Skip to main content

Bulletin Ver. Rembrandt Nr 2 2026

Page 1

JAARGANG 36#2 ZOMER 2026

Delfts voor Delft


Ontvangst Kasteel Duivenvoorde De verwerving van het zilveren wijnkoelvat door Kasteel Duivenvoorde – en natuurlijk het 800-jarig bestaan van het kasteel – waren de aanleiding voor een feestelijke ledenontvangst op 29 april. De Rembrandtleden hebben het koelvat kunnen bewonderen, maar ook de vele eerder door de Vereniging gesteunde aankopen en restauraties. Dank aan Kasteel Duivenvoorde voor de gastvrije ontvangst op deze zonnige dag!

Foto: Bettina Traas

Foto: Almicheal Fraay

De Fundatie van Renswoude gered! De Fundatie van de Vrijvrouwe van Renswoude in Utrecht, een hoogtepunt van rococo in Nederland, dreigde door verkoop uiteen te vallen. Dankzij inspanningen van de Vereniging Rembrandt en een zeer genereuze gift van Fonds 1999 kan dit unieke ensemble aan de Utrechtse Agnietenstraat, inclusief historisch interieur, meubelen en kunstwerken, voor altijd bijeenblijven.


Foto: Bettina Traas


INHOUD

BULLETIN VAN DE VERENIGING REMBRANDT 2026 #2

Aanwinsten 10 Delfts voor Delft Verzameling De Bruyn nu definitief thuis in Museum Prinsenhof Delft 22 De zintuigen beroerd Twee jurken van Iris van Herpen naar Kunstmuseum Den Haag

Ook gesteund

16 Nieuwe zwier in hartje Utrecht

15 Van ons allemaal sinds Jongens op het Rokin 16 Nieuwe zwier in hartje Utrecht Fundatie van Renswoude met uniek rococo-interieur behouden 26 Een nieuwe fotografische vormentaal Eva Besnyö in Fotomuseum Den Haag 33 Uit de schaduw Vijf vrouwen die schonken aan Museum Boijmans Van Beuningen 39 Een goudeerlijke muntmeester? Portret van intrigant Clemens van Eembrugge in Huis Bergh Achtergrond 6 De verloren vader Marente de Moor over die ene bepalende museumervaring 21 en 45 Rembrandtlid persoonlijk Corrie Hermann en Tim Martens 30 Hoe weerbaar is ons erfgoed? Musea bereiden zich voor op crises 36 Stem Voordracht van Suzanna Jansen bij oprichting Judith Leyster Fonds voor vrouwen in de kunst 42 Kunstenaar met een ideaal Elly Tamminga in Het Nijenhuis 48 Met frisse ogen bekeken Herman Kruyder in Singer Laren _____ 9 Enerzijds, anderzijds Column Joke de Wolf 25 Denkraam Column Wim Pijbes 46 JongRembrandt Art Talks in het Frans Hals Museum 51 R kort

4 20 26# 2

22 De zintuigen beroerd


Voorwoord GEERT-JAN JANSE

10 Delfts voor Delft

26 Een nieuwe fotografische vormentaal

Sterke vrouwen Een dag na de feestelijke overdracht van de Utrechtse Fundatie van de Vrijvrouwe van Renswoude ontving ik een e-mail van een van onze leden. Dat is op zich niet opmerkelijk, want onze leden roeren zich graag en ik ontvang regelmatig reacties op steunverleningen. Dit bericht was echter wel heel bijzonder. Corrie Hermann schreef mij over haar herinneringen aan het pand aan de Agnietenstraat. Hoe zij er als student vaak langs fietste en nog altijd het opschrift op de gevel uit haar hoofd kent. Zij heeft een persoonlijke band met de instelling, die het verleden meteen dichtbij brengt: haar betovergrootvader was namelijk onderwijzer van de weesjongens die in het pand werden opgeleid. Als dank voor de geslaagde reddingsactie zegde ze bovendien een extra schenking aan de Vereniging toe. U leert Corrie Hermann iets beter kennen in de rubriek ‘Rembrandtlid persoonlijk’. In dit Bulletin vindt u nog meer artikelen over geëngageerde vrouwen. Lees meer over fotograaf Eva Besnyö, kunstenaars Elly Tamminga en Rotraut, vrouwelijke schenkers aan Museum Boijmans Van Beuningen en modeontwerper Iris van Herpen. Hun verhalen illustreren dat er nog veel te ontdekken is over vrouwelijke kunstenaars, verzamelaars en mecenassen. Met ons recent opgerichte Judith Leyster Fonds voor vrouwen in de kunst willen wij hier graag aan bijdragen. Vanuit dit fonds zullen aankopen, restauraties en onderzoek worden gesteund. Werk van vrouwelijke kunstenaars is namelijk niet alleen minder aangekocht door de Nederlandse musea, het is ook stelselmatig minder bestudeerd, veronachtzaamd zelfs. Een gevolg is dat er vaker restauratie nodig is om het werk weer optimaal op zaal te kunnen tonen. Bij de oprichtingsbijeenkomst van het Judith Leyster Fonds spraken onder anderen Hedy d’Ancona – een betrokken lid van onze vereniging – en schrijver en historicus Suzanna Jansen. Een bewerking van haar bevlogen voordracht is ook opgenomen in dit Bulletin. Wij zien uit naar de aanvragen die wij voor het nieuwe fonds zullen ontvangen! Geert-Jan Janse is directeur van de Vereniging Rembrandt


6 20 2 5# 3


Herinneringen kun je niet maken, ze ontstaan. Zo is het ook met kunstwerken die we in ons hart sluiten. Dat is nooit het gevolg van een bewuste beslissing, het gebeurt. In deze serie vertellen auteurs over dat ene moment in een museum dat hun altijd is bijgebleven. Voor Marente de Moor was dat bij twee Rembrandts in de Hermitage in Sint-Petersburg.

De verloren vader MARENTE DE MOOR

Een half verweesde twintiger kan zich een slechtere refuge wensen dan de Hermitage. Er waren tijden dat ik er dagelijks naar binnen vluchtte, weg van de snijdende Petersburgse kou en andere onherbergzame gevoelens. Bij de kassa lukte het me om voor Russin door te gaan; op die manier kostte het maar een paar roebel om mijn hart op te halen aan de vertrouwde Hollandse gezichten uit de 17de eeuw. Natuurlijk maakte ik uitstapjes naar andere zalen. Ik zwierf van de renaissance naar de middeleeuwen, daalde langs ingedutte suppoosten af naar de Armeense of de Egyptische oudheid. Soms bleef ik alleen maar voor de hoge ramen staan om naar de Neva te staren. Maar altijd kwam ik thuis bij de meesters van mijn vaderland. Ik begreep eerst niet waarom De oude man in het rood gekleed van Rembrandt me verdrietig maakte. Op de donkere achtergrond van het portret vindt niets plaats dat we moeten weten. Het is slechts de man, zittend in zijn warme rode mantel, die daar bestaat. Rustig, op hoge leeftijd. Pas na een vierde bezoek kon ik de steek van medelijden herleiden tot mijn vader. Die was enkele jaren daarvoor op veel te vroege leeftijd gestorven. Zelf beeldend kunstenaar, had hij mij leren kijken

7 2026 # 2

en spreken, maar hij werd niet ouder dan ik nu ben. Lang troostte ik me met de gedachte dat mensen in de tijd van de oude meesters ook niet oud werden. Maar de meeste volwassenen, onder wie Rembrandt zelf en de man die hij schilderde, werd een langer leven gegund dan mijn vader. In dezelfde zaal hangt De verloren zoon. Het was het laatste werk dat Rembrandt zou voltooien. Sommige kunsthistorici zeggen dat hij zichzelf heeft vastgelegd, in precies die berooide, in lompen geklede gedaante van een zoon die al zijn kansen heeft vergooid. De vader ontvangt hem genadig, legt zijn handen zacht op zijn schouders. Het is een schilderij over ouderlijke vergeving, over die paar mensen in je leven die je altijd nog een kans geven. In het jaar van mijn geboorte regisseerde Andrej Tarkovski de scène na. Zijn film Solaris eindigt ermee. Tarkovski sprak wel vaker af met de grote meesters, van Da Vinci tot Bruegel. Ook hij zwierf rond in het Winterpaleis, stond stil bij De oude man en De verloren zoon. Daarna verwerkte hij de Bijbelse thema’s over inkeer en verzoening in een sciencefictionfilm. In Solaris wordt een psycholoog op een ruimtestation gemanipuleerd door een buitenaardse intelligentie, die hem fysieke

Slotscène van Solaris, Andrej Tarkovski, 1972

De terugkeer van de verloren zoon Rembrandt van Rijn ca. 1668. Olieverf op doek, 262 × 205 cm HERMITAGE, SINT-PETERSBURG


Kunst hangt niet stil in de ruimte, maar beweegt met de toeschouwer mee in de baan van de tijd

De oude man in het rood gekleed Rembrandt van Rijn ca. 1652-54. Olieverf op doek, 108 x 86 cm HERMITAGE, SINT-PETERSBURG

manifestaties voorschotelt van zijn herinneringen. Worstelend met schuldgevoelens over zijn verleden zoekt de man een mogelijkheid om terug te komen op zijn fouten. Even lijkt hij die kans te krijgen: we zien hem vanuit de ruimte naar zijn ouderlijk huis op aarde terugkeren. Maar het laatste shot verraadt dat ook dit huis zich in een simulatie bevindt. Het vergevingsmoment bestaat slechts

8 2026 #2

in de geconstrueerde realiteit van zijn geheugen. Oog in oog met de oude man van Rembrandt begreep ik dat de dialoog tussen mij en mijn vader zich voortaan tot deze wereld van herinneringen zou beperken. Dat ik de rest van mijn leven niet alleen zijn wijze raad, maar ook zijn vergeving voor wat dan ook moest missen. En zoals de hoofdpersoon van Solaris was ik van dat on-

herroepelijke feit naar een vreemd, onherbergzaam land gevlucht. Het volk van dat land en ik hadden toen gemeen dat we wanhopig op zoek waren naar houvast. De Hollandse meesters leken me dat in mijn moederstaal te bieden. Als me iets duidelijk werd van die bezoeken aan de Hermitage, is het dat herinneringen kunnen worden ingelijst. En dat ze bij elk bezoek zelfs het meest vergeetachtige hoofd op een andere manier kunnen aanspreken, ver van de wereld waarvan dat hoofd een museum in vlucht. Dat geldt ook voor de werken die mijn vader zelf maakte – van zelfportretten tot monumentale objecten – die ik nog steeds kan bekijken in dit vaak onherkenbaar veranderde en volgebouwde land. Kunst hangt niet stil in de ruimte, maar beweegt met de toeschouwer mee in de baan van de tijd. Het begrip ervan hangt een moment lang af van de blik die erop wordt geworpen. En de volgende, en de volgende, en die daarna. Door de jaren heen is er nooit eenzelfde manier geweest waarop het schilderij van Rembrandt mijn blik beantwoord­de. Maar ik herkende hem wel, die ouwe. Met het klimmen der jaren werd ik wat sterker, en sprong hij wat vriendelijker om met mijn gemoed. Wat zou ik hem weer graag terugzien! Helaas, dat gaat voorlopig niet meer. In die buitenaardse wereld kwam een tsaar zonder smaak aan de macht. Die houdt de Hollandse meesters vast achter een nieuw ijzeren gordijn; een kogelregen waarin elke dag jonge vaders en verloren zonen hun te vroege dood vinden. Marente de Moor is schrijver en columnist


Enerzijds, anderzijds JOKE DE WOLF

Een eeuwige band Natuurlijk was Yves Klein (1928-1962) een bijzondere kunstenaar. Met zijn grote, bijna vibrerende blauwe vlakken en zijn Antropometrieën, afdrukken van vrouwenlichamen in datzelfde blauw, kreeg hij in relatief korte tijd een stabiele plaats in de kunst­ geschiedenis. Zonder zijn energie en creativiteit was hij nooit zo bekend geworden. En misschien had zijn vrouw Rotraut nooit doorgezet in haar kunstenaarschap. Dan zou ze bijvoorbeeld dit bijzondere Trou noir uit 1972 nooit hebben gemaakt. Je zou ook kunnen stellen dat Klein nooit zo’n grote naam had kunnen worden zonder de kunst en energie van zijn familie en zijn vrouw. Hij werd geboren als zoon van het kunstenaarsechtpaar Marie Raymond en Frits Klein. Als kind zag Yves dus van dichtbij wat het betekende om kunstenaar te zijn. Dit en meer blijkt uit de huidige tentoonstelling in het Stedelijk Museum Schiedam, Yves Klein en zijn kunstenaarsfamilie Frits, Marie en Rotraut. Rotraut, die als kunstenaar koos voor een mononiem (alleen haar voornaam), maar tegenwoordig officieel de naam van Klein en de naam van haar tweede man Daniel Moquay draagt, werd in 1938 geboren in naziDuitsland. Als jonge kunstenaar leerde ze Klein kennen in Nice, via diens jeugdvriend Arman. ‘Yves en ik hadden dezelfde verbeelding,’ zei Rotraut later. ‘Het was alsof we dezelfde visioenen zagen.’ Klein stimuleerde zijn vriendin in haar ambities en beschouwde haar als zijn gelijke – een zeldzaamheid, zeker in die tijd. Rotraut kalligrafeerde landschappen met Indiase techniek. Ze omschreef die kunstwerken als beelden die zowel met het heden als met haar ‘oeroude geheugen’ verbonden waren. ‘De missie van de kunstenaar is het onzichtbare zichtbaar te maken,’ verklaarde ze. Hoewel ze samen optrokken, moet haar werk uit die periode los worden gezien van Yves Klein. Het is een dilemma: als je Klein niet noemt, suggereer je dat hij niet bestond. Maar hem wel noemen, leidt door zijn bekendheid vrijwel automatisch tot een scheve balans. Misschien is het wel gepast om overeenkomsten in hun werk te benoemen. Niet om te suggereren dat de een iets van de ander had overgenomen, wel om te laten zien dat ze inderdaad, zoals Rotraut zei, geestverwanten waren. Zo was voor beiden de lichamelijkheid van de kunst heel belangrijk. Voor Rotraut ging

9 2026 # 2

Trou noir (Zwart gat) Rotraut ca. 1972. Acryl op doek gemonteerd op multiplex, 100 x 73,2 cm PARTICULIERE COLLECTIE

© Rotraut c/o Pictoright Amsterdam, 2026

het om aanraking, kleur en beweging tijdens het schilderen. Dat zag ze als ‘een weerspiegeling van energie die uit het verleden opkomt’. Klein had vanaf 1960 zijn Antropometrieën opgevoerd, waarbij naakte vrouwen zichzelf op zijn aanwijzingen als ‘levende penselen’ tegen het schilderdoek aan drukten. Een van die vrouwen was Rotraut. Na Kleins plotselinge overlijden en de geboorte van hun zoon twee maanden later herpakte Rotraut zich en bleef ze stug doorwerken. In haar werk verkende ze het universum, ze noemde de lucht ‘haar kathedraal’. Op het schilderij Trou noir uit 1972 schilderde ze een overlapping van een ster – of de zon – met een zwart gat. Ze heeft naar eigen zeggen haar kosmische band met Yves altijd weten te behouden. En iets zegt me dat die connectie ook het onderwerp is van dit kunstwerk.

