is de skyline van een stadje te zien dat door Saftleven moet zijn gefantaseerd, het is in ieder geval niet Rotterdam. Een stuk dichterbij staat de ruïne van kasteel Honingen gelegen in het groen. In de omgeving van Rotterdam stonden in de 17de eeuw nog her en der ruïnes van middel-
Twaalf heren in een interieur met schilderijen Gillis van Tilborgh 166[?]. Olieverf op doek, 139 x 209,5 cm THE PHOEBUS FOUNDATION
eeuwse kastelen. Ze waren zeker niet zo spectaculair als die op het Forum Romanum, maar op Saftleven oefenden ze een aantrekkingskracht uit. In 1649 maakte hij een tekening van de ruïne van kasteel Spangen, ten westen van Rotterdam.3 En in 1656 volgde een tekening van de ruïne van kasteel Honingen dat in Kralingen lag, ten oosten van Rotterdam. Deze tekening gebruikte hij voor de Veemarkt. De ruïne van kasteel Honingen werd in 1672 gesloopt; de huidige Slotvijver in de wijk Kralingen heeft oorspronkelijk deel uitgemaakt van de slotgracht.
Schilderij in een schilderij
De Veemarkt uit 1659 is de eerste in een reeks voorstellingen van veemarkten die Saftleven heeft gemaakt en in formaat en voorstelling meteen ook zijn meest ambitieuze. Op de achterkant van de Veemarkt is een oud veilingetiket geplakt waarop in handschrift staat geschreven Composition riche & capitale, een kwalificatie die dit imposante werk dubbel en dwars verdient. Het schilderij werd na voltooiing snel opgemerkt, want toen de Antwerpse schilder Gillis van Tilborgh een paar jaar later een groepsportret van twaalf heren maakte, nam hij het hierin op. Museum Rotterdam is nog altijd in afwachting van nieuwe huisvesting, maar de signalen van de gemeente Rotterdam hierover zijn hoopgevend. De nieuwe aanwinst is tot aan het einde van dit jaar te zien in het Belasting & Douane Museum in Rotterdam. Liesbeth van der Zeeuw is conservator van Museum Rotterdam
Noten 1. A.C. Kersbergen, ‘De Rotterdamsche jaar- en weekmarkt in de middeleeuwen’, Rotterdamsch Jaarboekje, 1931, pp. 164-73, p. 168. 2. Over de oorsprong van de huik zie de blogs uit 2020 van G. Kruseman, ‘Hoe Holland
44 20 23# 1
aan haar huik kwam’ (deel 1 en 2) www.modemuze.nl/ users/geeske-kruseman. 3. Stadsarchief Rotterdam, nr. 1991-2637. In 1657 schilderde Saftleven de ruïne van het dominicanenklooster in Rotterdam, Museum Rotterdam inv. nr. 10823.
Denkraam WIM PIJBES
Een nieuwe Vermeer
Vrouw met b ladmuziek Han van Meegeren 1935-40. Olieverf op doek, 58,5 x 57 cm
De slechtste aankoop ooit door de Vereniging Rembrandt gesteund is De Emmaüsgangers. Achteraf kan je makkelijk zeggen dat dat schilderij niet was wat het leek en niet leek wat het was.
RIJKSMUSEUM,
Tien jaar en een wereldoorlog later zou blijken dat we een Vermeer hadden verloren maar een Van Meegeren gewonnen. De 100.000 gulden van de Vereniging waren verdwenen in de zakken van de roemruchte kunstvervalser Han van Meegeren (1889-1947). Hij was de maker van deze onbekende vroege Vermeer die in 1937 uit het niets opdook. Abraham Bredius, de voormalig directeur van het Mauritshuis, had het doek ‘ontdekt’ en onmiddellijk gepubliceerd in het gezaghebbende Burlington Magazine als de ontbrekende schakel in het kleine, maar voor de rest fijne oeuvre van de Delftse meester. Bredius kreeg bijval van vrijwel de gehele kunstwereld en de aankoop door Museum Boymans werd dan ook als een triomf gevierd. Op de valreep had het Rijksmuseum nog getracht de Rotter dammers de pas af te snijden door een fors aantal schilderijen uit de rijkscollectie voor te stellen als ruil en zo de vroege Vermeer naar de Eregalerij te halen. Dit plan mislukte. En zo liet de van trots voldane Boymans-directeur Dirk Hannema zich in 1938 fotograferen in het bijzijn van restaurator
AMSTERDAM
Overdracht van beheer, 1947.
