Skip to main content

Bulletin Ver. Rembrandt Nr 1 2026

Page 1


Vorstelijk vertoon

Na sluitingstijd gebeurt het...

Rondleidingen, workshops, dans, cabaret en cocktails: alles bruiste op de JongRembrandt Art Night op 20 februari. Zo’n tweehonderd jonge Rembrandtleden waren erbij in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

Aanwinsten

10 Gemiste kans goedgemaakt

Zilveren koelvat keert terug naar Kasteel Duivenvoorde

19 Zwarter dan zwart

Stedelijk Museum Amsterdam verwerft vierluik Ellen Gallagher

24 De wereld op zijn kop Twee vrouwen, een schommel en een man in vrouwenkleren

40 Ger van Elk: veelzijdig en grensverleggend

Gezamenlijke aankoop door drie musea uit nalatenschap Van Elk

Ook gesteund

16 De kleuren van Vincent Vernieuwend onderzoek in het Van Gogh Museum

50 Van ons allemaal sinds Jozef vertelt zijn dromen

Achtergrond

6 Ode aan de schepping Louise O. Fresco over die ene, bepalende museumervaring

28 Honderduit over het Bulletin Het honderdste nummer: in gesprek met de makers

30 Rembrandtfamilies persoonlijk Vijf families met de Vereniging Rembrandt in het DNA

36 Nachtwerk als handelsmerk Gerard van Honthorst voor het voetlicht in Centraal Museum

46 Een ander perspectief

Nieuw: Leyster Fonds voor vrouwen in de kunst

9 Denkraam

Column Wim Pijbes

27 Enerzijds, anderzijds Column Joke de Wolf

48 JongRembrandt Boven mijn bed

51 R kort

16

De kleuren van Vincent

19

Zwarter dan zwart

Voorwoord

Anders kijken, meer beleven

‘Wat kunnen musea nu leren van het antieke mouseion?’ vroeg bestuurslid Meta Knol in een gesprek met Wim Weijland en mij op een wervelende bijeenkomst voor jonge Rembrandtleden in Leiden. In mijn antwoord stond één aspect centraal: de sociale ontmoeting rondom kunst en wetenschap. De kennismaking met andere perspectieven verrijkt en verbreedt de eigen blik. Hoe meer je weet, hoe meer je ziet. Juist door meer te weten, kan ook het besef groeien hoe weinig wij eigenlijk echt doorgronden. Vaak zijn de gaten in onze kennis interessanter dan wat wij wel zeker denken te weten.

Oud-minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Robbert Dijkgraaf hield onlangs in een lezing in Museum De Lakenhal een pleidooi voor de schoonheid van het niet-weten en voor de waarde van kunst en cultuur om met verbeeldingskracht de gaten in onze kennis betekenis te geven. Het motto van JongRembrandt is niet voor niets: ‘anders kijken, meer beleven’. Met inhoudelijke programma’s rondom kunst in steeds een ander museum én de gelegenheid om in een ontspannen setting met elkaar in gesprek te raken, willen wij een nieuwe generatie laten kennismaken met de rijkdom van het openbaar kunstbezit. U kunt daar ook zelf een bijdrage aan leveren door een familielid of vriend onder de dertig lid te maken van de Vereniging. Leden onder de dertig jaar worden automatisch uitgenodigd voor de activiteiten van JongRembrandt. Bij de Vereniging merken wij dat het lidmaatschap vaak via familiebanden wordt doorgegeven. In dit jubileumnummer – dit is het honderdste nummer van het Bulletin – worden enkele ‘Rembrandtfamilies’ uitgelicht.

Met dit nummer neemt Gerdien Wuestman afscheid als hoofdredacteur. Gerdien is zeventien jaar met het Bulletin verbonden geweest. Met zorgvuldigheid en oog voor kwaliteit heeft zij het blad verder geprofessionaliseerd tot het huidige veelzijdige kunstmagazine. Ik ben haar zeer erkentelijk voor haar enorme inzet en betrokkenheid.

Geert-Jan Janse is directeur van de Vereniging Rembrandt

Herinneringen kun je niet maken, ze ontstaan. Zo is het ook met kunstwerken die we in ons hart sluiten. Dat is nooit het gevolg van een bewuste beslissing, het gebeurt. In deze serie vertellen auteurs over dat ene moment in een museum dat hun altijd is bijgebleven. Voor Louise O. Fresco was dat bij een stilleven van Adriaen Coorte.

Ode aan de schepping

O. FRESCO

De geschiedenis van ons voedsel is de lens waardoor ik de wereld bezie, of ik nu een supermarkt bezoek of een museum. Begrijp me goed, het zijn natuurlijk niet alleen voorstellingen met voedsel of landbouw die me interesseren. Ik heb in Rome jarenlang genoten van de drie prachtige Caravaggio’s in de San Luigi dei Francesi, om de hoek van waar ik woonde. Niettemin, het zal ongetwijfeld beroepsdeformatie zijn, heb ik een levenslang zwak voor stillevens met voedsel en voorwerpen die daarmee te maken hebben, zoals schalen en kookgerei.

Naast de symbolische betekenis van het afgebeelde, waar hele generaties kunsthistorici hun tanden in hebben gezet, is voor mij juist ook de letterlijke voorstelling interessant. Er is zoveel te zeggen over de variatie in groenten, de in vergetelheid geraakte groene en witte kolen uit de zeventiende eeuw, of wanneer de eerste citroenen, altijd sappig glanzend met hun als guirlande neerhangende schil, hun intrede deden, of de in expliciet detail voorgestelde karkassen van herten en ander wild, met hun letterlijke bloederigheid die we nu niet graag meer verdragen. Die combinatie van esthetiek, kunst- en cultuurhistorie bepaalt mijn blik.

Daarom heb ik in mijn boek over de geschiedenis van ons voedsel, Hamburgers in het Paradijs. Voedsel in tijden van schaarste en overvloed, ook een aantal verwijzingen verwerkt naar kunstvoorwerpen, van schilderijen tot beeldhouwkunst. Stillevens, zeker, maar ook bijvoorbeeld een ivoren beeldje dat me nog steeds ontroert, afkomstig uit Nimrud, aan de oever van de Tigris in het huidige Irak, van een koe die haar kalf zoogt (nu in The Metropolitan Museum of Art in New York). Het is bijna drieduizend jaar oud, maar de levensechte blik van de koe en het hongerige kalfje zijn die van vandaag de dag. Het kan bijna niet anders dan dat de kunstenaar de dieren met liefde heeft geobserveerd, en het beeldje geeft ook aan hoe gewaardeerd landbouwhuisdieren destijds waren.

En zo, in het voorjaar van 2008, werkend aan dat boek, zag ik Stilleven met aardbeien uit 1705 van Adriaen Coorte, als onderdeel van de tentoonstelling Ode aan Coorte in het Mauritshuis. Natuurlijk kende ik Coorte en had ik vaker afbeeldingen van zijn werk gezien. Maar deze, qua formaat zo bescheiden, aardbeien waren en zijn adembenemend door hun stralende aanwezigheid. Ik was niet lang daarvoor teruggekomen

Zogende koe met kalf (fragment meubeldecoratie) Maker onbekend (Nimrud, Mesopotamië) ca. 9de-8ste eeuw v. Chr. Ivoor, B 8,1 cm METROPOLITAN MUSEUM OF ART, NEW YORK

uit Rome en herkende ineens iets van het Italiaanse licht dat gebouwen en landschappen daar soms doet gloeien. Het licht van Coortes aardbeien is niet Italiaans goudkleurig, maar het is alsof de aardbeien van binnenuit belicht worden als op schilderijen van Italiaanse landschappen. Dat wordt versterkt door de egaaldonkere ondergrond.

Hun geringe afmeting dwingt je tot heel nauwkeurig kijken. Niets leidt af, geen schaal, geen andere vruchten of voorwerpen, alleen de rand van de verder nauwelijks gedefinieerde tafel waarop ze liggen. Ze vallen bijna over de rand in hun enthousiasme van het ‘aardbei-zijn’. Niets leidt af… behalve die ene kwetsbare witte bloem. Een vrucht in spe die fier boven de aardbeien uitsteekt, symbool van de eeuwige cyclus van vermeerdering. De kroonblaadjes zijn afgebeeld als reikende handjes. Ik vind het woord stilleven hier ook zoveel toepasselijker dan het Franse nature morte: de aardbeien zijn stil en ze leven.

De aardbeien van Coorte, daarvoor hoef je geen kenner te zijn, lijken niet op wat we nu eten. Ze zijn kleiner en ronder en minder intens rood. Deze aardbeien lijken eerder op de fragoline die je vindt rondom Lago Albano ten zuidoosten van Rome, kleine aardbeien met hetzelfde typerende veelvoud aan ‘pitjes’ die daar in het voorjaar in het wild gevonden worden. Het zijn die pitjes die de eigenlijke vrucht zijn, ingebed in de gezwollen rode bloembodem, de schijnvrucht. Hoewel aardbeien worden veredeld op basis van weten-

schappelijke inzichten over weerstand tegen ziekten, smaak, kleur en geur en nuttige zaken als vitamine C en antioxidanten, blijven het kwetsbare vruchten.

Coortes aardbeien zijn zeer waarschijnlijk ook min of meer wilde aardbeien, maar tegelijkertijd zijn ze perfect, zonder enige beschadiging of schimmel. Daarmee zijn ze een ideaal en geen realistische of botanische illustratie, al is het weergegevene wetenschappelijk accuraat. Achter de bescheiden aardbei gaat een fascinerend verhaal schuil: afkomstig uit de grote familie der Rosaceae, uit China, het resultaat van ontelbare kruisingen en een uiterst complex genoom, waarvan de eerste kruising al een miljoen jaar geleden plaatsvond. Iets later dan Coorte, in het midden van de 18de eeuw, ontwikkelden zich in Frankrijk kruisingen tussen Chileense en

Franse variëteiten. De bloemen kunnen zowel mannelijk als vrouwelijk zijn. Dit alles hoef je niet te weten om Coortes aardbeien te bewonderen, maar voor mij geeft kennis net een extra diepgang.

Coorte is vaak geroemd om zijn keuze voor eenvoud en het alledaagse. Maar deze aardbeien hebben niets alledaags: ze tonen de essentie van het ‘aardbei-zijn’. Coorte schildert zijn aardbeien als bescheiden ode aan de schepping. Ze zijn niet alleen verstild, ze dwingen ons zelf ook tot verstilling en eerbied.

Louise O. Fresco is schrijver en emeritus hoogleraar aan Wageningen University

Stilleven met bosaardbeien

Adriaen Coorte

1705. Olieverf op papier op paneel, 16,5 x 14 cm MAURITSHUIS, DEN HAAG

In 1995 geschonken door mevrouw Edward Speelman, ter nagedachtenis van de heer Edward Speelman

Denkraam

In de mode

Ooit kende Nederland een heus modemuseum, maar helaas heeft dit na een zieltogend bestaan van lieverlee de deuren gesloten. Het Nederlands Kostuummuseum was gevestigd in twee statige panden aan de Lange Vijverberg in Den Haag, waaronder het huidige Museum Bredius. Drijvende kracht hier was prof. dr. Frithjof Willem Sophi van Thienen, die tegelijkertijd actief was voor het eveneens verdwenen Toneelmuseum.

Toen ik een onderwerp zocht voor deze column en door de rijke aankoopgeschiedenis van onze vereniging speurde, voortreffelijk gedocumenteerd op de website, zocht ik tevergeefs naar gesteunde mode- of kostuumaankopen. Nooit had Rembrandt een rol gespeeld in de verwerving van een kostuum. Waren er dan geen aanvragen geweest? Waren deze wellicht afgewezen? Het bevreemdde mij, want wie de laatste jaren musea heeft bezocht, zal het zijn opgevallen dat modetentoonstellingen enorm in de belangstelling staan en dat kostuums een wezenlijk onderdeel vormen van ons cultureel erfgoed.

De collectie van het Nederlands Kostuummuseum was deels voortgekomen uit schenkingen van haute couture van concertzangeres Else Rijkens, schenkingen van drie generaties baronnen Van Heeckeren van Wassenaar en de overgedragen kostuumcollectie van Museum De Lakenhal. Tegenwoordig zijn deze stukken in het Kunstmuseum Den Haag. Daarnaast beschikt het Rijksmuseum over een fraaie collectie en verzamelt het Groninger Museum voortvarend hedendaags. Maar het museale Nederlandse modelandschap is vooral versnipperd. Voor streekkostuums moeten we in het Openluchtmuseum, het Zuiderzeemuseum en de verschillende historische musea zijn. En ook de volkenkundige musea bezitten schatten in hun collecties, die echter zelden de depots verlaten. Het Nieuwe Instituut in Rotterdam heeft tien jaar geleden geprobeerd een tijdelijk modemuseum op te zetten, maar daar is sindsdien niets meer van vernomen.

Natuurlijk, mode is kwetsbaar, lichtgevoelig en lastig te exposeren. Maar ergens knaagt het ontbreken van een modemuseum. Temeer omdat Nederlandse ont-

werpers het internationaal al jaren uitstekend doen.

Iris van Herpen, Viktor & Rolf, de Amsterdamse jeansmerken, textieldrukkerij Vlisco, maar ook modefotografen als Inez van Lamsweerde en Vinoodh Matadin, Viviane Sassen, Carlijn Jacobs of Paul Kooiker. En niet te vergeten een heel legioen aan supermodellen. Ook al zijn die niet zo museaal. Evengoed is het tijd voor een modemuseum, zo dacht ik.

Speurend door de door de Vereniging Rembrandt gesteunde aankopen stuitte ik dus niet op mode, maar wel op modieuze stukken. Ook vorige generaties bestuursleden konden zich bij hun beslissingen over steun aan voorliggende kunstwerken niet altijd aan hun tijd onttrekken. Ik zag schilderijen die honderd jaar geleden nog werden bejubeld, maar nu onmogelijk nog kans zouden maken. Is dat erg? Welnee. Wie weet komen deze aanwinsten over honderd jaar weer in de mode. De aankoopgeschiedenis van Rembrandt zit vol verrassingen. Zo werd mijn aandacht getrokken door een van de vroegste aankopen: een prachtig portret van een Afrikaanse jongen (of is het een vrouw?) door Antonio Carracci, afkomstig uit de tekeningencollectie van Jacob de Vos, die al in 1883 werd verworven. Met alle (terechte) recente aandacht voor zwarte personen in onze museumcollecties laat dit blad zien dat Rembrandt zich niet laat afleiden door modes, maar steunt wat vroeg of laat goed is voor het Nederlands openbaar kunstbezit.

Portret van een Afrikaanse jongen

Antonio Carracci ca. 1595-1605.

Zwart krijt op papier, 20,4 x 104 cm RIJKSMUSEUM, AMSTERDAM

Aangekocht in 1883 met steun van de Vereniging Rembrandt

Het koelvat is aan de ene kant voorzien van het stadswapen van de stad Den Briel, en aan de andere kant van een inscriptie: ‘Nobilissimo Iacobo Ioanni Brilano Wassenariae Baroni, Illustris et generosi viri, Arnoldi Baronis de Wassenaer Voorschotani Toparchae Filio primogenilo, hoc honorarium cum infantem Sacris undis tollerent ex cere publico donarunt S:P:Q: Britanus’ (Aan de zeer edele Jacob Jan Brilanus baron van Wassenaer heer van Voorschoten werd dit gebruikelijke geschenk uit publieke middelen door de senaat en de bevolking van Brielle gegeven toen hij als zuigeling werd gedoopt)

In de zomer van 2025 waren er weken dat Antoinette van Dorssen, directeur van Kasteel Duivenvoorde in Voorschoten, vrijwel dagelijks contact had met de Vereniging Rembrandt. Die gesprekken gingen maar over één ding: een spectaculair koelvat van de Haagse zilversmid Adam Loofs dat in juli zou worden geveild. In de 18de eeuw stond het bijna zestig jaar lang op Kasteel Duivenvoorde. Vanaf april is het weer te zien op de plek waarvoor het is gemaakt. Dit keer om er nooit meer te verdwijnen.