De tentoonstelling Yves Klein en zijn kunstenaarsfamilie Frits, Marie en Rotraut is nog t/m 25 oktober 2026 te zien in Stedelijk Museum Schiedam


ESTHER VAN DER HOORN

Delfts voor Delft

MUSEUM PRINSENHOF DELFT

Foto’s: Erik en Petra Hesmerg

Kan met gedraaid oor onbekend (Delft), schildering naar Nicolaas van Berchem ca. 1675-1700. Tinglazuuraardewerk, H 25,5 cm

Belangrijke privécollecties van Delfts aardewerk vonden begin 20ste eeuw hun weg naar Nederlandse musea. Maar juist de stad Delft viel buiten de boot. Nu maakt Museum Prinsenhof Delft het gemis van zo’n fundamentele collectie goed door een historische verzameling Delfts aardewerk van de allerhoogste kwaliteit voor de stad en Nederland te behouden. Dit stelt het museum in staat het wereldberoemde ‘Delfts’ in volle glorie te tonen wanneer het in 2028 weer de deuren opent. In de tweede helft van de 19de eeuw begonnen particulieren interesse te tonen voor Delfts aardewerk uit de 17de en 18de eeuw en omvangrijke verzamelingen aan te leggen. De collectie van Hagenaar John F. Loudon omvatte bijvoorbeeld ruim 550 stuks. In 1916 schonken Loudons erfgenamen deze verzameling aan het Rijks­museum; de collecties Delfts aardewerk van A.H.H. van der Burgh en W.F.K. baron van Verschuer waren enkele jaren eerder nagelaten aan respectievelijk de gemeentemusea van Den Haag en Arnhem. Hoeveel waarde musea inmiddels ook hechtten aan Delfts aardewerk, blijkt uit het feit dat de verzameling Loudon werd getoond in de Eregalerij. De groeiende belangstelling voor Delfts aardewerk leidde tot sterk gestegen prijzen. Victor de Stuers, pleitbezorger voor het behoud van nationaal erfgoed, merkte in 1904 op met betrekking tot het legaat Van der Burgh: ‘Delftsch aardewerk wordt steeds schaarser en de prijzen klimmen van jaar tot jaar. Sinds dertig jaren zijn de prijzen gemiddeld vijf malen hooger geworden.’ Een nieuwe generatie verzamelaars liet zich daardoor echter niet weerhouden, integendeel. Zo schreef de Engelse keramiekkenner William Pitcairn Knowles in hetzelfde jaar: ‘Het maakt de jacht des te opwindender.’ Dat gevoel deelde ongetwijfeld de Rotter­damse ondernemer Gerard de Bruyn (1893-1964),

10 20 26# 2


NIEUWE AANWINST Elf stukken Delfts aardewerk ca. 1675-1800. Tinglazuuraardewerk Bijdrage: € 207.500, waarvan € 20.000 uit het Van Achterbergh-Domhof Fonds, € 15.000 uit het Themafonds Keramiek en € 172.500 uit het VriendenLoterij Aankoopfonds

‘Heerenkamer’ van Gerard de Bruyn, ’s-Gravendijkwal 61, Rotterdam, ca. 1960. Op de schouw zijn kalebasvazen te zien die hier worden besproken op p. 12

MUSEUM PRINSENHOF DELFT De gehele verzameling De Bruyn is aangekocht in 2026 met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Van Achterbergh-Domhof Fonds, haar Themafonds Keramiek en haar VriendenLoterij Aankoopfonds), het Mondriaan Fonds en de Stichting van Oosten-Oosterholt Aankoopbewijs voor het cachemire trekpotje, 1938

wiens collectie decennialang bij Museum Prinsenhof Delft in bruikleen was en nu mede dankzij de Vereniging Rembrandt door het museum kon worden verworven. MET SMA AK

De Bruyn slaagde erin een verzameling vol artistieke en technische hoogtepunten van Delfts aardewerk bijeen te brengen. Hij gaf deze een ereplaats in zijn zogeheten ‘Heeren­ kamer’. Deze ruimte in zijn huis aan de ’s-Gravendijkwal richtte hij in met 17deeeuwse meubelen en schilderijen en een houten lambrisering in neorenaissancestijl. In een vitrinekast stond bijvoorbeeld een kan met een bijzonder fraai geschilderde voorstelling van herders en dieren (p. 10). De verzameling De Bruyn laat goed zien hoe de smaak van collectioneurs in de loop van de jaren was veranderd. Vergeleken met oudere verzamelingen bevat die van De Bruyn bijvoorbeeld relatief weinig objecten in de zogeheten kleinvuurtechniek: met tere kleuren die op lagere temperatuur werden gebakken omdat ze anders zouden verbranden. Er zijn in de verzameling De Bruyn juist veel voorwerpen met een decor van bloemen­takken in blauw, groen en rood. Dit werd door verzamelaars cachemire genoemd, naar de kleurrijke omslagdoeken van deze stof. Een prachtig voorbeeld is een verfijnd beschilderd trekpotje met een zeldzame ruitvorm. Met de

11 20 26# 2

Cachemire trekpot De Grieksche A (Pieter Adriaensz Kocx) 1701-22. Tinglazuuraardewerk, Ø 11 cm MUSEUM PRINSENHOF DELFT


Paar kalebasvazen met chinoiserie toegeschreven aan De Drie Posteleyne Astonne (Gerrit Pietersz Kam) 1679-1700. Tinglazuuraardewerk, H 48 cm MUSEUM PRINSENHOF DELFT

Paar flesvormige vazen De Grieksche A (Samuel van Eenhoorn) 1678-86. Tinglazuuraardewerk, H 48 cm MUSEUM PRINSENHOF DELFT

aankoop van een paar kapitale, flesvormige vazen in zacht blauw-wit was De Bruyn zijn tijd dan weer ver vooruit. De waardering voor dit relatief vroege Delfts kwam pas later. De Bruyn hechtte weinig waarde aan de merktekens die op sommige stukken Delfts aardewerk werden aangebracht en kocht voorwerpen vanwege hun artistieke kwaliteit. Zelfs als ze ongemerkt waren, zoals in het geval van een paar grote kalebasvazen, al kunnen die op basis van hun karakteristieke decoratie met grote Chinese figuren worden toegeschreven aan De Drie Posteleyne Astonne onder Gerrit Kam. In één geval is er sprake van voortschrijdend inzicht: golden de ongemerkte beeldjes van steigerende paarden in De Bruyns tijd nog als Delfts, tegenwoordig worden ze toegeschreven aan de aardewerkfabriek van Johan van Kerckhoff in Arnhem.

12 20 26# 2


HERKOMST BEKEND

Uitzonderlijk is dat van de meeste stukken in de verzameling bekend is waar en wanneer ze werden verworven, omdat De Bruyn aankoopbewijzen bewaarde en nauwgezet aantekeningen maakte over de herkomst van collectiestukken. Deze documentatie vormt onderdeel van de verwerving. Ver­schillende objecten blijken afkomstig uit vooraanstaande collecties. Zo verwierf De Bruyn uit de verzameling van jhr. J.W. Six van Vromade een fopkan die eerder in het bezit was van de gerenommeerde kunst­han­ delaar Joseph Monchen. Fopkannen worden zo genoemd omdat op het eerste gezicht onduidelijk is hoe je eruit kunt drinken zonder de inhoud te morsen. Dit exemplaar heeft nog zijn originele deksel, wat uiterst zeldzaam is. Op basis van de documentatie kan voor de meeste voorwerpen worden uitgesloten dat ze onder het naziregime (1933-1945) zijn geroofd. Dat kan ook op andere manieren. Zo is van vijf objecten duidelijk dat ze al in 1929 werden tentoongesteld in het Rijks­ museum door de handelaren van wie De Bruyn ze later kocht. De firma Ween & Klepman presenteerde bijvoorbeeld twee borden met de wapens van de hertogen van Brunswijk-Lüneberg. De Haagse kunsthandelaar Samuel Alberge toonde een paar levendig vormgegeven en kleurrijk beschilderde eenden, waarbij hij liet aantekenen dat ze niet bedoeld waren voor de verkoop. Tijdens de oorlog maakte Alberge onder druk van de Jodenvervolging een einde aan zijn leven; De Bruyn verwierf de beeldjes in 1954 uit het bezit van zijn weduwe. De Bruyn bleef verzamelen tot aan zijn dood in 1964. Kort daarop werd de collectie in bruikleen ondergebracht, eerst bij Museum Boijmans Van Beuningen en de afgelopen 25 jaar in Delft. Met steun van de Vereniging Rembrandt, het Mondriaan Fonds en de Stichting Van Oosten-Oosterholt heeft Museum Prinsenhof de hele verzameling De Bruyn nu kunnen aankopen.

13 20 26# 2

Fopkan onbekend (Delft) ca. 1675-1700. Tinglazuur­aardewerk, H 25,5 cm MUSEUM PRINSENHOF DELFT

Paar beeldjes in de vorm van een steigerend paard toegeschreven aan de fabriek van Johan van Kerckhoff, Arnhem 1759-ca. 1770. Tinglazuuraardewerk, H 23,5 cm MUSEUM PRINSENHOF DELFT


Paar borden met scènes uit het leven van Leo X en de wapens van de hertogen van Brunswijk-Lüneberg Het Moriaanshooft (Jannitge Claesdr Hoppesteijn-van Straten) ca. 1680-85. Tinglazuuraardewerk, Ø 26 cm MUSEUM PRINSENHOF DELFT

Paar beeldjes in de vorm van een eend onbekend (Delft) ca. 1750-1800. Tinglazuuraardewerk, H 12 cm MUSEUM PRINSENHOF DELFT

NIEUWE PRESENTATIE

Museum Prinsenhof Delft is momenteel gesloten voor een grote renovatie van het monumentale kloostergebouw waarin het museum huist. In 2028 heropent hier een open, toegankelijk en duurzaam museum over Delft, een wereldse stad vol verhalen over vrijheid, identiteit en innovatie. In de vaste opstelling maken bezoekers een tijdreis langs zes eeuwen

14 20 26# 2

kunst en geschiedenis. Delfts aardewerk staat hier naast schilderijen, zilver en historische objecten. Bezoekers zien hoe het ontstaan van Delfts aardewerk een gevolg was van de koloniale handel in Chinees porselein, en hoe Delftse aardewerkmakers inspeelden op de populariteit van producten zoals koffie en thee, die door slaafgemaakten werden verbouwd. Er is ook aandacht voor de manieren waarop Delftse schilders en aardewerkmakers elkaar artistiek inspireerden. Er komt daarnaast een speciale presentatie over Delfts aardewerk waarin bezoekers ontdekken hoe het product werd vervaardigd en uitgroeide tot een wereldmerk. In beide opstellingen gelden de voorwerpen uit de verzameling De Bruyn als absolute blik­ vangers. Esther van der Hoorn is conservator Toegepaste kunst bij Museum Prinsenhof Delft


Van ons allemaal sinds 2019

Misschien waren ook de twee jongens die Van der Elsken in de jaren 1950 op het Amsterdamse Rokin portretteerde op zoek naar vertier. De jongen rechts lacht schuchter, de haren in het vet. Brutaal steekt de vriend naast hem zijn tong uit terwijl een derde jongen, buiten beeld, hem met een blik tweetaktolie op zijn verbonden hoofd mept. Misschien verklaart dat het verband: heeft hij een schuiver gemaakt? Tweetaktbrommers waren tenslotte het favoriete vervoersmiddel van nozems en andere tegendraadse jeugd. Meer dan de helft van de foto’s in feest maakte Van der Elsken in zijn thuisstad Amsterdam, de meeste tussen 1954 en 1961. Hij legde uitgaanspubliek vast tijdens concerten, rituelen, dansavonden, volksfeesten en de kermis. Maar ook opnamen van een Haags staatsbezoek van koningin Elizabeth en een militaire parade in Parijs maakten deel uit van zijn selectie. Het contrast tussen geüniformeerde gezagdragers en eigenzinnige feestvierders vond de fotograaf duidelijk interessant. Het ontwerp of de ‘dummy’ voor feest laat zien hoe Van der Elsken niet alleen als fotograaf, maar ook als vormgever te werk ging. Sommige

15 2026 # 2

© erven Ed van der Elsken/Nederlands Fotomuseum

Een nooit uitgegeven fotoboek vol dansende, beschonken en uitgelaten mensen. Het onvoltooide ontwerp voor feest uit circa 1961 was een van de grote verrassingen uit het werk­ archief van fotograaf Ed van der Elsken (1925-1990). Het Rijksmuseum en het Neder­ lands Fotomuseum konden deze belangrijke nalatenschap van ruim 8.000 foto’s en 3.000 contactvellen in 2019 verwerven met steun van de Vereniging Rembrandt.

foto’s komen vaker in de dummy voor, in verschillende formaten, uitsneden en combinaties. Zo ontstaan er verschillende ritmes in het beeld en wordt het kijken spannender. Een vergelijking met de oorspronkelijke opnamen op contactvellen en andere afdrukken uit de aanwinst geeft inzicht in de keuzes die de fotograaf maakte voor het boekontwerp. Hij vergrootte oud-premier Gerbrandy, ook aanwezig bij het staatsbezoek, bijvoorbeeld uit van figurant in de menigte tot paginavullend portret. Waarom feest het levenslicht nooit heeft gezien, blijft een raadsel. Misschien was Van der Elsken destijds te druk om het beroemde fotoverslag van zijn wereldreis Sweet Life (1966) gepubliceerd te krijgen. In 2020 besloten het Rijksmuseum en het Nederlands Fotomuseum om feest alsnog uit te geven. Op pocketformaat, zoals de fotograaf het had bedoeld. Wie de originele afdruk van de jongens op het Rokin wil

Jongens op het Rokin (ter hoogte van de Langebrugsteeg), Amsterdam Dubbele pagina uit de dummy van het fotoboek feest Ed van der Elsken ca. 1950-60 (foto) en ca. 1961 (dummy). Ontwikkelgelatinezilverdruk, 17,7 x 23,9 cm RIJKSMUSEUM, AMSTERDAM

Aangekocht in 2019 met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Dura Kunstfonds en haar Themafonds Fotografie en Video), het Mondriaan Fonds, de BankGiro Loterij (thans VriendenLoterij), het Paul Huf Fonds/Rijksmuseum Fonds en het Marque Joosten en Eduard Planting Fonds/Rijksmuseum Fonds

bekijken, kan nog op de valreep naar het Rijksmuseum. Enkele bladen uit de dummy zijn daar tot en met 13 september – samen met ander materiaal uit Van der Elskens werk­ archief – te zien in Ed van der Elsken. Up Close. Roos Hollander is secretaris Beoordelingscommissies bij de Vereniging Rembrandt


KOEN OTTENHEYM

De portrettenkamer

16 20 26# 2

Nieuwe zwier in Toen het stadsbestuur van Utrecht in de zomer van 1766 een diner wilde aanbieden aan prins Willem V van Oranje, was er geen betere locatie denkbaar dan de regentenzaal van de Fundatie van Renswoude. Het gebouw was toen net tien jaar oud en gold in de stad als het fraaiste voorbeeld van de ‘nieuwe zwier’, zoals de rococostijl toen wel werd genoemd. Ook tegenwoordig geldt de Fundatie, met zijn rijke interieurs en complete inventaris, als een van de topmonumenten in Nederland uit de 18de eeuw. Meer dan 250 jaar was het gebouw in beheer bij de regenten van de Fun­­datie, maar in 2025 zagen zij zich genoodzaakt om het pand en de bijhorende roerende kunstschatten in de verkoop te doen. Dankzij Fonds 1999 en de Vereniging Rembrandt is voorkomen dat dit bijzondere (en bijzonder waardevolle) ensemble hierdoor uiteen zou vallen. Opleiding Maria Duyst van Voorhout, weduwe van baron Frederik Adriaan van Reede van Renswoude, overleed in 1754 op 92-jarige leeftijd. In haar testament had zij bepaald dat met haar grote vermogen drie nieuwe ‘fundaties’ opgericht moesten worden in Utrecht, Delft en Den Haag, de drie steden waar zij in haar lange leven de meeste tijd had doorgebracht. Zij had hierbij een bijzondere vorm van onderwijs voor ogen: een soort hbo-opleiding avant la lettre. Bij de weeshuizen in deze drie steden moest een internaat worden opgericht. Daar zouden de ‘verstandigste, schranderste en bekwaamste’ kinderen (jongens) uit die weeshuizen een speciale opleiding krijgen in de technische en kunst­ zinnige beroepen, op een niveau tus-

sen het traditionele ambacht en de universitaire studies in. De vakken waarin werd onderwezen waren ‘de mathesis, teekenen, of schilderkonst, beeldhouwen, of beeldsnijden, oeffeningen in zware dijkagien tot behoud van ons land tegen zwaare overstromingen van ’t water; of dergelijke libere konsten’. Het Utrechtse weeshuis zat toen in het complex waarin tegenwoordig het Centraal Museum is ondergebracht. Direct hiernaast lieten de net benoemde regenten in 1756-1761 een nieuw pand neerzetten, waarbij kosten noch moeite werden gespaard. De Utrechtse architect, aannemer en steenhandelaar Jan Verkerk leverde het ontwerp en leidde ook de bouw. De voorgevel valt direct op door het geheel natuurstenen middendeel pal op de kop van de Lange Nieuw­ straat, dat enigszins uitsteekt. Het lijkt zo alsof de straat de ‘oprijlaan’ voor de Fundatie is. Enkele gebeeldhouwde krullen (rocailles) aan die gevel geven een voorproefje van de uitbundige rococo-interieurs. Prominent in het midden prijkt een tekst die de bestemming van het gebouw toelicht. Binnen wordt de bezoeker verrast door de toen nieuwste vormen van rococo, zowel in het stucwerk aan wanden en plafonds als in de marmeren schoorsteenmantels en het hout­snijwerk van trappen en wand­ be­timmeringen. Verkerk ontwierp deze interieurdecoraties ook grotendeels. Hij leverde zelf de natuurstenen onderdelen, maar het stucwerk en houtsnijwerk besteedde hij uit aan andere meesters, zoals de timmerman Adrianus Verbeek, de beeldhouwer Arnold Koopman, de beeldsnijder Adrianus Beertens en de stucwerker

Foto’s: Arjan Bronkhorst

Als je door de Utrechtse Lange Nieuwstraat richting het Centraal Museum loopt, zie je al van verre een opvallende gevel. Dit gebouw herbergt de Fundatie van de Vrijvrouwe van Renswoude en is een bijzondere tijd­ capsule. Sinds 1762 beheert de Fundatie het gebouw en zo heeft het historische rococo-interieur de tand des tijds zeld­ zaam gaaf doorstaan. Dankzij de inzet van de Vereniging Rembrandt en een zeer genereuze schenking van Fonds 1999 kan dit unieke ensemble ook voor de toekomst behouden blijven.


hartje Utrecht

Chinees poselein De hal met staand horgoge


Carel Pistoli. Uiteraard werd er ook bijpassend meubilair aangeschaft, waarbij vooral de stoelen in de grote zaal van belang zijn. Die zijn namelijk speciaal voor deze ruimte ontworpen. Imposant interieur Het gebouw was bedoeld voor de huisvesting en opleiding van zo rond de vijftien élèves (leerlingen). Deze werden na een strenge voorselectie uit het aangrenzende weeshuis gehaald, in fraaie uniformen gestoken en onderricht door de beste meesters in de stad. Op de begane grond waren de eetzaal, de collegezaal en de woning van de huismeester, in de kelders bevonden zich de grote keuken en de voorraadkamers, op

18 20 26# 2

de eerste verdieping de slaapzaal en daar­boven de grote zolder. Op het dak is een uitzichtplatform waar ’s avonds werd lesgegeven in de sterrenmeetkunde – een onderdeel van de opleiding tot stuurman op de grote vaart. Het ceremoniële centrum van het gebouw was de regentenzaal, op de eerste verdieping. Hier vergaderden de bestuurders van de Fundatie en ontvingen zij eens per jaar de regenten van de zusterinstellingen uit Delft en Den Haag. De rijkdom van de decoratie van wanden en plafonds diende dus niet alleen om de naam van de stichteres in ere te houden, maar ook om de collega-regenten uit de andere steden te imponeren.

