Skip to main content

Leesfragment De dood van mevrouw Westaway van Ruth Ware

Page 1

1

D

e jonge vrouw, die meer tegen de wind in leunde dan dat ze liep, klemde grimmig het zompige pakketje met vis en patat onder haar arm om te voorkomen dat de wind het papier zou openscheuren en de inhoud over de boulevard zou uitstrooien voor de meeuwen. Toen ze de straat overstak sloot ze haar hand om de verfrommelde brief in haar zak en keek om naar het uitgestrekte donkere trottoir achter zich om te zien of daar een donker silhouet liep. Maar er was niemand. Voor zover ze kon zien, tenminste. Het kwam niet vaak voor dat de boulevard totaal verlaten was. De cafÊs en clubs bleven tot diep in de nacht open en spuugden tot in de vroege ochtend dronken stamgasten en toeristen het kiezelstrand op. Maar op deze regenachtige dinsdagavond hadden zelfs de meest doorgewinterde feestgangers besloten thuis te blijven, zodat Hal om vijf voor tien de boulevard voor zich alleen had en de knipperende lichten van de pier het enige teken van leven waren, op de krijsende meeuwen na die boven het woeste donkere water van het Kanaal rondcirkelden. Hals korte donkere haar waaide in haar ogen, haar bril was beslagen en haar lippen waren gebarsten door de zilte zeewind. Ze klemde het pakketje steviger onder haar arm en liep vanaf de boulevard een van de smalle straatjes met grote witte huizen in, waar de wind zo plotseling wegviel dat ze wankelde en bijna omviel. De regen hield niet op; zonder de wind leek de motregen zelfs nog heviger toen ze het terrein van Marine View Villa’s op liep. De naam was bedrieglijk. Er waren geen villa’s, alleen armoe13


dige huizenblokken met voortuintjes en buitenmuren waarvan de verf afbladderde door het voortdurende blootstaan aan de zoute lucht. En een uitzicht was er ook niet – noch op de zee, noch op iets anders. Misschien was het er ooit geweest, voordat de grotere, chiquere flats aan zee waren gebouwd en de ramen van de Marine View Villa’s zelfs vanuit Hals zolderappartement alleen nog uitzicht boden op bakstenen muren en leien daken. Inmiddels was het enige voordeel van haar via een smalle gammele trap bereikbare woning op de vierde verdieping dat ze geen last had van rondstampende bovenburen. Deze avond leken de buren niet thuis te zijn. En afgaand op de stapel reclamepost die zich achter de voordeur had opgehoopt, waren ze al een tijd weg. Hal moest hard duwen voordat de deur meegaf en ze de kille duisternis in struikelde. Op de tast graaide ze rond naar de lichtschakelaar van het trappenhuis. Het bleef donker. Blijkbaar was er een stop doorgeslagen of had de gloeilamp het begeven. In het flauwe licht dat van de straat naar binnen viel raapte ze de reclamepost op en deed haar best om in het duister de brieven voor de andere bewoners ertussenuit te halen. Toen beklom ze de trap naar haar zolderappartement. Het trappenhuis had geen ramen, en vanaf de eerste verdieping was het haast aardedonker. Maar Hal kende het trappenhuis als haar broekzak, van de kapotte vloerplank op de overloop tot het losgeraakte tapijt op de bovenste traptreden. Vermoeid sjokte ze naar boven, met haar gedachten bij haar avondeten en haar bed. Ze wist eigenlijk niet of ze nog honger had, maar de vis en patat hadden vijfenhalve pond gekost, en gezien het aantal rekeningen dat ze had ontvangen kon ze het zich niet veroorloven zo’n bedrag te verspillen. Boven aangekomen ontweek ze het lekkende dakraam en opende de voordeur, en toen was ze eindelijk thuis. Het appartement was klein en bestond slechts uit een kleine slaapkamer die uitkwam op een soort grote hal die dienstdeed als keuken, woonkamer en al het andere. Sjofel was het ook, met afbladderende verf, versleten vloerbedekking en houten ramen die kreunden en kraakten als de wind van zee kwam. Maar Hal woonde er al haar hele eenentwintigjarige leven, en hoe verkleumd of 14