Gemiste kans goedgemaakt

Waar andere pasgeborenen uit adellijke kringen doopgeschenken als een zilveren rammelaar of beker kregen, ontving de jonge Jacob Jan Brilanus van Wassenaer in 1704 een wel heel bijzonder geschenk. Deze oudste zoon – en stamhouder – van Arent IX van Wassenaer en Anna Margaretha Bentinck kreeg een reusachtig zilveren koelvat als pillegift, bedoeld om wijnglazen in te koelen. Veel plezier zal hij daaraan niet hebben beleefd, want hij stierf al op veertienjarige leeftijd. Na het overlijden van zijn ouders kwam het koelvat in handen van zijn oudste nog levende zuster, Jacoba Maria van Wassenaer, getrouwd met Frederik Willem Torck van Rosendael. Zij erfde het kasteel met de gehele inventaris. In 1763 nam zij een groot deel van de inboedel van Kasteel Duivenvoorde mee naar Kasteel Rosendael in Gelderland.

Ook het koelvat verdween zo uit Duivenvoorde. ‘Er moeten karrenvrachten vol zijn ingeladen richting Rosendael,’ zegt Antoinette van Dorssen. ‘Niet alleen zilver, maar ook meubelen, schilderijen en boeken. We hebben nog wel familieportretten en wat andere voorwerpen, zoals keramiek, maar de collectie is enorm uit elkaar gevallen.’ Als directeur van Kasteel Duivenvoorde betreurt ze het dat er zo weinig bezittingen van het geslacht Van Wassenaer in Voorschoten zijn gebleven. Deze familie heeft het kasteel immers vijf eeuwen lang bewoond en een stevig stempel op het gebouw en het interieur gedrukt.

Een van de doelen die Van Dorssen opnam in het collectieplan dat zij na haar aantreden in 2018 samen met haar conservator schreef, was dan ook de periode-Van Wassenaer te versterken als de mogelijkheid zich zou voordoen. In 2024 slaagde ze daar voor de eerste keer in, door de aankoop van een set van vier zilveren kandelaars met het alliantiewapen van het echtpaar Van WassenaerBentinck, met steun van onder andere de Vereniging Rembrandt. De kandelaars zijn in 1714 voor het echtpaar gemaakt door de in Londen werkzame zilversmid Pierre Platel. Kort na die aanwinst schonken nazaten van de familie Van Wassenaer een dienschotel met alliantiewapen aan Kasteel Duivenvoorde, eveneens van de hand van Platel. Het koelvat was toen nog niet in beeld.

Een onverwacht telefoontje

In juni 2025 werd Van Dorssen gebeld door Diederik van Wassenaer, een nazaat, die zei dat er bij Christie’s

NIEUWE AANWINST

Koelvat

Adam Loofs 1704. Zilver, L 42 cm

Bijdrage: € 220.564, waarvan € 50.00 uit het Warning-Meijaard Fonds, € 40.000 uit het Caius Fonds, € 30.000 uit het Themafonds Zilver en € 100.564 uit het VriendenLoterij Aankoopfonds

KASTEEL DUIVENVOORDE, VOORSCHOTEN

Aangekocht in 2025 met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Warning-Meijaard Fonds, haar Caius Fonds, haar Themafonds Zilver en haar VriendenLoterij Aankoopfonds), het Mondriaan Fonds, Stichting Jacoba van Wassenaer Fonds en Stichting Fonds Nederlandse Adel

Portret van Arent IX van Wassenaer, Anna Margaretha Bentinck en hun zoon Jacob Jan Brilanus

Theodoor Netscher

Olieverf op doek, 262 x 204,5 cm KASTEEL DUIVENVOORDE, VOORSCHOTEN

in Londen een koelvat geveild zou worden dat blijkens een inscriptie had toebehoord aan een Van Wassenaer. Hij had het in de online veilingcatalogus gezien en dacht: dit móét gewoon naar Duivenvoorde, vertelt Van Dorssen. Het koelvat heeft tot in de jaren zeventig in Kasteel Rosendael gestaan. In 1979, twee jaar na het overlijden van de laatste bewoner, Willem Frederik Torck baron van Pallandt, bleek het ook al eens te zijn geveild. De Telegraaf wijdde hier destijds (13 oktober 1979) een bericht aan met smeuïge anekdotes over de familie Bentinck, met als kop ‘De wijnkoeler van de jonge baron’, overigens zonder de vraag te stellen of het object niet voor Nederland behouden moest blijven.

Waarom is toen niet geprobeerd dit bijzondere object te verwerven? Van Dorssen: ‘Dat leefde helemaal niet in die tijd. Ik kom zelf uit het museumvak, maar de toenmalige directeur van het kasteel was een bankdirecteur; die had heel andere prioriteiten. Het rentmeesterschap was juist in die periode heel belangrijk.

Mensen realiseren zich niet altijd dat Duivenvoorde meer is dan een museum. Het is een landgoed dat al eeuwen op dezelfde manier functioneert, met boeren en tuinders, met 21 Rijksmonumenten die allemaal onderhouden moeten worden én de collectie. Dus je bent als museumdirecteur ook met een heleboel andere dingen bezig. Dat is altijd een spagaat.’

Toen Van Dorssen in de veilingcatalogus zag wat het koelvat moest opbrengen, dacht ze meteen dat verwerving niet haalbaar zou zijn (‘veel te veel geld voor ons’), maar Diederik van Wassenaer zei dat hij er alles aan wilde doen om de aankoop mogelijk te maken. Daarop belde Van Dorssen Geert-Jan Janse van de Vereniging Rembrandt. Die stuurde de informatie meteen door naar bestuurslid Reinier Baarsen, oud-conservator van het Rijksmuseum en specialist op het gebied van kunstnijverheid. Al snel kreeg ze bericht dat de Vereniging wilde helpen het koelvat aan te kopen, vanwege het (kunst)historische belang en als een van de weinige bewaarde werken van de be -

Antoinette van Dorssen, directeur Kasteel Duivenvoorde

langrijke Haagse zilversmid Adam Loofs. Dat hiermee de gemiste kans van 1979 zou kunnen worden goedgemaakt, werd als een leuke bijkomstigheid gezien.

Garantstelling

Van Dorssen had maar twee weken de tijd om fondsen te werven, want de veiling zou al op 1 juli zijn. Bijna dagelijks had ze telefonisch contact met fondsen en andere betrokkenen.

Na toezeggingen van de Vereniging Rembrandt, de Stichting Jacoba van Wassenaer Fonds en een particulier die wilde bijdragen, wist ze dat ze kon gaan bieden. Zij had weliswaar nog geen bericht van alle benaderde fondsen, maar dankzij een uitzonderlijke aanvullende garantstelling van de Vereniging wist zij zich gedekt voor het geval de fondsenwerving niet zou rondkomen. ‘Ik had zelf een plafond in mijn hoofd, hoger dan de geschatte maximale opbrengst, maar ook weer niet torenhoog. Ik dacht: we moeten wel een beetje bescheiden blijven, we zijn tenslotte niet het Rijksmuseum.

Maar Geert-Jan was het daar helemaal niet mee eens,’ lacht ze. ‘Hij zei: als je ervoor gaat, dan moet je er ook écht voor gaan. Het bestuur van de Vereniging voorzag dat het voor veel meer zou worden verkocht dan de geschatte opbrengst, en dat gebeurde ook.’

Van Dorssen volgde de veiling online vanuit haar huis met Sarah de Clercq, bestuurslid van Stichting Duivenvoorde en werkzaam bij Sotheby’s. Na een spannende veiling, waarbij het museum op het laatst nog één tegenbieder had, kon de champagne worden geopend: het koelvat was voor Duivenvoorde. ‘Meteen kwamen er telefoontjes en appjes; iedereen was door het dolle heen dat het was gelukt,’ zegt Van Dorssen. ‘De vrees was dat een handelaar het zou kopen en het op de TEFAF voor het dubbele zou aanbieden. Het is tenslotte een heel mooi object, en je kunt het als particulier ook gebruiken als tafelstuk. Maar hier op Duivenvoorde vertelt het een verhaal over het doopgeschenk voor dat jongetje dat hier woonde en over het netwerk binnen de Haagse kringen van de familie Van Wassenaer.’ En na een korte stilte: ‘Weet je wat me nog steeds verbaast? Dat het koelvat op die veiling is aangeboden door een Nederlandse particulier. Dat die ons niet heeft benaderd vind ik vreemd. In overleg hadden beide partijen er dan misschien beter uit kunnen komen.’

Een Europees meesterwerk

Toen in de bestuursvergadering van de Vereniging Rembrandt bezorgd werd overlegd welke veilingopbrengst we moesten verwachten voor het Van Wassenaer-koelvat, opperde een van de aanwezigen hoopvol dat vanwege de Nederlandse herkomst de belangstelling bij internationale kopers wellicht gering zou zijn. Vermoedelijk heeft dat inderdaad zo uitgepakt: als het koelvat in Parijs zou zijn gemaakt, was de prijs ongetwijfeld vele malen hoger geweest. Dat betekent echter vooral dat men in het buitenland een beetje heeft zitten slapen, want het gaat hier om een bij uitstek Europees meesterwerk.

Adam Loofs (ca. 1645-1710) was een Nederlander, en het koelvat heeft hij in Den Haag gemaakt, maar zijn opleiding heeft hij in Parijs genoten, en zijn stijl is die van Versailles. In 1672 was koning Lodewijk XIV daar met het gehele hof gaan wonen, en vanaf dat moment waren alle ogen in Europa gericht op wat zich in Versailles op het gebied van architectuur en decoratie afspeelde. Waar geen enkele bezoeker over

uitgepraat raakte, waren de zilveren meubelen waar de belangrijkste vertrekken mee waren ingericht. Gedurende tientallen jaren liet Lodewijk XIV meubelen, grote vazen en andere decoratiestukken van zilver vervaardigen, die met elkaar een verpletterende indruk maakten op iedereen die ze zag. Zelfs stadhouder Willem III, Lodewijks felste en onverbiddelijkste tegenstander, kon niet om de Franse hofstijl heen: daarom nam hij in 1685 Daniel Marot, een uit Frankrijk gevluchte hugenoot, als hofarchitect aan. Loofs was al in 1680 naar Den Haag gekomen, waar de stadhouder hem direct in dienst nam. Uit Parijs bracht hij voor Willem III twee zilveren tafels, twee spiegels en vier hoge kaarsenstandaards mee, die hij samen met een andere zilversmid had vervaardigd. Er waren maar weinig edelsmeden die dergelijke pronkstukken maakten; Loofs had waarschijnlijk ook aan meubelen voor Versailles gewerkt.

Kunstwerken van zilver en goud stonden altijd in het middelpunt van de belangstelling, maar tegelijkertijd was hun voortbestaan permanent in gevaar. De geldswaarde die het edelmetaal vertegenwoordigde,

impliceerde dat ze in tijden van nood werden omgesmolten. 1689 was in dat opzicht een rampjaar. Om zijn desastreuze oorlogen te bekostigen liet Lodewijk XIV toen al zijn zilver omsmelten, en bovendien gelastte hij zijn onderdanen hetzelfde te doen – iets wat hij een aantal jaren later nog eens herhaalde. Als gevolg van die draconische maatregelen zijn er bijna geen grote Franse zilveren voorwerpen van vóór 1700 bewaard. We kennen het zilver van Lodewijk alleen nog maar dankzij afbeeldingen, vooral op wandtapijten; daarnaast is er een grote serie tekeningen die de Zweedse koning van het zilver had laten maken. Hij was niet alleen in de grote meubelen geïnteresseerd, maar wilde ook precies weten hoe alle andere voorwerpen, tot de eierdoppen aan toe, eruitzagen.

Die tekeningen bevestigen dat de wijnkoeler van Loofs een subliem voorbeeld is van de vorstelijke stijl waar hij vanaf zijn jongste jaren mee vertrouwd was. Het kloeke, royale vat heeft een geschulpte bovenrand waarin glazen omgekeerd konden worden gehangen om ze te koelen. Alle vormen en versieringen zijn klassiek en majesteitelijk, niets leidt af van het grandioze effect. Classicisme kan gemakkelijk stijf worden, maar dat is hier vermeden door elementen zoals de gekrulde cartouches aan voor- en achterzijde en de fantasievolle handvatten. Vrijwel geen ander bewaard gebleven werk van Loofs is zo zelfverzekerd koninklijk. Dat hij het heeft vervaardigd voor de pasgeboren Jacob Jan van Wassenaer, petekind van de stad Den Briel, geeft aan hoe volmaakt de meest voorname stijl van het Franse hof in de kringen rond Willem III was doorgedrongen.

Reinier Baarsen is oud-conservator van het Rijksmuseum en bestuurslid van de Vereniging Rembrandt

Jubileumjaar

Inmiddels staat het koelvat al enige maanden op Duivenvoorde in een grote kluis. Alleen Van Dorssen en de conservator – en nu ook de fotografen – hebben het in het echt gezien, want de aankoop moest nog bijna driekwart jaar geheim blijven. Ook moest er een speciale vitrine worden gemaakt, want om veiligheidsredenen kunnen het koelvat en de kandelaars niet los op een gedekte tafel in de eetkamer worden gezet. Jammer, maar onvermijdelijk, vindt Van Dorssen, verwijzend naar de recente diefstal uit het Louvre. ‘Het moet op Duivenvoorde lijken alsof de familie even weg is en weer terugkomt. Dat je echt in een bewoond huis bent. Helaas is dat niet vol te houden vandaag de dag.’

De onthulling van de nieuwe aanwinst is op 15 april 2026. Vanaf 16 april is het koelvat voor iedereen te bewonderen. Dat is ook de start van een feestjaar waarin het 800-jarig bestaan van Duivenvoorde wordt gevierd. ‘Er komt een grote expositie, en een film waarin we in negen minuten acht eeuwen geschiedenis laten zien. Van een jachtgrond met een donjon in 1226 tot het kasteel vandaag de dag, wat er allemaal is veranderd en aangepast, welke familieleden er hebben gewoond. Ook de prachtige tuin komt aan bod. Ooit gewoon bos, toen een Versaillesachtige tuin en nu de Engelse landschapstuin van Zocher. En de collectie natuurlijk.’

Van Dorssen, die medio 2026 afscheid neemt als directeur van Duivenvoorde, somt alle aankopen en restauraties uit de afgelopen jaren nog eens op, van de restauratie van de portretten van Johan van Wassenaer en Maria van Voorst van Doorwerth uit 1608 tot de aankoop van het koelvat. Ze kijkt met dankbaarheid en gepaste trots terug. ‘Samen met jullie, maar ook met andere fondsen, hebben we de collectie echt weten te liften. Dat geeft heel veel voldoening.’

Gerdien Wuestman is hoofdredacteur van het Bulletin van de Vereniging Rembrandt

Waar en wanneer te zien?

De nieuwe aanwinst is vanaf 16 april te bewonderen op Kasteel Duivenvoorde te Voorschoten in de tentoonstelling 800 jaar Duivenvoorde

Onderzijde koelvat, met zilvermerken en etiketten, waaronder twee van een tentoonstelling die in 1950 te zien was in het Rijksmuseum en het Victoria & Albert Museum in Londen

Vier kandelaars

Pierre Platel

1714. Zilver, H 22,2 cm

Bijdrage: € 19.811

KASTEEL DUIVENVOORDE, VOORSCHOTEN

Aangekocht in 2024 met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar VriendenLoterij Aankoopfonds)

We kennen allemaal de kleurrijke schilderijen van Vincent van Gogh, maar dat die oorspronkelijk vaak nog veel bonter waren, is minder bekend. Van Gogh was zich ervan bewust dat pigmenten niet altijd stabiel zijn. ‘Schilderijen verkleuren als bloemen,’ zo waarschuwde hij zijn collega’s. Voor de kleuren en verkleuringen in Van Goghs werk is veel aandacht. Op dit moment besteedt het Van Gogh Museum zelfs een tentoonstelling aan één tint: Geel. Meer dan Van Goghs lievelingskleur. En ondertussen gaat het onderzoek in het museum door – onder anderen door de net afgestudeerde Jack Paijmans.