45 202 3 # 1
H.G. Luitweiler, die het vervuilde doek had schoongemaakt en voorzien van een nieuw vernis. Ook had Luitweiler de door Van Meegeren opzettelijk aangebrachte overschilderingen en valse retouches verwijderd zodat het doek in zijn ‘originele’ staat kon worden gepresenteerd. In 1996 maakte ik voor de Kunsthal Rotterdam de grote Han van Meegeren-tentoonstelling met alle vervalsingen die hij maakte voor het eerst bij elkaar. Het beroemde Hertje van Van Meegeren hing er ook, in honderdvoud. Op rommelmarkten door het hele land waren ingelijste hertjes bijeengebracht om een hele gebouwwand te vullen. Het ultieme jarenvijftig-kitschicoon in de meest uiteenlopende lijstjes. Een NRC-redacteur verfoeide de tentoonstelling en schreef een vernietigend stuk. Om aan te tonen dat Vermeer toch echt beter was, werd een beeltenis afgedrukt van een vrouw met bladmuziek in een blauw tenue. Helaas voor de redacteur bleek dit nu juist een Van Meegeren te zijn, afkomstig uit de nalatenschap van de vervalser en als bewijslast terechtgekomen in het depot van het Rijksmuseum. Ach, de kunstredactie bood onmiddellijk excuses aan voor de misstap en de krant plaatste pontificaal een rectificatie. Vorig jaar overleed Vermeer-kenner Albert Blankert op 82-jarige leeftijd. Albert belde mij destijds op of hij van dienst kon zijn bij de tentoonstelling over Han van Meegeren, ‘en ik heb er zelf ook één’. Dat aanbod sloeg ik natuurlijk niet af. Albert dook belangrijk, niet eerder gepubliceerd materiaal op dat de hele affaire in een nog interessanter daglicht plaatste en stuitte op enkele tot nu toe onopgeloste raadsels. Was Van Meegeren tijdens de oorlog actief geweest in de contra spionage? Waar waren al zijn verdiende miljoenen guldens gebleven, alsmede het curieuze telegram van de Parijse agent van de New Yorkse kunsthandel Duveen die De Emmaüsgangers al in 1937 had ontmaskerd (‘It’s a rotten fake’). De gevestigde kunstorde was verblind door Bredius en The Burlington. Met zijn aanstekelijke pretogen waarschuwde Albert mij dat ik na deze tentoonstelling een verdere carrière als kunsthistoricus voorgoed vaarwel kon zeggen en de meest gewilde baan, het hoofddirecteurschap van het Rijksmuseum, sowieso op mijn buik kon schrijven. In dat laatste heeft hij geen gelijk gekregen. Deze aflevering van ‘Denkraam’ draag ik op aan Albert Blankert (1940-2022).
Sinds 2018 draagt de Vereniging Rembrandt bij aan restauraties van werken in musea die vanwege hun conditie niet of niet optimaal kunnen worden getoond, omdat wat wij met elkaar verzameld hebben ook te zien moet zijn.
Foto’s: Aleth Lorne
Een schenking vanuit het Hendrickje Fonds van de Vereniging Rembrandt stelde Kasteel Huis Bergh in staat een van zijn topstukken te laten restaureren: een altaarstuk met de Kroning van Maria. Na een restauratie van anderhalf jaar werd het werk begin 2023 weer op zaal geïnstalleerd. Voor vaste bezoe kers zal het misschien even wennen zijn, want er is iets veranderd. Maar wát…?