De regentenzaal met boven de schouw het portret van stichteres Maria Duyst van Voorhout

BEMIDDELING De Fundatie van Renswoude te Utrecht is na bemiddeling van de Vereniging Rembrandt en dankzij een schenking van Fonds 1999 aangekocht door Hendrick de Keyser Monumenten, waarbij de inboedel is overgedragen aan het Centraal Museum. Om een goede overdracht te faciliteren, heeft de Vereniging Rembrandt een schenking gedaan van € 100.000 in de vorm van een fonds voor registratie, beheer en kleine restauraties van de boedel.


Foto’s: Arjan Bronkhorst

Bij de afwerking van deze zaal waren de docenten en leerlingen van de Fundatie zelf betrokken. De twee bijzonder zwierige tafels tussen de ramen, met de hoge spiegels erboven, werden in 1766 speciaal gemaakt voor het bezoek van Willem V, en wel door Matthijs van Dijk. Deze leerling van de Fundatie was in opleiding bij de eerdergenoemde beeldsnijder Arnold Koop­ man, die echt een specialist was op het gebied van rococosnijwerk, zoals zijn meesterlijke houten wandarmaturen in deze zaal laten zien. Het centrale plafondstuk werd in 1768 geschilderd door Jan Craco, tevens een leerling van de Fundatie, die ook de eerste twee van de vier boven-

19 20 26# 2

deurstukken (met de vier jaargetijden) mocht maken. Toen hij in 1770 naar Parijs vertrok om zijn opleiding tot schilder te voltooien bij Jean-Baptiste Greuze (de Fundatie betaalde ook dit soort ‘buitenlandse stages’ van de leerlingen), schilderde Jacob Maurer, de tekenmeester van de Fundatie, de twee overige bovendeurstukken. De inventaris van de Fundatie is in de decennia hierna geleidelijk uitgebreid, bijvoorbeeld met de aanschaf van twee bijzondere, en uitzonderlijk uitgebreide Chinese porseleinen serviezen. Deze werden gebruikt bij de feestelijke maaltijden van de regenten. Door de jaren heen ontstond een reeks regentenportretten die tot aan het einde van de 18de

Chinees porseleinen servies met het wapen van de familie Van Reede Hal met staand horloge vervaardigd door Francisus Matthijssen, 1791

eeuw is voortgezet. Daarnaast is er een serie krijttekeningen bewaard met de portretten van de eerste lichtingen leerlingen. Zij moesten elkaar bij wijze van oefening portretteren, ieder met een attribuut van zijn opleiding in de hand: een horloge, een meubelstuk, een landmeetinstrument, bouwkundig tekenmateriaal. Ook de oud-leerlingen van de Fundatie droegen later bij aan de rijke collectie. Verschillende élèves schonken als blijk van hun geslaagde opleiding hun meesterproef. Zo staat er een monumentale klok in de hal, waarvoor toen speciaal een nis in de muur is uitgehakt. In de grote zaal is een heel ingenieus uurwerk met een ingebouwde speeldoos die verschil-


Geert-Jan Janse over de reddingsactie

lende melodietjes kan laten horen, een soort 18de-eeuwse jukebox. En er zijn nog recentere voorbeelden van schenkingen aan de Fundatie, zoals een klavecimbel en verschillende prenten en schilderijen, een traditie die tot in de 21ste eeuw doorliep. Behouden voor de toekomst Deze hele collectie dreigde door het besluit van de regenten in 2025 uit elkaar te vallen, terwijl het bijzondere pand een nieuwe, meer commerciële functie te wachten stond. Dat alles is dankzij de bemiddeling van de Vereniging Rembrandt afgewend. Met de belangeloze hulp van Fonds 1999 kon dit hele ensemble – huis en inventaris – worden verworven om het vervolgens over te dragen aan de goede zorgen van de Vereniging Hendrick de Keyser Monumenten en het Centraal Museum. Hendrick de Keyser staat al meer dan honderd jaar borg voor het zorgvuldige behoud en herstel van gebouwd erfgoed. Het Centraal Museum, de directe buur van de Fundatie, zal voortaan de bijzondere roerende goederen van de Fundatie beheren.

Hoe is deze reddingsactie tot stand gekomen? ‘Vanwege de grote cultuurhistorische en artistieke waarde van het gebouw, de inrichting én de inboedel heeft de Vereniging Rembrandt zich ingezet om de Fundatie van Renswoude voor de toekomst veilig te stellen. In april 2025 ben ik gestart met gesprekken met verschillende betrokken partijen. Toen duidelijk werd dat er een financiële noodzaak was voor de voorgenomen verkoop, heb ik contact gezocht met Fonds 1999, waarvan onze oud-voorzitter Arent Fock bestuursvoorzitter is. Ondersteuning bij de verwerving van vastgoed valt immers niet onder onze statutaire doelstelling. Dat het particuliere Fonds 1999 zijn nek heeft uitgestoken toen dit unieke ensemble verloren dreigde te gaan, illustreert hoe noodzakelijk particulier mecenaat voor kunst en cultuur is en blijft.’ Hoelang heeft dit proces geduurd? ‘Het intensieve traject van gesprekken en onderhandelingen heeft een jaar in beslag genomen – op 15 april vond de feestelijke overdracht plaats. De overdrachtsakte is getekend in de regentenzaal van de Fundatie, voor het portret van stichtster Maria Duyst. Dat was een heel bijzonder moment.’ Wie wil je in het bijzonder bedanken voor hun bijdrage? ‘Fonds 1999 heeft met een aanzienlijke schenking mogelijk gemaakt dat Hendrick de Keyser Monumenten het pand kon verwerven. Daarbij is de inboedel overgedragen aan het naastgelegen Centraal Museum. Het museum beheert de meubelen en kunstwerken in situ, zodat het ensemble “blijvend en als zodanig” intact blijft. Juist dit aspect van deze reddingsactie is bijzonder. De huidige Erfgoedwet voorziet onvoldoende in een integrale bescherming van historische ensembles. Antoon Ott van Artilaw heeft Fonds 1999 geadviseerd over de juridische verankering van een adequate bescherming. Vanuit Bond Heemschut en de Vereniging Rembrandt is er daarnaast toe opgeroepen om de verzameling van de Fundatie (de roerende goederen) aan te wijzen als beschermd erfgoed. Dat is eind 2025 gebeurd.’

‘Het bestuur van Fonds 1999 is verheugd met een substantiële financiële schenking te kunnen bijdragen aan het behoud van een van de mooiste historische ensembles in Nederland’

Koen Ottenheym is hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht

20 20 26# 2

Arent Fock, voorzitter bestuur Stichting Fonds 1999 en oud-voorzitter Vereniging Rembrandt Foto: Daan Kamerman

Ondertekening van de overdrachts­akte door Arent en Marthe Fock, voor­zitter en vicevoorzitter van het bestuur van Stichting Fonds 1999


In elk Bulletin stelt de Vereniging Rembrandt twee van haar ruim 15.000 leden voor. Op deze pagina Corrie Hermann (93 jaar), arts en voormalig Tweede Kamerlid, lid van de Vereniging Rembrandt sinds 2009. Locatie: Fundatie van Renswoude, Utrecht.

Rembrandtlid persoonlijk

Waarde van kunst ‘Kunst hoorde er gewoon altijd bij. Ik ben opgegroeid bij mijn groot­ ouders in Amersfoort. Mijn groot­ vader nam me op zondagmorgen mee op wandelingetjes langs de muurhuizen en vertelde daar dan van alles over. Maar kunst hing ook in huis, 19de-eeuwse schilders, en mijn grootmoeder was een groot liefhebber van Chinees porselein. Ik ben heel blij dat ik door mijn opvoeding de waarde van kunst en historie, maar ook van literatuur en muziek heb leren kennen. Het is nog steeds een belangrijk onderdeel van mijn leven. Vanavond hoor ik weer een mooi trio in het Concert­gebouw.’ Betrokkenheid ‘Ik voel me betrokken bij de Fundatie van Renswoude omdat mijn betovergrootvader, Theodorus Weevers (1800-1893), hier als onderwijzer werkzaam was. Het was natuurlijk heel vooruitstrevend van Maria Duyst van Voorhout dat zij schrandere wezen een vakopleiding wilde geven. Zij waren, zeg maar, de hogere technici van die tijd. Ik vind het heel mooi dat de

21 20 26# 2 21 2026 # 2

Vereniging het voortbestaan van de Fundatie van Renswoude heeft kunnen bewerkstelligen!’ Utrecht ‘Utrecht interesseert me ook omdat ik hier gestudeerd heb. Destijds hadden wij college en practica in het toenmalige botanisch labora­ torium in de Lange Nieuwstraat. Ik fietste vaak langs de Fundatie. Nog steeds ken ik het opschrift op de gevel uit mijn hoofd.’ Musea ‘Ik ga heel graag naar Singer in Laren. Dat vind ik een bijzonder gastvrij museum. In hun tentoonstellingsruimte kun je de kunst heel goed en rustig bekijken. Terwijl ik in het Rijks­ museum op een gegeven moment denk: o jee, is er nog zoveel meer? Maar ja, dan ga ik een tweede keer, bijvoorbeeld laatst naar Metamor­ fosen, omdat je het gewoon in één keer niet allemaal kunt zien. Je ziet dan weer dingen waar je de eerste keer voorbij bent gelopen.’ Favoriet ‘Waar ik altijd naar ga kijken in het Dordrechts Museum is een portret van een klein jongetje, Michiel Pompe van Slingelandt, geschilderd door Jacob Cuyp, de vader van Aelbert. Die vind ik zo snoepig, met zijn hondje en zijn valk. Maar eigenlijk in alle musea waar ik vaker kom zijn wel één of twee dingen die ik weer even wil zien als ik er ben.’ Foto: Sander van den Bosch

Vereniging Rembrandt ‘Bij het 125-jarig jubileum waren er overal in het land bijeenkomsten van de Vereniging Rembrandt. Toen dacht ik: daar word ik lid van. En later heb ik me ook aangemeld als Jonge Meester – dat vond ik op mijn leeftijd ook wel een goede stap.’


MADELIEF HOHÉ

De zintuigen beroerd

NIEUWE AANWINST Twee jurken Iris van Herpen 2018 en 2023. Diverse materialen en technieken Bijdrage: € 57.500 KUNSTMUSEUM DEN HAAG Aangekocht in 2025 met steun van de Vereniging Rembrandt en het Mondriaan Fonds

Reflections on Fashion viert het 75-jarig bestaan van de modecollectie van Kunstmuseum Den Haag. De tentoonstelling is te zien t/m 3 januari 2027. De rondreizende tentoon­stelling Sculpting the Senses is nog t/m 6 december 2026 te zien in het Brooklyn Museum, New York.

22 2026 # 2

Van Herpen staat bekend als een van de meest innovatieve modeontwerpers ter wereld. Haar creaties blijven niet alleen verrassen in vorm, maar vooral ook in uitvoering. Als een van de eerste ontwerpers omarmde zij het 3D-printen om mode vorm te geven. Zij beweegt mee met de voortschrijdende ontwikkeling van deze en andere technieken. Was haar skelet-top in 3D-print (2011) nog hard en vast, de vogeljurk uit 2013 was gemaakt van zachter 3D-geprint materiaal dat meebeweegt wanneer je het draagt. Van ontwerpen in leer of kunststof tot creaties gemaakt van biomaterialen zoals bananenblad of cacaobonen: Iris van Herpen blijft experimenteren met nieuwe vormen en de grens opzoeken van wat mode kan zijn in relatie tot het lichaam. Hiervoor gaat zij geregeld samenwerkingen aan met andere innovatieve en experimentele partners. MODEKUNST

Van Herpens werk is altijd draagbaar, maar door vorm, uitvoering en idee kun je het gerust omschrijven als modekunst. De laatste jaren werkt zij vooral ‘samen met de natuur’, zoals zij het noemt. In haar Spider Dress (2025) werd in samenwerking met een Japanse partner brewed protein verwerkt, een in het laboratorium gekweekt materiaal. In diezelfde collectie ging Van Herpen nog een stap verder met een ‘levende’ jurk waarin 125 miljoen levende (en lichtgevende) algen waren verwerkt. En de haute-couturecollectie Sonic Starquakes (2026) bevat zelfs een creatie, Helix Nebula, waarin plasma is verwerkt, in handgeblazen elementen. Wanneer de jurk wordt gedragen, wordt het lichaam de geleider van het elektrische plasmaveld en lichten onderdelen van de jurk op. Hightech, maar met de natuur als vertrekpunt en verbinder.

Foliage (Look 1) uit de collectie Ludi Naturae Iris van Herpen 2018. Diverse materialen en technieken In samenwerking met TU Delft KUNSTMUSEUM DEN HAAG

Foto: Jean Baptiste Mondino; achtergrond: Peter Gentenaar

Afgelopen winter trok Sculpting the Senses, de Iris van Herpententoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal, veel enthousiaste bezoekers. Kunstmuseum Den Haag wist twee ontwerpen te verwerven, waarvan er één nu te zien is op de tentoonstelling Reflections on Fashion. Het is een ‘première’: de eerste keer dat de Vereniging Rembrandt de aankoop van mode steunt. En een ‘sneak preview’ van een grotere aankoop die naar verwachting dit najaar wordt gepresenteerd door meerdere musea. Conservator Madelief Hohé legt uit wat er zo bijzonder is aan het werk van Iris van Herpen.


23 2026 # 2


Lirinë gown uit de collectie Carte Blanche in het restauratieatelier van Kunstmuseum Den Haag 2023. Diverse materialen en technieken

Foto: Alice de Groot

KUNSTMUSEUM DEN HAAG

A ANWINSTEN KUNSTMUSEUM

Kunstmuseum Den Haag is heel blij met de twee jurken van deze unieke ontwerper die nu kunnen worden toegevoegd aan de collectie. Het zijn stukken waarmee het museum al een band had opgebouwd. Foliage (Look 1) uit de collectie Ludi Naturae speelde een belangrijke rol in de tentoonstelling Femmes Fatales (2018). Het materiaal is ontwikkeld samen met de Technische Universiteit Delft, waarbij de bladachtige patronen 3D-geprint zijn (0,8 mm dun!) waarna tule in de 3D-printer is

24 2026 # 2

gelegd om direct op de stof te printen. De zachtblauwe jurk uit Carte Blanche was in 2025 te zien in de tentoonstelling Titanic & Fashion, samen met een video: de jurk was onder water gefilmd als een ode aan de kracht en veerkracht van vrouwen. Het zijn beide werken waarin verrassende technologie samengaat met Van Herpens liefde voor de natuur en visie op de toekomst. Madelief Hohé is conservator Mode & Kostuum bij Kunstmuseum Den Haag


­ Denkraam WIM PIJBES

Zwachteltaal Wie tegenwoordig een museum bezoekt, passeert eerder een waarschuwingsbord dan een kunstwerk. Zo lees ik steeds vaker dat ‘This installation contains sexual content’ of ‘This film shows explicit scenes of nudity’. Ik word begroet met een ‘institutional note’, of nog erger, een ‘emotional preparedness’ of ik lees over ‘community agreements’ hoe men zich dient te gedragen, wat wel en vooral wat niet te doen. Het zal me wat.

25 2026 # 2

Foto: Wim Pijbes

Welk doel wordt hier nu eigenlijk mee bereikt? Dat mogelijk tere zieltjes worden behoed voor een onverwachte confrontatie met een bil of borst? Het leven kent nu eenmaal risico’s en onverwachte wendingen, en wie opgroeit tussen alleen maar rubberen tegels en nooit zijn knie schaaft, heeft niet echt geleefd. Op 15 april overleed Paul Huvenne (1949-2026) aan een genadeloze kanker. Paul was zeventien jaar lang directeur-generaal van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen en bovendien lange tijd gewaardeerd lid van de Raad van Toezicht van het Rijksmuseum. Paul heeft geleefd – gul en gulzig, zwierig en nieuwsgierig, zo las ik in een van de vele necrologieën over hem. Paul was dyslectisch en niet van ‘te veel letterkes’. Het beeld was bepalend en dat is bij de zuiderburen nu eenmaal uitbundiger dan bij ons. Zo vertelde hij eens een anekdote over het geplande bezoek van een schoolklas aan zijn museum waarbij de schoolleiding erop stond de kinderen niet te confronteren met blote lijven en in zalen waar dit voorkwam deze taferelen af te dekken. Wie het museum kent en zich de reusachtige Rubensdoeken voor de geest haalt, weet dat dit een onmogelijke opgave is, en dus bleef Rubens onbedekt en kwam de klas gewoon op bezoek. Maar inmiddels zitten we opgescheept met al die goedbedoelde waarschuwingsborden vol zwachteltaal (dixit Adriaan van Dis) om een ‘veilig museumbezoek’ te garanderen. Teksten in musea zijn nodig om het gebodene te duiden en het is een vak om die vooral kort, duidelijk en voor een breed publiek te schrijven. Rond 1850 verschenen de eerste wandetiketten met de naam van de kunstenaar, titel en jaartal, later aangevuld met een summiere beschrijving van het werk. Opvallend is dat in de museumwereld nooit consensus is ontwikkeld over wat nu de beste oplossing is. Puristen als Alfred Barr

Waarschuwingsbord in de Neue Nationalgalerie in Berlijn

van het Museum of Modern Art in New York wilden de wanden zo schoon mogelijk houden, meer educatief georiënteerde directeuren namen de bezoeker bij de hand en overvoerden deze soms met een stortvloed aan tekst en uitleg. En behalve over de juiste hoeveelheid tekst woedt er momenteel een strijd over de gewenste woordkeus, representatie en politieke invalshoek. Zo moeten de Amerikaanse Smithsonian-musea tegenwoordig alle wandteksten voorleggen aan vertegenwoordigers van het Witte Huis. Een uiterst ongewenste situatie, maar stil blijven zitten en wachten tot deze storm overwaait lijkt evenmin een optie, want ‘silence is violence’, aldus fanatici. Musea moeten meegaan met hun tijd, zonder zich te laten leiden door het staccato van de waan van de dag. De Italiaanse schrijver Giuseppe Tomasi di Lampedusa schreef het treffend op in zijn Il Gattopardo (De tijgerkat): om het status quo te kunnen behouden, moet men verandering accepteren. En dat is wat ik de musea ook toewens.