Zelfportret met grijze vilthoed Vincent van Gogh 1887. Olieverf op katoen, 44,5 x 37,5 cm VAN GOGH MUSEUM, AMSTERDAM (Vincent van Gogh Stichting)

De kleuren van Vincent

RENATE MEIJER

Vorig jaar deed Jack Paijmans onderzoek bij het Van Gogh Museum in het kader van zijn master technische kunstgeschiedenis aan de UvA. Hij analyseerde kleurenreproducties van schilderijen van Van Gogh. Het museum was zo enthousiast over dit onderzoek, dat het een beurs aanvroeg bij de Vereniging Rembrandt om Jack verder te laten gaan waar hij was opgehouden. Begin februari is hij begonnen met een beurs vanuit het Ekkart Fonds van de Vereniging. Het is zijn eerste professionele aanstelling als technisch onderzoeker. Het komende jaar richt Jack zich op de betrouwbaarheid van zwartwitreproducties bij onderzoek naar kleurveranderingen. Foto’s (en reproducties daarvan) die een eeuw geleden werden gemaakt – toen Van Goghs werk aanzienlijk jonger was –kunnen veel vertellen over de mate waarin een kunstwerk sindsdien is

verkleurd. Jack zal zich in zijn onderzoek concentreren op de foto’s van de Franse fotograaf en kunsthandelaar Eugène Druet uit de periode 19051916. Vanwege hun hoogwaardige kwaliteit zijn deze heel vaak gereproduceerd. Jacks begeleider in het Van Gogh Museum, onderzoeker Teio Meedendorp: ‘Druets foto’s zijn ongelooflijk geschikt onderzoeksmateriaal. De afdrukken zijn heel groot, en ook nog eens verschrikkelijk gedetailleerd – als je ze hoogwaardig digitaliseert kun je ver inzoomen. En ze zijn vaak met een beetje strijklicht gemaakt, zodat je ook de verfstreek goed ziet. Bovendien zijn veel negatieven bewaard gebleven.’ Het Van Gogh Museum beschikt zelf over zo’n 130 zilvergelatinedrukken van Druet en het Kröller-Müller Museum heeft er bijna driehonderd. De oorspronkelijke glasnegatieven, die Jack hoopt te gaan bekijken, bevinden zich in Fort de Saint-Cyr bij Parijs.

PIGMENTEN

Links: het schilderij zelf in zijn huidige toestand

Midden: kleurenreproductie in koperdiepdruk, gedrukt in Londen 1947

Rechts: kleurenreproductie in autotypie, gedrukt in Leicester in 1951

Van Gogh schilderde dit zelfportret met grijze vilthoed in 1887. Er lijken nu veel lichte verfstreken aanwezig te zijn, waardoor het geheel vrij vlak oogt. De eerdere kleurenreproducties vertonen echter een ander beeld, waarbij veel van de lichte toetsen oorspronkelijk een stuk donkerder moeten zijn geweest. Vooral aan de schaduwkant van het gezicht hebben deze verfstreken veel impact, waardoor het gezicht veel meer diepte lijkt te hebben gehad dan nu zichtbaar is.

Er waren aan het begin van de 20ste eeuw diverse technieken om een foto te ‘vertalen’ naar drukwerk. Jack: ‘Een foto bevat allerlei grijstonen, van zwart naar donkergrijs, lichter grijs en wit. Die moeten worden omgezet naar een drukvorm met inkt – een boek, krant of tijdschrift – die alleen zwart en wit kent. Om toch halftonen te kunnen laten zien, worden puntjes gebruikt. Hiervoor waren allerlei technieken in gebruik, zoals de koperdiepdruk of de autotypie. Ze hebben allemaal andere patronen, die je leert herkennen.’ Die vaardigheid maakte Jack zich tijdens zijn stage al eigen. Ook heeft hij inmiddels een goed beeld van verkleuringen in Van Goghs werk. Hij toont verschillende voorbeelden van hoe je aan de hand van foto’s – zowel zwart-wit als kleur – kunt zien dat in de loop van de tijd verkleuringen aan het licht komen. ‘Er zijn pigmenten die heel stabiel zijn. Okerkleuren blijven bijvoorbeeld vrij goed. Dan weet je dus bij een reproductie dat

een bepaald detail die kleur moet zijn. Zo’n ankerpunt kun je vervolgens gebruiken om kleuren die wel heel erg zijn veranderd, te interpreteren. Als je bijvoorbeeld ziet dat een kleurenreproductie als geheel wat geel of rood oogt, en dan de hele afbeelding digitaal aanpast, totdat die ankerkleur weer klopt, dan moet de rest ook ongeveer kloppen.’

Jack: ‘In mijn stage heb ik vooral gefocust op wat de kleurenreproducties tonen, en of dat overeenkomt met wat we denken dat we moeten zien. Want er is natuurlijk wel al veel materiaalonderzoek gedaan naar de schilderijen. Je weet: deze partij moet zijn verkleurd, maar zien we dat ook terug op de reproducties? In dit nieuwe onderzoek doen we eigenlijk een stapje verder terug. We gaan terug naar het fotografisch materiaal zelf, in dit geval dus Druets zwartwitfoto’s, om te kijken hoe dat verschilt met de reproducties. Ik hoop alle stappen te kunnen bestuderen, van het negatief naar de foto naar

Zelfportret met strohoed Vincent van Gogh 1887. Olieverf op karton, 40,9 x 32,8 cm

VAN GOGH MUSEUM, AMSTERDAM (Vincent van Gogh Stichting)

Foto: Eugène Druet, ca. 1908

Van Gogh schilderde dit zelfportret met strohoed op karton. De achtergrond lijkt slechts spaarzaam met blauwe en groene verftoetsen te zijn ingevuld, maar schijn bedriegt. Op de foto rechts, die Eugène Druet omstreeks 1908 van dit werk maakte, is te zien dat die losse toetsen zijn ingebed in een mozaïek van verftoetsen, die oorspronkelijk rood en/of roze moeten zijn geweest. Deze zijn inmiddels volledig verdwenen.

de reproducties ervan. Hopelijk krijgen we dan een idee hoe bruikbaar die echt zijn. In plaats van bevestiging te zoeken van wat we al verwachten, vragen we nu: kunnen we reproducties ook gebruiken voor dingen die we misschien nog niet weten? Dus niet alleen onze kennis testen, maar de ontwikkelde methodiek zo toepassen dat we nieuwe kennis kunnen vergaren? De uitkomst zullen we publiceren in een wetenschappelijk tijdschrift.’

VOORSORTEREN OP VERKLEURING

Het is duizelingwekkend, het aantal variabelen dat van invloed is wanneer je oud zwart-witbeeld probeert te interpreteren. Denk aan de tint en eventuele verkleuring van het papier, het karakter van de reproductietechniek, de gebruikte inkt – en dan kan er ook nog iets zijn aangepast op de drukplaat. Het doel van Jacks onderzoek is om kleurveranderingen in een schilderij op te sporen. Teio vertelt dat Van Gogh een heel bont effect voor ogen had, veel feller dan we nu den-

ken. Maar hij was zich er ook van bewust dat pigmenten konden verschieten. Teio: ‘Van Gogh zei letterlijk: schilderijen verkleuren als bloemen. Collega-kunstenaars adviseerde hij hun kleuren nog extremer aan te brengen dan ze oorspronkelijk van plan waren.’ Van Gogh sorteerde als het ware voor op verkleuring door zijn werk dus nog feller te schilderen dan hij bedoelde. Wat was zijn beeld van de mate waarin zijn werk zou verschieten? ‘Dat is lastig te bepalen. Het is natuurlijk wel erg jammer dat we niet volledig terug kunnen gaan naar wat hij heeft geschilderd, want dat heeft alleen híj gezien. Van die eerste staat zijn geen foto’s bewaard. En vermoedelijk wist Van Gogh niet dat bepaalde kleuren helemaal zouden verdwijnen. We hopen met behulp van dit onderzoek dichter te komen bij wat mensen honderd jaar geleden hebben gezien.’ Jack: ‘Ja, en misschien was dát dan wel precies wat Van Gogh voor ogen had.’

Zwarter dan zwart

In 2015 was het honderd jaar geleden dat Kazimir Malevich zijn Zwart vierkant schilderde, dat wereldwijd een symbool voor de abstractie in de kunst zou worden. De vondst van een verborgen inscriptie suggereert dat hij oorspronkelijk een andere intentie had. Kunstenaar Ellen Gallagher reageert hierop met een serie gelaagde schilderijen.

Zwart vierkant werd naar aanleiding van deze verjaardag in 2015 aan een diepgaand materiaaltechnisch onderzoek onderworpen. Daarbij werd voor het eerst opgemerkt dat er op de witte rand linksonder een tekst stond, al dan niet door Malevich zelf met potlood aangebracht. De moeilijk leesbare tekst, ‘Vechtende negers in de nacht’, is een racistische ‘grap’ over zwartheid en maakt tegelijk duidelijk dat Malevich mogelijk een figuratief houvast nodig had om tot zijn absolute abstractie te kunnen geraken.

In 1882 had Paul Bilhaud ook al een zwart vierkant geschilderd met de titel Combat de nègres pendant la nuit.

In 1897 reproduceerde de Franse satiricus Alphonse

Allais het schilderij van Bilhaud en breidde de titel nog wat uit: Combat de nègres dans une cave, pendant la nuit.

Het zwarte vierkant van Bilhaud was in de versie van Allais een brede zwarte rechthoek geworden. Het werk van Allais was in tsaristisch Rusland populair en het is waarschijnlijk dat Malevich het gekend heeft. Allais parodieerde de avant-gardekunst van zijn tijd en leverde meer dan een eeuw later samen met Malevich onbedoeld de aanleiding voor het werk van Gallagher, waar ik in dit artikel eigenlijk over spreek.

Ellen Gallagher

Een jaar na de vondst op Malevich’ Zwart vierkant schilderde de Amerikaanse kunstenaar Ellen Gallagher namelijk haar Negroes Battling in a Cave op een formaat dat precies tussen Malevich’ vierkant en Allais’ brede rechthoek ligt. En dat in een serie van vier.

Ellen Gallagher (geb. 1965) woont en werkt sinds het begin van deze eeuw hoofdzakelijk in Rotterdam en is goed vertegenwoordigd in de collecties van grote musea, waaronder het Museum of Modern Art en het Whitney Museum of American Art in New York, het Art Institute of Chicago en het Britse Tate. In Nederlandse

Zwart vierkant

Kazimir Malevich 1913-15. Olieverf op doek, 79,5 × 79,5 cm TRETJAKOVGALERIJ, MOSKOU

Alphonse Allais, Combat de nègres dans une cave, pendant la nuit, 1897, uit Album primo-avrilesque

NIEUWE AANWINST

Negroes Battling in a Cave

Ellen Gallagher

2016. Email, inkt, rubber en papier op linnen (vierluik), elk 110 x 140 cm

Bijdrage: € 200.000, waarvan € 155.000 uit het Titus Fonds, € 30.000 uit het Fabritius Fonds en € 15.000 uit het Coleminks Fonds

STEDELIJK MUSEUM AMSTERDAM

Aangekocht in 2025 met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar

Titus Fonds, haar Fabritius Fonds en haar Coleminks Fonds), het Mondriaan Fonds, begunstigers van het Stedelijk Museum Fonds, de Glenstone Foundation, Adriaan Mol en Dymfy Erens

openbare collecties was tot dusver alleen haar filmische installatie Osedax aanwezig, gemaakt samen met Edgar Cleijne. Dit werk werd in 2020 met een genereuze ondersteuning van de Vereniging Rembrandt door het Fries Museum aangekocht. Op metaforische wijze herinnert het aan de vele tot slaaf gemaakten die tijdens de oversteek van de Atlantische Oceaan overboord werden gegooid of zelf overboord sprongen. En nu is dankzij de Vereniging Rembrandt, het Mondriaan Fonds en particuliere schenkers via het Stedelijk Museum Fonds ook Gallaghers serie Negroes Battling in a Cave aan de Collectie Nederland toegevoegd. Met zijn collecties vooroorlogs en naoorlogs modernisme – waaronder de grootste collectie werk van Malevich

buiten Rusland – en zijn verzameling hedendaagse kunst biedt het Stedelijk een zeer passende context met talloze aanknopingspunten om dit werk te tonen. Gallaghers vierluik lijkt op het eerste gezicht volkomen zwart, maar bevat bij nadere bestudering veel figuratieve elementen in en op het zwarte oppervlak, waarin de kijker zichzelf gespiegeld ziet. Zo zijn er gedeeltes van advertenties voor schoenen, pruiken en kleding uit Afro-Amerikaanse tijdschriften als Ebony, Our World en Sepia in verwerkt. Die figuratieve elementen zijn tot collages samengevoegd. En bovendien zien we kleine gezichten, die we vaker in Gallaghers werk tegenkomen en die verwijzen naar blackface minstrelsy (muzikaal ‘vermaak’ waarbij acteurs en muzikanten

met zwarte gezichtsschmink Afro-Amerikanen op karikaturale wijze weergaven). Ellen Gallagher onderzoekt op deze manier telkens weer de complexiteit van de constructie van identiteit.

Reliëfs

De lagen rubber, papier en email op de vier schilderijen creëren reliëfs waarin vormen en inscripties te ontdekken zijn die vaker in het werk van Gallagher voorkomen. Net als Osedax refereert dit werk aan de zogenaamde Middenpassage (onderdeel van de trans-Atlantische driehoekshandel, waarbij miljoenen Afrikanen naar slavenmarkten in Amerika werden vervoerd), door de aanwezigheid van veel vormen die aan plankton herinneren. Maar ook doen ze denken aan de textuur van menselijke huid en littekens. Dergelijke scarificatie (door het aanbrengen van patronen op de huid met een scherp voorwerp) werd en wordt bij verschillende lokale stammen gebruikt als decoratie of als drager van betekenis en teken van belonging. Gallagher zelf beschrijft de materialiteit van het vierluik als een doorwrochte oppervlaktestructuur vol van ‘voelbare geografieën’: culturele verwikkelingen die tastbaar worden gemaakt. Zij legt uit: ‘Het weefsel van het canvas is nog steeds zichtbaar ondanks de lagen, zelfs na het aanbrengen van de toplaag. Het is sensueel. Het is een gevoel. Een praktische kennis die zeer tastbaar is.’ Zoals het werk van Gallagher zich door een doorwrochte oppervlaktestructuur kenmerkt, zo is dit feitelijk ook het geval met het Zwart vierkant van Malevich. Gallaghers vierluik leeft zoals ook Malevich’ werk leeft. Het biedt echter, anders dan bij Malevich, ook een dieptewerking die samengaat met een intense preoccupatie met geschiedenis, menselijkheid en identiteit. Hoe meer je als kijker je ogen over de spiegelende doeken laat gaan, des te meer je ontdekt en des te sprekender het werk wordt. En de metafoor van zwarter dan zwart, die in de titel ligt besloten, is de verhullende sleutel voor diepgaande betekenislagen.

Rein Wolfs is directeur van Stedelijk Museum Amsterdam

Schilderijen als gedichten

Waar zou de kunst zijn zonder zwart?

Portretschilderijen uit de 17de eeuw zouden er in elk geval heel anders hebben uitgezien als hun makers er niet in waren geslaagd de diepzwarte kleding van de opdrachtgevers toch spannend en vol nuances weer te geven. Hun werk maakt duidelijk dat zwart een echte kleur is, met vele uitdrukkingsmogelijkheden. In de 20ste-eeuwse kunst wordt zwart vaak ingezet om ritme of juist tegenstellingen te creëren in abstracte werken die de kijker duidelijk moeten maken dat er een verschil is tussen wat we zien en wat we ons kunnen verbeelden. Denk aan het strakke lijnenspel van Mondriaan of de juist zwierige drippings van Jackson Pollock. En in de vrijwel compleet zwarte doeken van Ad Reinhardt – in 2010 kocht het Kröller-Müller Museum met onze steun Ultimate Painting No. 39 van Reinhardt aan – is goed te zien hoe hij in die monochromie de grenzen tussen waarnemen, ervaren en denken onderzocht. Ook in het vierluik van Ellen Gallagher speelt zwart een hoofdrol. Wat opvalt, is dat zij de kijker bij de eerste aanblik van het werk meteen al voor een dilemma stelt. Het oppervlak van deze doeken is niet alleen zwart, het glanst ook nog eens. Hierdoor vindt het oog moeilijk houvast en wordt de kijker gehinderd door de eigen schimmige weerspiegeling. Het kan niet anders of Gallagher heeft hiermee een bedoeling. We zitten onszelf immers wel vaker in de weg, zowel letterlijk als figuurlijk. De confronterende titel Negroes Battling in a Cave vergroot dat gevoel van ongemak nog verder. Deze titel en de teksten en afbeeldingen die Gallagher in het vierluik heeft verwerkt, zijn verwijzingen die ons verschillende kanten op leiden. De schilderijen zijn als gedichten waarin van alles wordt aangekaart en gesuggereerd, maar waarvan de betekenis eerder moet worden aangevoeld dan dat ze kan worden geduid.