Een ingewikkelde puzzel Het laatmiddeleeuwse altaarstuk behoort tot de hoogtepunten in de collectie van Kasteel Huis Bergh in ’s-Heerenberg. Volgens Frits Scholten, senior conservator beeldhouwkunst van het Rijksmuseum, moet de maker gezocht worden in het Neurenberg van de vroege 16de eeuw, in de omgeving van de beroemde beeldhouwer Veit Stoss (1438/1447-1533).1 Stilistische overeenkomsten zijn vooral te vinden in de gezichten en haarpartijen van de figuren, in de bijna kalligrafische lijnvoering in de plooien en in de aandacht voor details als rimpels, knoopjes en sieraden. De centrale voorstelling laat zien hoe Maria wordt gekroond door Christus en God de Vader. De twee heiligen aan weerszijden, Elisabeth van Thüringen en Catharina van Alexandrië, zijn te identificeren aan de hand van de namen op hun voetstukken en hun attributen. Elisabeth van Thüringen, dochter van de koning van Hongarije in de 13de eeuw, deelde tijdens een grote hongersnood voedsel uit aan de armen en stierf zelf in armoede. De wijnkan, de schotel met twee vissen en de bedelende, kreupele man verwijzen naar haar daden van liefdadigheid. Catharina van Alexandrië, die leefde in de 3de eeuw, is te herkennen aan het gebroken rad. Omdat zij weigerde met de Romeinse keizer Maxentius te trouwen, dreigde een marteldood waarbij zij zou worden vastgebonden aan een rad met ijzeren punten. Door een goddelijke ingreep brak het rad, maar ze werd alsnog gedood door onthoofding.
46 20 23# 1
Het altaarstuk bevindt zich niet meer in zijn oorspronkelijke staat: alleen de drie beelden(groepen) zijn origineel. De altaar-caisse en ook enkele andere onderdelen, waaronder de duif die de Heilige Geest symboliseert en de rechterhand en het zwaard van Catharina van Alexandrië, zijn verloren gegaan. De beelden zijn in de tweede helft van de 19de eeuw in een eikenhouten kast met neogotische ornamentiek geplaatst. Ook het houten voetstuk onder de centrale scène is 19de-eeuws. Dat de twee vrouwelijke heiligen hun blik naar buiten hebben gericht, doet vermoeden dat ze bij die operatie of op een eerder moment van plaats zijn gewisseld. Het altaarstuk was hard aan restauratie toe, vooral vanwege de conditie van de beschildering en de vergulding. Door problemen met de hechting begon de polychromering plaatselijk te schilferen. Beeldenres taurator Aleth Lorne consolideerde de verf, verwijderde storende retouches en retoucheerde lacunes. Daarbij werd tevens gekeken naar de plaatsing van de figuren in de kast. Maar hoe ver ga je met het reconstrueren van verloren onderdelen, en wat doe je met 19de-eeuwse aanpassingen als je niet precies weet hoe het altaarstuk er oorspronkelijk uit heeft gezien? Besluiten hierover werden genomen in zorgvuldig overleg met het museum en de begeleidingscommissie. Op de volgende pagina’s kunt u de uitkomst zien. GW
i De originele altaar-caisse, die vermoedelijk was voorzien van scharnierende zijluiken en mogelijk ook van een bekroning met gotische architectuur en ornamenten, is verloren gegaan.
1. Voor dit artikel is rijkelijk geput uit F. Scholten, ‘Een Keulsch drieluik uit Neurenberg’, in M. Brouwer en A. Vels Heijn e.a., Nieuwe avonturen met een collectie, ’s-Heerenberg (Stichting Huis Bergh) 2019, pp. 110–23.
Foto: Sander van den Bosch
i Beeldenrestaurator Aleth Lorne heeft ruim anderhalf jaar aan de restauratie gewerkt.
o Omdat hout zeer gevoelig is voor schommelingen in temperatuur en luchtvochtigheid blijft het altaarstuk een aantal dagen ingepakt om te kunnen acclimatiseren in het restauratieatelier.
u De figuren van de vrouwelijke eiligen, in dit geval Elisabeth van h Thüringen, zijn met voetstuk en al in hoog reliëf gesneden uit één blok van ongeveer 15 cm diep. De schroef gaten laten zien dat de beelden tegen de achterwand aan waren geschroefd.
o De beelden zijn gesneden in het relatief zachte en fijne lindenhout, dat zich goed leent voor de weergave van wapperende gewaden, grillige plooien en haarlokken, zoals in de elegant gestileerde symmetrische baard van God de Vader (foto voor behandeling).
oo De steen op de borst van Catharina van Alexandrië is een k iezelsteen, toegevoegd in de 20ste eeuw. Oorspronkelijk zal hier een edelsteen of bergkristal hebben gezeten (foto voor behandeling).