NIENKE COERS

Een van de bekendste foto­grafen van Nederland is Eva Besnyö. Zij was van groot belang voor de emancipatie van de fotografie als zelfstan­ dige kunstvorm. Dit najaar wijdt het Fotomuseum Den Haag een grote overzichts­ tentoonstelling aan deze van oorsprong Hongaarse kunste­ naar die – zoals het museum het verwoordt – de 20ste eeuw een gezicht gaf.

Een nieuwe fotografische vormentaal Tulpen Eva Besnyö 1937. Ontwikkelgelatinezilverdruk KUNSTMUSEUM DEN HAAG

26 20 26# 2

Wie in het voorjaar van 1937 door het Noord-Hollandse polderlandschap wandelde, had tussen het groen zomaar een jonge vrouw kunnen aantreffen, gehurkt of misschien zelfs languit in het gras, geconcentreerd gebogen over haar camera. Met haar gezicht dicht tegen het kijkglas zocht zij naar het juiste moment om af te drukken. Het was fotografe Eva Besnyö (1910-2003), die in haar zoeker een compositie zag ontstaan die de werkelijkheid bijna tot abstractie verhief: tulpen vanuit kikvorsperspectief, scherp afgetekend tegen de lucht en losgemaakt van hun omgeving. Vanuit een spel van diagonale bladeren en stelen wordt het oog in een lichte curve naar boven geleid, waar de lichte, bijna transparante bloemen het beeld bekronen. Het beeld is kenmerkend voor Besnyös vooroorlogse oeuvre, waarin experiment met vorm en compositie een centrale rol innam. Haar visuele vooruitstrevendheid maakte haar tot een van de boegbeelden van de Nieuwe Fotografie in Nederland. Deze stroming ontstond aan het eind van de jaren twintig, toen fotografen, vormgevers en intellectuelen in Europa zich steeds nadrukkelijker afzetten tegen de dominante kunstfotografie, die een schilderachtig resultaat nastreefde. Vanuit de overtuiging dat fotografie eigen technische en materiële princi-


pes had – die verschilden van die van de schilderkunst – streefden deze pioniers naar een ‘zuivere’ fotografische beeldtaal. Zij brachten onderwerpen scherp in beeld, vermeden retouches en experimenteerden met nieuwe technieken. Hiermee verschoof ook de discussie over de toepassingen van fotografie. Nieuwe Fotografie was niet alleen een kunstvorm, maar ook een medium dat in de praktijk kon worden gebruikt om mensen tot actie aan te sporen, bijvoorbeeld in commerciële en indus­ triële fotografie of in maatschappelijk engagement en politieke strijd.

27 20 26# 2

Commerciële toepassingen Besnyö kwam voor het eerst in aanraking met de Nieuwe Fotografie in 1928, toen ze na het afronden van haar middelbare school een tweejarige opleiding ging volgen bij de reclamefotograaf Jozsef Pécsi in haar geboortestad Boedapest. Pécsi was een vooruitstrevend fotograaf en genoot ook internationaal aanzien. Zijn studio functioneerde als een ontmoetingsplek voor intellectuelen en kunstenaars, en hij bood zijn studenten toegang tot een uitgebreide kunsthistorische bibliotheek met internationale tijdschriften. Besnyö maakte hier gretig gebruik van en raakte goed op de hoogte van actuele

Kantine van de AVRO-studio in Hilversum ontworpen door architecten Merkelbach & Karsten Eva Besnyö 1936-40. Ontwikkel­ gelatinezilverdruk KUNSTMUSEUM DEN HAAG


Werkloze in de Jordaan Eva Besnyö 1933. Ontwikkel­gelatine­zilverdruk KUNSTMUSEUM DEN HAAG

discussies over traditionele versus moderne fotografie. Met de ambitie net als haar leraar reclamefotograaf te worden, toog Besnyö in 1930 naar Berlijn. Daar werkte zij korte tijd in de studio van de reclamefotograaf René Ahrlé. Hoewel deze leertijd haar in praktisch opzicht minder opleverde dan gehoopt, maakte zij er wel kennis met de professionele praktijk van de commerciële fotografie en verfijnde zij haar moderne beeldtaal. In 1932 trok Besnyö vanuit Berlijn naar Nederland, onder meer vanwege de beklemming die het opkomende nazisme in Duitsland bij haar als Joodse vrouw opriep. Ook in Nederland voerde ze opdrachten uit, variërend van reclamewerk tot architectuurfotografie, waarin zij haar vernieuwende vormentaal met grote beheersing toepaste. Zij maakte veelgeprezen opnamen van moderne architectuur, zowel van privéwoningen als van openbare gebouwen, zoals de AVRO-studio in Hilversum. Daarin vertaalde zij de functionele principes van het Nieuwe Bouwen naar heldere, dynamische composities waarin licht, ruimte en oog voor de bouwkundige constructie centraal staan. Gaandeweg verloor dit werk voor Besnyö echter zijn aantrekkingskracht. Hoewel zij afhankelijk bleef van opdrachten om in haar levensonderhoud te voorzien – zeker in haar eerste jaren in Nederland, toen zij in armoedige omstandigheden leefde – nam haar interesse in commerciële fotografie af. Als zich de gelegenheid voordeed, richtte zij zich liever op een andere toepassing van de Nieuwe Fotografie: het medium als middel in de politieke strijd.

Ruïnes na het bombardement in Rotterdam Eva Besnyö 1940. Ontwikkelgelatinezilverdruk KUNSTMUSEUM DEN HAAG

28 2026 #2

Politiek engagement In Boedapest groeide Eva Besnyö op in een welgesteld milieu, maar zij ontwikkelde al vroeg belangstelling voor linkse ideeën. In Berlijn trok Besnyö veel op met György Kepes, een communistische kunstenaar die haar introduceerde in een politiek geëngageerde vriendenkring. Ze voerden discussies over maatschappelijke ontwikkelingen en bezochten Russische films. Daarnaast volgde Besnyö een paar avonden per week lessen aan de Marxistische Arbeidersschool, waar zij zich verdiepte in de Sovjet-Unie en de marxistische ideologie. Toen Besnyö zich in 1932 in Nederland vestigde, trof zij een minder polemisch politiek klimaat aan dan in het Berlijn van de vroege jaren dertig. Toch vond zij ook


Protest van vrouwen­ beweging Dolle Mina Eva Besnyö 1976. Ontwikkelgelatine­ zilverdruk KUNSTMUSEUM DEN HAAG

hier snel aansluiting bij linksgeoriënteerde kringen, met name in die rond haar schoonmoeder, de schilder Charley Toorop. In tegenstelling tot haar Berlijnse jaren, toen zij politieke impulsen vooral in zich opnam en op visueel vlak veel experimenteerde, begon Besnyö in Nederland bewuster na te denken over hoe ze met haar fotografie echt in actie kon komen. Daarbij bleef ze wel trouw aan de zuivere en experimentele beeldtaal van de Nieuwe Fotografie. Zo sloot Besnyö zich in 1933 aan bij de Vereeniging van Arbeidersfotografen, een collectief dat zogenoemde arbeider-fotografen, of ‘arfots’, opleidde. Deze fotografen legden sociale misstanden vast om een breed publiek bewust te maken van de gevolgen van economische crisis en ongelijkheid. Als arfot fotografeerde Besnyö onder meer een werkloze man in de Jordaan. Door hem frontaal, met gespreide benen en vanuit een diagonaal standpunt vast te leggen, gaf zij het beeld een krachtige formele spanning. Ook in latere vooroorlogse opdrachten bleef Besnyö vorm en politieke strijd nauw met elkaar verbinden. Tegen het einde van de jaren dertig tekende zich echter een verschuiving af in Besnyös werk. In het steeds grimmiger politieke klimaat begon Besnyö meer nadruk te leggen op inhoud en directe leesbaarheid ten koste van formele experimenten. Haar visuele composities werden minder uitgesproken en zij liet de sociale wer-

29 20 26# 2

kelijkheid directer zien. Een belangrijk keerpunt vormt haar serie foto’s waarin zij de nasleep van het bombardement op Rotterdam in 1940 vastlegde. Hoewel deze beelden nog leunen op formele kwaliteiten – diagonalen, structuren en contrasten in het puin – markeren zij achteraf een breuk. Besnyö sprak later met enige gêne over wat zij ‘stomweg mooie foto’s’ noemde. Voor haar vormden deze de laatste uiting van een esthetische benadering die zij na de oorlog zou loslaten. Vanaf 1945 ontwikkelde haar werk zich in een meer documentaire richting. De inhoud kwam voorop te staan, bijvoorbeeld in haar werk als fotograaf van de feministische Dolle Minabeweging. Wat begon als een zoektocht naar een nieuwe manier van zien, leidde na de oorlog tot het besef dat zien alleen niet volstond: de camera moest niet alleen ordenen, maar ook getuigen.

De tentoonstelling Eva Besnyö. De bevrijde camera is van 5 september 2026 t/m 31 januari 2027 te zien in Fotomuseum Den Haag

Dit artikel is gebaseerd op een bijdrage aan de cata­ logus bij de tentoonstelling Eva Besnyö. De bevrijde camera. Als bursaal van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Fonds voor Onderzoek naar Moderne en Hedendaagse kunst) deed Nienke Coers onderzoek naar de relatie tussen het vooroorlogse werk van Besnyö en de bredere interbellum-kunstcollectie van het Kunstmuseum Den Haag.


KEES KEIJER

Hoe weerbaar is ons Brand, diefstal, waterschade en vandalisme horen al jaren tot de risico’s waarmee musea en erfgoedinstellingen rekening houden. Maar zijn zij ook opgewassen tegen langdurige stroom­ uitval, cyberaanvallen, bosbranden of zelfs een gewapend conflict? Wat gebeurt er allemaal om ons waardevolle erfgoed te beschermen? Steeds vaker komen hierover vragen binnen bij de Vereniging Rembrandt: hoe staat het met de veilig­ heid van de aankopen die wij steunen? Aanleiding om eens te kijken naar hoe musea zich voorbereiden op nieuwe vormen van crisis.

Nederlandse musea zijn waarschijnlijk beter beschermd dan ooit. Collecties worden bewaard in speciaal ontworpen depots, gebouwen zijn uitgerust met geavanceerde beveiligingssystemen en restauratoren beschikken over kennis en middelen waar eerdere generaties alleen van konden dromen. Tegelijkertijd wordt binnen de erfgoed­sector steeds vaker gesproken over kwetsbaarheid. Niet omdat musea hun zaken minder goed op orde hebben, maar omdat de aard van de risico’s is veranderd. De vraag is niet langer alleen hoe een schilderij wordt beschermd tegen licht, vocht of diefstal, maar ook hoe een instelling functioneert tijdens langdurige stroom­ uitval, een cyberaanval, een overstroming of andere vormen van maatschappelijke ontwrichting. Actie Die verschuiving stond centraal tijdens de Landelijke Actie­ dagen Weerbaar Erfgoed, die in mei voor de tweede keer werden georganiseerd door UNESCO Nederland, Blue Shield Nederland en Cultural Emergency Response. Musea, archieven, bibliotheken, veiligheidsregio’s en overheden kwamen bijeen om te spreken over een onderwerp dat de afgelopen jaren steeds concreter is geworden: hoe bescherm je cultureel erfgoed bij kleine incidenten én grootschalige crises? Voor veel

Brandoefening Ieder jaar houdt het Mauritshuis in Den Haag een brandoefening. Daarbij wordt ook geoefend met collec­tiehulpverlening (CHV), ‘eerste hulp’ aan de collectie. In oktober 2025 organiseerde coör­dinator Collectieveiligheid Mike van der Steenhoven zo’n oefendag rond brand en de collectie. Hij deed dat samen met de lokale brandweer, de beveiligers, het coördinerend crisis­team en de collectiehulpverleners: medewerkers van de afdeling Tentoonstellingstechniek en het restauratieatelier. Mike werd hierover geïnterviewd voor een blog van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, waaraan deze foto’s zijn ontleend: cultureel­ erfgoed.nl/onderwerpen/p/praktijkvoorbeelden/overzicht-praktijkvoorbeelden/collectiehulpverlening-mauritshuis

Tijdens een CHV-oefening wordt een realistische situatie nagebootst. In een van de kantoren is een tentoon­stellingsruimte ingericht. Er hangen deels verkoolde schilderijen uit een kringloopwinkel.

30 20 26# 2

Bij de CHV-oefening sluit ook de lokale brandweer aan. Bij deze oefening heeft de brandweer de ruimte vol rook gezet.

Eerst worden eventuele slachtoffers gered.


erfgoed?

Stroomuitval Dat besef wordt mede gevoed door gebeurtenissen van de afgelopen jaren. De grote overstromingen in Zuid-Limburg in de zomer van 2021 vormden voor veel erfgoedinstellingen een kantelpunt. Monumentale gebouwen, archieven en collectiebeherende instellingen kregen te maken met ernstige wateroverlast; objecten gingen verloren en collecties raakten beschadigd. Het incident maakte duidelijk dat erfgoedinstellingen niet alleen moeten nadenken over risico’s binnen hun eigen muren, maar ook over ontwrichtingen die een heel gebied kunnen treffen. Juist daarom, zegt Bedaux, wordt samenwerking steeds belangrijker. ‘Dan wil je natuurlijk voorkomen dat instellingen met elkaar moeten concurreren om bijvoorbeeld noodstroomvoorzieningen te verkrijgen. Bij een grootschalige overstroming moet je van tevoren in beeld hebben waar de expertise in Nederland zit als het gaat om de omgang met water. Welke restauratoren zijn erin gespecialiseerd? In welke depots is goede apparatuur? Dat wil je op het moment van zo’n crisis niet nog allemaal moeten uitzoeken.’

Foto’s: Mike van der Steenhoven

deelnemers lag de waarde van de actiedagen vooral in de uitwisseling van kennis en ervaring. Voor musea die jaarlijks meer dan een miljoen bezoekers ontvangen, zijn de risico’s anders dan voor kleine streekmusea, maar de onderliggende vragen blijken opvallend vergelijkbaar. Hoe zet je een crisisorganisatie op? Hoe bereid je je voor op uitval van systemen? Welke kennis moet vooraf beschikbaar zijn en welke partners heb je nodig wanneer zich daadwerkelijk een incident voordoet? Volgens Lisanne Bedaux van UNESCO Nederland is de hernieuwde aandacht voor weerbaarheid niet los te zien van internationale ontwikkelingen. De oorlog in Oekraïne, toenemende aandacht voor hybride dreigingen en de zichtbare gevolgen van klimaatverandering hebben het onderwerp opnieuw actueel gemaakt. Tegelijkertijd is het idee dat erfgoed bescherming verdient in tijden van crisis allesbehalve nieuw. ‘Het eerste UNESCO-verdrag was het Haags Verdrag,’ zegt Bedaux. ‘Het beschermen van erfgoed is daarin een belangrijk thema.’ Het Haags Verdrag uit 1954 kwam voort uit de ervaringen van de Tweede Wereldoorlog, toen monumenten werden verwoest, bibliotheken verloren gingen en collecties werden geplunderd. De centrale gedachte was dat bescherming van erfgoed niet begint op het moment dat een crisis uitbreekt, maar daarvóór.

Toen de Nederlandse UNESCO-commissie in 2020 een advies publiceerde over de implementatie van het verdrag, bleek dat de voorbereiding op grootschalige crises nog beperkt ontwikkeld was. Bedaux: ‘Vooral hybride dreigingen vragen om een ander soort aanpak. Wij zagen in de sector wel de energie om met het onderwerp aan de slag te gaan.’ Die belangstelling komt volgens haar voort uit een groeiend besef dat de risico’s waarmee erfgoedinstellingen worden geconfronteerd niet langer uitsluitend gaan over een brand op zaal, een diefstal of lokale wateroverlast.

Dan brengen de brandweerlieden de kunst in veiligheid.

De collectiehulpverleners moeten allemaal een pak aan, een masker op en aan de slag met triage. Hier registreren en beoordelen collectiebeheerders de objecten.

31 2026 #2

Collectiehulpverleners beoordelen de schade aan het object. Ook worden er foto’s gemaakt.

Het object wordt zo veel mogelijk schoongemaakt met middelen uit een CHV-kist.

Ten slotte worden de objecten verplaatst naar een veilige omgeving. Hiervoor staan schilderijkratten en karren klaar.