Hendrik Driessen, oud-directeur van museum De Pont en bestuurslid van de Vereniging Rembrandt

De wereld op zijn kop

Een jonge man in vrouwenkleding zit op een touw dat is gespannen tussen twee bomen. Hij klampt zich vast aan de takken, terwijl twee vrouwen hem woest heen en weer lijken te schommelen. De 16de-eeuwse tekening die Teylers Museum in 2025 kocht, roept allerlei vragen op. Wat betekent deze ongewone voorstelling, en wie is de maker?

Omdat veel tekeningen uit de 16de eeuw niet gesigneerd zijn, is het vaak moeilijk om de naam van de kunstenaar te achterhalen. De tekening draagt rechtsonder een oude toeschrijving aan Aertgen Claesz van Leyden (ca. 1498-ca. 1564). Er is veel onzekerheid over het getekende oeuvre van deze Leidse kunstschilder en ontwerper van glasruitjes. De tekeningen die aan hem zijn toegeschreven, komen echter niet overeen met de tekenstijl van ons blad.

Noodnaam

Uit onderzoek blijkt dat er nog drie andere anonieme tekeningen (van hetzelfde formaat) bestaan die van dezelfde hand lijken te zijn, respectievelijk twee bladen in het Louvre en een blad in de Albertina. We hebben dus te maken met een anonieme kunstenaar, waarschijnlijk uit de omgeving van Antwerpen, die in een herkenbare en zeer eigenzinnige stijl en techniek werkte. Omdat de naam van de maker van deze bladen niet bekend is, hebben we een noodnaam bedacht: Meester van de hologige figuren. Kenmerkend voor zijn tekenstijl zijn de figuren met hun stijve, langgerekte lichamen en kleine hoofden. De gezichten lijken op maskers met diepe zwarte gaten voor ogen. Die holle, uitdrukkingsloze ogen geven de figuren een mysterieus karakter. Aan dit opvallende kenmerk dankt de kunstenaar zijn noodnaam.

Ook de onderwerpen van de drie andere tekeningen blijken moeilijk te interpreteren. Mogelijk verbeelden ze alle vier een ongewenste omkering van de sociale orde, een populair thema in het tweede kwart van de zestiende eeuw. Ons blad toont een jonge man in vrou-

NIEUWE AANWINST

Een man op een touwschommel wordt door twee vrouwen heen en weer geslingerd Meester van de hologige figuren

ca. 1530-40. Pen en bruine inkt, penseel en bruine inkt en witte dekverf, op lichtbruin papier, 21 x 29,8 cm

Bijdrage: € 46.000 vanuit het Themafonds Prenten en Tekeningen

TEYLERS MUSEUM, HAARLEM

Aangekocht in 2025 met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Themafonds Prenten en Tekeningen) en Matthijs de Clercq

Een vrouw met een lege zak en een man met een schep in een landschap Meester van de hologige figuren ca. 1530-40. Pen en bruine inkt, penseel en bruine inkt en witte dekverf, op lichtbruin papier, 21,5 x 30,4 cm

ALBERTINA, WENEN

L’Escarpolette (De schommel)

Jean-Honoré Fragonard ca. 1767-68. Olieverf op doek, 81 x 64,2 cm

WALLACE COLLECTION, LONDEN

wenkleding op een touwschommel. Schommelen heeft door de eeuwen heen verschillende betekenissen gehad: van speels (erotisch) vermaak tot medische behandeling tot symbolisch overgangsritueel. Het bekendste voorbeeld van schommelen in de WestEuropese kunst is ongetwijfeld het iconische schilderij L’Escarpolette van de Franse kunstenaar Jean-Honoré Fragonard (1732-1806). Hierop zwaait een elegant geklede vrouw hoog op een schommel, terwijl een jonge man op de grond onder haar opbollende rok gluurt. In de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd werd schommelen beschouwd als een activiteit voor vrouwen, acrobaten en zieken; gewone mannen werden zelden op schommels afgebeeld. Mogelijk wordt in de Haarlemse tekening het mannelijk gezag op carnavaleske wijze bespot.

Chiaroscuro

De voorstelling is getekend met pen en bruine inkt en penseel en witte dekverf op lichtbruin papier, waardoor een spectaculair licht-donkercontrast is ontstaan. Deze chiaroscurotechniek was populair in de Nederlanden in de eerste helft van de 16de eeuw, met name voor het maken van ontwerptekeningen voor glas-in-loodramen (en wandtapijten). De schilderachtige voorstellingen gaven zo een duidelijk beeld van het eindproduct en waren bovendien makkelijk te vertalen door de glasschilder. Ook leende de techniek zich goed voor het maken van ricordi, hoogwaardige kopietekeningen naar schilderijen of wandtapijten, die in het atelier achterbleven als studiemateriaal. Dit gebeurde met name in de werkplaatsen van de Zuid-Nederlandse kunstenaars Bernard van Orley (voor 1490-1541) en Pieter Coecke van Aelst (1502-1550).

Onder invloed van Albrecht Dürer (1471-1528) nam de productie van chiaroscurotekeningen als autonome kunstwerken in de Nederlanden toe. Dergelijke bladen van hoogwaardige kwaliteit, een soort schilderijen op papier, werden waarschijnlijk specifiek voor de kunstmarkt gemaakt. Dit lijkt ook de functie van onze tekening, gezien het royale formaat en de uitgewerkte staat van de voorstelling. Van dit soort bladen zijn maar weinig exemplaren bewaard gebleven. In de tochtige en vochtige huizen uit de 16de eeuw had een tekening geen lang leven. Het mag daarom een wonder heten dat de tekening nog in zo’n goede conditie verkeert.

Vanwege de kwetsbaarheid zal het blad niet permanent in de vaste opstelling van Teylers Museum te zien zijn. Liefhebbers kunnen een afspraak maken om de tekening in de studiezaal te bekijken. In de toekomst zal de aanwinst in een nieuwe presentatieruimte voor wisselende topstukken worden getoond.

Marleen Ram is conservator kunstcollecties in Teylers Museum

Enerzijds, anderzijds

Het levensverhaal achter de kunst

Al voordat het begrip bestond, was Leonora Carrington een ‘surrealist pur sang’, zo stelt Jennifer Higgie in Spiegel en palet, haar boek over vijfhonderd jaar zelfportretten van vrouwelijke kunstenaars. Carrington was als kind rebels, ze weigerde samen te werken of te spelen met andere kinderen, maar ze zat vol verhalen – volgens Higgie ‘een mengelmoes van mythen, bakerrijmpjes, sprookjes, half onthouden Bijbelverhalen’.

Het ouderlijk huis waar Carrington in 1917 werd geboren, was als een sprookjeskasteel, en ze gebruikte dat beeld nog in haar schilderijen toen ze al ver in de tachtig was. Want tegen de plannen van haar ouders in, die verwachtten dat ze een traditioneel pad zou bewandelen en met de juiste man zou trouwen, kinderen baren en het huishouden bestieren, wilde ze kunstenaar worden.

Ze mocht na lang aandringen naar de kunstacademie, maakte in 1937 kennis met de surrealisten en werd verliefd op Max Ernst. De 64-jarige kunstenaar nam zijn twintigjarige geliefde mee naar Parijs. Door de oorlog scheidden hun wegen, Carrington belandde in Spanje. In 1942 ontvluchtte ze daar een psychiatrisch ziekenhuis, ze reisde naar Mexico en publiceerde over die vlucht in 1944 het boek Down Below.

Mexico was op dat moment geliefd onder Europeanen. André Breton gaf er in 1938 lezingen, in 1940 was er een internationale surrealismetentoonstelling. Carrington kwam daar dus terecht in een grote groep gelijkgestemden, die samen verkleedfeesten organiseerden en verhalen aan elkaar voorlazen.

Dit schilderij uit Museum Boijmans Van Beuningen maakte Carrington in 1947. Het heeft een wonderlijke titel: Again, the Gemini Are in the Orchard (Alweer zijn de tweelingen in de boomgaard) en het is duidelijk geinspireerd door het werk van Hieronymus Bosch, dat ze in Spanje en Portugal had gezien. Ze toont ermee haar bewondering voor diens Tuin der lusten, tegelijkertijd heeft ze er ook haar eigen symboliek in verwerkt. Er is regelmatig debat over de vraag of het levensverhaal van vrouwelijke kunstenaars zo nadrukkelijk

verteld moet worden wanneer we hun kunst bekijken. Bij mannelijke kunstenaars gaat het vaker over compositie en achterliggende gedachtes. Bij vrouwen, zeker met levensverhalen zoals dat van Carrington, gaat het veel vaker over hun biografie en met name over hun echtgenoten, terwijl er ook over de symboliek in haar werk veel te zeggen valt, aangezien ze zoveel uit verhalen putte.

In dit geval verklaarde de kunstenaar zelf dat haar boeken en haar schilderijen altijd met haar biografie te maken hadden, en laat ze het dus aan de beschouwer om betekenis te vinden in de ommuurde tuin en de vele tweelingen op het schilderij. Dat haar werk nog steeds tot de verbeelding spreekt, is nog tot 6 april te zien in het Depot van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Daar wordt het schilderij getoond naast een installatie van de Franse kunstenaar Laure Prouvost (geb. 1978), Las Pozas Gathering, een driedimensionale tuin met planten, eierschalen en mysterieuze tekstbordjes en vissen die fluisteren over hoe leven ontstond uitluchtbellen. Over de betekenis ervan mag iedereen een eigen ideeën hebben, zoals Carrington als kind een eigen draai gaf aan eeuwenoude verhalen.

Again, the Gemini Are in the Orchard Leonora Carrington 1947. Olieverf op paneel, 91 x 60 cm MUSEUM BOIJMANS VAN BEUNINGEN, ROTTERDAM

Aangekocht in 2019 met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Desirée Lambers Fonds en haar Dura Kunstfonds), het Mondriaan Fonds, de VriendenLoterij, de Stichting Fonds van Rede, het Cultuurfonds (mede dankzij het Breeman Talle Fonds) en de Stichting Museum Boijmans Van Beuningen

Honderduit

Het eerste Bulletin van de Vereniging Rembrandt verscheen in 1991. Inmiddels is het 35 jaar later en is het honderdste nummer van de pers gerold. Dit nummer is bovendien het laatste dat Gerdien Wuestman heeft samengesteld – zeventien jaar lang was zij de hoofdredacteur. Een mooie aanleiding om terug te blikken. Gerdien doet dit in gesprek met vormgever Erik van Rosmalen, die vanaf het eerste nummer betrokken is bij het tijdschrift.

Het doel van het Bulletin bij de oprichting was leden sneller te informeren over nieuwe aankopen, wat vóór die tijd één keer per jaar werd gedaan in het jaarverslag. Het blad verscheen in eerste instantie twee keer per jaar, maar dat werd al snel drie keer. Museumdirecteuren en conservatoren schreven de teksten, de redactie werd uitbesteed aan het kunsthistorisch adviesbureau d’Arts en later aan Teio Meedendorp. Gerdien: ‘Ik was ontzettend blij toen ik in 2009 de kans kreeg de redactie over te nemen, want ik was al lid van de Vereniging en dat was vooral omdat ik het blad zo leuk vond.’

Erik vertelt over de ontwikkeling van het vormgeefproces: ‘In de eerste jaren waren er nog geen computers, dus ik deed alles met de hand. Op grote vellen tekende je de pagina’s en plakte daar teksten in. Een rood vlak gaf aan waar de lithograaf de beelden in moest zetten. Beeld, en het lithograferen ervan, was in die tijd erg kostbaar. Tegenwoordig liggen de productiekosten aanmerkelijk lager dan toen.’ Gerdien: ‘Dat zou je niet denken, hè? Ik krijg wel eens vragen van leden die denken dat zo’n mooi uitgegeven tijdschrift wel heel duur moet zijn, en die liever zien dat elke euro naar de kunst gaat. Maar het is heel belangrijk voor de binding met de leden dat we laten zien wat de Vereniging allemaal doet. Daarnaast gebruiken we het blad ook steeds meer als middel om leden te werven.’

INHOUDELIJK EN TOEGANKELIJK

Het Bulletin ziet er inmiddels heel anders uit dan in de begintijd. Erik: ‘Gelikter, zou je kunnen zeggen. Dat komt ook doordat we nu anders omgaan met beeld. Vroeger toonden we alleen de kunstwerken. Nu is er meer aandacht voor de context ervan. We laten graag werken in de museale omgeving zien en ook bezoekers

Een greep uit de omslagen van 1991 tot 2026

over het Bulletin

die ervan genieten.’ Gerdien: ‘Dezelfde ontwikkeling hebben de teksten doorgemaakt. Aanvankelijk waren de artikelen over aanwinsten puur kunsthistorisch. Tegenwoordig besteden we ook aandacht aan de verhalen achter een aankoop: veilingverhalen, of hoe een museum een bepaald werk op het spoor kwam. En het is altijd leuk als je het enthousiasme van de directeur of conservator kunt proeven. We laten ook meer dan vroeger individuele leden aan het woord, over de betekenis van kunst in hun leven of over hun beweegredenen om te schenken of na te laten aan de Vereniging Rembrandt. Met dit soort verhalen hopen we anderen te inspireren.’

Gerdien probeert alle lezers te bedienen: ‘We streven ernaar om in elk nummer een goede mix te maken van oude en moderne kunst en andere verzamelgebieden, zodat iedereen wat van zijn gading kan vinden. Daarbij variëren we ook in de vorm: niet alleen artikelen, maar ook interviews, reportages en korte rubrieken zoals columns. De uitdaging is om een blad te maken dat zowel aantrekkelijk is voor de geïnteresseerde leek als voor de professional. Inhoudelijk moet het een hoog niveau hebben, maar toegankelijkheid staat voorop.’

Dat het Bulletin in zijn huidige vorm gewaardeerd wordt, blijkt uit het hoge rapportcijfer dat het in het grote ledenonderzoek van 2024 kreeg: een 8,5.

SAMENWERKING

Voor wie Erik en Gerdien bezig ziet met het Bulletin is het duidelijk met hoeveel plezier en aandacht het blad wordt gemaakt. Zij keuren de foto’s, bespreken hoeveel pagina’s elk artikel krijgt en wat de volgorde wordt. Erik: ‘De samenwerking is altijd heel prettig geweest. Al hebben we soms een meningsverschil, we zijn er altijd goed uit gekomen.’ Gerdien: ‘Wat ik heel fijn vind: Erik verliest nooit zijn geduld als ik na de zoveelste drukproef toch nog met wat correcties kom en legt een ongelooflijke betrokkenheid aan de dag. Als we geen geschikt beeld hebben, stapt hij gewoon op de fiets of in de auto om zelf een foto in een museum te gaan maken. Welke vormgever doet dat nu?’

Renate Meijer is kunsthistoricus en de opvolger van Gerdien Wuestman als hoofdredacteur van het Bulletin

Fotograaf Sander van den Bosch in actie voor de portretreeks ‘Rembrandtfamilies persoonlijk’ (pp. 30-35)

Erik van Rosmalen en Gerdien Wuestman bespreken de indeling van het Bulletin

Het Bulletin wordt gedrukt bij Damen Drukkers in Werkendam

In elk Bulletin stelt de Vereniging Rembrandt twee van haar leden voor. In deze speciale editie laten we een aantal families aan het woord die al generaties lid zijn.