o De figuren dragen luxueus uitgevoerde gewaden met gedetailleerde zomen, bezet met verzilverde knopjes en groen geschilderde vlakjes die parels en geslepen edelstenen moeten voorstellen. De voeringen van de gewaden zijn beschilderd met bloemen en sterren (foto voor behandeling).
o Detail met de kroon van Maria, voor en na de behandeling. Lacunes in de beschildering en de vergulding zijn geretoucheerd, de breuklijn in de duim links is gemaskeerd en een ontbrekend stukje van de onderrand van de kroon is aangevuld.
o Detail met de Christusfiguur, voor en na de behandeling. Bij een eerdere restauratie waren op de onderarm en de hand abusievelijk schaduwen verwijderd. Die zijn teruggebracht, en ook de lacunes in de mantel zijn geretoucheerd.
o Detail met het voetstuk van Catharina van Alexandrië, voor en na de behandeling. Losse verf is vastgezet, storende oude retouches zijn verwijderd en lacunes zijn geretoucheerd.
t Na een afwezigheid van anderhalf
i Het altaarstuk na restauratie.
jaar keert het altaarstuk terug op zijn oude plek, de Troonzaal van Huis Bergh.
De twee heiligen zijn van plaats verwisseld en kijken nu in de richting van de toeschouwer.
Het 19de-eeuwse voetstuk onder de centrale scène is gehandhaafd omdat de voorstelling hiermee beter in balans is.
kort Het Fonds Mout-Bouwman
Feestelijke ontvangst in Rotterdam Als dank voor onze steun bij de aankoop van Peinture-poème van Joan Miró heeft Museum Boijmans Van Beuningen voor onze leden op vrijdag 2 december 2022 een geweldige avond georganiseerd in het Depot, met lezingen, rondleidingen, muziek, spoken word en na afloop cocktails in de bar. Het was een feest, bedankt Boijmans!
Nu de nalatenschap van de heer mr. C.C. Mout is afgewikkeld, is het Fonds Mout-Bouwman bij de Vereniging Rembrandt ingesteld, bestemd voor aankopen op het gebied van Nederlandse schilderkunst en werken op papier uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Dit fonds komt voort uit de nalatenschap van Kees en Noor Mout-Bouwman. De heer Mout legateerde aan de Vereniging Rembrandt naast een aanzienlijk bedrag ook een keuze uit de kunstwerken die hij en zijn echtgenote samen hebben verzameld. Maar liefst zeven Nederlandse musea ontvingen één of meer werken. Zo ontving het Dordrechts Museum een schilderij van Edouard Vuillard en het Noordbrabants Museum vier werken van Jan Sluyters.
PAN Podium Net als voorgaande jaren kreeg de Vereniging Rembrandt in november 2022 ruimte aangeboden op het zogenaamde PAN Podium van de kunst- en antiekbeurs PAN in Amsterdam. Dat is voor ons altijd een mooie gelegenheid om onze missie onder de aandacht van een in kunst geïnteresseerd publiek
Jaarverslag digitaal Net als vele musea en andere organisaties gaat de Vereniging Rembrandt haar jaarverslag voortaan uitsluitend digitaal verspreiden. Dat besluit is genomen om redenen van duurzaamheid en uit kostenoverwegingen. Hiermee komen we tevens tegemoet aan de vele leden die ons in leden onderzoeken lieten weten geen
50 20 23# 1
behoefte te hebben aan een jaarverslag op papier. U ontvangt in mei een link waarmee u het digitale jaarverslag kunt inzien. Omdat het jaarverslag op papier wegvalt, ontvangt u het zomernummer van het Bulletin voortaan begin juli in plaats van begin september.
te brengen. Met Hilbert Lootsma als gespreksleider gingen conservatoren en verzamelaars in drie gesprekken vanuit verschillende invalshoeken in discussie over verzamelen. Enkele vragen die daarbij aan de orde kwamen waren: waar let je op bij het aankopen van kunst en hoe ga je met werken op papier om?