Foto: Wâldnet/Dennis Oevering

Voorbereiding is dus belangrijk en daarom oefenen musea op noodscenario’s. Marije Verduijn, hoofd Collecties van het Centraal Museum: ‘Het scenario waarover ik mij eerlijk gezegd het meeste zorgen maak, is langdurige stroomuitval. Dat lijkt me een realistisch scenario.’ Tijdens crisisoefeningen wordt zichtbaar hoe afhankelijk een museumorganisatie inmiddels is van voorzieningen die normaal gesproken nauwelijks worden opgemerkt. ‘Mensen kunnen niet naar buiten, de lift doet het niet meer, de toiletten werken niet meer. Je krijgt al heel snel dat soort problemen.’ Volgens Verduijn zit de waarde van oefeningen juist in het blootleggen van zulke afhankelijkheden. Weerbaarheid blijkt daarmee niet alleen een kwestie van collectiebehoud, maar ook van organisatievermogen. Het Van Gogh Museum kreeg vorig jaar daadwerkelijk te maken met een stroomstoring waardoor de deuren tijdelijk dicht moesten. Algemeen directeur Rob Groot beschouwt stroomuitval inmiddels als een serieus maatschappelijk risico. ‘Het Van Gogh Museum bereidt zich hier actief op voor door middel van oefeningen en trainingen. Daarnaast zijn diverse maatregelen getroffen en investeringen gedaan om de veiligheid van bezoekers, medewerkers en de collectie te waarborgen.’ Traditionele risico’s zijn niet verdwenen, maar nieuwe kwetsbaarheden hebben zich aangediend. Dat geldt vooral voor de digitale omgeving, waarin musea steeds afhankelijker zijn geworden van complexe systemen. Dat werd duidelijk in 2024, toen frauduleuze websites neptickets voor het Van Gogh Museum verkochten. De fraude werd ontdekt door een combinatie van digitale monitoring en signalen van bezoekers. Volgens Groot vormde het incident een belangrijke test voor

Museum Dr8888 in Drachten werd in 2017 getroffen door extreme wateroverlast als gevolg van hevige, plotselinge regenbuien. De kelder en enkele zalen liepen onder en zo’n dertig kunstwerken moesten worden gerestaureerd. Sindsdien heeft het museum maatregelen getroffen.

32 2026 # 2

bestaande procedures. De ervaring leidde tot aanvullende maatregelen en een verdere intensivering van de samenwerking met externe partners. ‘Een belangrijke les is dat cyberincidenten zich in uiteenlopende vormen kunnen voordoen. Daarom is het essentieel dat een museum beschikt over een flexibele verdedigingsstrategie en in staat is om, samen met leveranciers en partners, snel en effectief te reageren op incidenten.’ Al is de Vereniging Rembrandt geen museum, ook hier speelt de kwestie van digitale veiligheid. De Vereniging bereidt zich actief voor op mogelijke cyberaanvallen. Nieuwe depots Elk museum heeft te maken met specifieke risico’s. Je zou denken dat het Kröller-Müller Museum extra kwetsbaar is voor bosbranden, maar dat valt volgens directeur Benno Tempel mee. ‘Toen ik hier kwam, dacht ik dat ook. Door klimaatverandering lopen de temperaturen op. Gaat dat wel goed? Maar bosbranden slaan vooral over door naald­bomen, en in het gebied van het museum staan voornamelijk loofbomen. Bovendien hebben we als museum onze eigen brandweer, dat is heel bijzonder. Dus als er iets gebeurt kunnen we snel handelen.’ Het Kröller-Müller staat aan de vooravond van een grote uitbreiding. Tempel ziet dat weerbaarheid steeds vaker wordt meegenomen in de manier waarop nieuwe depots worden ontworpen. Daarbij komen thema’s als duurzaamheid, energieverbruik en crisisbestendigheid samen. Nieuwe depotconcepten zijn erop gericht stabiele omstandigheden te behouden, ook wanneer installaties of energievoorzieningen tijdelijk uitvallen. ‘De eerste uitkomsten daarvan zijn heel hoopgevend. Je ziet dat de temperatuurschommelingen eigenlijk heel beperkt blijven.’ Het Centraal Museum heeft plannen voor een nieuw depot op een industrieterrein in Utrecht. Verduijn: ‘Dat gebouw heeft veel meer stevigheid en stabiliteit dan het huidige depot. Dus als daar de stroom uitvalt en de deuren zijn goed dicht, dan gebeurt er maandenlang bijna niets met de luchtvochtigheid en de temperatuur. Dat is gewoon een heel veilig idee. En het gebouw is duurzaam, dus je hebt sowieso minder energie nodig voor een goed klimaat.’ Tegelijkertijd ziet het Kröller-Müller Museum dat de samenwerking tussen instellingen steeds concreter wordt. Het museum werd de afgelopen jaren benaderd door collegainstellingen die wilden verkennen of collecties in noodsituaties tijdelijk op de Hoge Veluwe zouden kunnen worden ondergebracht. Tempel: ‘Wij zitten natuurlijk redelijk geïsoleerd. In die zin snap ik die vraag heel goed.’ Zulke gesprekken illustreren hoe de discussie over weerbaarheid zich heeft ontwikkeld van een abstract veiligheidsvraagstuk tot een praktisch gesprek over onderlinge afhankelijkheid, kennisdeling en gezamenlijke verantwoordelijkheid. Kees Keijer is kunsthistoricus en freelance journalist


Foto: Raaf Blanker

Uit de schaduw RENATE MEIJER

Kunsthistoricus Anne-Linde Ruiter deed met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Ekkart Fonds) onderzoek voor De onzicht­bare hand. Het aan­deel van vijf vrouwe­lijke schenkers aan Museum Boijmans Van Beuningen. De resultaten van het project verschijnen in Boijmans Studies. In 2027 opent in het depot van het museum een ten­toonstelling over vrouwelijke schenkers.

Lilith (De verleidende Lilith) Ethel Walker ca. 1920. Olieverf op doek, 132 x 182 cm MUSEUM BOIJMANS VAN BEUNINGEN, ROTTERDAM

Bruikleen Stichting Museum Boijmans Van Beuningen. Schenking L. de Graaff-Bachiene

Voor Museum Boijmans Van Beuningen deed Anne-Linde Ruiter onderzoek naar vrouwelijke schenkers. Als zij honderduit vertelt over haar vijf hoofdpersonen noemt zij hen steevast bij hun volledige namen. ‘Ik doe dat heel bewust. Deze vrouwen hadden een identiteit los van hun vader of echtgenoot. Dat is ook mijn doel, om deze vrouwen uit de schaduw te halen.’ Is het moeilijk(er) om onderzoek te doen naar vrouwen? ‘Het is lastig te onderscheiden wat zij zelf hebben gedaan en wat toe te schrijven valt aan de mannen in hun leven. Getrouwde vrouwen waren tot 1957 handelingsonbekwaam en zijn daardoor goeddeels onzichtbaar in de archieven. Tijdens mijn studie maakte ik al kennis met vrouwen in de kunstgeschiedenis, en kon ik voor het platform

33 2026 # 2

De Andere Helft onderzoek doen naar de verzamelaar Margaretha Cornelia Boellaard. Toen Boijmans later iemand zocht voor dit onderzoek naar vrouwelijke verzamelaars – onder wie ook Boellaard – voelde dat als meant to be. Dit was echt een droombaan! Van Margaretha Cornelia Boellaard (1795-1872) weten we dat zij zelf verzamelde. Zij was enig kind en opgeleid als kunstenaar. Als ongehuwde vrouw was zij handelingsbekwaam. Ik wist al dat zij een grote verzameling tekeningen moet hebben gehad. Maar dat konden eigenlijk niet alleen haar eigen tekeningen zijn, want die waren niet heel goed, als ik eerlijk ben. Toen ik voor Boijmans dit onderzoek weer oppakte, kwam ik erachter dat zij alles had nagelaten aan een jongeman, Johannes Marinus Vreeswijk. Hij stond bekend als verzamelaar en ik nam klakkeloos aan – wat je natuurlijk nooit moet doen – dat ze elkaar dus kenden via de kunstwereld. Maar Vreeswijk woonde bij haar in: hij was de zoon van haar oud-­ koetsier en waarschijnlijk kind aan huis. Misschien was hij voor Margaretha Boellaard de zoon die zij nooit heeft gehad.


Cornelia Marjolin-Scheffer (1830-1899) was de dochter van kunstenaar Ary Scheffer, maar ook familie van de directeur van Boijmans, Lamme. Ze was de eerste vrouwelijke schenker aan het museum. Dat maakte de keuze om haar te onderzoeken heel vanzelfsprekend. Na de dood van haar vader in 1858 schonk zij een olieverfschets van hem. Toen die in de brand van 1864 verloren was gegaan, doneerde zij opnieuw een olieverfschets en in 1874 volgde een derde gift. Maar toen haar neef stopte als directeur, en de interesse voor Scheffers werk opdroogde, hield Cornelia’s betrokkenheid bij het museum op. Cornelia Scheffer erfde de atelierinboedel van haar vader, maar zij en haar echtgenoot René Marjolin voegden zelf niet veel toe aan de verzameling. Het is opvallend dat de werken die zij schonk op háár naam stonden. Zelf maakte Cornelia ook beelden, schilderijen en tekeningen. Ze werkte zelfs een tijdje samen met Edouard Manet.’ Le doigt sur la joue Kees van Dongen ca. 1910. Olieverf op doek, 65 x 54 cm MUSEUM BOIJMANS VAN BEUNINGEN, ROTTERDAM

Bruikleen Stichting Museum Boijmans Van Beuningen. Schenking L. de Graaff-Bachiene © Kees van Dongen c/o Pictoright Amsterdam, 2026

Boellaard liet hem een aanzienlijke verzameling na, waaronder waarschijnlijk ook haar prenten en tekeningen van oude meesters, zoals Rembrandt en Maria Sibylla Merian. Behalve kunst liet zij Vreeswijk ook geld na en zo stelde zij hem in staat om zelf ook te gaan verzamelen. Boellaard liet ook aan Museum Boijmans een aantal tekeningen na. De heer Boijmans had haar ooit Italiaanse tekeningen uitgeleend, die zij toen heeft gekopieerd. Ze was heel trots op die tekeningen. Toen zij hoorde van een grote brand in Museum Boijmans, in 1864, dacht zij dat de originelen waren vernietigd en gaf zij haar veertien kopieën aan het museum.’ Hoe kwam je verder tot je selectie? ‘De geschiedenis van Museum Boijmans kent ongeveer vijfhonderd vrouwelijke schenkers. Dat had Bram Donders eerder al eens uitgezocht. Daaruit hebben we zes vrouwen gekozen, maar ik heb uiteindelijk vier essays geschreven door twee schoonzussen in één verhaal te combineren. Het essay over de zesde schenker, Cornelia Schuurmans-Ripping (1802-1833), nam conservator tekeningen Rosie Razzall voor haar rekening. Het was heel erg moeilijk om die selectie te maken. Ik had nog wel zes verhalen kunnen schrijven!

34 2026 # 2

Hoe vind je al deze verhalen? ‘Ik begin altijd met literatuur- en archiefonderzoek: wat is er al bekend over deze vrouwen? Over Louise de Graaff-Bachiene (1870-1963) was er bijvoorbeeld al een publicatie vanuit Museum de Fundatie. Dan begin ik met de basisinformatie: Waar zijn ze geboren? Wat zeggen hun adres en hun ouders over hoe zij zijn opgegroeid? Kan ik een testament vinden, of brieven? Hebben ze elders nog iets nagelaten? Worden zij genoemd in oude kranten, zo ja waarom? Wat voor werk deden ze? Louise de Graaff-Bachiene, zelf ook illustrator en ontwerper, schonk een paar heel bijzondere werken aan het museum, die nog steeds publiekslievelingen zijn. Zoals de Kees van Dongen. Zij en haar man hadden van alles en nog wat in huis, ook werken van Picasso en Breitner. Louise had een bijzondere connectie met Dirk Hannema, directeur van Museum Boijmans en daarna oprichter van de Stichting Hannema-de Stuers Fundatie. Hannema intensiveerde de banden met potentiële schenkers en ging persoonlijk bij hen langs. Dus toen in 1935 het nieuwe museumgebouw werd geopend, waren er veel mannelijke én vrouwelijke donateurs. Louise de Graaff-Bachiene en haar echtgenoot Jakob de Graaff gaven bijvoorbeeld in 1935 een stilleven van James Ensor. Na de dood van haar man – en naar


diens uitdrukkelijke wens – krijgt Boijmans negentien kunstwerken. Het meeste laat zij echter na aan de Fundatie. Mijn favoriete werk is de Lilith van Ethel Walker, die Louise en haar man Jacob in 1921 aankochten. Zij woonden lang in Londen en kwamen zo waarschijnlijk in contact met het werk van deze Schotse lesbische kunstenaar.’ Heb je van iedereen beeld? ‘Van bijna allemaal heb ik foto’s, soms alleen een portret. Van Louise de Graaff-Bachiene is er een gave foto met Hannema en een waarop ze in haar woonkamer staat naast een van de werken die uiteindelijk in onze collectie terecht zijn gekomen. De uitzondering vormen de schoon­zussen Van Beek. Hoewel zij de meest recente casus zijn binnen mijn onderzoek, heb ik van hen geen foto’s. Ik heb dus één essay gewijd aan twee schoonzussen uit de Rotterdamse stedelijke elite. Ze hadden een vergelijkbare achtergrond, leerden allebei verder (boekhouding en een huishoudopleiding) en werkten totdat zij eervol werden ontslagen, waarschijnlijk omdat zij in het huwelijk traden. Grada Nicoline van Beek-Donner (1886-1955) was getrouwd met de verzamelaar Anton van Beek, maar ze was niet slechts “de echtgenote van”. Ze blijkt in die tijd zelf ook al bekend te hebben gestaan als verzamelaar: ze deed aankopen en leende werken uit voor tentoonstellingen. Aan Boijmans schonk zij aanzienlijke stukken, zoals een prachtige Breitner, Allebé en Fantin Latour. Haar schoonzus Elisabeth IJbeltje van Beek-van Hoorn Janssen (1883-1981) bezat ook een collectie. Haar man was de verzamelaar, maar is waarschijnlijk pas kunst gaan kopen na hun huwelijk. Ze zal dus wel degelijk een mening hebben gehad over de schilderijen die in huis hingen, het domein van de vrouw. Anders dan haar schoonzus deed zij zelf geen aankopen, ook niet na de dood van haar man. Misschien was zij niet geïnteresseerd, of gewoon te druk. Ze had zeven kinderen en zat na het overlijden van haar man in de directie van het familiebedrijf, een tabakshandel. Zij schonk drie impressionistische werken aan het museum: de cineraria’s van Van Gogh, een Pissarro en een Monet.

35 20 26# 2

Het verschil tussen deze vrouwen zit hem denk ik in die kinderen: Grada Nicoline kreeg geen kinderen en had de tijd en de middelen om zich met de verzameling bezig te houden, in tegenstelling tot Elisabeth IJbeltje. Grada van Beek droeg overigens de Vereniging Rembrandt een warm hart toe: in juli 1929 schonk zij honderd gulden aan het Nationaal Fonds 1930, dat door de Vereniging was opgericht om kunstwerken in Nederland aan te kopen.’ Renate Meijer is hoofdredacteur van het Bulletin van de

De Andere Helft De Andere Helft neemt de rol van vrouwen in de Nederlandse kunstwereld in de periode 1780-1980 onder de loep. Het platform is een initiatief van het Rijksmuseum, Stedelijk Museum Amsterdam, Museum Boijmans Van Beuningen, RKD – Nederlands Instituut voor Kunst­geschiedenis en de Universiteit van Amsterdam. In 2023 steunde de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Kroese-Duijsters Fonds) in dit kader een onderzoek n aar vrouwelijke verzamelaars.

L’Oise à Pontoise au temps gris Camille Pissarro 1876. Olieverf op doek, 53,5 x 64 cm MUSEUM BOIJMANS VAN BEUNINGEN, ROTTERDAM

Bruikleen Stichting Museum Boijmans Van Beuningen. Schenking mevrouw E.Y. van Beekvan Hoorn Janssen


Stem

SUZANNA JANSEN

Zelfportret Judith Leyster ca. 1630. Olieverf op doek, 74,6 × 65,1 cm NATIONAL GALLERY, WASHINGTON

Schenking Mr. en Mrs. Robert Woods Bliss

Op zaterdag 6 juni 2026 zag het Judith Leyster Fonds voor vrouwen in de kunst officieel het licht. Tijdens de feestelijke oprichtingsbijeenkomst hield schrijfster Suzanna Jansen een persoonlijke voordracht, die zij bewerkte voor het Bulletin. Jansen schetst hoe vrouwelijke kunstenaars vaak onzichtbaar bleven, hoe hun stem niet werd gehoord. Precies dit is wat het Judith Leyster Fonds beoogt te bestrijden. Door aankopen, onderzoek en restauraties te steunen van kunstwerken die zijn gemaakt, besteld, verzameld, verhandeld of geschonken door vrouwen – of die de vrouw centraal stellen.