Rembrandtfamilies persoonlijk

Wij vertellen graag verhalen over kunst, maar zijn ook benieuwd naar de verhalen van onze leden. Daarom begonnen we in het voorjaar van 2009 met de rubriek ‘Kunstvragen’. Bij een restyling van het Bulletin in 2020 kreeg de rubriek zijn huidige naam, ‘Rembrandtlid persoonlijk’, en ook een nieuwe vormgeving. Voor elk nummer worden twee deelnemers ten voeten uit geportretteerd in een museum dat hen na aan het hart ligt. Zo zijn we in de afgelopen jaren in musea door heel Nederland geweest, van het Huis van het Boek in Den Haag tot het Bonnefanten in Maastricht en van Teylers Museum in Haarlem tot Museum Arnhem. We proberen daarbij niet steeds een beroep te doen op dezelfde musea, zoals het Kröller-Müller Museum –door onze leden opvallend vaak als lievelingsmuseum genoemd – of het Rijksmuseum. Toch maakten we in 2023 graag een uitzondering voor ons 101-jarige lid Frank van de Loo (inmiddels overleden). Zijn dochter had ons geschreven dat haar vader het geweldig zou vinden om in de Vermeertentoonstelling te worden gefotografeerd bij een schilderij van zijn favoriete kunstenaar. Dankzij de welwillendheid van het Rijksmuseum lukte het om hem in zijn rolstoel door de drukte te loodsen, zodat deze bijzondere wens kon worden vervuld.

Het vaste rijtje kunstvragen uit de beginjaren heeft in de loop van de tijd plaatsgemaakt voor een variabel lijstje gespreksonderwerpen. Deelnemers aan de rubriek vertellen over kunstenaars die ze hebben ontdekt, over musea waar ze graag komen of over een tentoonstelling die een verpletterende indruk maakte. Op de vraag hoe zij de Vereniging Rembrandt hebben leren kennen, luidt het antwoord met enige regelmaat: via mijn ouders of via mijn grootouders. In onze ledenadministratie komen we inderdaad vaak dezelfde achternamen tegen; sommige families zijn zelfs al generaties lang lid. Daarom gingen wij voor dit honderdste nummer van het Bulletin op zoek naar families bij wie de Vereniging Rembrandt in het DNA lijkt te zitten.

Marc-Jan in Teylers Museum
Norbert in Museum Arnhem
Amke in het Centraal Museum
Wouter in Singer Laren
Marie-Antoinette in het Huis van het Boek
Hanneke in het Bonnefanten
Femke in het Kröller-Müller Museum
Frank in het Rijksmuseum
Marijke in Kunstmuseum Den Haag
Foto’s: Harry Heuts (Hanneke), Marjon Gemmeke (Norbert) en Sander van den Bosch
‘Het gáát altijd ergens over’

In het midden

Mathilde Schoute-Slingenberg (84), links Frederieke Schoute (48), en rechts Zita Westhoff (25)

Het precieze jaar waarin Mathilde SchouteSlingenberg lid van de Vereniging Rembrandt is geworden weet ze niet meer, maar het moet ergens in de jaren negentig zijn geweest. In die periode had ze haar ‘museumkringen’, groepen kunstliefhebbers uit haar omgeving die ze meenam naar tentoonstellingen. Toen haar twee kinderen gingen studeren, gaf zij hun een cadeaulidmaatschap. Zo konden zij zich zonder financiële drempels af en toe onderdompelen in een andere wereld. ‘Als kind vond ik het al leuk om mee te gaan,’ zegt dochter Frederieke. En tegen haar moeder: ‘Ik heb echt leren kijken door jou, omdat jij

zo opmerkzaam bent.’ Op haar beurt gaf Frederieke haar kunstliefde door aan de volgende generatie. Zita en haar broer kennen inmiddels vele musea in en buiten Amsterdam. Vorig jaar kreeg Zita een cadeaulidmaatschap en binnenkort bezoekt ze haar eerste JongRembrandt-evenement. Het zal niemand verbazen dat kunst vaak gespreksonderwerp is binnen de familie, waarbij ook kunstboeken en tentoonstellingscatalogi tevoorschijn worden gehaald. Zita: ‘De ene keer vind ik het interessanter dan de andere, maar het gáát altijd ergens over. Je krijgt er iets van mee.’

‘We houden allemaal in de gaten welke nieuwe aanwinsten er zijn’

In het midden Nicolaas Reijers (78), links Arendje Reijers (24), rechts Mayu Reijers (22) en zittend Hajo Reijers (55)

‘Wát, heb jij geen Rembrandtkaart?!’ Deze verbaasde vraag van een vriendin bracht kunstliefhebber Nicolaas Reijers in 2015 op het spoor van de Vereniging Rembrandt. Het kostte hem weinig moeite zijn zoon Hajo van de voordelen van een lidmaatschap te overtuigen. Sinds enkele jaren zijn ook zijn studerende kleinkinderen Arendje en Mayu lid. Arendje: ‘Ik vind het heel mooi dat er zo’n organisatie is die musea helpt bij aankopen.’ ‘Daar zijn we best een beetje trots op,’ vult Mayu aan. Hajo: ‘We houden allemaal in de gaten welke nieuwe aanwinsten er zijn en gaan die soms ook meteen bekijken.’

Als de naam van El Anatsui valt, worden er geamuseerde blikken gewisseld. Het is geen geheim dat Nicolaas bepaald niet onder de indruk is van diens In the World But Don’t Know the World in het Stedelijk. Hij schreef de Vereniging daar kort na de aankoop zelfs een kritische brief over. Hajo, lachend: ‘Elke keer als we nu ergens een werk van El Anatsui zien, stuur ik mijn vader een appje met een foto. Dat is een beetje een running gag binnen de familie geworden.’

‘Het kijken naar kunst was een vanzelfsprekendheid in de familie’

In het midden Bodien van der Feltz-van Haersma Buma (85), links Daan van der Werff (26) en rechts Mathilde van der Werff-van der Feltz (55)

Als dank voor de mantelzorg voor hun vader kregen de kinderen Van Haersma Buma en hun echtgenoten een lidmaatschap van de Vereniging Rembrandt voor het leven cadeau. Omdat haar man er door omstandigheden geen gebruik van zou maken, gaf Bodien van der Feltz diens lidmaatschap door aan dochter Mathilde. ‘Het kijken naar kunst was een vanzelfsprekendheid in de familie,’ zegt Bodien. Als kind werd zij eens meegetroond naar het Rijksmuseum voor Rembrandts Nachtwacht. ‘Ik vond er niets aan, maar van het Joodse bruidje was ik meteen diep onder de indruk door de kleuren en de

emoties van die twee mensen.’ Bij dochter Mathilde – die sinds 2019 bij de Vereniging Rembrandt werkt – kwam de liefde voor kunst en musea in het jaar dat ze au pair in Parijs was. ‘Het eerste werk dat me echt beroerde was La Danaïde van Rodin. Zoveel zachtheid en beweging in dode steen, heel knap vond ik dat.’ Zij maakte zowel haar zonen als hun vriendinnen lid. Een goed cadeau, merkte zoon Daan onlangs toen hij met zijn vriendin op de bonnefooi naar de Kunsthal ging en met de Rembrandtkaart zo naar binnen mocht bij de tentoonstelling over Iris van Herpen.

‘Het eerste wat Hein deed, was alle kinderen lid maken’

In het midden Carla Heerkens Thijssen-Schölvinck (88), links Frank Heerkens Thijssen (63) en rechts Friso Heerkens Thijssen (24). Op de foto op het bureau: Hein Heerkens Thijssen (†)

De familie Heerkens Thijssen heeft een lange geschiedenis met de Vereniging Rembrandt. Hein Heerkens Thijssen, die in 2023 overleed, trad in 1983 toe tot het bestuur. ‘Een schot in de roos,’ zegt zijn weduwe Carla Heerkens Thijssen-Schölvinck daarover. Als hoogtepunt uit de bestuurstijd van haar man noemt zij de aankoop van Mondriaans Victory Boogie Woogie in 1998. Van hun kinderen (‘Het eerste wat Hein deed, was alle kinderen lid maken’) werd vooral Frank aangestoken door het kunstvirus. Hij was zowel betrokken bij de oprichting van de Titus Cirkel als die van de Van Rijn Cirkel. Wat hem bij Van Rijn

vooral aanspreekt is dat deze cirkel anders dan Titus ook bijdraagt aan oudere kunst, zoals het zwaard van Ommerschans en het Japanse kamerscherm van Keiga: ‘Als je alleen naar eigentijdse kunst kijkt, beperk je jezelf onnodig vind ik.’ Tegenwoordig bezoekt hij regelmatig kunstbeurzen met zijn zoon Friso, die Kunst, Markt en Connaisseurschap aan de VU studeert. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan: Friso is sinds kort bestuurslid van JongRembrandt. ‘En nee, dat heeft niets met mijn vader te maken,’ lacht Friso, ‘ik werd gevraagd door een huisgenoot.’

‘Heerlijk om alleen of samen door het museum te struinen’

In het midden Frans Dietz (77), links Leonore Schouten (10) en rechts Floortje Schouten-Dietz (42)

Bij de familie Dietz is Floortje duidelijk de motor achter de lidmaatschappen. Zij leerde de Vereniging Rembrandt kennen in 2011, toen ze werd gevraagd voor het bestuur van de nieuwe jongerencirkel, de Caius Cirkel. Vijftien jaar later is ze nog steeds lid. ‘Ik krijg er bakken energie van,’ zegt ze. ‘Die ontvangsten zijn altijd leuk. Maar ik vind het ook heerlijk om in mijn eentje of met een vriendin door het museum te struinen.’ Het enthousiasme van Floortje werkte aanstekelijk, want al snel werden haar ouders ook lid. ‘Wij zijn erin gerold via Floor,’ beaamt vader Frans Dietz. ‘Wij waren al langer donateur van het

Mauritshuis, maar ik wist niet dat je lid kon worden van de Vereniging Rembrandt.’ Als lid bezocht hij onder andere de ontvangst rond de tentoonstelling over zijn lievelingsschilder Vermeer. Inmiddels zijn ook Floortjes kinderen lid. De tienjarige Leonore heeft al heel wat musea van binnen gezien. Van het uitje naar het Rijksmuseum als zesjarige weet ze niet veel meer, maar haar bezoek aan het Universiteitsmuseum in Utrecht en vooral de audiotour met speurtocht in het muZEEum in Vlissingen herinnert ze zich nog goed. Binnenkort naar het Centraal Museum!

In de 17de eeuw vond je zijn kunst in de residenties van de groten der aarde, van Palazzo Giustiniani in Rome tot Whitehall Palace in Londen. Nu hangen zijn schilderijen over de hele wereld in kunstmusea. Toch zullen maar weinig mensen bij het horen van de naam Gerard van Honthorst direct een van zijn schilderijen voor zich zien. Dat verandert binnenkort, want vanaf 25 april wijdt het Centraal Museum een grote tentoonstelling aan hem.*

Nachtwerk als handelsmerk

De gevangenneming van Christus Michelangelo Merisi da Caravaggio 1602. Olieverf op doek, 133,5 x 169,5 cm NATIONAL GALLERY OF IRELAND, DUBLIN

In langdurig bruikleen van de jezuïetengemeenschap, Leeson Street, Dublin; met dank voor de gulle schenking van wijlen dr. Marie Lea-Wilson, 1992 Niet te zien op de tentoonstelling

Jarenlang hing het schilderij De gevangenneming van Christus in de eetzaal van een jezuïetenklooster in Dublin. De naam van de maker stond op de lijst vermeld: Gerard [van] Honthorst. Ik durf te wedden dat de jezuïeten tijdens het eten wel eens omhoogkeken en dachten: goh, die Hollander kon wel schilderen zeg. Dat klopt, want Gerard van Honthorst (1592-1656) was een uitstekende schilder, maar in dit geval was het compliment niet terecht. De gevangenneming van Christus bleek in 1992 namelijk niet – zoals eeuwenlang was gedacht – gemaakt door Honthorst, maar door niemand minder dan Caravaggio (1571-1610). Na de herontdekking verhuisde het schilderij naar de National Gallery of Ireland. Een Nederlandse kunstenaar die wordt verward met Caravaggio. Wie was die Gerard van Honthorst eigenlijk? Voor het antwoord op die vraag gaan we terug naar het Rome van de vroege 17de eeuw, waar Caravaggio een revolutie teweegbracht met zijn vernieuwende kunst. Er kwamen toen al enkele decennia Noord-Europese kunstenaars om er de architectuur en beeldhouwkunst uit de oudheid te bestuderen. Maar rond 1610 keken ze vooral met grote ogen naar wat Caravaggio vervaardigde: indringende scènes met levensechte figuren, geschilderd met sterke licht-donkercontrasten. Zulke kunst wilden zij ook maken. Onder de kunstenaars die in Rome in de ban raakten van Caravaggio’s kunst, waren drie Utrechters: Hendrick ter Brugghen, Dirck van Baburen en – inderdaad – Gerard van Honthorst. Van dat drietal bleef Honthorst het dichtst bij het voorbeeld van de Italiaanse meester. Waar Ter Brugghen

Christus voor de hogepriester

Gerard van Honthorst

ca. 1617. Olieverf op doek, 272 x 183 cm

NATIONAL GALLERY, LONDEN

Niet te zien op de tentoonstelling

en Baburen het realisme van Caravaggio bijvoorbeeld doorvoerden tot een voorkeur voor lelijke koppen, verkoos Honthorst mooiere modellen, die meer lijken op de types die we ook bij Caravaggio zien. Toen De gevangenneming van Christus – in de loop der eeuwen bedekt geraakt met een laag vuil – in Dublin nog werd beschouwd als een kopie naar een verloren origineel van de meester, was Honthorst dus niet zo’n onaannemelijke kandidaat.

Toch heeft hij Caravaggio voor zover bekend nooit klakkeloos gekopieerd. Hij tekende één keer een altaarstuk na, maar verder vertaalde hij de inventies van Caravaggio naar zijn eigen kunst, waarmee hij in Rome veel succes had. Hij woonde zelfs enkele jaren in het palazzo van de invloedrijke verzamelaars Benedetto en Vincenzo Giustiniani, die ook voor Caravaggio mecenassen waren geweest. Een van de schilderijen die Honthorst voor hen maakte, is Christus voor de hogepriester

In Rome specialiseerde Honthorst zich in het schilderen van nachtelijke scènes met kaarslichteffecten. Hij werd zo bekend door deze nachtstukken dat hij de bijnaam ‘Gherardo delle Notti’ kreeg. In Christus voor

Muzikaal gezelschap

Gerard van Honthorst ca. 1616-18. Olieverf op doek, 131,5 x 182 cm

NATIONAL GALLERY OF IRELAND, DUBLIN Schenking van Lochlann en Brenda Quinn, 2001

de hogepriester is de kaars – hier de enige lichtbron – heel prominent in de compositie geplaatst, in andere schilderijen zijn ze ook wel verstopt. Dan werpen ze vanachter een object een mysterieus, broeierig licht over het tafereel, zoals in het schilderij in Dublin, waar de kaars schuilgaat achter een liedboek.

Het is niet moeilijk te begrijpen waarom dat soort sfeervolle, fraaie schilderijen in de smaak vielen bij welgestelde kunstliefhebbers. Misschien heeft de kunstenaar ze ook wel met plezier geschilderd. Maar Honthorst kon meer dan alleen maar leuke dingen mooi schilderen. In Christus voor de hogepriester koos hij voor een opvallende ingetogenheid. Toch is het drama groot. Met minimale middelen maakt Honthorst duidelijk wat voor type mens de hogepriester is. Je kunt niet veel anders dan bewondering voelen voor Christus, die zo rustig blijft terwijl zijn lot in de handen ligt van deze man.

Naast een slimme regisseur die wist wat spannend is en hoe je dat moet verbeelden, was Honthorst ook een vaardige schilder die (schijnbaar) moeiteloos van stijl kon wisselen. In 1625 vervaardigde hij in Utrecht zowel De koppelaarster – dat schilderij zou ondenkbaar zijn zonder het werk van Caravaggio – als ook Granida en Daifilo, die in een heel ander universum lijken te wonen. Dat laatste schilderij werd waarschijnlijk gemaakt voor het Paleis Honselaarsdijk van stadhouder Frederik Hendrik en zijn echtgenote Amalia van Solms. Zij hielden van zulke pastorale voorstellingen, uitgevoerd in een kleurig, helder palet, met egale belichting. Granida en Daifilo is een hoogtepunt van deze ‘classicistische’ kunst. Alles

is dermate aantrekkelijk dat zelfs wij – die nog nooit een scène uit dit toneelstuk van P.C. Hooft hebben gezien – er geboeid naar kunnen kijken, zonder ons te storen aan het toch wat onrealistische beeld van zo’n prinses die in het struikgewas heel schoon zit te wezen, met een klein boeket op haar hoofd (in een Disney-versie zouden die twee opvallend bewust kijkende geiten kunnen praten).