moe ze ook was, ze kon er nog steeds niet binnenkomen zonder blij te worden. In de deuropening stond ze stil om de neveldruppels op haar bril aan de gerafelde knie van haar spijkerbroek af te vegen, voordat ze haar in papier gewikkelde vis en patat op de salontafel legde. Het was steenkoud. Rillend knielde ze neer bij de gaskachel en drukte de knop net zo lang in totdat die ontvlamde en haar verweerde rode handen langzaam weer warm werden. Toen vouwde ze het zompige verregende papier open en snoof de scherpe geur van zout en azijn op die opsteeg van de patat. Ze prikte een slap frietje aan de bijgeleverde houten vork en begon haar post door te nemen. De folders voor afhaalmaaltijden legde ze opzij voor de afvalbak en de rekeningen op een stapel. De patat was zout en zurig en de gefrituurde vis nog warm, maar naarmate de stapel rekeningen groeide, begon Hal zich misselijk te voelen. Het was niet zozeer de omvang van de stapel die haar zorgen baarde, maar het aantal enveloppen met laatste aanmaning erop. Plotseling onpasselijk schoof ze de vis van zich af. Ze móést de huur betalen. Daar viel niet aan te ontkomen. En de elektriciteitsrekening had ook prioriteit. Zonder koelkast en licht was haar kleine appartement amper bewoonbaar. En de gasrekening... Tja, het was november. Zonder verwarming zou het oncomfortabel zijn, maar ze zou het wel overleven. De brief die haar maag pas echt deed omdraaien was anders dan de officiële rekeningen. Hij zat in een goedkope envelop en was duidelijk persoonlijk bezorgd. Op de voorkant stond alleen met balpen Harriet Westaway, bovenste verdieping geschreven. Er stond geen afzender bij, maar dat was ook niet nodig. Hal had een akelig vermoeden van wie de brief afkomstig was. Ze slikte een frietje door dat in haar keel dreigde te blijven steken, schoof de envelop onder op de stapel en gaf even toe aan de overweldigende behoefte om haar kop in het zand te steken. Ze had het hele probleem dolgraag overgedragen aan iemand die ouder, wijzer en sterker was dan zij. Maar ze had niemand. Niet meer. Bovendien bezat Hal een taaie, koppige moed. Ze was misschien klein, mager, bleek en jong, maar ze was niet het kind waarvoor de meeste mensen haar aanzagen. Dat was ze al drie jaar niet meer. 15


Het was die moed die haar ingaf om de envelop opnieuw op te rapen. Ze beet op haar lip en scheurde hem open. Binnenin zat één enkel vel papier, waar slechts een paar zinnen op waren getypt: Het spijt ons dat uw niet thuis was. We zouwen graag uw financiële situaƟe bespreken. We komen terug. Hals maag draaide om. Ze haalde het papier uit haar zak dat ze die middag op haar werk had gevonden. Het was exact dezelfde brief, op het verfrommelde papier na, en de vlek van de thee die ze er tijdens het lezen op had gemorst. De inhoud was geen verrassing voor Hal. Ze had al maanden telefoontjes en appjes met dezelfde strekking genegeerd. Het was de boodschap áchter de brieven die haar handen deed trillen toen ze ze voorzichtig naast elkaar op de salontafel legde. Hal was gewend tussen de regels door te lezen en niet alleen te doorgronden wat mensen zeiden, maar ook wat ze níét zeiden. In zekere zin was het haar werk. Al was deze onuitgesproken boodschap glashelder. We weten waar je werkt, luidde die. We weten waar je woont. En we komen terug. De rest van de post bevatte alleen reclame. Nadat Hal de folders in de afvalbak had gegooid, ging ze vermoeid op de bank zitten. Even verborg ze haar hoofd in haar handen en probeerde niet aan haar hachelijke financiële situatie te denken. In gedachten hoorde ze haar moeders woorden, alsof ze achter Hal stond en haar de les las terwijl ze voor haar eindexamen aan het blokken was: Hal, ik weet dat je gestrest bent, maar je moet iets eten! Je bent veel te mager! Ik weet het, antwoordde ze in haar hoofd. Zo ging het altijd als ze zich druk maakte – als eerste verloor ze haar eetlust. Maar ze kon het zich niet veroorloven om ziek te worden. Als ze niet kon werken, zou ze ook niet betaald krijgen. En wat belangrijker was: ze kon het zich ook niet veroorloven om een maaltijd te verspillen, zelfs niet een die zompig was en koud begon te worden. Ze negeerde de brok in haar keel en dwong zichzelf nog een 16