In mijn kast staat een veelzeggend boek. De uitgave is van 1984, maar de tekst komt uit de middeleeuwen. Uit 1405. Schrijfster Christine de Pisan mengde zich destijds in het publieke debat. En, bijzonder, haar werk werd uitgegeven. Nog bijzonderder: het bleef bewaard. In Het boek van de stad der vrouwen bestrijdt ze de vooroordelen tegen vrouwen. Vooral het idee dat vrouwen praatziek zouden zijn en dat hun gepraat niets dan onzin is. Want ook al in haar tijd bestond het diepgewortelde idee dat een goede vrouw niet te veel aandacht opeist en bij voorkeur haar mond houdt. Wie anno 2026 als vrouw in het openbaar de boventoon voert, anderen niet laat uitpraten of zich te veel profileert, vooral online, is al snel een bitch. En dit is van alle tijden. Vrouwen de mond snoeren is op allerlei manieren gebeurd. Denk aan de brandstapels voor zogenaamde heksen. Of aan het maatschappelijk keurslijf waarin vrouwen worden gedwongen. (De maatregel van de Taliban om de vrouwenstem in het openbaar te verbieden, komt niet uit de lucht vallen.) Het verloop van de kiesrechtstrijd in Nederland zie ik als een sprekend voorbeeld. In 1883 probeerde Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts in Nederland, zich in te schrijven als kiezer, omdat ze iets te zeggen had. Er stond nergens in de wet dat vrouwen niet mochten stemmen. Toch werd ze geweigerd. De Hoge Raad bevestigde dit besluit: onder ‘Nederlander’ kon alleen een man worden verstaan, ‘want ware het anders, dan zou dat uitdrukkelijk zijn vermeld’. Deze uitspraak was het startschot voor een strijd van bijna veertig jaar om de vrouwenstem te laten meetellen. De eerste dertig jaar hielden de strijdsters zich netjes aan de sociale regels. Ze maakten tijdschriften, verrichtten lobbywerk, schreven complete wetsvoorstellen om het de heren-parlementariërs makkelijk te maken. Ze zetten een enorme maatschappelijke verandering in gang, maar ze bleven achter de schermen. Pas toen ze na dertig jaar nog steeds niet mochten stemmen, besloten ze de straat op te gaan. Zwijgend. De vrouwen riepen geen leuzen. Ze waren niet gek, ze wisten dat een vrouw die in het openbaar haar stem verhief werd weggezet als hysterica. Toch niet geschikt geacht Mijn moeder werd geboren in 1922, het jaar waarin het kiesrecht voor vrouwen eindelijk in de grondwet kwam. Ze leefde het leven dat van een vrouw werd verwacht. Ze werd verplicht ontslagen zodra ze trouwde, tot die tijd kreeg ze minder loon. Ze werd huisvrouw en moeder en was bij wet handelingsonbekwaam. Tot 1971 was de man het hoofd van de echtvereniging. Dit soort ideeën en wetten beperkte vrouwen uiteraard enorm.

37 20 26# 2


Heeft u vragen over het Judith Leyster Fonds voor vrouwen in de kunst? Neem dan contact op met Merel Deinema, fondsenwerver major donors: deinema@verenigingrembrandt.nl

En dit speelde ook in de kunsten. Want vrouwen en kunst, dat is een ingewikkelde combinatie. Kunst wordt namelijk gemaakt om te worden gezien, gehoord of gelezen. Maar een kunstenares die haar werk toont, spreekt zich nadrukkelijk uit. En dat botst met het idee dat een goede vrouw zich het liefst op de achtergrond houdt. Een willekeurige greep uit de historie van vrouwen en de kunsten: p Op het toneel werden vrouwenrollen lang door mannen gespeeld, omdat het publiek er niet tegen zou kunnen als vrouwen zich openlijk lieten bekijken. p Kunstopleidingen waren lang niet toegankelijk voor vrouwen tot het Bauhaus daarmee brak. Bij de opening daarvan in 1919 zei de oprichter nog: ‘Geen onderscheid tussen het mooie en het sterke geslacht.’ Maar toen zich veel vrouwen aanmeldden, bleek dat ze toch niet geschikt werden geacht voor architectuur. En ook niet voor houtbewerking, beeldhouwen en schilderkunst. De vrouwen pasten beter op de weverij. p Ook onder kunstenaars werden kunstenaressen zelden serieus genomen. Begin 20ste eeuw vormden de pioniers van de Ausdruckstanz daarop een uitzondering. Maar daarbuiten was dansen een probleem. Want je voor publiek uitdrukken met je lichaam, dat gold als het meest schandalige wat een vrouw kon doen. De vrouwen die het ondanks alle barrières wel was p gelukt naam te maken, denk aan Judith Leyster, werden amper in de canon opgenomen.

Suzanna Jansen is schrijfster van onder meer Het pauperparadijs en De omwenteling of de eeuw van de vrouw

Foto: Stefan Rustenburg

Het oprichtingscomité van het Judith Leyster Fonds, samen met enkele sprekers van 6 juni. V.l.n.r.: Merel Deinema, Nelleke Metselaar, Eva Crebolder, Astrid Elburg, Hedy d’Ancona, Nicolette Brink, Iris van Lunenburg, Dorien ter Haar, Hélène van der Ven, Noepy Beckers-Testa en Suzanna Jansen

Oog voor vergeten vrouwen In de jaren zeventig en tachtig was literatuur voor mijn moeder de ingang tot de tweede feministische golf, die haar leven veranderde. Daaraan dank ik mijn boek van de middeleeuwse schrijfster Christine de Pisan. Want in die periode werden zij en andere vrouwelijke kunstenaars herontdekt. Componiste Alma Mahler bijvoorbeeld, schilderes Artemisia Gentileschi, en nog vele anderen. Want ze waren er natuurlijk wel geweest, die kunstenaressen. Alleen was hun werk aan anderen toegeschreven of – al dan niet per on­ geluk – vergeten. Nu, vijftig jaar later, is er opnieuw oog voor vergeten vrouwelijke kunstenaars. Er worden podcasts en boeken gemaakt over fantastische componistes, schilderessen, schrijfsters die we niet meer kennen. Eindelijk mag hun stem weer klinken. We zouden de illusie kunnen hebben dat het nu goed komt, maar zo makkelijk als ze eerst vergeten waren, kunnen ze opnieuw worden vergeten. Ik hoop van harte dat het Judith Leyster Fonds daar bescherming tegen kan bieden. Niet omdat dit rechtvaardig is, maar omdat we dan allemaal kunnen profiteren van de stem, de blik en het werk van die andere helft van ons.

38 2026 #2


NIELS WEIJENBERG

Het opschrift luidt: Des Conincx Munt[e]n toe Nimmegen ende Maestricht daar toe des Graven van den Berch ende der stat Zaltbommel Munten/heb Ick bedient. Ghij siet hier bij mijn gesellen die moeten altit meth wlijt maer eerlick ende vroem muntwerck stellen. A[nn]o 1581.

Een goudeerlijke muntmeester? Muntmeester Clemens van Eembrugge en zijn gezellen 1581. Olieverf op paneel, 93,5 × 134,5 cm HUIS BERGH, ’S-HEERENBERG

Gerestaureerd met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Vrienden­Loterij Restauratiefonds)

Wie in de 16de eeuw Huis Bergh betrad, bevond zich aan het hof van de machtige graaf Willem IV van den Bergh. Daar werkte Clemens van Eembrugge, die in opdracht van de graaf munten sloeg die tot ver buiten het Land van Bergh werden gebruikt. De muntmeester liet zich samen met zijn gezellen vereeuwigen op een groepsportret, tegen­ woordig een van de topstukken van Huis Bergh. Kunsthistoricus Niels Weijenberg dook in de kasteelarchieven en kwam van alles te weten over Van Eembrugges uitgekookte karakter en bewogen leven.

39 2026 #2


Halve daalder met portret van graaf Willem IV van den Bergh 1577. Zilver, Ø 34,9 mm HUIS BERGH, ’S-HEERENBERG

Acht goedgeklede heren achter een houten tafel kijken ons serieus aan. Het middelpunt van de groep is een man met een hoog­har­ tige blik boven een zwierige snor. Trots staat hij met zijn hand in de zij. Die hand rust op een uitpuilende beurs en de andere speelt met een muntstuk. Het is duidelijk: deze man weet hoe hij met geld moet omgaan. De op de tafel geschilderde tekst vertelt dat het gaat om een munter, een muntmeester. Muntmeesters sloegen in opdracht van heersers of stadsbesturen lokale munten. Een lucratieve onderneming voor beide partijen, want zowel de opdracht­gever als de munter maakte een kleine winst op iedere geslagen munt. Deze muntmeester is afgebeeld met zijn gezellen, of assistenten. Traditiegetrouw moest de nieuwste gezel een kleurrijk kostuum met bellen dragen: dat is dus de bleke jongeman uiterst rechts op het groepsportret. IN OPSPRA AK

Foto’s: René Gerritsen

Muntmeester Clemens van Eem­brugge en zijn gezellen is het enige groepsportret van

Infraroodopname van Muntmeester Clemens van Eembrugge en zijn gezellen

40 20 26# 2

een muntmeester en zijn werkplaats dat bekend is uit de 16de-eeuwse Nederlanden. Het opschrift vermeldt dat deze muntmeester werkte in Nijmegen, Maas­tricht, ’s-Heerenberg en Zaltbommel. Op basis van deze gegevens moet het gaan om Clemens van Eembrugge (1538-na 1597). Van Eembrugge was een succesvol muntmeester in het oosten van de Noordelijke Neder­lan­den. Hij was actief tijdens de roerige eerste decennia van de Tachtigjarige Oorlog en werkte in 1581 in Zalt­bommel. Volgens het opschrift op het schilderij werkten de muntgezellen altijd hard en eerlijk. Maar deze nadruk op betrouw­ baarheid staat in schril contrast met wat historische bronnen ons vertellen over Van Eembrugge en zijn methoden. Zo werd Van Eembrugge in mei 1578 ontslagen, minder dan een jaar na zijn aan­stelling als muntmeester van graaf Willem van den Bergh van ’s-Heerenberg (1537-1586). Hij was in opspraak geraakt omdat hij een grote partij minderwaardige geldstukken had afgeleverd. Overigens maakte vrijwel elke muntmeester in deze periode zich schuldig aan frauduleuze praktijken, aangezien het voor alle belanghebbenden interessant was extra winst te maken op de muntslag. In 1581, toen het groepsportret werd gemaakt, was Van Eembrugge dus muntmeester van Zaltbommel. Hij had in 1579 persoonlijk de Bom­melse Munt opgericht en werkte hard om deze onderneming rendabel te maken. Ook hier deden geruchten van illegale werkwijzen al snel de ronde. Van Eembrugge stelde alles in het werk om het vertrouwen van de inwoners en de kooplieden voor zich te winnen. Het is aannemelijk dat hij met dit doel dit schilderij bestelde, dat de ijver en eerlijkheid van hem en zijn medewerkers benadrukte. Waarschijnlijk was het stuk bestemd voor het munthuis in Zalt­bom­mel. Als dit inderdaad Van Eembrugges strategie was, dan had het portret niet het gewenste effect. In 1582 zegde het Bommelse stadsbestuur het vertrouwen in de muntmeester op, nadat het Hof van Gelre hem bij verstek had veroordeeld voor het in omloop brengen van minderwaardig geld.


Niels Weijenberg was assistent-conservator in Huis Bergh dankzij een onderzoeksbeurs van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Hendrickje Fonds)

Huis Bergh heropent op 19 sep­tem­ber de deuren na een grondige restauratie en herinrichting. In de vernieuwde opstelling krijgt Muntmeester Clemens van Eembrugge en zijn gezellen een ereplaats. Ook verschijnt binnenkort een publicatie over het groepsportret.

41 20 26# 2

Foto: Letty Bonsma

Geraffineerd plan Na het debacle in Zaltbommel zocht Van Eembrugge toenadering tot graaf Willem van den Bergh. Hij hoopte op een nieuwe aanstelling aan diens hof en bedacht een geraffineerd plan. Vanuit Keulen schreef hij de graaf een manipulatieve brief waarin hij zijn opvolger bij de Berghse Munt verdacht maakte. Van Eembrugge beweerde zich te schamen toen hij ontdekte hoe belabberd de kwaliteit van het Berghse muntgeld inmiddels was. De loyaliteit die hij voelde voor de graaf zou hem dwingen zijn voormalige werkgever te waarschuwen voor de onbetrouwbare muntmeester die hij nu in dienst had. Van Eembrugges intriges hadden succes: in 1585 benoemde de graaf hem opnieuw tot zijn muntmeester. Maar door diens overlijden het jaar daarop was Van Eembrugges overwinning van korte duur. Nu zijn beschermheer was weggevallen, verkoos hij zijn laatste levensjaren meer in de luwte te opereren. In 1975 werd Muntmeester Clemens van Eembrugge en zijn gezellen door Jan Herman Alexander van Heek verworven voor Huis Bergh in ’s-Heerenberg, waar voornoemde graaf Willem van den Bergh zetelde. Behalve dit schilderij bezit Huis Bergh ook door Van Eembrugge geslagen munten. Het kasteel­ archief bewaart talrijke handgeschreven brieven, aktes en contracten waarin de muntmeester wordt genoemd. Hiervan is dankbaar gebruikgemaakt bij het onderzoek naar het schilderij.

Volledig onder handen genomen Muntmeester Clemens van Eembrugge en zijn gezellen was toe aan een grondige conservering en restauratie. Jarenlang was het werk onderdeel van een collectiepresentatie over het muntwezen. Het hing toen in de kasteeltoren van Huis Bergh, die klimatologisch niet ideaal is om oude schilderkunst in tentoon te stellen. Verf op het schilderij en op de originele lijst was los­ gekomen, en het vernis was mat geworden en sterk vergeeld. Bovendien hadden eerdere restauratoren delen van de oude vernislagen laten zitten, waardoor grote stukken van het verfoppervlak troebel waren geworden. Dankzij steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar VriendenLoterij Restau­ratiefonds) kon het schilderij tussen 2024 en 2026 volledig onder handen worden genomen door restaurator Pauline Marchand. Ter voorbereiding op de restauratie is met infrarood­ reflectografie (IRR) een opname gemaakt van het schilderij. Met infraroodlicht kun je door de bovenste verflagen heen kijken, en zo de ondertekening zien waarmee de schilder de compositie opzette. De ondertekening is grotendeels gevolgd in de uiteindelijke verflagen, maar er zijn enkele kleine wijzigingen door de kunstenaar te herkennen. Zo is de kraag van Van Eembrugge hoger geschilderd dan op de ondertekening is aangegeven. De IRR-opname laat wel duidelijk zien dat de muntmeester al in de eerste versie van het schilderij onmiskenbaar trots stond afgebeeld.

Restaurator Pauline Marchand en Niels Weijenberg bekijken samen het schilderij


Kunstenaar met een ideaal Sommige kunstenaars verdwijnen langzaam uit het zicht. Niet altijd is daar een duidelijk aanwijsbare reden voor of lijkt dit achteraf terecht. Dit overkwam ook Elly Tamminga (1896-1983): een kunstenaar met een uitgesproken visie, een eigen beeldtaal en een diep­gewortelde maatschappelijke overtuiging. Meer dan zestig jaar na haar laatste tentoonstelling in Nederland krijgt haar werk de aandacht die het verdient.

42 2026 # 2


KRISTIAN GARSSEN

‘De wereld die zoo mooi kan zijn als alle mensen ’t maar wilden.’

Foto: Peter Tijhuis

Elly Tamminga

De tentoonstelling in Kasteel Het Nijenhuis, van links naar rechts: Zelfportret (ca. 1935), Twee vrouwen (1952) en De geitenhoeders (1952)

Tot en met 7 maart 2027 is in Museum de Fundatie Heino (Kasteel Het Nijenhuis) een grote tentoonstelling gewijd aan het werk van Elly Tamminga. Voor het eerst sinds lange tijd wordt haar oeuvre opnieuw in de volle breedte gepresenteerd. Daarmee verschijnt niet alleen een bijzondere kunstenaar opnieuw in beeld, maar wordt ook zichtbaar hoe een oeuvre soms een onverwachte tweede geschiedenis kan krijgen. Elly Tamminga werd geboren in Amster­ dam en studeerde daar aan de Rijksakademie van beeldende kunsten. Omstreeks 1920 verhuisde zij naar Bussum, waar zij een geheel eigen vormentaal ontwikkelde. Onder invloed van schrijver en kunstenaar Karel Luberti (pseudoniem van Toon Verhoef, 1893-1979) combineerde zij kubistische principes met een heldere, herkenbare beeldtaal. Haar schilderijen tonen landschappen, boeren, vissers, stillevens en reizigers, opgebouwd uit vereenvoudigde vormen, krachtige kleurvlakken en strakke contourlijnen. Haar werk balanceert voortdurend tussen figuratie en abstractie. Maar voor Tamminga ging kunst over meer dan vorm alleen. Zij zag kunst als een maatschappelijk middel. Kunst moest begrijpelijk zijn en (financieel) bereikbaar voor iedereen. Die overtuiging bepaalde haar kunstenaarschap. Terwijl veel moderne kunstenaars de nadruk legden op individualiteit en experiment, zocht Tamminga juist naar een universele beeldtaal die mensen zou verbinden. Ze maakte meerdere versies van schilderijen en werkte veel in grafische technieken zoals de linosnede, zodat kunst niet uitsluitend bereikbaar bleef voor een kleine, welgestelde groep. ONTRUK T A AN DE VERGETELHEID

Toch werd haar werk in haar eigen tijd niet altijd begrepen. Critici verweten haar een te strenge of te consequente werkwijze. Haar stijl werd soms als decoratief of star omschreven. Bovendien werkte waarschijnlijk

43 20 26# 2

Tamminga zocht naar manieren om kunst betaalbaar te maken. Dit deed zij door meer (bijna) identieke exemplaren te maken van één compositie, zoals van Oude boerin en boer met pijp uit 1935/1959.