Honthorst maakte voor het stadhouderlijk hof trouwens niet alleen maar zulke pastorales. Vanaf het einde van de jaren 1620, toen hij al enige tijd weer terug was in Nederland, ontwikkelde hij zich ook tot een geliefd portrettist voor de elite. Waarschijnlijk omdat het goed betaalde, want portretkunst stond destijds niet in hoog aanzien, en wie kiest er nou voor het nabootsen van koppen als je ook pastorales met schrandere geitjes kunt schilderen?

Goed betaald is Honthorst vast wel voor het portret van Amalia van Solms, dat werd besteld ter vervanging van het portret dat Rembrandt van haar maakte, en dat waarschijnlijk niet zo in de smaak was gevallen. En ja, die Rembrandt vinden wij nu veel interessanter (ook al is de verflaag in de loop der eeuwen behoorlijk beschadigd), maar wie de portretten naast elkaar ziet begrijpt wel waarom Amalia liever door de ogen van Honthorst naar zichzelf keek.

Interessant genoeg had Honthorst voor die stadhouderlijke opdracht al een reeks gemaakt voor een prestigieuzere opdrachtgever. In 1628 kreeg hij van niemand minder dan de Engelse koning Charles I het verzoek een aantal portretten te komen schilderen. Diens Deense collega Christian IV meldde zich in 1635, maar toen ging het om een reeks historiestukken. Honthorsts kunst werd toen duidelijk internationaal beschouwd als behorend tot de top.

Granida en Daifilo

Gerard van Honthorst 1625. Olieverf op doek, 144,7 x 179 cm

CENTRAAL MUSEUM, UTRECHT

Aangekocht in 1943 met steun van de Vereniging Rembrandt

Portret van Amalia van Solms

Gerard van Honthorst

Na 1632. Olieverf op paneel, 73,8 x 55,3 cm KONINKLIJKE VERZAMELINGEN, DEN HAAG

Portret van Amalia van Solms

Rembrandt 1632. Olieverf op doek, 69,5 x 54,5 cm

MUSÉE JACQUEMART-ANDRÉ, PARIJS

In de loop der eeuwen veranderde dat. Anders dan Frans Hals, Johannes Vermeer en Rembrandt kwam Honthorst in de 19de eeuw niet bovendrijven als een van de grote helden van de Hollandse School. Zijn kunst – en die van de andere Utrechtse caravaggisten –werd juist beschouwd als atypisch en werd door musea grotendeels genegeerd. Gelukkig vormde het Centraal Museum daarop een uitzondering. In 1927 kreeg het museum Granida en Daifilo in bruikleen van de verzamelaar J.J.M. Chabot, die het had gekocht op verzoek van de toenmalige directeur. In 1943 werd het schilderij met steun van de Vereniging Rembrandt aangekocht van de erven Chabot. Toen De koppelaarster in 1951 op de veiling kwam, was er iets veranderd rond de reputatie van Honthorst. Caravaggio’s kunst stond weer volop in de belangstelling en niet toevallig breidde die interesse zich uit naar de kunstenaars

die door hem waren beïnvloed. Voor De koppelaarster moest het Centraal Museum op die veiling maar liefst 8800 gulden betalen. Dat was meer dan het museum jaarlijks te besteden had voor aankopen. Mede dankzij hulp van de Vereniging Rembrandt lukte het toch. En dat is heel fijn, omdat het sinds 1951 een absolute publiekslieveling is. En omdat je sindsdien niemand meer over het prijskaartje hoort, en omdat zo’n schilderij nu alleen nog binnen het bereik van puissant rijke musea zou liggen, en – last but not least – omdat je met zo’n topstuk als De koppelaarster in je collectie alle reden hebt om een grote Honthorsttentoonstelling te maken. Een match made in heaven

Laurens Meerman is wetenschappelijk redacteur bij de Vereniging Rembrandt

* Met dank aan Liesbeth M. Helmus, senior conservator Oude Kunst van het Centraal Museum en maker van de Honthorsttentoonstelling

De koppelaarster

Gerard van Honthorst 1625. Olieverf op paneel, 71 x 104 cm CENTRAAL MUSEUM, UTRECHT

Aangekocht in 1951 met steun van de Vereniging Rembrandt

De tentoonstelling Gerard van Honthorst – in alles anders dan Rembrandt is te zien van 25 april t/m 13 september 2026 in het Centraal Museum

Ger van Elk: eigenzinnig

Het werk van Ger van Elk (1941-2014) is niet onder één noemer te vangen. Met zijn ontregelende kunst laat hij zien dat betekenis niet vastligt in het werk, maar zich ontvouwt in de blik van de beschouwer. Het Kröller-Müller Museum, Museum Boijmans Van Beuningen en het Centraal Museum maakten recent samen een keuze uit zijn rijke nalatenschap. Jan van Adrichem, oud-adviseur van de Vereniging Rembrandt, over de kracht van gezamenlijke collectievorming.

In 2025 ondersteunde de Vereniging Rembrandt een bijzondere aanvraag voor de verwerving van negentien werken van Ger van Elk. Het Kröller-Müller Museum, Museum Boijmans Van Beuningen en het Centraal Museum sloegen de handen ineen om dit ensemble van een van de meest eigenzinnige naoorlogse kunstenaars voor het Nederlandse openbare kunstbezit te behouden. Het Kröller-Müller Museum voegt binnen deze groepsaankoop twaalf werken aan de collectie toe, Museum Boijmans Van Beuningen vijf en het Centraal Museum twee.

De betekenis van de verwerving, via de erven en de Grimm Gallery, schuilt niet alleen in de kwaliteit en de breedte van de geselecteerde werken, maar ook in de gekozen samenwerkingsvorm. De drie musea beschikten ieder al over een deel van Van Elks oeuvre, net als

en grensverleggend

enkele andere kunstinstellingen in Nederland. Door deze groep werken gezamenlijk – en in samenhang met de bestaande collecties – aan te kopen, wordt in één gebaar een veelomvattend beeld van Van Elks kunstenaarschap duurzaam verankerd in de Collectie Nederland. Tegelijkertijd onderstrepen de drie musea met deze aankoop het belang en de potentie van strategische samenwerking bij hedendaagse collectievorming.

Breed palet aan media

Van Elk geldt als een uitzonderlijke kernfiguur binnen de Nederlandse beeldende kunst, met een open en onderzoekende benadering van het kunstenaarschap.

Gedurende een loopbaan van ruim vijftig jaar bediende

Van Elk zich van een breed palet aan media, waaronder schilderkunst, fotografie, film en video, installaties en

Zaaloverzicht van de tentoonstelling: Ger van Elk – Therefore Art is Splendid, GRIMM, New York 2019, met links Camping Art 2 uit 1968 en rechts het tweedelige fotowerk Sunset, Moonrise, Solonge (Une Nuit dans Chalet Suisse) uit 1990

NIEUWE AANWINST

Negentien werken

Ger van Elk 1967-2007. Diverse materialen

Bijdrage: € 220.564, waarvan € 42.564 uit het Titus Fonds, € 40.000 uit het Robert en Marijcke Willink-de Langen Fonds en € 40.000 uit het Themafonds Naoorlogse en Hedendaagse kunst KRÖLLER-MÜLLER MUSEUM, OTTERLO / MUSEUM BOIJMANS VAN BEUNINGEN, ROTTERDAM / CENTRAAL MUSEUM, UTRECHT

Aangekocht in 2025 met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Titus Fonds, haar Robert en Marijcke Willink-de Langen Fonds en haar Themafonds Naoorlogse en Hedendaagse kunst)

Apparatus

scalas dividens

Ger van Elk

1969. Installatie, div. materialen

(maakt geen deel uit van de aankoop)

Camping Art 1

Ger van Elk

1967. Installatie, div. materialen

KRÖLLER-MÜLLER

MUSEUM, OTTERLO

KRÖLLER-MÜLLER

MUSEUM,

textiel. In zijn werk is niet één vastomlijnd programma of een herkenbare vormentaal leidend, maar het grenzeloze denken en handelen van de kunstenaar zelf. Achter de uiterlijke diversiteit van zijn werk schuilt een duidelijke kern: een scherpzinnige en vaak speelse verkenning van de relatie tussen kunst en werkelijkheid, en van de dubbelzinnigheid van taal, beelden en alledaagse objecten in hun onderlinge verbanden. In zijn foto- en diawerken, maar ook in andere media, ondervroeg Van Elk met grote consistentie en humor begrippen als waarheid, authenticiteit en originaliteit, en maakte hij zichtbaar hoe betekenis wordt geconstrueerd.

In de geschiedschrijving wordt Van Elk vaak gepositioneerd als conceptueel kunstenaar, maar deze term schiet uiteindelijk tekort om de rijkdom en veelzijdigheid van zijn oeuvre te omvatten. De drie musea verkiezen een lezing waarin zijn werk wordt begrepen vanuit een postmoderne invalshoek, waarin reflectie op de kunstgeschiedenis, ironie en zelfonderzoek centraal staan.

Een sprekend voorbeeld uit Van Elks vroege praktijk is Apparatus scalas dividens uit 1969, een installatie die hij realiseerde voor de tentoonstelling Op losse schroeven: situaties en cryptostructuren in het Stedelijk Museum Amsterdam. Het werk – waarvan een model sinds 2010 deel uitmaakt van de collectie van het

Little Man Behind The Door
Ger van Elk 1999. Installatie met 16mm-film en diaprojectie
OTTERLO

Stedelijk Museum – fungeerde als zogenaamde ‘trapverdeler’ op de monumentale centrale trappartij van het museum. In eerste instantie leek het een functionele ingreep gericht op het sturen van bezoekersstromen, maar in feite was het werk, met zijn gewichtig aandoende Latijnse titel, volkomen nutteloos: visueel dubbelzinnig en veel te fragiel geconstrueerd om enige regulerende functie te kunnen vervullen. Bovendien dringt zich de vraag op waarom zo’n ingreep überhaupt gewenst zou zijn. De absurde constructie riep vooral verwarring op en manifesteerde zich, als falend gebruiksobject, uiteindelijk als een kunstwerk dat geen ander doel heeft dan zichzelf.

Kröller-Müller Museum

De gezamenlijke verwerving uit het oeuvre van Ger van Elk bestrijkt meerdere fasen van zijn kunstenaarschap. Uit de afzonderlijke motivaties van de musea blijkt dat zij hun keuzes zorgvuldig hebben afgestemd op het eigen collectieprofiel en op bestaande zwaartepunten binnen hun verzamelingen.

Het grootste en meest diverse deel van de werken is bestemd voor de collectie van het Kröller-Müller Museum, waar Van Elk al stevig is verankerd, mede dankzij eerdere aankopen en schenkingen via galerie Art & Project. De recente selectie van twaalf werken is hier nadrukkelijk gericht op het verdiepen van de collectie en het dichten van wezenlijke lacunes, met name ten aanzien van het vroege werk uit de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig. Tot de kern van de aankoop behoren de zogeheten ‘a-dynamische’ werken, waarin Van Elk pleitte voor een kunst die zich onttrekt aan expressie en vormvastheid, zoals de tent-

The Symmetry of Diplomacy I Ger van Elk 1971. Geretoucheerde foto’s, 62,5 x 62,5 cm

KRÖLLER-MÜLLER MUSEUM, OTTERLO

Het oppompen van de linkervoet door de rechter Ger van Elk 1969/1999. Installatie met 5-8mm-film overgezet op 16mm-film, geprojecteerd op een dweil

KRÖLLER-MÜLLER MUSEUM, OTTERLO

The Rose more Beautiful than Art, but Difficult, therefore Art is Splendid Ger van Elk

1972. Installatie met diaprojectie over een waterverfschilderij

CENTRAAL MUSEUM, UTRECHT

Study Sunset, Moonrise, Sologne (Une Nuit dans Chalet Suisse) Ger van Elk 1990. Kleurpotlood op papier, twee delen, beide 86 x 184,3 cm (incl. lijst)

MUSEUM BOIJMANS VAN BEUNINGEN, ROTTERDAM

sculpturen Camping Art 1 (1967) en Camping Art 2 (1968). Deze werken onderstrepen zijn positie als vernieuwende sleutelfiguur en sluiten binnen de collectie van het Kröller-Müller aan bij het accent op conceptuele kunst en arte povera.

Daarnaast versterken de verwervingen bestaande deelcollecties van het museum. Met name op het terrein van film-, foto- en dia-installaties was het werk van Van Elk tot nu toe relatief beperkt vertegenwoordigd. Film- en fotowerken als Het oppompen van de linkervoet door de rechter (1969), Little Man Behind the Door (1999) en The Symmetry of Diplomacy I (1971) vullen dit domein op overtuigende wijze aan en sluiten inhoudelijk aan bij iconische werken in de collectie van het Kröller-Müller Museum, zoals de dia-installatie Paul Klee. Um den Fisch, 1926 (1970) en de assemblage Het soortelijk gewicht van de kunstzinnige verbeelding I (1972). Met de recente aankoop is nagenoeg het volledige filmische en dia-oeuvre van Van Elk binnen Nederlandse museale collecties ondergebracht, inclusief het reeds sterke ensemble dat zich in de collectie van het Van Abbemuseum bevindt.

Van Elk in Rotterdam en Utrecht

Museum Boijmans Van Beuningen heeft het werk van Ger van Elk door de jaren heen met regelmaat gepresenteerd en verzamelt zijn werk actief sinds 1973. Inmiddels omvat de collectie meer dan dertig werken. Werk op papier is daarin echter slechts beperkt vertegenwoordigd. Precies daar ligt het zwaartepunt van de nieuwe aanwinsten: een groep tekeningen en studies uit de jaren negentig die inzicht biedt in Van Elks sculpturale en ruimtelijke denkproces, waaronder het tweedelige foto- en tekenwerk Sunset Moonrise Sologne (Une Nuit dans Chalet Suisse) (1990) en de tekening Study Pressure Sandwich (1990). Volgens het museum sluiten deze verwervingen naadloos aan bij ruimtelijke sleutelwerken in de collectie, zoals Tres qualitates lucis, in modo rustico californiae (1968-1969), The Well Polished Floor Sculpture (1980) en Green Blood (1992).

Het Centraal Museum hanteert een ‘inter- en transhistorisch verzamel- en presentatiebeleid’, waarin kunst uit het verleden expliciet wordt verbonden met meer recente kunst en vormgeving. Vanuit die benadering zijn de nieuwe aanwinsten van Ger van Elk – de diainstallatie The Rose more Beautiful than Art, but Difficult,

therefore Art is Splendid (1972) en de beschilderde foto Lam Gods I/The Lamb of God I (1987) – opgenomen binnen de collectie Nederlandse schilderkunst van het museum. The Rose more Beautiful than Art fungeert daarbij als een speelse beschouwing van het bloemstilleven en kan in de visie van het museum direct worden gerelateerd aan de historische bloemstukken in de collectie, waaronder het vroege stilleven van Roelant Savery. Lam Gods I sluit op het eerste gezicht aan bij de traditie van de religieuze schilderkunst, maar het Centraal Museum verbindt dit beladen motief uit de Europese schilderkunst bewust juist met de Nederlandse postmoderne schilderkunst – een domein waarin het museum met kunstenaars als Rob Scholte en René Daniëls een zwaartepunt heeft.

Een stevige basis

Met de gezamenlijke verwerving en de overdracht van de archieven van Ger van Elk en Art & Project aan het Rijksinstituut voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag is inmiddels zowel zijn oeuvre als de bijbehorende documentatie blijvend en op een goed doordachte manier binnen Nederland ondergebracht. Daarmee is hopelijk een stevige basis gecreëerd voor toekomstig onderzoek, presentatie en verdere interpretatie van het werk van deze tot op de dag van vandaag toonaangevende Nederlandse kunstenaar.

Jan van Adrichem is emeritus hoogleraar moderne en eigentijdse kunst aan de Universiteit Utrecht en oud-adviseur van de Vereniging Rembrandt

Nog even geduld... Volgend jaar zullen Museum Boijmans Van Beuningen en het Centraal Museum werken van Ger van Elk uit deze groep tonen. Het Kröller-Müller Museum bereidt een grote overzichtstentoonstelling over Ger van Elk voor. Die zal over enkele jaren te zien zijn, na de uitbreiding van het gebouw.