frietje te pakken. Ze bracht het net naar haar mond, toen haar oog op iets in de afvalbak viel. Iets wat er niet thuishoorde: een met de hand geadresseerde brief in een dikke witte envelop, die tussen de afhaalmaaltijdfolders was beland. Hal stak het frietje in haar mond, likte het zout van haar vingers en boog zich toen naar de afvalbak om de envelop tussen de rotzooi van oud papier en lege soepblikken vandaan te vissen. Harriet Westaway, stond erop geschreven. Appartement 3c, Marine View Villa’s, Brighton. Er zaten een paar vlekken op van Hals vettige vingers en het afval in de bak. Vermoedelijk had ze de brief per ongeluk samen met de lege enveloppen weggegooid. Nou, het kon in elk geval geen rekening zijn. Het zag er meer uit als een uitnodiging voor een bruiloft – al was dat onwaarschijnlijk. Ze kende niemand die binnenkort ging trouwen. Ze stak haar vinger onder de flap en scheurde de envelop open. Wat ze tevoorschijn haalde was geen uitnodiging, maar een brief, geschreven op duur dik briefpapier, met bovenaan het logo van een notariskantoor. Even leek de grond onder Hals voeten weg te zakken toen een reeks van angstaanjagende mogelijkheden voor haar geestesoog opdoemde. Werd ze door iemand aangeklaagd om iets wat ze tijdens een reading had gezegd? Of – o god – zou ze uit haar appartement worden gezet? Meneer Khan, de eigenaar, was in de zeventig en had alle andere appartementen in het gebouw een voor een verkocht. Hal was er vrij zeker van dat hij haar appartement tot dan toe had aangehouden uit medelijden met haar en uit genegenheid voor haar moeder, maar dat uitstel van executie zou niet eeuwig duren. Op een dag zou hij het geld nodig hebben voor een verzorgingstehuis, of zou zijn diabetes zo erg worden dat zijn kinderen zich gedwongen zouden zien om het te verkopen. Het deed er niet toe dat de muren beschimmeld waren van het vocht en dat de stoppen doorsloegen zodra ze zowel haar föhn als de broodrooster gebruikte. Het was haar thuis – het enige thuis dat ze ooit had gekend. Als hij haar eruit zette was de kans dat ze een andere woning met een even lage huur vond niet minimaal, maar nihil. Of was het... Nee. Híj zou nooit een jurist inschakelen. Met trillende handen vouwde ze de brief open. Toen ze de con17


tactgegevens onder de handtekening bekeek, besefte ze opgelucht dat het kantoor niet in Brighton gevestigd was. Het adres was in Penzance, Cornwall. Goddank. Het ging dus niet om haar woning. En gezien de afstand was het ook erg onwaarschijnlijk dat het om een ontevreden klant ging. Ze kende zelfs niemand in Penzance. Nadat ze nog een frietje had genomen, legde ze de brief op tafel, schoof haar bril hoger op haar neus en begon te lezen. Beste mevrouw Westaway, Deze brief schrijf ik u in opdracht van mijn cliënte, uw grootmoeder Hester Mary Westaway, woonachƟg in Trepassen House, St. Piran. Mevrouw Westaway is op μμ november jl. thuis overleden. Dit bericht komt wellicht als een schok voor u; ik wil u dan ook oprecht condoleren met uw verlies. Als notaris en executeur van mevrouw Westaway is het mijn plicht contact op te nemen met de testamentaire erfgenamen van haar nalatenschap. Aangezien het om een aanzienlijk legaat handelt, zal er verificaƟe moeten plaatsvinden en zullen er successierechten moeten worden vastgesteld, voordat er tot uitbetaling kan worden overgegaan. Als u me kopieën kunt overleggen van twee documenten die uw idenƟteit en adres bevesƟgen (bijgevoegd vindt u een lijst van geaccepteerde idenƟteitsbewijzen) kan ik de nodige stappen ondernemen om de afwikkeling in gang te zeƩen. Volgens de wilsbeschikking van uw grootmoeder is het ook mijn taak om de erfgenamen te informeren over de details van haar begrafenis. Deze zal op λ december om λπ.κκ uur plaatsvinden in de kerk van St. Piran. Aangezien het dorp over weinig accommodaƟe beschikt, worden familieleden uitgenodigd om in Trepassen House te overnachten, waar ook een wake zal worden gehouden. Mocht u gebruik willen maken van het accommodaƟeaanbod, schrijŌ u dan alstublieŌ aan mevrouw Ada Warren, de huishoudster van wijlen uw grootmoeder. Zij zal dan een kamer voor u klaarmaken. 18