JongRembrandt in Haarlem Ongeveer honderd jonge leden van de Vereniging Rembrandt waren op 12 november 2022 aanwezig in Teylers Museum voor een nieuwe editie van de JongRembrandt Art Talks. De oogstrelende locatie, het bezoek aan de tentoonstelling Hockney’s Eye en de toelichting
van conservator Marleen Ram op de tentoonstelling en de in 2022 met onze steun aangekochte tekening van David Joris, maakten het tot een bijzondere bijeenkomst. Als bonus vertelde kunstjournalist en Rembrandtlid Gijsbert van der Wal over zijn passie voor David Hockney.
Tour nadert einde
Aanwinst van het jaar De aankoop van De vaandeldrager voor het Rijksmuseum is door het g ezaghebbende blad Apollo gekozen tot museumaanwinst van het jaar 2022. Het blad roemde hierbij ook de samenwerking tussen overheid en particulieren, waardoor het schilderij voortaan voor iedereen te zien blijft: ‘[…] this bold public-private acquisition by the Dutch has ensured that The Standard Bearer will remain accessible to all.’
51 20 23# 1
De rondreis door Nederland van De vaandeldrager nadert inmiddels zijn einde. Deze maand is hij te zien in Maastricht (Bonnefanten, 2 t/m 30 maart) en daarna verhuist hij naar Groningen (Groninger Museum, 4 april t/m 7 mei). Daarmee komt ook een eind aan het programma Wakker worden met Rembrandt, waarvoor Merel Deinema en Hilbert Lootsma een jaar lang het hele land rondreisden om leden van de Vereniging Rembrandt en introducés te trakteren op een lezing over alles rond deze bijzondere aanwinst. Enkele musea meldden tijdens hun Vaandeldrager-presentatie zelfs twee tot drie keer zoveel bezoekers te hebben ontvangen als normaal, onder wie ook vele nieuwe gezichten.
Mooie kennis making met uw museum. Kom zeker terug. – Uit het gastenboek van Stedelijk Museum Alkmaar –
kort De Andere Helft De Vereniging Rembrandt draagt vanuit haar Kroese-Duijsters Fonds bij aan het onderzoeksproject De Andere Helft (pp. 28-30). Dit onderzoek zal onder andere resulteren in een rijk geïllustreerde online publicatie over bekende en minder bekende vrouwelijke verzamelaars in de reeks RKD Studies. Hiermee wordt een blinde vlek in de verzamelgeschie denis van de Collectie Nederland ingevuld.
Met voorrang naar Vermeer
Foto’s: Marijke Phoa
Op 15 februari organiseerden wij een speciale ontvangst rond de Vermeertentoonstelling in het Rijksmuseum. De belangstelling was overweldigend. Gelukkig was het Rijksmuseum bereid extra data en tijdslots beschikbaar te stellen, zodat uiteindelijk ruim 3000 leden deze bijzondere tentoonstelling met voorrang hebben kunnen bezichtigen. We vroegen hen een detail van hun favoriete Vermeer te fotograferen en te delen via social media. De mooiste inzendingen worden beloond met een catalogus van de tentoonstelling.
52 20 23# 1
Het was een onvergetelijke ervaring, ontroerend om al die Vermeers bij elkaar te zien in dat magnifiek vormgegeven kader. Hulde en dank. – Maarten de Gier en Nathalie van Zijl –
Grote schenking VriendenLoterij Ook in een ander opzicht was 15 februari een feestelijke dag. De VriendenLoterij, al vele jaren een trouwe bondgenoot, verraste ons die dag met twee grote schenkingen. Zij schonk € 400.000 voor het VriendenLoterij Aankoopfonds en € 700.000 voor het VriendenLoterij Restauratiefonds. Geert-Jan Janse, directeur van de Vereniging Rembrandt: ‘Dankzij de onmisbare steun van de VriendenLoterij kunnen wij aankopen en restauraties helpen realiseren voor musea die zelf geen directe steun van de VriendenLoterij ont vangen. De samenwerking draagt zo op een fantastische manier bij aan een fijnmazige steunverlening voor musea door heel Nederland. Ik ben zeer verheugd dat wij met deze schenking het VriendenLoterij Restauratiefonds kunnen voort zetten. Dit fonds helpt ons de kunst die nu niet of niet optimaal kan worden getoond weer toegankelijk te maken voor het publiek.'