Study Pressure Sandwich

Ger van Elk

1990. Kleurpotlood op papier, 99,6 x 188,6 cm (incl. lijst)

MUSEUM BOIJMANS VAN BEUNINGEN, ROTTERDAM

The Lamb of God I
Ger van Elk
1987. Beschilderde foto
CENTRAAL MUSEUM, UTRECHT

Artemisia Gentileschi, Coba Ritsema, Jo Koster, Paula Rego. Zomaar een greep uit de vrouwelijke kunstenaars aan wie in de afgelopen jaren een tentoonstelling is gewijd. Vanuit het besef dat vrouwen – kunstenaars, maar ook opdrachtgevers, verzamelaars en schenkers – nogal eens over het hoofd zijn gezien, zijn musea actief bezig met een correctie op de kunstgeschiedenis. De Vereniging Rembrandt draagt hier graag aan bij door middel van haar nieuwe Leyster Fonds voor vrouwen in de kunst.

Een ander perspectief

‘Vrouwen in de kunst’ was het thema van het PAN Podium van de kunstbeurs PAN in 2024. Ook de Vereniging Rembrandt organiseerde hier een programma, over de aandacht voor vrouwelijke kunstenaars in Nederlandse musea. Een van de andere sprekers op deze middag was Jenny Reynaerts, die in het Rijksmuseum het project ‘Vrouwen in het Rijksmuseum’ leidde. Zij sprak daar over inzichten en ontdekkingen die het onderzoek sinds de lancering van het project in 2021 had opgeleverd. Daarbij gaf ze enkele voorbeelden van schilderijen met vrouwen die tot dusver als ‘echtgenote van’ of als anonieme bijfiguur waren beschouwd, maar die invloedrijke personen of zelfs opdrachtgever van het schilderij in kwestie blijken te zijn geweest.

Onder de toehoorders bevond zich Rembrandtlid Nelleke Metselaar. Zij wist dat museumdirecteuren als Liesbeth Brandt Corstius in Arnhem en Josine de Bruyn Kops in Gouda zich al in de jaren tachtig met dit thema bezighielden. Toch drong naar eigen zeggen pas door het verhaal van Reynaerts tot haar door hoe weinig kennis er is over de rol van vrouwen in de kunstgeschiedenis. ‘Door de uitkomsten van het onderzoek dat nu wordt gedaan, ook naar anonieme makers, ga je met een totaal andere blik kijken,’ zegt Nelleke. Omdat ze graag wilde bijdragen aan dergelijk onderzoek en net uit de nalatenschap van haar moeder een bedrag had gekregen waardoor ze dat ook kon doen, ging ze praten met het Rijksmuseum. Dat maakte haar

nog enthousiaster, maar tegelijkertijd deed het haar beseffen dat er ook in andere musea werk aan de winkel is. Nelleke: ‘Het is heel boeiend wat er op dit gebied in het Rijksmuseum gebeurt, en wat dat betekent voor de zichtbaarheid van vrouwen in de presentatie. Maar ik vind het belangrijk om ook regionale musea te stimuleren om onderzoek te doen met de bronnen die daar zijn.’

LEYSTER FONDS VOOR VROUWEN IN DE KUNST

Zo kwam ze bij de Vereniging Rembrandt terecht. Via een fonds bij de Vereniging zouden musea door heel Nederland daarvan kunnen profiteren, was de gedachte. Een fonds met deze doelstelling bestond nog niet, al heeft de Vereniging in de

‘Met name bij middelgrote en kleinere musea ontbreken vaak de middelen om de inhaalslag voor vrouwen op hoog niveau vorm te geven. Met het Leyster Fonds willen wij bijdragen aan een blijvende zichtbaarheid van kunst van vrouwen en de verhalen die daarmee verbonden zijn.’

Heleen Kersten, voorzitter bestuur Vereniging Rembrandt

afgelopen jaren incidenteel bijgedragen aan onderzoeksprojecten over onder andere vrouwelijke verzamelaars (gesteund vanuit het Kroese-Duijsters Fonds) en ontwerpers van zilver (vanuit het Ekkart Fonds). Na het gesprek met Nelleke begon Merel Deinema, fondsenwerver major donors bij de Vereniging, te broeden op een plan. Zij benaderde Dorien ter Haar, al vele jaren lid van de Titus Cirkel van de Vereniging Rembrandt, voor het oprichtingscomité van een fonds voor vrouwen. Dorien heeft tien jaar geleden de Nederlandse afdeling van de Tiffany Circle van het Rode Kruis opgericht, een internationaal netwerk voor en door vrouwen, en beschikt dus precies over de benodigde ervaring. Dorien zei onmiddellijk ja. Ze vertelt dat ze in 1982 kunstgeschiedenis studeerde in de Verenigde Staten en dat daar indertijd gebruik werd gemaakt van H.W. Jansons standaardwerk History of Art. ‘Dat was de tweede editie uit 1978. In dat boek van bijna zeshonderd pagina’s werd geen enkele vrouwelijke kunstenaar genoemd. Dat was echt een blinde vlek.’ Hoe vreemd dat eigenlijk was, besefte zij zelf ook pas veel later, zegt ze nu nog met enige verbazing. ‘Kunst door vrouwen is structureel te weinig aangekocht, onderzocht en getoond.’

Nelleke en Dorien zien het nieuwe fonds bij de Vereniging Rembrandt als een kans voor herstel. Het fonds is genoemd naar Judith Leyster

(1609-1660), een van de weinige bekende vrouwelijke kunstenaars uit de 17de eeuw van wie al vroeg schilderijen in Nederlandse musea zijn terechtgekomen. De Vereniging Rembrandt hielp sinds 1897 drie keer bij de verwerving van een schilderij van Leyster. Vanuit het fonds dat haar naam draagt, zal worden bijgedragen aan aankopen en restauraties van werken door vrouwelijke kunstenaars, maar ook aan onderzoek naar bijvoorbeeld vrouwelijke makers, verzamelaars of mecenassen. Een voorbeeld van zo’n project is het recente onderzoek voor de tentoonstelling Onbekend talent: vrouwen van de Amsterdamse School van Museum Het Schip. ‘Fantastisch als we met dit fonds impact kunnen hebben,’ zegt Nelleke. Beiden kregen uitsluitend positieve reacties toen zij in hun vrienden- en kennissenkring vertelden over dit nieuwe initiatief. Vragen in de trant van ‘maar er waren toch niet zoveel vrouwelijke kunstenaars vroeger?’ hebben ze niet gekregen. ‘Dat die er waren is nu wel een gegeven,’ zegt Dorien. De eerste donateurs hebben zich inmiddels gemeld. Op 6 juni is de oprichtingsbijeenkomst van het nieuwe fonds in Singer Laren. Mannen zijn hierbij uiteraard van harte welkom.

De vrolijke drinker

Judith Leyster 1629. Olieverf op doek, 89 x 85 cm RIJKSMUSEUM AMSTERDAM

Aangekocht in 1897 met steun van de Vereniging Rembrandt

Meer weten?

Het Leyster Fonds voor vrouwen in de kunst is een open fonds in oprichting voor schenkingen en legaten vanaf € 1.250. Met een gift vanaf € 5.000 wordt u Bijzonder lid. De Vereniging nodigt schenkers uit om zich voor meerdere jaren aan het fonds te verbinden. Met een periodieke schenkingsovereenkomst van vijf jaar is de gift – in de meeste gevallen – geheel aftrekbaar van de inkomstenbelasting. Daarnaast kunt u uw eigen Fonds op Naam verbinden aan het Leyster Fonds met een schenking vanaf € 75.000 (ineens of verdeeld over vijf jaar). Voor schenkers zal jaarlijks een ontvangst worden georganiseerd rondom het thema ‘vrouwen in de kunst’. Neem voor meer informatie vrijblijvend contact op met Merel Deinema, fondsenwerver major donors, via deinema@verenigingrembrandt.nl of telefonisch via 070-4271720.

Nelleke Metselaar (links) en Dorien ter Haar bij The Pillowman van Paula Rego in Kunstmuseum Den Haag
Foto: Sander van den Bosch

BOVEN MIJN BED

De Vereniging Rembrandt telt zo’n 1600 jonge leden (JongRembrandt). Alle leden tussen 18 en 30 jaar zijn welkom. Als lid van JongRembrandt kun je meedoen aan de Art Talks, waarbij je samen met andere jongeren en onder begeleiding van experts in steeds een ander museum op ontdekkingstocht gaat.

‘Het is echt een eyecatcher, ik ben er heel blij mee,’ zegt Kim over de grote reproductie boven haar bed. ‘Altijd als er vrienden langskomen vinden ze die print bij mij passen omdat hij mijn twee hobby’s combineert: vogels en kunst.

Die passie voor vogels heb ik van thuis meegekregen, dat zat er iets eerder in dan kunst. Ik kom uit een boerendorp in de buurt van Utrecht. We hadden daar altijd een zwarte-sternkolonie, je hoorde de grutto’s overvliegen en we hadden ook een keer een tjiftjafnestje in de tuin. Zodoende is de interesse voor vogels ontstaan.

De belangstelling voor kunst heeft moeten groeien. Toen ik klein was ben ik wel eens naar een museum geweest met mijn ouders, maar het is me niet met de paplepel ingegoten. In mijn tussenjaar na de middelbare school ben ik veel naar musea gegaan. Ik ging wekelijks, en elke keer naar een ander museum. Zo is het een beetje gekomen. En daarna ben ik kunstgeschiedenis gaan studeren.’

En hoe zit het met die Hondecoeter? ‘In mijn vorige huis zat ik in een app-groep voor tweedehandsspullen, en daar werd deze aangeboden. Ik dacht, díé moet ik hebben, want ik was al best een fan van dit schilderij. Ik had het al een paar keer in het Rijks gezien. En ik mocht hem gratis hebben, terwijl die prints nieuw best veel geld kosten. Toen ik hem ging ophalen, bleek dat hij anderhalve meter hoog was, dus toen liep ik met deze joekel over straat Mijn lievelingsvogel op dit schilderij? Ik weet dat het geen geliefde vogel is, en een vriend van me werd zelfs een beetje boos toen ik dat zei, maar het is toch de nijlgans, omdat je die hier ook ziet. Hij komt vertrouwd over.’

Kamer van: Kim, 24 jaar, student kunstgeschiedenis UvA, lid sinds 2023

Locatie: Utrecht

Poster: Melchior d’Hondecoeter, Pelikaan en ander gevogelte bij een waterbassin (ca. 1680), Rijksmuseum, Amsterdam

Interview: Gerdien Wuestman

Foto: Sander van den Bosch

Van ons allemaal sinds 1946

Wie Museum Rembrandthuis bezoekt, ziet waar Rembrandt geleefd en geschilderd heeft en kan kennismaken met het werk van kunstenaars uit zijn directe omgeving. Niet iedereen zal beseffen dat het museum geen enkel schilderij van de meester zelf bezit. Daarom is het goed nieuws dat het in de aankomende jaren een olieverfschets van zijn naamgever kan tonen.

In deze schets verbeeldde Rembrandt een episode uit het Bijbelse verhaal over Jozef. Hij koos voor het moment waarop de nog jonge Jozef zijn familie vertelt over zijn dromen. Omdat die suggereren dat hij ooit machtiger zal worden dan zijn broers, vallen die verhalen niet in goede aarde. Typisch voor Rembrandt is de aandacht voor de subtiele emoties van de figuren. De vader, die geduldig luistert maar wiens blik en houding scepsis uitstralen, de moeder die afwachtend naar voren leunt, en de broers die gelaten of juist vol ongeloof reageren. Links lijken drie van hen al in gesprek over hoe zij Jozef een lesje kunnen leren.

Olieverfstudies als deze waren niet bedoeld als voltooide kunstwerken, maar als voorstudies. Dit werk uit 1633 is vermoedelijk met het oog op een grote ets gemaakt. Een prent met deze compositie is nooit uitgevoerd, maar een aantal jaren later produceerde Rembrandt een kleine ets met hetzelfde onderwerp. Museum Rembrandthuis krijgt Jozef vertelt zijn dromen voor een periode van ten minste vijf jaar in bruikleen van het Rijksmuseum. In een pre-

sentatie die tot en met 25 mei 2026 is te zien, wordt de olieverfschets naast de ets getoond, zodat de verschillen en de overeenkomsten goed kunnen worden bestudeerd. Dit maakt inzichtelijk hoe Rembrandt experimenteerde met houdingen en gebaren en zichzelf voortdurend probeerde te verbeteren. Voor het transport, het inrichten van de presentatie en educatie ontving Museum Rembrandthuis een bijdrage vanuit het Fonds Fusien van de Vereniging Rembrandt. Grappig genoeg was de Vereniging tachtig jaar eerder ook al betrokken bij de aankoop van de olieverfschets. Het schilderij was in bezit van haar bestuurslid August Wilhelm Volz (1873-1944). Deze verzamelaar had het in 1920 gekocht op een veiling. Het was zijn wens dat de schets naar het Rijksmuseum zou gaan. Een tweede schilderij, een mansportret door de 16de-eeuwse schilder Michael Sittow, had Volz voor het Mauritshuis bestemd. Op zeer gunstige condities konden beide werken kort na de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog met hulp van de Vereniging uit Volz’ nalatenschap worden verworven.

BRUIKLEEN

Jozef vertelt zijn dromen

Rembrandt

1633. Olieverf op papier op karton, 51 x 39 cm

RIJKSMUSEUM, AMSTERDAM

Aangekocht in 1946 met steun van de Vereniging Rembrandt en de Stichting tot Bevordering van de Belangen van het Rijksmuseum; bruikleen vanaf 2026 aan Museum Rembrandthuis met steun van de Vereniging Rembrandt (mede dankzij haar Fonds Fusien)

Meisje in het blauw

Het Portret van een meisje in het blauw door Johannes Verspronck geldt als een van de mooiste kinderportretten uit de 17de eeuw. Het is in 1928 door Mari Paul Voûte, voorzitter van het bestuur van de Vereniging Rembrandt, nagelaten aan de Vereniging ter plaatsing in het Rijksmuseum De portretten van haar vermoedelijke ouders bevinden zich in Rijksmuseum Twenthe. Tot en met 11 oktober is het meisje herenigd met het echtpaar uit

Enschede in de presentatie Het raadsel van het meisje in het blauw in het Frans Hals Museum. Frans Grijzenhout, emeritus hoogleraar Kunstgeschiedenis aan de UvA, ging op onderzoek uit om de identiteit van het meisje en haar ouders te achterhalen. De grote vraag: is het hem gelukt?

Ontvangst Kasteel Duivenvoorde

Kasteel Duivenvoorde heeft wat te vieren. Ter gelegenheid van het achthonderdjarig bestaan van het kasteel én de verwerving van het zilveren koelvat (pp. 10-15) is er op 29 april een ontvangst voor de leden van de Vereniging Rembrandt. Meer informatie over dit evenement en over hoe u zich kunt aanmelden, vindt u dit voorjaar in onze nieuwsbrief.

Nieuwe Fondsen op Naam

In de laatste maanden van 2025 en de eerste maanden van 2026 zijn bij de Vereniging Rembrandt twee nieuwe Fondsen op Naam ingesteld: | Het Robert en Marijcke Willink-de Langen Fonds. De initiatiefnemers delen een passie voor hedendaagse kunst. De doelstelling van het fonds is bijdragen aan aankopen op het gebied van moderne en hedendaagse kunst, waaronder ook sieraden. Het fonds kon al meteen worden ingezet voor de aankoop van de werken van Ger van Elk (zie pp. 40-45).

Het Van Achterbergh-Domhof Fonds. Dit fonds is bedoeld voor het steunen van aankopen, restauraties en/of onderzoeken op het gebied van de toegepaste kunst, in het bijzonder keramiek. De doelstelling is in lijn met de statuten van de Stichting Van Achterbergh-Domhof.

Lachende jongen

Je komt hem overal tegen, de Lachende jongen van Frans Hals uit het Mauritshuis. In 2025, vierhonderd jaar na het vermoedelijke jaar van ontstaan, werd een postzegel met dit schilderij uitgegeven – meer voor de verzamelaar dan om te gebruiken. Dit was overigens niet de eerste keer: al in 1937 sierde de Lachende jongen een postzegel.