Ik wil u nogmaals mijn oprechte condoleances aanbieden en u verzekeren dat ik deze zaak naar beste vermogen zal aÄŹandelen. Hoogachtend, Robert Treswick Treswick, Nantes en Dean Penzance Een frietje gleed uit Hals vingers op haar schoot, maar ze verroerde zich niet. Ze zat daar alleen maar en las en herlas de korte brief. Toen bekeek ze de bijgevoegde lijst van geaccepteerde identiteitsbewijzen, alsof die opheldering kon bieden. Aanzienlijk legaat... testamentaire erfgenamen... Hals maag knorde. Afwezig pakte ze het frietje van haar schoot en at het op, terwijl ze wijs probeerde te worden uit de inhoud van de brief. Maar ze begreep er niets van. Helemaal niets. Want haar grootouders waren al ruim twintig jaar dood.

19


2

H

al wist niet hoelang ze daar zo zat te peinzen over de brief, terwijl haar ogen heen en weer flitsten van het gevouwen witte papier naar de zoekpagina op haar telefoon. Maar toen ze opkeek, zag ze op de klok van de magnetron dat het vijf voor twaalf was. Ze rekte zich uit en realiseerde zich tot haar schrik dat de gaskachel al die tijd had staan branden. Ze stond op, draaide hem uit en luisterde naar het getik van de afkoelende elementen. In gedachten telde ze vijftig cent op bij de gasrekening op tafel en liet haar blik naar de foto op de schoorsteenmantel dwalen. Die foto stond daar al bijna net zo lang als Hal zich kon herinneren – minstens tien jaar –, maar nu pakte ze hem op en keek er met nieuwe ogen naar. Er stonden een meisje op afgebeeld, van een jaar of negen of tien, en een vrouw, op het strand van Brighton. Ze lachten en hielden hun ogen samengeknepen tegen de wind, die hun lange zwarte haar vrolijk omhoogblies. De vrouw had haar arm om het meisje heen geslagen. Ze straalden zo’n vrijheid en wederzijds vertrouwen uit dat Hals hart samenkromp van een pijn die haar bijna vertrouwd was geworden in de afgelopen drie jaar, maar nooit leek te vervagen. Het meisje was Hal – en toch was ze het ook niet. Het was niet het meisje dat nu voor de kachel stond, met haar jongenskapsel, oorpiercings en tatoeages op haar rug, waarvan boven de hals van haar versleten t-shirt nog net een stukje zichtbaar was. Het meisje op de foto had geen herinneringen op haar huid nodig, omdat alles wat ze zich wilde herinneren naast haar stond. Ze droeg geen zwarte kleren, omdat er niets was om verdrietig over te zijn. Ze liep niet naar huis met het hoofd gebogen en weggedoken 20