Haven Elly Tamminga 1939. Olieverf op triplex, 88 x 113,5 cm

Zelfportret met Karel Luberti (1930; links) en Stadsgezicht (jaartal onbekend; rechts)

Hooitijd Elly Tamminga 1950. Olieverf op karton, 57 x 70 cm MUSEUM DE FUNDATIE, ZWOLLE

De tentoonstelling Elly Tamminga. Schilder voor iedereen is t/m 7 maart 2027 te zien in Kasteel Het Nijenhuis in Heino Alle afgebeelde schilderijen maken deel uit van de schenking van de Vereniging Rembrandt aan Museum de Fundatie uit de nalatenschap uit 1983 van mevrouw Elly Tamminga

in haar nadeel dat zij als vrouwelijke kun­s­tenaar een zelfstandige en uitgesproken positie innam binnen een overwegend mannelijke kunstwereld. Na haar laatste tentoonstelling in 1962 trok Tamminga zich steeds verder terug uit het openbare kunstleven. Na haar overlijden in 1983 bleek dat zij een indrukwekkend oeuvre van meer dan duizend werken had nagelaten. De kunstenaar had de Vereniging Rembrandt tot erfgenaam van haar werk benoemd. Uiteindelijk kreeg een belangrijk deel van haar oeuvre een passend onder­ komen in Museum de Fundatie, dat meer vrouwelijke modernisten in de collectie heeft en actief onder de aandacht wil brengen. Bij De Fundatie konden de werken worden onderzocht, behouden en vooral opnieuw zichtbaar gemaakt voor publiek. Zo kon een omvangrijke en lange tijd nauwelijks zichtbare nalatenschap opnieuw

44 20 26# 2

een plaats krijgen binnen de Nederlandse kunstgeschiedenis. Die hernieuwde aandacht krijgt nu een overtuigend vervolg in Kasteel Het Nijen­ huis. Hier wordt Tamminga niet gepresenteerd als een vergeten voetnoot, maar als een kunstenaar met een onafhankelijke en consequente stem. Een kunstenaar die vasthield aan haar overtuigingen, ook wanneer de tijdgeest veranderde. Want achter de krachtige kleuren en geometrische vormen schuilt een eenvoudig maar hoopvol ideaal: een wereld waarin schoonheid en kunst niet voor enkelen zijn, maar voor iedereen. Zoals Tamminga het zelf verwoordde: ‘Ik wil (...) helpen dat het voor alle menschen licht wordt.’ Kristian Garssen is hoofd Collecties van Museum de Fundatie

Foto: Peter Tijhuis

MUSEUM DE FUNDATIE, ZWOLLE


In elk Bulletin stelt de Vereniging Rembrandt twee van haar ruim 15.000 leden voor. Op deze pagina historicus Tim Martens (31 jaar), plaatsvervangend griffier in de gemeente Oegstgeest en lid van de Vereniging Rembrandt sinds 2015. Locatie: Museum De Lakenhal, Leiden.

Rembrandtlid persoonlijk

Favoriet ‘Ik ging als student vaak even een museum binnen, bijvoorbeeld het Rijks. Een favoriet van mij daar is de spiegel van de Royal Charles. Als historicus vind ik het gewoon een heel gaaf verhaal dat Michiel de Ruyter dat schip in 1667 heeft buitgemaakt. En dat dit onderdeel als trofee is bewaard door de Republiek der Nederlanden. De spiegel is één keer teruggekeerd naar Londen, in 2012, voor een tentoonstelling, maar wel onder begeleiding van (toen) kroonprins Willem-Alexander en een fregat van de marine.’ Leiden ‘Nu ik in Leiden woon, kom ik vaak in Museum De Lakenhal. Het is een stadsmuseum, maar stelt ook mooie tentoonstellingen samen zoals Jan Steen. Ik vind een groot schilderij van het Leidens Ontzet erg leuk. Het is van een Zuid-Nederlandse schilder die Leiden weergaf met een grote markt zoals in Brussel of Antwerpen. Dat vind ik heel grappig, want op

45 20 26# 2

3 oktober, als het museum gratis open is, gaan Leidenaren even naar het schilderij kijken zonder te beseffen dat het decor helemaal niet Leids is.’ Museumnacht ‘De Leidse Museumnacht is een onderbelicht evenement. De Laken­ hal is dan een van de leukste plekken om naartoe te gaan. We hebben vorig jaar bij een singer-songwriter antieke vazen bekeken. Leuk is dat de afstanden in Leiden heel klein zijn, waardoor je veel ziet, en dat alles door studenten wordt georganiseerd.’ Jeugdherinnering ‘Ik kom zelf uit Bergen op Zoom, dus de grote stad was voor ons Antwerpen. Mijn vroegste kunst­ herinnering is aan het Rubenshuis. Daar hangt erg weinig van Rubens, maar voor een kind was de sfeer van dat historische pand heel bijzonder.’ Museumervaring ‘De Nederlands-Vlaamse afdeling van het Louvre vond ik heel indrukwekkend. Daar hangen de mooiste schilderijen, die we in Nederland graag hadden willen hebben, maar er is bijna niemand. Dat vond ik wel een deceptie, dat er zo achteloos met die topstukken wordt omgegaan. Rembrandts Marten en Oopjen hingen daar bijvoorbeeld in een hoekje, terwijl we die hier in de Eregalerij tonen, met veel meer aandacht en beter licht.’

Foto: Sander van den Bosch

Vereniging Rembrandt ‘Ik ben lid geworden omdat een huisgenoot zei: “Tim, dit is wel iets voor jou.” Ik wilde toen ik ging studeren bewust verschillende jongerenprogramma’s uitproberen. Zo ben ik ook lid geworden van Entrée van het Concertgebouw. Bij de Vereniging Rembrandt vond ik het sympathiek dat je echt bijdraagt aan de kunstcollectie van Nederland.’


ART TALKS Isabel Ottens (24) volgt de master Kunst, Markt en Connaisseurschap aan de VU Amsterdam. Als stagiair bij de Vereniging Rembrandt organiseerde ze mede de 15de Art Talks in het Frans Hals Museum. Zo zocht ze sprekers voor toelichting bij gesteunde werken. Dat leidde tot bijzondere verhalen: van een 16de-eeuwse datingshow bij een genrestuk van Maarten van Heemskerck tot geheimen van Isaac Israels’ Javaanse prins.

‘JongRembrandt is een community waar kunst, kennis en gezelligheid in elkaar overvloeien’ Isabel Ottens

Panelgesprek van JR-bestuurslid Tess met modeontwerper Lisa Konno en conservator Moderne kunst Maaike Rikhof over het 17de-eeuwse meisje als inspiratiebron. Isabel: ‘Het viel mij op hoe betrokken het publiek was en hoe open de sfeer. Iedereen voelde zich vrij om vragen te stellen, wat zorgde voor een dynamisch gesprek waarin diverse perspectieven samenkwamen. Precies dát was ons doel.’

Isabel: ‘Kunsthistorisch onderzoek vertalen naar een verhaal dat een breed publiek boeit, dat spreekt mij aan. Ik heb daarbij veel geleerd over mijn leeftijdgenoten – een best moeilijk te boeien generatie, al zeg ik het zelf. De gen Z’ers die we willen aantrekken zijn snel op dingen uitgekeken, hebben niet geleerd om ergens bij stil te staan. Letterlijk én figuurlijk.’


Zelf stond Isabel bij Hals’ portretje van de schrijver Theodorus Schrevelius (1617). ‘Het viel vooral op hoe klein het is, daar kwamen meteen allerlei vragen over. Dan ga je eerst samen speculeren, waarna ik vertelde dat je van zo’n schilderijtje makkelijk een gravure kon maken. Zo kon het portret worden gedrukt en verspreid, als een soort 17de-eeuwse LinkedIn-foto. Het boek in Schrevelius’ hand verwijst naar datgene waar hij voor stond: letterkunde en geleerdheid. Dan zie je dat mensen een link gaan leggen tussen jezelf presenteren toen en nu. Door samen kijken en kennis uitwisselen beleef je zo’n werk echt dieper.’

Juist voor jongeren bleek het thema – hoe 17de-eeuwse schilderkunst hedendaagse kunstenaars kan inspireren – een interessante uitdaging. Vertrekpunt was het Portret van een meisje in het blauw door Johannes Verspronck (1641), dat tijdelijk is f herenigd met de portretten van haar vermoedelijke ouders. Na de introductie van conservator Oude kunst Christi Klinkert volgden de deelnemers mini­presentaties bij gesteunde werken in de vaste collectie.

Het mooiste vindt Isabel dat tijdens de Art Talks nieuwe kunstliefhebbers ontstaan. ‘Mijn vriendinnen, die helemaal niks hebben met kunst, waren speciaal voor mij naar het evenement gekomen, brak en al. Ik wist dat het geslaagd was toen zij na afloop zeiden: “Ik had niet verwacht dat ik dit oprecht leuk zou vinden, maar het is eigenlijk best interes­sant en gezellig!” Toen wist ik: hé, daar heeft zich iets positiefs ontwikkeld!’

47 20 26# 2

Art Talks vinden twee keer per jaar plaats in een door de Vereniging Rembrandt gesteund museum. De sfeer is informeel, een leuke mix van ontdekken en ontmoeten. Je hoeft echt geen kenner te zijn. Als Jong­ Rembrandtlid ontvang je een uitnodiging voor de Art Talks. Ben je 18 tot 30 jaar? Scan dan de code en word lid (of geef het JR-lidmaatschap cadeau).


CAROLINE ROODENBURG-SCHADD

Herman Kruyder Herman Kruyder wordt beschouwd als de belangrijkste Nederlandse expressionist uit het interbellum. Toch is er al decennia weinig aandacht besteed aan de volstrekt eigen beeldtaal van deze, door psychische problemen geplaagde, kunstenaar. Een over­ zichtstentoonstelling in Singer Laren dit najaar – met vier door de Vereniging gesteunde werken – biedt de gelegenheid tot een hernieuwde kennismaking.

Het kalf Herman Kruyder 1932. Olieverf op doek, 109 x 123,5 cm SINGER LAREN

Bruikleen collectie Regnault

In 1996-1997 was er voor het laatst een overzicht van Kruyders werk te zien op de tentoonstelling Herman Kruyder. Gedoemde scheppingen van het Frans Hals Museum en Rijks­ museum Twenthe. Singer Laren bezit een gevarieerde Kruydercollectie en toont al jaren diens schilderij Het kalf op zaal. De tentoonstelling in dit museum is de eerste grote presentatie sinds dertig jaar. Herman Kruyder (1881-1935) was lange tijd ‘wereldberoemd’ in Neder­ land. Dat werd hij vooral ná zijn relatief vroege overlijden op 53-jarige leeftijd. Tijdens zijn leven kreeg zijn werk maar weinig waardering, maar na zijn dood werden zijn kunst en kunstenaarschap steeds vaker vergeleken met die van die andere jong overleden expressionist, Vincent van Gogh. Dus: wie was deze kunstenaar en hoe ziet zijn werk eruit? Laatbloeier Kruyder was een laatbloeier. Het eerste deel van zijn loopbaan woonde

48 2026 # 2

48 20 26# 2


met frisse ogen bekeken hij in Haarlem, Heemstede en Benne­ broek en pas omstreeks 1917-1918 kwam hij goed op dreef. Hij was inmiddels ruim 35 en getrouwd met de kunstenares Jo Bouman. Gesteund door de Haarlemse kunsthandelaar J.H. de Bois experimenteerde hij met modernistische invloeden van kunstenaars als Henri Le Fauconnier, Leo Gestel, Matthieu Wiegman en Gustave De Smet, maar daarna ook van internationale grootheden als de Duitse expressionist Franz Marc en de Parijse Rus Marc Chagall. Kruyder ontwikkelde een uitgesproken poëtische beeldtaal, die echter vol contrasten zit, soms zelfs binnen één schilderij. Harmonieuze, lichtdoorstraalde kleuren combineerde hij vaak met schrille dissonanten – en ook in zijn voorstellingen staat het naïeve vaak naast uitingen van angst, schrik of beklemming. Die spanning geeft zijn kunst een grote zeggingskracht. In 1926 werd Kruyder voor het eerst overvallen door een zware psychose, een probleem dat vanaf 1929 steeds vaker terugkeerde; een adequate behandeling met medi­cijnen bestond destijds nog niet. Op doktersadvies verhuisde hij met Jo naar het Gooi, waar ze in de dorpse, maar ook artistieke sfeer van Blaricum terechtkwamen. Kruyders stijl veranderde: eerst in een glad geschilderde, naïeve vormentaal die soms doet denken aan het werk van de Franse schilder Henri Rousseau, en later in een schilderwijze met dik opgebrachte verf in een donkerder, gelaagd kleurenpalet. In Blaricum raakte hij nauw bevriend met Leo Gestel en de internationaal georiënteerde kunstverzamelaar P.A. Regnault, die een grote steun voor hem waren, want Kruyder kreeg in de pers veel kritiek. In deze jaren

49 20 26# 2

De hond Herman Kruyder 1931. Olieverf op doek, 110 x 122 cm MUSEUM BOIJMANS VAN BEUNINGEN, ROTTERDAM

Aangekocht in 1979 met steun van de Vereniging Rembrandt

De hengst Herman Kruyder ca. 1932-34. Olieverf op doek, 110 x 123,7 cm RIJKSMUSEUM TWENTHE, ENSCHEDE

Aangekocht in 1986 met steun van de Vereniging Rembrandt


De varkensdoder Herman Kruyder 1925. Olieverf op doek, 56,5 x 69 cm VAN ABBEMUSEUM, EINDHOVEN

bereikte hij, ondanks toenemende ziektelast, een nieuw hoogtepunt in zijn oeuvre. In expressieve, fors geschilderde mens- en vooral dierverbeeldingen gaf hij het diepste van zijn ziel bloot. In zijn serie van vier dierstukken, waaronder De hond en De hengst, voeren naïviteit, maar ook oerdriften, angsten en seksuele spanningen de boventoon. Het angstige oog en de erectie van de jonge hengst, en de teef die wijdbeens zit spreken duidelijke taal. Voor het publiek van de jaren dertig was dat shockerend, maar Kruyder wilde zich met deze werken nadrukkelijk als expressionist positioneren in een kunstwereld die steeds meer werd gedomineerd door het – in zijn ogen – te zakelijke neorealisme. Psychische kwetsbaarheid Het zijn echter Kruyders laatste werken. De schilder overleed in 1935 in Amsterdam, kort na zijn verhuizing naar de hoofdstad, tijdens de behandeling van een psychose. Deze schilderijen zijn echter zeker niet alleen uitingen van de ‘patiënt’ Kruyder die zijn obsessies en demonen op het doek zette, zoals vaak

50 20 26# 2

is aangenomen. Zo werd vooral De hond – het enige vrouwelijke dier in Kruyders serie – door menig criticus destijds beschouwd als een demonisch en giftig dier dat behept was met een ‘verfoeilijke heetheid’. Na Kruyders dood ontstond de mythe dat hij suïcidaal was en zelfmoord had gepleegd, of een poging daartoe had gedaan. Het ‘frame’ dat werd gecreëerd was dat hij depressief was, zeer teruggetrokken leefde en met zijn werk eigenlijk buiten de kunstwereld stond. Dat beeld moet worden herzien, zeker nu meer over Kruyders ziekte bekend is. Hij leed weliswaar aan terugkerende psychoses, maar functioneerde tussentijds vrijwel normaal en werkte tijdens zijn psychoses niet. Bij veel werken is sprake geweest van hineininterpretieren door kunstcritici. Wat te denken van het schilderij De varkensdoder, dat in 1925 werd omschreven als een ‘geestig’ werk en een ‘superbe kleurcompositie’, maar in 1932 – toen Kruyders ziekte zich al enkele keren had geopenbaard – ineens ‘onweer-zwart’ werd genoemd en ‘van een spook­ achtigen en bovenmenschelijken

ernst’? Het ging zo ver dat sommige kunstcritici en kunsthistorici zijn werk niet serieus wilden nemen omdat hij een ‘psychopathisch geval’ zou zijn, al erkenden de meesten wel zijn buitengewone coloristische gaven. Tegenwoordig schrikken we niet meer van Kruyders stilistische moderniteiten of seksuele verbeeldingen en ook kijken we nu anders naar psychiatrische ziekte. In plaats van een rigide onderscheid tussen ‘gek’ en ‘normaal’ te hanteren, denken we nu meer in termen van een spectrum of combinatie van ziektebeelden, waarbij veel mensen wel in een of andere mate ergens last van hebben. Daarmee is eigenlijk ook de invloed van psychische kwetsbaarheid op iemands kunstuitingen een non-discussie geworden. Zo kunnen we Kruyders werk met een frisse blik bekijken. Caroline Roodenburg-Schadd is als zelfstandig kunsthistoricus gastconservator van de tentoonstelling Herman Kruyder

De tentoonstelling Herman Kruyder is van 23 september 2026 t/m 10 januari 2027 te zien in Singer Laren


kort ALV 2026 De jaarlijkse Algemene Ledenverga­dering van de Vereniging Rembrandt vond dit jaar plaats op vrijdagmiddag 19 juni, midden in een van de recente hittegolven. Na de bijeenkomst in het koele Alkmaarse Theater De Vest was er een ontvangst in Stedelijk Museum Alkmaar. De aanwezige leden konden hier niet alleen de heiligenportretten van de Meester van Alkmaar bezichtigen, maar ook een speciale ‘Rembrandtroute’ volgen langs eerder gesteunde aankopen.

Zin in een museum? Met JR Meets duiken we er samen in! Verwacht een inspirerend museumbezoek met JongRembrandtleden en andere kunstliefhebbers, inclusief een verdiepend onderdeel bij elke editie. We sluiten af met een gezellige borrel in de buurt. Zaterdag 18 april was de eerste editie van JR Meets tijdens de ten­ toonstelling BIRDS in het Mauritshuis. Samen met vogelaar Lobke Bekkema onderzochten we symbolische, deco­ ratieve en inhoudelijke rollen van vogels in de kunst. In de tentoonstelling en de vaste presentatie zorgden de JR Meets Kletskaarten voor mooie gesprekken, nieuwe perspectieven en verrassende interpretaties. Tijdens de borrel in Café Schlemmer bleef het nog lang gezellig... De volgende editie van JR Meets is in september. Volg plaats en tijd via @jong_rembrandt.