Geef uw kunstliefde door Lidmaatschappen Jongmaat – € 28 per jaar Jonger dan 28 jaar? Word lid en breng vaker een flitsbezoek aan musea met de Rembrandtkaart. Ook worden jonge leden twee keer per jaar uitgenodigd voor de JongRembrandt Art Talks.
Gezel – € 75 per jaar of € 110 per jaar voor 2 pers. 28 jaar of ouder? Word dan Gezel. Net als bij een Jongmaatlidmaatschap is het ook bij het Gezellidmaatschap mogelijk dit voor het leven af te sluiten.
Cadeaulidmaatschap Uw liefde voor kunst delen met een vriend(in) of dierbaar familielid? Dat kan via een cadeaulidmaatschap. Of geef het Gezellidmaatschap voor het leven voor twee personen cadeau.
Meesterlidmaatschappen Jonge Meester – ten minste € 350 per jaar*
Op onze gezamenlijke kunstcollecties raak je nooit uitgekeken. Onze musea kunnen Vermeer en Van Gogh op hun best laten zien, maar hun bezoekers ook meevoeren naar de middeleeuwen of langs hoogtepunten van de moderne kunst. Zo kunnen we ons steeds opnieuw blijven verwonderen.
Zelfportret Jan Mankes 1913. Olieverf op doek, 27,5 x 22 cm MUSEUM ARNHEM
Aangekocht in 1972 met steun van de Vereniging Rembrandt.
Jonge Meesters worden jaarlijks uitgenodigd voor de Zondag met Rembrandt om zo hun favoriete verzamel gebied te ontdekken.
Leermeester – ten minste € 1.000 per jaar* Als Leermeester kunt u uw gift toewijzen aan aankopen waaraan wordt bijgedragen via het Themafonds van uw voorkeur. Bij de jaarlijkse Leermeesterlezing geeft een kunstexpert tekst en uitleg bij een spraakmakende, recent gesteunde aankoop.
Grootmeester – ten minste € 2.500 per jaar* Dat zijn ervaringen die u ook anderen gunt. Uw (klein)kind bijvoorbeeld, of uw beste vriend of vriendin. Door uw vrienden enthousiast te maken voor een lidmaatschap van de Vereniging Rembrandt of door een lidmaatschap cadeau te doen, geeft u anderen de gelegenheid te beleven wat u zelf hebt beleefd.
Werf een nieuw lid of geef een lidmaatschap cadeau via: www.verenigingrembrandt.nl 53 20 23# 1
Grootmeesters krijgen net als Leermeesters de mogelijkheid hun gift toe te wijzen aan een van onze vijftien Thema fondsen. Zij worden uitgenodigd voor de Meesterschouw, een intieme bijeenkomst waarin specialisten in musea een kijkje achter de schermen bieden.
Hollandse Meester – ten minste € 15.000 per jaar* Zelf bepalen welke aankopen u steunt en met hoeveel? Of misschien onderzoek en restauratie mogelijk helpen maken? Word dan Hollandse Meester en richt een Fonds op Naam op. U geniet hiernaast dezelfde privileges als een Grootmeester en bent lid voor het leven.
* Een meesterlidmaatschap wordt afgesloten voor een periode van ten minste vijf jaar, waardoor er aantrekkelijke fiscale voordelen gelden.
Beschermvrouwe Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Beatrix der Nederlanden
VERENIGING REMBRANDT
De Vereniging Rembrandt zet zich al sinds 1883 in voor het Nederlands openbaar kunstbezit. Dankzij de betrokkenheid en vrijgevigheid van haar 17.500 leden en in goede samenwerking met de musea vergroot de Vereniging de publieke belangstelling voor onze gezamenlijke kunstcollecties en maakt zij aankopen, onderzoek en restauraties mede mogelijk. Als particuliere organisatie is de Vereniging Rembrandt overkoepelend, onafhankelijk en bevlogen, en handelt zij vanuit haar expertise.
BESTUUR PER 25-6-2022
Denneweg 124 2514 CL Den Haag T: 070 - 427 17 20 E: bureau@verenigingrembrandt.nl www.verenigingrembrandt.nl Bankrekeningnummer: IBAN: NL21 ABNA 0252 2008 61
Hebt u vragen over schenken of het oprichten van een Fonds op Naam bij de Vereniging Rembrandt? Neem dan contact op met Mathilde van der Werff, telefonisch of per e-mail: vanderwerff@verenigingrembrandt.nl.