achter haar opgeslagen kraag, omdat er niets was om zich voor te verschuilen. Ze leed geen kou, ze had geen honger en – het allerbelangrijkste: ze had iemand die van haar hield. De vis en patat waren koud geworden. Hal vouwde de papieren verpakking dicht en duwde alles in de afvalbak in de hoek van de kamer. Haar mond was droog van het zout en haar keel pijnlijk van verdriet. Alleen al de gedachte aan een kop hete thee bood troost. Ze zou water opzetten voor thee en een kruik, om de kou uit de lakens te verdrijven en in slaap te kunnen vallen. Toen de waterkoker begon te ruisen, tastte Hal in het kastje boven het aanrecht rond naar het doosje met theezakjes. Maar in plaats van thee vond haar hand iets anders, bijna alsof ze ernaar had gezocht: een fles, halfvol. Ze hoefde hem niet uit de kast te pakken om te weten wat erin zat, maar deed het toch. Ze voelde het gewicht ervan in haar hand, het klotsen van de vloeistof tegen het glas. Wodka. De laatste tijd dronk ze zelden – ze had een hekel aan wie ze werd met een glas in haar hand –, maar toen ze de twee getypte brieven op tafel zag liggen, draaide ze snel de dop van de fles en schonk een flinke scheut in de mok waar ze thee in had willen zetten. Het water in de waterkoker borrelde toen ze de mok naar haar mond bracht. Ze rook de bijtende, benzineachtige geur, en zag de vloeistof trillen in het zwakke licht dat van de straatlantaarn naar binnen viel. Een moment lang proefde ze de smaak zoals ze zich die had voorgesteld scherp in haar mond – het felle branden, gevolgd door de verslavende roes. Maar toen leek het alsof haar maag omdraaide, en ze goot de mok leeg in de gootsteen, spoelde hem om en zette thee. Pas toen ze ermee naar haar slaapkamer liep, herinnerde ze zich dat ze van plan was geweest een kruik te maken. Maar wat maakte het ook uit? Ze was te moe om er nog moeite voor te doen, en de thee was warm en deed haar goed. Met al haar kleren nog aan kroop Hal in bed, dronk haar thee en staarde naar het helder oplichtende scherm van haar telefoon. Op Google Afbeeldingen had ze een foto aangeklikt van een handgekleurde ansichtkaart, ergens uit de jaren dertig van de vorige eeuw, waarop een buitenhuis stond afgebeeld. De brede voor21


gevel van crèmekleurig steen, met ramen in georgiaanse stijl, was begroeid met klimop, en op het leistenen dak prijkte een tiental schoorstenen, allemaal verschillend van vorm. Aan de achterkant leek het huis over een uitbouw te beschikken, opgetrokken uit rode baksteen en gebouwd in een andere stijl. Aan de voorkant was een glooiend gazon. Over de afbeelding heen stond een tekst geschreven: We hebben lekker theegedronken bij Trepassen House. Trepassen House. Dít was Trepassen House. Niet een bescheiden moderne villa of een victoriaans rijtjeshuis met een pretentieuze naam, maar een onvervalst landhuis. Met een deel, hoe klein dan ook, van zo’n huis zou ze haar rekeningen kunnen betalen en nog geld overhouden ook. Het zou haar de zekerheid teruggeven die ze met de dood van haar moeder was kwijtgeraakt. Ook een paar honderd pond zou haar al meer ademruimte geven dan ze in maanden had gehad. De klok boven aan het scherm gaf aan dat het al halfeen was geweest. Hal wist dat ze eigenlijk zou moeten gaan slapen, maar ze deed haar telefoon niet uit. Ze ging juist rechtop in bed zitten, en met de dampende thee in haar hand en beslagen brillenglazen zocht ze al scrollend verder. Een vreemde mengeling van gevoelens verwarmde haar, nog meer dan de thee. Opwinding? Ja. En verwarring, en niet zo’n klein beetje ook. Maar vooral iets wat ze in jaren niet had durven voelen. Hoop.

22


3

D

e volgende ochtend werd Hal laat wakker. De zon stond al hoog aan de hemel en scheen onder de slaapkamergordijnen door naar binnen. Roerloos lag ze in bed, en ze voelde een knoop van opwinding en angst in haar maag. Ze probeerde zich te herinneren wat er was gebeurd. Toen het haar te binnen schoot, was het alsof ze een stomp in haar maag kreeg. De angst werd veroorzaakt door de stapel rekeningen op de salontafel – en, erger dan de rekeningen, de twee persoonlijk bezorgde brieven... Maar de opwinding... De vorige avond had ze geprobeerd het zichzelf uit haar hoofd te praten. Het feit dat Hester Westaway er had gewoond, betekende nog niet dat ze de eigenaresse was van dat gigantische landhuis op die ansichtkaart. Tegenwoordig hadden mensen niet meer van die enorme huizen. Waarschijnlijk was het inmiddels een bejaardentehuis. Maar die huishoudster, fluisterde een stemmetje in haar hoofd. En die zin over dat ze een kamer voor me zou klaarmaken. Dat zouden ze toch niet schrijven als het een bejaardentehuis was? ‘Het doet er niet toe,’ zei Hal hardop. Ze schrok van het geluid van haar eigen stem in de stille woning. Ze stond op, streek haar kleren glad en pakte haar bril. Nadat ze hem had opgezet, wierp ze haar spiegelbeeld een strenge blik toe. Het deed er niet toe of Hester Westaway een kamer, vleugel of bijgebouw op het terrein bezat, of zelfs het hele verdraaide land23