Grand Stairwell Installation Dale Chihuly 2018. Geblazen glas, 70 elementen van verschillende formaten GRONINGER MUSEUM

Aangekocht in 2019 met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Titus Fonds, haar Themafonds Glas, haar Innorosa Fonds en haar Groninger Fonds), het Mondriaan Fonds, het legaat De Marees van Swinderen-de Blocq van Scheltinga, het legaat Van Os-Van Calcar, de Groninger Museum Salon, de BankGiro Loterij, Reineke Bennema en Willem Bok en Het Singeldorp

51 20 26# 2

Chihuly in Groningen De Grand Stairwell Installation van Dale Chihuly, in 2019 met steun van onder meer de Vereniging Rembrandt aangekocht door het Groninger Museum, wordt vanaf najaar 2026 als bruikleen getoond in de Universi­ teits­biblio­theek Groningen. Het kunstwerk blijft eigendom van het Groninger Museum. Bij de voorgenomen verplaatsing, die is ingegeven door nieuw artistiek beleid van het museum, heeft de Vereniging Rembrandt zich hard gemaakt voor de blijvende publieke zichtbaarheid in Groningen en voor een locatie die recht doet aan de betekenis van dit geliefde kunstwerk.

Foto: Isabel Ottens

Foto: Bettina Traas

JR Meets


kort

Drieluik terug op zolder Nu weer te zien bij Museum Ons’ Lieve Heer op Solder in Amsterdam: De kruisafneming van Pieter Coecke van Aelst. Het drieluik uit circa 1530 is de afgelopen maanden intensief gerestaureerd. Na meer dan 130 jaar permanente tentoonstelling in de zolderkerk was het werk namelijk hard toe aan een opknapbeurt. Vanuit haar VriendenLoterij Restauratie­ fonds steunde de Vereniging niet alleen de behandeling van het drieluik, maar ook een minidocumentaire waarin het proces nauwlettend is gevolgd. In het volgende Bulletin wordt uitgebreider aandacht besteed aan de restauratie.

Welkome bijdrage van de VriendenLoterij

De Vereniging Rembrandt ontving op 9 mei opnieuw een cheque van € 450.000 van de VriendenLoterij. Wij zijn de VriendenLoterij en al haar deelnemers zeer dankbaar voor deze waardevolle bijdrage voor ons VriendenLoterij Aankoop­fonds.

‘Met dit fonds kunnen wij bijdragen aan aankopen voor musea die zelf geen directe steun krijgen van de VriendenLoterij. Dat is voor onze Vereniging én voor de musea in Nederland van groot belang,’ aldus directeur Geert-Jan Janse.

Blijf op de hoogte en volg ons via LinkedIn, Instagram en Facebook Bekijk hier de minidocumentaire

Open monumenten

Na een lange tijd van voorbereiding, onderzoek, restauratie en afwerking werd op 29 mei het praalgraf van Hieronymus van Tuyll van Serooskerke onthuld in de hervormde kerk van Stavenisse. Dit grafmonument door Rombout Verhulst, dat door zout water was aangetast, is gerestaureerd met steun van de Vereniging Rembrandt. Kerkrentmeester Rien de Graaf, die zich bijzonder heeft ingespannen om dit alles mogelijk te maken, kreeg bij deze gelegenheid een koninklijke onderscheiding.

Op 12 en 13 september zijn tijdens de VriendenLoterij Open Monumentenda­gen twee bijzondere, door de Vereniging gesteunde locaties toegankelijk. In Stavenisse is het praalgraf van beeld­houwer Rombout Verhulst te bezoeken in de hervormde kerk. En in Utrecht is de Fundatie van de Vrijvrouwe van Renswoude geopend voor publiek (zie pp. 16-20). Zie openmonumentendag.nl voor het volledige programma.

52 2026 #2

Foto: Rien de Graaf

Praalgraf Rombout Verhulst


Geef uw kunstliefde door Lidmaatschappen Eén persoon – € 85 per jaar Word lid, draag bij en ontvang de Rembrandtkaart waarmee u 150 musea vrij van entree kunt bezoeken.

Twee personen – € 125 per jaar Met een lidmaatschap voor twee personen bent u goedkoper uit én hebt u altijd iemand om musea mee te bezoeken. U kunt dit lidmaatschap afsluiten met uw partner of een introducékaart ontvangen waarmee u een vriend(in) kunt meenemen.

Jongeren Jonger dan 25 jaar? Dan betaal je slechts € 37,50 voor een lidmaatschap. Tussen de 25 en 30 jaar? Dat geldt een actietarief van € 55 voor het eerste jaar.

Cadeaulidmaatschap Uw liefde voor kunst delen met een vriend(in), kind(eren) of een ander dierbaar familielid? Dat kan via een cadeaulidmaatschap. Alle lidmaatschappen zijn ook voor het leven af te sluiten.

Er blijft altijd wat te ontdekken in onze gezamenlijke kunstcollecties. Onze musea kunnen Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan op hun best laten zien, maar hun bezoekers ook verrassen met de kunst van nu. Om je aan het denken te zetten, je iets te leren of om je van schoonheid te laten genieten. Het kan allemaal in onze musea. Dat zijn ervaringen die u ook anderen gunt. Door uw vrienden enthousiast te maken voor een lidmaatschap van de Vereniging Rembrandt of door uw partner of (klein)kind een lidmaatschap cadeau te doen, geeft u hun de gelegenheid te beleven wat u zelf hebt beleefd.

In the World But Don’t Know the World El Anatsui 2009. Aluminium en koperdraad, 560 x 1000 cm STEDELIJK MUSEUM AMSTERDAM/ KUNSTMUSEUM BERN

Aangekocht in 2020 met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Titus Fonds, haar Themafonds Naoorlogse en Hedendaagse kunst, haar Van Rijn Fonds en haar Coleminks Fonds), het Mondriaan Fonds, de BankGiro Loterij, Stiftung GegenwART, met dank aan de Sigg Collection

Meester­lidmaatschappen Jonge Meester – ten minste € 500 per jaar* Jonge Meesters worden jaarlijks uitgenodigd voor de Zondag met Rembrandt om zo hun favoriete verzamel­ gebied te ontdekken.

Leermeester – ten minste € 1.250 per jaar* Als Leermeester kunt u uw gift toewijzen aan aankopen waaraan wordt bijgedragen via het Themafonds van uw voorkeur. Bij de jaarlijkse Leermeesterlezing geeft een kunstexpert tekst en uitleg bij een spraakmakende, recent gesteunde aankoop.

Grootmeester – ten minste € 2.500 per jaar* Grootmeesters krijgen net als Leermeesters de mogelijkheid hun gift toe te wijzen aan een van onze vijftien Thema­ fondsen. Zij worden uitgenodigd voor de Meesterschouw, een intieme bijeenkomst waarin specialisten in musea een kijkje achter de schermen bieden.

Hollandse Meester – ten minste € 15.000 per jaar*

Werf een nieuw lid of geef een lidmaatschap cadeau via: www.verenigingrembrandt.nl 53 20 26# 2

Zelf bepalen welke aankopen u steunt en met hoeveel? Of misschien onderzoek en restauratie mogelijk helpen maken? Word dan Hollandse Meester en richt een Fonds op Naam op. U geniet hiernaast dezelfde privileges als een Grootmeester en bent lid voor het leven. * Een meesterlidmaatschap wordt afgesloten voor een periode van ten minste vijf jaar, waardoor er aantrekkelijke fiscale voordelen gelden.


Beschermvrouwe Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Beatrix der Nederlanden

VERENIGING REMBRANDT

BESTUUR PER 20-09-2024

Niet-uitvoerende bestuurders: Mevrouw mr. H.H. Kersten, voorzitter De heer drs. B.Z. Cornelis, vicevoorzitter De heer drs. P.A. Geelen, penningmeester De heer prof. dr. R.J. Baarsen De heer drs. T.D.W. Dibbits De heer H. Driessen Mevrouw drs. F. Haijtema De heer prof. dr. J.E.E. Keunen Mevrouw drs. G.M.E. Knol De heer prof. mr. G.T.M.J. Raaijmakers Mevrouw V. Sachdev MBA De heer prof. dr. M.S. Sellink De heer prof. dr. J.L. van Tilborgh Uitvoerend bestuurder: De heer drs. G. Janse Zie voor de raad van adviseurs en de medewerkers van de Vereniging Rembrandt www.verenigingrembrandt.nl

54 20 26# 2

Bankrekeningnummer: IBAN: NL21 ABNA 0252 2008 61

Hebt u vragen over schenken of het instellen van een Fonds op Naam bij de Vereniging Rembrandt? Neem dan contact op met Mathilde van der Werff, telefonisch of per e-mail: vanderwerff@verenigingrembrandt.nl.

Hebt u vragen of wilt u advies over nalaten, of overweegt u de Vereniging Rembrandt te benoemen in uw testament? Neem dan contact op met Leonie Pels Rijcken, telefonisch of per e-mail: pelsrijcken@verenigingrembrandt.nl.

JAARGANG 36#2 ZOMER 2026

Delfts voor Delft

Foto: Erik en Petra Hesmerg

De Vereniging Rembrandt zet zich al sinds 1883 in voor het Nederlands openbaar kunstbezit. Dankzij de betrokkenheid en vrijgevigheid van haar leden en in goede samenwerking met de musea vergroot de Vereniging de publieke belang­stelling voor onze gezamenlijke kunstcollecties en maakt zij aankopen, onderzoek en restauraties mede mogelijk. Als particuliere organisatie is de Vereniging Rembrandt overkoepelend, onafhankelijk en bevlogen, en handelt zij vanuit haar expertise.

Denneweg 124 2514 CL Den Haag T: 070 - 427 17 20 E: bureau@verenigingrembrandt.nl

Fopkan en Paar beeldjes in de vorm van een steigerend paard

(zie over deze aanwinst van Museum Prinsenhof Delft pp. 10-14)

OVER DEZE UITGAVE Het Bulletin van de Vereniging Rembrandt verschijnt drie keer per jaar en wordt toegezonden of digitaal beschikbaar gesteld aan leden van de Vereniging Rembrandt. De Vereniging communiceert hierin onder andere over gesteunde aan­kopen en restauratie- en onderzoeksprojecten. In keuze en behandeling van onderwerpen zoekt de redactie aansluiting bij in de Vereniging levende interesses, vermijdt zij onnodig polariserende uitlatingen en draagt zij er zorg voor dat het Bulletin toegankelijk is voor een zo breed mogelijke groep lezers onder de leden. Aan dit nummer werkten mee: Marie Baarspul, Sander van den Bosch, Nienke Coers, Kristian Garssen, Madelief Hohé, Roos Hollander, Esther van der Hoorn, Geert-Jan Janse, Suzanna Jansen, Kees Keijer, Renate Meijer, Marente de Moor, Koen Ottenheym, Wim Pijbes, Caroline Roodenburg-Schadd, Anne-Linde Ruiter, Niels Weijenberg en Joke de Wolf. Van werken van beeldende kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © Pictoright Amsterdam 2026. Ontvangt u het Bulletin liever digitaal? Stuur dan een e-mail of neem telefonisch contact op met het bureau van de Vereniging Rembrandt. Hoofdredacteur: Renate Meijer Eindredactie: Ingrid Mersel Redactieadviesraad: Veerle Corstens, Christi Klinkert en Annemiek Overbeek Ontwerp: van Rosmalen & Schenk, Amsterdam Druk: Damen Drukkers, Werkendam


Vrije toegang tot de vaste collectie van ondersteunde musea Als lid van de Vereniging Rembrandt hebt u met uw Rembrandtkaart vrije toegang tot de vaste collectie van alle musea die sinds onze oprichting door ons zijn gesteund. Kijk voor uw bezoek altijd even op de website van de betreffende instelling voor de actuele gegevens. Bij sommige musea is reserveren verplicht. Alkmaar Stedelijk Museum Alkmaar

Delft Museum Prinsenhof Delft

Heino/Wijhe Kasteel Het Nijenhuis

Rhenen Stadsmuseum Rhenen

Weesp Museum Weesp

Amerongen Kasteel Amerongen

Den Bosch Design Museum Den Bosch Het Noordbrabants Museum

Helmond Museum Helmond

Roermond Cuypershuis

Woerden Stadsmuseum Woerden

Heusden a/d Maas Het Gouverneurshuis

Den Haag Haags Historisch Museum Huis van het Boek Kunstmuseum Den Haag (incl. Fotomuseum Den Haag) Mauritshuis (incl. Galerij Prins Willem V) De Mesdag Collectie Museum Beelden aan Zee Museum Bredius

Hilversum Fotomuseum Hilversum

Rotterdam Chabot Museum Kunsthal Rotterdam Maritiem Museum Rotterdam Museum Boijmans Van Beuningen Nederlands Fotomuseum Nieuwe Instituut Wereldmuseum Rotterdam

Zaandam Museum Zaanse Tijd Zaans Museum

Amersfoort Mondriaanhuis Museum Amersfoort Ammerzoden Kasteel Ammersoyen Amstelveen Cobra Museum voor Moderne Kunst Amsterdam Allard Pierson Amsterdam Museum (incl. Huis WilletHolthuysen) Joods Cultureel Kwartier (Joods Museum en Nationaal Holocaustmuseum) Museum Ons’ Lieve Heer op Solder Museum Rembrandthuis Museum Het Schip Museum Van Loon Rijksmuseum Het Scheepvaartmuseum Stadsarchief Amsterdam Stedelijk Museum Tot zover Van Gogh Museum Wereldmuseum Amsterdam

Deventer Museum de Waag Speelgoedmuseum Deventer Doorwerth Kasteel Doorwerth Dordrecht Dordrechts Museum Huis Van Gijn

Hoorn Westfries Museum Kampen Stedelijk Museum Kampen Katwijk Katwijks Museum Laren Singer Laren Leek Museum Nienoord Leens Landgoed Verhildersum Leerdam Nationaal Glasmuseum Leeuwarden Fries Museum Fries Verzetsmuseum Keramiekmuseum Princessehof

Rozendaal Kasteel Rosendael De Rijp Museum In ’t Houten Huis Schiedam Stedelijk Museum Schiedam Schoonhoven Nederlands Zilvermuseum Schoonhoven Slochteren Museum Landgoed Fraeylemaborg

Zaltbommel Stadskasteel Zaltbommel Zierikzee Stadhuismuseum Zierikzee Zutphen usea Zutphen (Museum M Henriette Polak en Stedelijk Museum) Zwolle ANNO Museum de Fundatie

Daarnaast wordt de Rembrandtkaart geaccepteerd in de volgende musea: Alphen aan den Rijn Archeon

Sluis Museum Het Belfort

Amstelveen

Leiden Japanmuseum SieboldHuis Museum De Lakenhal Rijksmuseum Boerhaave Rijksmuseum van Oudheden Wereldmuseum Leiden

Sneek Fries Scheepvaart Museum

Amsterdam Huis Marseille (korting op entree)

Enschede Rijksmuseum Twenthe

Loosdrecht Kasteel-Museum Sypesteyn

Tilburg TextielMuseum

Franeker Museum Martena

Maastricht Bonnefanten

Gorinchem Gorcums Museum

Marken Marker Museum

Assen Drents Museum

Gouda Museum Gouda

Middelburg Zeeuws Museum

Asten Museum Klok & Peel

Groningen Groninger Museum

Naarden Nederlands Vestingmuseum

Barneveld Museum Nairac

Haarlem Frans Hals Museum Teylers Museum

Nijmegen Valkhof Museum

Apeldoorn Paleis Het Loo Appingedam Museum Stad Appingedam Arnhem Gelders Archief Museum Arnhem

Bergen op Zoom Het Markiezenhof Beverwijk Museum Kennemerland Breda Stedelijk Museum Breda Brielle Historisch Museum Den Briel Culemborg Elisabeth Weeshuis Museum

Edam Edams Museum Eindhoven Van Abbemuseum Elburg Museum Elburg Enkhuizen Zuiderzeemuseum

Haarzuilens Kasteel de Haar Harlingen Gemeentemuseum Het Hannemahuis Hattem Voerman Stadsmuseum ’s-Heerenberg Kasteel Huis Bergh Heerenveen-Oranjewoud Museum Belvédère

Soest Nationaal Militair Museum Tiel Flipje en Streekmuseum Tiel

Uden Museum Krona Uithuizen Menkemaborg Utrecht Centraal Museum Museum Catharijneconvent Museum Speelklok Vaassen Kasteel Cannenburch Veendam Veenkoloniaal Museum

Museum JAN

Arnhem Kasteel Zypendaal Bergen Museum Kranenburgh Den Haag Museum de Gevangenpoort Haarlem Verwey Museum Hernen Kasteel Hernen Laren (Gld) Huis Verwolde Maassluis Museum Maassluis Rijswijk (ZH) Museum Rijswijk

Velsen-Zuid Buitenplaats Beeckestijn

Tilburg Museum De Pont (korting op entree)

Vlissingen Maritiem Muzeeum Zeeland

Venlo Limburgs Museum

Oud-Zuilen Slot Zuylen

Voorburg Huygens Museum

Weert Museum W

Purmerend Purmerends Museum

Voorschoten Kasteel Duivenvoorde

Zandvoort Zandvoorts Museum

Ridderkerk Huys ten Donck (alleen de tuinen)

Warffum Openluchtmuseum Het Hoogeland

Oss Museum Jan Cunen Otterlo Kröller-Müller Museum Nederlands Tegelmuseum


Voor topkunst in Nederland

… en een beetje Arnhems


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Bulletin Ver. Rembrandt Nr 2 2026 by Vereniging Rembrandt - Issuu