Bruikleen voor Dordrecht

In het Dordrechts Museum is sinds kort een schilderij van Melchior d’Hondecoeter te zien met de fabel van de kraai die van zijn pronkveren wordt beroofd. Dit schilderij is in langdurig bruikleen gegeven door Museum Arnhem. Het Dordrechts Museum wilde het onder andere graag lenen om daarmee te laten zien hoezeer dit type schilderijen de Dordtse kunstenaar Aert Schouman heeft geïnspireerd. De bruikleen is tot stand gekomen mede dankzij het Fonds Fusien van de Vereniging Rembrandt.

In memoriam Anne-Marie Deurvorst

Op 9 januari 2026 overleed Anne-Marie Deurvorst, weduwe van mr. W.L. Renaud. Anne-Marie was van 1975 tot en met 1990 ‘adjunct-secretaresse’ van de Vereniging Rembrandt. Zij verzorgde de ledenadministratie en organiseerde alles rondom de bestuursvergaderingen. Ook bij de organisatie van de festiviteiten rond het honderdjarig bestaan van de Vereniging in 1983 was zij een onmisbare kracht. Deze werkzaamheden deed zij allemaal vanuit haar huis in Den Haag, want de Vereniging had in die tijd nog geen bureau. Ons oud-bestuurslid Johan ter Molen, die in 1985 lid werd van het Algemeen Bestuur en in 1986 van het Dagelijks Bestuur, herinnert zich nog hoe Anne-Marie voor musea het aanspreekpunt en gezicht naar buiten was. Zo kwamen nieuwe aanvragen altijd bij haar binnen. En op de dag van een bestuursvergadering kwam ze altijd een uurtje eerder om mensen die beoogde aankopen ter beoordeling kwamen brengen te ontvangen. Zij was goed bevriend met Resl von Bönninghausen, die haar in 1991 opvolgde. Anne-Marie Deurvorst is 95 jaar geworden. Wij wensen haar nabestaanden sterkte toe.

ALV 2026

Voor in de agenda: op vrijdagmiddag 19 juni is de jaarlijkse Algemene Ledenvergadering van de Vereniging Rembrandt. Deze keer vindt de vergadering plaats in Theater De Vest in Alkmaar. Aansluitend is er een ontvangst in het naastgelegen Stedelijk Museum Alkmaar, waar u aan de hand van een Rembrandtroute de gesteunde aankopen en restauraties kunt bekijken. U ontvangt hiervoor in mei een uitnodiging per mail, met het jaarverslag over 2025.

Het bestuur van de Vereniging Rembrandt in 1983, met staand, derde van links, Anne-Marie Deurvorst

Blijf op de hoogte en volg ons via LinkedIn, Instagram en Facebook

Geef uw kunstliefde door

Er blijft altijd wat te ontdekken in onze gezamenlijke kunstcollecties. Onze musea kunnen Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan op hun best laten zien, maar hun bezoekers ook verrassen met de kunst van nu. Om je aan het denken te zetten, je iets te leren of om je van schoonheid te laten genieten. Het kan allemaal in onze musea.

Dat zijn ervaringen die u ook anderen gunt. Door uw vrienden enthousiast te maken voor een lidmaatschap van de Vereniging Rembrandt of door uw partner of (klein)kind een lidmaatschap cadeau te doen, geeft u hun de gelegenheid te beleven wat u zelf hebt beleefd.

Venustrechter

Rebecca Horn

1986. Diverse materialen, Ø 330 cm

MUSEUM ARNHEM

Aangekocht in 1986 met steun van de Vereniging Rembrandt

Lidmaatschappen

Eén persoon – € 85 per jaar (tot 25 jaar € 37,50) Word lid, draag bij en ontvang de Rembrandtkaart waarmee u de vaste collecties van 150 musea vrij van entree kunt bezoeken. Jonger dan 25 jaar? Dan betaal je slechts € 37,50.

Twee personen – € 125 per jaar

Met een lidmaatschap voor twee personen bent u goedkoper uit én hebt u altijd iemand om musea mee te bezoeken. U kunt dit lidmaatschap afsluiten met uw partner of een introducékaart ontvangen waarmee u een vriend(in) kunt meenemen.

Cadeaulidmaatschap

Uw liefde voor kunst delen met een vriend(in), kind(eren) of een ander dierbaar familielid? Dat kan via een cadeaulidmaatschap. Alle lidmaatschappen zijn ook voor het leven af te sluiten.

Meesterlidmaatschappen

Jonge Meester – ten minste € 500 per jaar*

Jonge Meesters worden jaarlijks uitgenodigd voor de Zondag met Rembrandt om zo hun favoriete verzamelgebied te ontdekken.

Leermeester – ten minste € 1.250 per jaar*

Als Leermeester kunt u uw gift toewijzen aan aankopen waaraan wordt bijgedragen via het Themafonds van uw voorkeur. Bij de jaarlijkse Leermeesterlezing geeft een kunstexpert tekst en uitleg bij een spraakmakende, recent gesteunde aankoop.

Grootmeester – ten minste € 2.500 per jaar*

Grootmeesters krijgen net als Leermeesters de mogelijkheid hun gift toe te wijzen aan een van onze vijftien Themafondsen. Zij worden uitgenodigd voor de Meesterschouw, een intieme bijeenkomst waarin specialisten in musea een kijkje achter de schermen bieden.

Hollandse Meester – ten minste € 15.000 per jaar*

Zelf bepalen welke aankopen u steunt en met hoeveel? Of misschien onderzoek en restauratie mogelijk helpen maken? Word dan Hollandse Meester en richt een Fonds op Naam op. U geniet hiernaast dezelfde privileges als een Grootmeester en bent lid voor het leven.

* Een meesterlidmaatschap wordt afgesloten voor een periode van ten minste vijf jaar, waardoor er aantrekkelijke fiscale voordelen gelden.

De Vereniging Rembrandt zet zich al sinds 1883 in voor het Nederlands openbaar kunstbezit. Dankzij de betrokkenheid en vrijgevigheid van haar leden en in goede samenwerking met de musea vergroot de Vereniging de publieke belangstelling voor onze gezamenlijke kunstcollecties en maakt zij aankopen, onderzoek en restauraties mede mogelijk. Als particuliere organisatie is de Vereniging Rembrandt overkoepelend, onafhankelijk en bevlogen, en handelt zij vanuit haar expertise.

Hebt u vragen over schenken of het instellen van een Fonds op Naam bij de Vereniging Rembrandt? Neem dan contact op met Mathilde van der Werff, telefonisch of per e-mail: vanderwerff@verenigingrembrandt.nl.

BESTUUR

Niet-uitvoerende bestuurders:

Mevrouw mr. H.H. Kersten, voorzitter

De heer drs. B. Cornelis, vicevoorzitter

De heer drs. P.A. Geelen, penningmeester

De heer prof. dr. R.J. Baarsen

De heer drs. T.D.W. Dibbits

De heer H. Driessen

Mevrouw drs. F. Haijtema

De heer prof. dr. J.E.E. Keunen

Mevrouw drs. G.M.E. Knol

De heer prof. mr. G.T.M.J. Raaijmakers

De heer prof. dr. M.S. Sellink

Uitvoerend bestuurder:

De heer drs. G. Janse

Zie voor de raad van adviseurs en de medewerkers van de Vereniging Rembrandt www.verenigingrembrandt.nl

Hebt u vragen of wilt u advies over nalaten, of overweegt u de Vereniging Rembrandt te benoemen in uw testament? Neem dan contact op met Leonie Pels Rijcken, telefonisch of per e-mail: pelsrijcken@verenigingrembrandt.nl.

Adam Loofs (zie over deze aanwinst van Kasteel Duivenvoorde pp. 10-15)

Beschermvrouwe

Hare Koninklijke Hoogheid Prinses

Beatrix der Nederlanden

VERENIGING REMBRANDT

Denneweg 124

2514 CL Den Haag

T: 070-4271720

E: bureau@verenigingrembrandt.nl

Bankrekeningnummer:

IBAN: NL 21 ABNA 0252 2008 61

OVER DEZE UITGAVE

Het Bulletin van de Vereniging Rembrandt verschijnt drie keer per jaar en wordt toegezonden of digitaal beschikbaar gesteld aan leden van de Vereniging Rembrandt. De Vereniging communiceert hierin onder andere over gesteunde aankopen en restauratie- en onderzoeksprojecten. In keuze en behandeling van onderwerpen zoekt de redactie aansluiting bij in de Vereniging levende interesses, vermijdt zij onnodig polariserende uitlatingen en draagt zij er zorg voor dat het Bulletin toegankelijk is voor een zo breed mogelijke groep lezers onder de leden.

Aan dit nummer werkten mee: Jan van Adrichem, Reinier Baarsen, Sander van den Bosch, Hendrik Driessen, Louise O. Fresco, Geert-Jan Janse, Laurens Meerman, Renate Meijer, Wim Pijbes, Marleen Ram, Joke de Wolf, Rein Wolfs en Gerdien Wuestman.

Van werken van beeldende kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © Pictoright Amsterdam 2026

Ontvangt u het Bulletin liever digitaal? Stuur dan een e-mail of neem telefonisch contact op met het bureau van de Vereniging Rembrandt.

Hoofdredacteur: Gerdien Wuestman

Eindredactie: Ingrid Mersel

Redactieadviesraad: Veerle Corstens, Christi Klinkert, Laurens Meerman en Annemiek Overbeek

Ontwerp: van Rosmalen & Schenk, Amsterdam Druk: Damen Drukkers, Werkendam

Koelvat
Foto: Erik en Petra Hesmerg

Vrije toegang tot de vaste collectie van ondersteunde musea

Als lid van de Vereniging Rembrandt hebt u met uw Rembrandtkaart vrije toegang tot de vaste collectie van alle musea die sinds onze oprichting door ons zijn gesteund. Kijk voor uw bezoek altijd even op de website van de betreffende instelling voor de actuele gegevens. Bij sommige musea is reserveren verplicht.

Alkmaar

Stedelijk Museum Alkmaar

Amerongen

Kasteel Amerongen

Amersfoort

Mondriaanhuis

Museum Flehite

Ammerzoden

Kasteel Ammersoyen

Amstelveen

Cobra Museum voor

Moderne Kunst

Amsterdam

Allard Pierson

Amsterdam Museum (incl. Huis WilletHolthuysen)

Joods Cultureel Kwartier

(Joods Museum en Nationaal Holocaustmuseum)

Museum Ons’ Lieve Heer

op Solder

Museum Rembrandthuis

Museum Het Schip

Museum Van Loon

Rijksmuseum

Het Scheepvaartmuseum

Stadsarchief Amsterdam

Stedelijk Museum

Tot zover

Van Gogh Museum

Wereldmuseum Amsterdam

Apeldoorn

Paleis Het Loo

Appingedam

Museum Stad Appingedam

Arnhem

Gelders Archief

Museum Arnhem

Assen

Drents Museum

Asten

Museum Klok & Peel

Barneveld

Museum Nairac

Bergen op Zoom

Het Markiezenhof

Beverwijk

Museum Kennemerland

Breda

Stedelijk Museum Breda

Brielle

Historisch Museum Den

Briel

Culemborg

Elisabeth Weeshuis

Museum

Delft

Museum Prinsenhof Delft

Den Haag

Haags Historisch Museum

Huis van het Boek

Kunstmuseum Den Haag (incl. Fotomuseum Den Haag)

Mauritshuis (incl. Galerij

Prins Willem V)

De Mesdag Collectie

Museum Beelden aan Zee

Museum Bredius

Groningen Groninger Museum

Haarlem

Frans Hals Museum

Teylers Museum

Deventer Museum de Waag

Speelgoedmuseum

Deventer

Doorwerth

Kasteel Doorwerth

Dordrecht

Dordrechts Museum

Huis Van Gijn

Edam

Edams Museum

Eindhoven Van Abbemuseum

Elburg

Museum Elburg

Enkhuizen

Zuiderzeemuseum

Enschede

Rijksmuseum Twenthe

Franeker

Museum Martena

Gorinchem

Gorcums Museum

Gouda Museum Gouda

Haarzuilens

Kasteel de Haar

Harlingen

Gemeentemuseum

Het Hannemahuis

Hattem

Voerman Stadsmuseum

’s-Heerenberg

Kasteel Huis Bergh

Heerenveen-Oranjewoud Museum Belvédère

Heino/Wijhe

Kasteel Het Nijenhuis

Helmond

Museum

Helmond

’s-Hertogenbosch

Design Museum Den Bosch

Het Noordbrabants

Museum

Heusden a/d Maas

Het Gouverneurshuis

Hilversum

Museum Hilversum

Hoorn

Westfries Museum

Kampen

Stedelijk Museum Kampen

Katwijk

Katwijks Museum

Laren

Singer Laren

Leek

Museum Nienoord

Leens

Landgoed Verhildersum

Leerdam

Nationaal Glasmuseum

Leeuwarden

Fries Museum

Fries Verzetsmuseum

Keramiekmuseum

Princessehof

Leiden

Japanmuseum SieboldHuis

Museum De Lakenhal

Rijksmuseum Boerhaave

Rijksmuseum van Oudheden

Wereldmuseum Leiden

Loosdrecht

Kasteel-Museum

Sypesteyn

Maastricht

Bonnefanten

Marken

Marker Museum

Middelburg

Zeeuws Museum

Naarden

Nederlands Vestingmuseum

Nijmegen

Valkhof Museum

Oss Museum Jan Cunen

Otterlo

Kröller-Müller Museum

Nederlands Tegelmuseum

Oud-Zuilen

Slot Zuylen

Purmerend

Purmerends Museum

Ridderkerk

Huys ten Donck (alleen de tuinen)

Rhenen

Stadsmuseum Rhenen

Roermond

Cuypershuis

Rotterdam

Chabot Museum

Kunsthal Rotterdam

Maritiem Museum Rotterdam

Museum Boijmans Van Beuningen

Nederlands Fotomuseum

Nieuwe Instituut

Wereldmuseum Rotterdam

Rozendaal

Kasteel Rosendael

De Rijp

Museum In ’t Houten Huis

Schiedam

Stedelijk Museum Schiedam

Schoonhoven

Nederlands Zilvermuseum

Schoonhoven

Slochteren

Museum Landgoed

Fraeylemaborg

Sluis

Museum Het Belfort

Sneek

Fries Scheepvaart Museum

Soest

Nationaal Militair Museum

Tiel

Flipje en Streekmuseum Tiel

Tilburg

TextielMuseum

Uden

Museum Krona

Uithuizen

Menkemaborg

Utrecht

Centraal Museum

Museum Catharijneconvent

Museum Speelklok

Vaassen

Kasteel Cannenburch

Veendam

Veenkoloniaal Museum

Velsen-Zuid

Buitenplaats Beeckestijn

Vlissingen

Maritiem Muzeeum Zeeland

Voorburg

Huygens Museum

Voorschoten

Kasteel Duivenvoorde

Warffum

Openluchtmuseum Het

Hoogeland

Weesp

Museum Weesp

Woerden

Stadsmuseum Woerden

Zaandam

Museum Zaanse Tijd

Zaans Museum

Zaltbommel

Stadskasteel Zaltbommel

Zierikzee

Stadhuismuseum Zierikzee

Zutphen

Musea Zutphen (Museum

Henriette Polak en Stedelijk Museum)

Zwolle

ANNO

Museum de Fundatie

Daarnaast wordt de Rembrandtkaart geaccepteerd in de volgende musea:

Alphen aan den Rijn

Archeon

Amstelveen

Museum JAN

Amsterdam

Huis Marseille (korting op entree)

Arnhem

Kasteel Zypendaal

Bergen

Museum Kranenburgh

Den Haag

Museum de Gevangenpoort

Haarlem

Verwey Museum

Hernen

Kasteel Hernen

Laren (Gld)

Huis Verwolde

Maassluis

Museum Maassluis

Rijswijk (ZH)

Museum Rijswijk

Tilburg

Museum De Pont (korting op entree)

Venlo

Limburgs Museum

Weert

Museum W

Zandvoort

Zandvoorts Museum

Voor topkunst in Nederland

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Bulletin Ver. Rembrandt Nr 1 2026 by Vereniging Rembrandt - Issuu