goed. Er was duidelijk een vergissing in het spel. De vrouw was Hals grootmoeder niet. Het geld behoorde iemand anders toe, en daarmee was de kous af. Morgen zou ze meneer Treswick schrijven om hem dat te vertellen. Maar vandaag... Hal keek op haar horloge en schudde haar hoofd. Vandaag had ze amper tijd om te douchen. Het was tien voor halftwaalf en ze was bijna te laat voor haar werk. Ze stond onder de douche, waar het klateren van de hete waterstraal op haar hoofd al haar gedachten overstemde, toen het stemmetje in haar hoofd opnieuw begon te fluisteren. Maar stel dat het waar is? Ze hebben je toch geschreven? Ze hebben je naam en adres. Maar het was gewoon niet waar, punt uit. Hals grootouders waren jaren geleden overleden, nog voordat ze geboren was. En haar grootmoeder had niet Hester geheten, maar... Marion? Misschien was Marion haar tweede voornaam. Dat komt voor, toch? Dat mensen de ene keer hun eerste voornaam gebruiken en de andere hun tweede voornaam, en dan ook nog met een andere in officiĂŤle documenten vermeld staan. Stel dat... Hou je mond, sprak Hal het stemmetje in haar hoofd toe. Hou gewoon je mond. Je weet dat het niet waar is. Je probeert jezelf alleen te overtuigen omdat je wĂ­lt dat het waar is. Maar toch, hield het stemmetje vol, totdat Hal de douchekraan uitdraaide en, meer om zichzelf te overtuigen dan iets anders, een handdoek omsloeg en terugliep naar de slaapkamer. Ze trok de zware houten kist onder haar bed vandaan, grimassend bij het schurende geluid van de zwenkwielen op de plankenvloer. Hopelijk wilden haar onderburen deze ochtend niet uitslapen. De kist bevatte een warboel van belangrijke documenten: verzekeringspapieren, het huurcontract van haar appartement, rekeningen, haar paspoort... Als een archeoloog van haar eigen geschiedenis groef Hal door de lagen heen, voorbij de kijk- en luistergeldrekening, voorbij een loodgietersrekening voor die keer dat er op zolder een leiding was gesprongen, en stuitte op een stapel die uit puur verdriet bestond: de overlijdensakte van haar moeder, een kopie van haar testament, het proces-verbaal, haar 24


verbleekte en nooit meer gebruikte rijbewijs. Onderop lag een netjes opgevouwen voile van fijn zwart gaas, aan de randen afgezet met zwarte gitstenen. Met een brok in haar keel legde Hal de stapel opzij en haastte zich voorbij de bittere herinneringen naar de oudere documenten eronder: papieren die haar moeder had bewaard en die in tegenstelling tot Hals papieren netjes waren geordend. Er was een envelop met haar moeders eindexamendiploma, het programma van een schooltoneelstuk waarin ze had meegespeeld en een foto waarop ze schaapachtig naast een vriendje uit een ver verleden stond. Ten slotte was er een plastic map waarop in haar moeders nette handschrift Belangrijk – geboorteaktes stond geschreven. In de map zaten twee handgeschreven aktes op rood en crèmekleurig papier met een pompeus versierd staatslogo. Gewaarmerkte kopie van een geboorteakte, stond er bovenaan. De eerste was die van Hal, Harriet Margarida Westaway, geboren op 15 mei 1995, moeder: Margarida Westaway, beroep: student. De kolom voor ‘vader’ was leeg gelaten, en er was een ferme streep doorheen getrokken, als om speculaties te ontmoedigen. De akte eronder was ouder en gekreukter; Margarida Westaway. Haar moeder. Hals ogen gleden naar de kolom voor ‘ouders’. Vader: William Howard Rainer Westaway, beroep: boekhouder, en eronder: Moeder: Marion Elizabeth Westaway, meisjesnaam: Brown. Van haar grootmoeder werd geen beroep vermeld. Nou, dat was dat. Ze had niet beseft hoezeer ze tegen beter weten in hoop had gekoesterd. Haar voorzichtige gedachten over het terugbetalen van haar schulden en het vooruitzicht van financiële zekerheid losten op in het niets, en ze werd overweldigd door teleurstelling. Aanzienlijk legaat... fluisterde het stemmetje verleidelijk in haar oor. Testamentaire erfgenamen... familieleden... Je vader is er ook nog, vervolgde het stemmetje, terwijl ze zich aankleedde. Je hebt nog een andere grootmoeder, weet je. Verbitterd schudde Hal haar hoofd. Als je onderbewuste je kon verraden, dan was dat haar zojuist overkomen. Jarenlang had ze over haar vader gefantaseerd en steeds uitgebreidere verhalen opgehangen tegen haar klasgenoten op school 25