Denkt u na over een partnership vanuit uw (familie)bedrijf of (familie)stichting? Michiel Huisinga denkt graag met u mee. U kunt hem telefonisch bereiken of per e-mail: huisinga@verenigingrembrandt.nl.
Niet-uitvoerende bestuurders: De heer drs. A.A. Fock, voorzitter De heer drs. P.J. Schoon, vicevoorzitter De heer drs. P.A. Geelen, penningmeester De heer prof. dr. R.J. Baarsen De heer drs. B. Cornelis De heer drs. T.D.W. Dibbits De heer prof. dr. J.E.E. Keunen Mevrouw drs. G.M.E. Knol De heer prof. mr. G.T.M.J. Raaijmakers De heer prof. dr. M.S. Selllink Uitvoerend bestuurder (per 1-7-2022): De heer drs. G. Janse Zie voor de raad van adviseurs en de medewerkers van de Vereniging Rembrandt www.verenigingrembrandt.nl.
OVER DEZE UITGAVE
Het Bulletin van de Vereniging Rembrandt verschijnt drie keer per jaar in een oplage van 12.000 en wordt toegezonden aan leden van de Vereniging Rembrandt. Aan dit nummer werkten mee: Janneke van Asperen, Naomi Bisping, Sander van den Bosch, Peter Hecht, Geert-Jan Janse, Doro Keman, Siepke van Keulen, Hilbert Lootsma, Laurens Meerman, Tomas Mutsaers, Willemijn van Noord, Lisette Pelsers, Wim Pijbes, Marijke Phoa, Ingeborg de Roode, Jenny Reynaerts, Joke de Wolf, Gerdien Wuestman en Liesbeth van der Zeeuw. Van werken van beeldende kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © Pictoright Amsterdam 2023.
Hoofdredacteur: Gerdien Wuestman Eindredactie: Ingrid Mersel Redactieadviesraad: Bart Cornelis, Veerle Corstens, Laurens Meerman en Benno Tempel Ontwerp: van Rosmalen & Schenk, Amsterdam Druk: Drukkerij Badoux, Houten
Afbeelding omslag Portret van een vaandeldrager van de Leidse schutterij (detail) Ary de Vois 1664. Olieverf op paneel, 38,3 x 32,6 cm MUSEUM DE LAKENHAL, LEIDEN
Hebt u vragen of wilt u advies over nalaten, of overweegt u de Vereniging Rembrandt te benoemen in uw testament? Neem dan contact op met Leonie Pels Rijcken, telefonisch of per e-mail: pelsrijcken@verenigingrembrandt.nl.
Vrije toegang tot de vaste collecties van ondersteunde musea Leden van de Vereniging Rembrandt hebben op vertoon van hun Rembrandtkaart vrije toegang tot de vaste collecties van de onderstaande musea, die sinds de oprichting van de Vereniging in 1883 zijn gesteund bij de aankoop van kunstwerken. Raadpleeg voor uw bezoek altijd de website van de betreffende instelling voor de actuele gegevens.
Alkmaar Stedelijk Museum Alkmaar
Delft Museum Prinsenhof Delft
Helmond Museum Helmond
Oud-Zuilen Slot Zuylen
Vlissingen Zeeuws maritiem muZEEum
Amerongen Kasteel Amerongen
Deventer Museum de Waag Speelgoedmuseum Deventer
’s-Hertogenbosch Het Noordbrabants Museum Design Museum Den Bosch
Purmerend Purmerends Museum
Voorburg Museum Swaensteyn Voorschoten Kasteel Duivenvoorde
Dordrecht Dordrechts Museum Huis Van Gijn
Heusden a/d Maas Het Gouverneurshuis
Ridderkerk Huys ten Donck (alleen de tuinen)
Amersfoort Museum Flehite Ammerzoden Kasteel Ammersoyen Amstelveen Cobra Museum voor Moderne Kunst Amsterdam Allard Pierson Amsterdam Museum Amsterdam Pipe Museum Joods Museum Museum Rembrandthuis Museum Het Schip Museum Ons’ Lieve Heer op Solder Museum Van Loon Het Scheepvaartmuseum Rijksmuseum Stadsarchief Amsterdam Stedelijk Museum Tropenmuseum Van Gogh Museum
Edam Edams Museum Eindhoven Van Abbemuseum Elburg Museum Elburg Enkhuizen Zuiderzeemuseum Enschede Rijksmuseum Twenthe Franeker Museum Martena Gorinchem Gorcums Museum Gouda Museum Gouda
Assen Drents Museum
’s-Gravenhage De Mesdag Collectie Haags Historisch Museum Koninklijke Bibliotheek Kunstmuseum Den Haag (incl. Fotomuseum Den Haag) Mauritshuis Museum Beelden aan Zee Museum Bredius Museum Meermanno
Asten Museum Klok & Peel
Groningen Groninger Museum
Barneveld Museum Nairac
Haarlem Frans Hals Museum Teylers Museum
Apeldoorn Paleis Het Loo Appingedam Museum Stad Appingedam Arnhem Gelders Archief Museum Arnhem
Berg en Dal Afrika Museum Bergen op Zoom Het Markiezenhof
Haarzuilens Kasteel de Haar
Beverwijk Museum Kennemerland
Harlingen Gemeentemuseum Het Hannemahuis
Breda Stedelijk Museum Breda
Hattem Voerman Stadsmuseum
Brielle Historisch Museum Den Briel
’s-Heerenberg Kasteel Huis Bergh
Culemborg Elisabeth Weeshuis Museum
Heerenveen-Oranjewoud Museum Belvédère Heino/Wijhe Kasteel Het Nijenhuis
Hilversum Museum Hilversum Hoorn Westfries Museum Katwijk Katwijks Museum
Rhenen Stadsmuseum Rhenen Roermond Cuypershuis Rotterdam Het Nieuwe Instituut Kunsthal Rotterdam
Leens Landgoed Verhildersum
Maritiem Museum Rotterdam Museum Boijmans Van Beuningen Nederlands Fotomuseum Wereldmuseum Rotterdam
Leerdam Nationaal Glasmuseum
Rozendaal Kasteel Rosendael
Leeuwarden Fries Museum Keramiekmuseum Princessehof
De Rijp Museum In ’t Houten Huis
Leiden Japanmuseum SieboldHuis Museum Boerhaave Museum Volkenkunde Museum De Lakenhal Rijksmuseum van Oudheden Universitaire Bibliotheken Leiden
Schoonhoven Nederlands Zilvermuseum Schoonhoven
Loosdrecht Kasteel-Museum Sypesteyn
Laren Singer Laren Leek Museum Nienoord
Weesp Museum Weesp Woerden Stadsmuseum Woerden Zaandam Zaans Museum Museum Zaanse Tijd Zaltbommel Stadskasteel Zaltbommel Zierikzee Stadhuismuseum Zutphen Musea Zutphen (Museum Henriette Polak en Stedelijk Museum) Zwolle ANNO Museum de Fundatie
Schiedam Stedelijk Museum
Slochteren Fraeylemaborg
De volgende musea behoren niet tot de gesteunde musea maar accepteren wel onze Rembrandtkaart:
Sluis Museum Het Belfort
Alphen aan den Rijn Archeon
Sneek Fries Scheepvaart Museum
Amstelveen Museum Jan van der Togt
Soest Nationaal Militair Museum
Amsterdam Huis Marseille (50% korting op entree)
Maastricht Bonnefanten
Tiel Flipje en Streekmuseum Tiel
Marken Marker Museum
Tilburg TextielMuseum
’s-Gravenhage Museum de Gevangenpoort
Middelburg Zeeuws Museum
Uden Museum Krona
Kampen Stedelijk Museum Kampen
Naarden Nederlands Vestingmuseum
Uithuizen Menkemaborg
Maassluis Museum Maassluis
Utrecht Centraal Museum Museum Catharijneconvent Museum Speelklok
Rotterdam Chabot Museum
Vaassen Kasteel Cannenburch
Tilburg De Pont museum
Veendam Veenkoloniaal Museum
Weert Museum W
Nijmegen Museum Het Valkhof Oss Museum Jan Cunen Otterlo Kröller-Müller Museum Nederlands Tegelmuseum
Bergen Museum Kranenburgh
Rijswijk (ZH) Museum Rijswijk