om haar eigen onwetendheid en frustratie te verhullen over het feit dat haar moeder zo weinig losliet. Hij was een piloot die omgekomen was toen zijn vliegtuig in zee was gestort. Hij was een politieman die undercover had gewerkt, maar door zijn superieuren was gedwongen terug te keren naar zijn oude leven. Hij was een beroemdheid wiens naam ze niet kon prijsgeven, omdat de roddelbladen hen dan zouden opjagen en zijn leven kapot zouden maken. Toen de geruchten uiteindelijk haar leraren ter ore kwamen, had iemand Hals moeder aangesproken, waarop die haar dochter apart had genomen en voorzichtig de waarheid had verteld. Hals vader was een avontuurtje voor één nacht geweest – een man die haar moeder in een nachtclub in Brighton had ontmoet en met wie ze één keer naar bed was geweest. Het enige wat Hals moeder kon vertellen, was dat hij een Spaans accent had gehad. ‘Heb je hem niet eens naar zijn náám gevraagd?’ had Hal ongelovig uitgeroepen. Haar moeder had op haar lip gebeten en haar hoofd geschud, en haar wangen waren vuurrood geworden. Hal had haar nog nooit zo opgelaten gezien. Het speet haar enorm, had haar moeder gezegd. Ze had niet gewild dat Hal op deze manier de waarheid zou horen, maar ze moest ophouden met het verspreiden van die... Op dat moment had ze gezwegen, te aardig om het woord dat haar op de lippen lag hardop uit te spreken. Maar zelfs als zevenjarig kind kon Hal mensen al goed lezen en was ze scherpzinnig genoeg om te begrijpen wat haar moeder had willen zeggen. Die leugens. De waarheid was dat haar vader niet bijzonder was. Wie hij was en waar hij woonde wist Hal niet, en dat zou ze waarschijnlijk ook nooit weten. Vermoedelijk was hij teruggegaan naar Spanje of Mexico, of waar hij ook vandaan was gekomen. Maar één ding wist Hal zeker: een Westaway was hij beslist niet. Waar de vergissing ook vandaan kwam, in elk geval niet bij haar vader. Maar een vergissing was het. Ergens was een verkeerd verband gelegd. Misschien leefde er nog een andere Harriet Westaway in een andere stad, die wettelijk recht had op het geld. Of misschien was het zo’n geval als in die televisieprogramma’s die op jacht gingen naar erfgenamen, omdat de overledene in kwestie geen wettelijke erfgenamen had en het geld niet kon worden 26


uitgekeerd als de executeur niet een of ander ver familielid wist te achterhalen. Hoe het ook zat, het geld behoorde haar niet toe, en ze kon het niet opeisen. En daar had het stemmetje in haar hoofd geen antwoord op. Haastig stopte ze de papieren terug onder het bed en kleedde zich aan. Ze kon haar borstel niet vinden, dus kamde ze haar haar zo goed mogelijk met haar vingers en bekeek zichzelf in de spiegel bij de voordeur. Haar gezicht was nog bleker en scherper dan normaal, en met haar natte zwarte pieken leek ze wel een figurant uit Oliver Twist. Make-up zou hebben geholpen, maar dat was niet Hals stijl. Toen ze even later haar jas aantrok, die nog klam was van de avond ervoor, meldde het stemmetje in haar hoofd zich nog een laatste keer: Je zou het geld kunnen opeisen, weet je. Maar weinig mensen zouden dat kunnen, maar als iemand ermee weg kan komen, ben jij het. Hal klemde haar kaken op elkaar. Hou je mond, zei ze in gedachten. Hou. Je. Mond. Al zei ze dat niet omdat ze het niet geloofde. Ze zei het omdat het waar was.

27


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Leesfragment De dood van mevrouw Westaway van Ruth Ware by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu