Skip to main content

Waar ik je zoek - Werner Pieterse - 9789043529624

Page 1

Met verwijzingen naar film, kunst, filosofie en poëzie vertelt Werner Pieterse de eeuwenoude Bijbelverhalen opnieuw. Een boek vol heimwee, strijd en verlangen.

Over Saul: Als de vrouwen eenmaal dansen kan niets Sauls woede nog keren. Hij draait zich vast als farao in zijn untergang, Lear in zijn gekte, Frank Underwood in zijn kaartenhuis. Saul, ‘jong, krachtiger, mooier dan wie ook onder de zonen van Israël’, ‘de bevrijder van Jabes’, is na twee jaar koningschap een paranoïde loner. Wanhopig jaagt hij de schimmen van zijn eigen paniek en angst na. Moordend maait hij om zich heen.

Over Batseba en David: ‘Ik ben zwanger.’ Het woord van hoop uit Genesis is in dit verhaal een noodlottig bericht geworden. Het begin van een geschiedenis vol dood. Stap voor stap, alsof het een militaire operatie betreft, legt David Uria’s val. Kwaad is geen abstractie, geen blinde drift, geen ‘ik kan niet anders’. Het begint met een daad en nog een en nog een. Een keuze. ‘En in de morgen schrijft David een brief.’

kokBOwaarikjezoek0416.indd 1

NUR 700 ISBN 978 90 435 2962 4

9 789043 529624 >

WAAR IK JE ZOEK

WAAR IK JE ZOEK  Werner Pieterse

Over Jozef: Ach Rachel, wat hebben we van hem gedroomd, terwijl Lea haar jongen wierp. Nu hij er is, is hij ons koningskind. Maak hem een mantel – dat heel de wereld hem kan zien! Uit te groot verlangen eigent Jakob zich de liefde toe en beneemt zijn zoon de ruimte. Vaders belofte wordt tot zware last. Zijn zegen is tot vloek geworden. Wat kan dit kind anders dan gaan dromen?

Alles begint in een tuin. Twee mensen en God – waar ben je? Op harde grond roept God zijn mensen om op weg te gaan. Met de groep zwervers trekt hij de woestijn door, op zoek naar nieuw land. Daar bevechten warlords en koningen hun vijanden, en elkaar, bouwen paleizen en tempels. God blijft zoeken, roepen. Een moeder, een kind, nieuw begin. Steeds weer.

* Als een vrouw, een meisje nog, telt God de dagen van zwangerschap. Ik zal de monsters voor je temmen met de verhalen die ik vertel (Be-ho-mot! en je zult kraaien van plezier). Wie zul je zijn, wat zul je doen met al het goede dat voor jou klaarstaat? Met wie zul je spelen in de tuin die op je wacht?

Verhalen van zwervers, koningen, moeder en kind

www.kok.nl

Werner Pieterse 24-04-18 09:26


WAAR IK JE ZOEK Verhalen van zwervers, koningen, moeder en kind

Werner Pieterse

kokBWwaarikjezoek0418.indd 3

24-04-18 09:27


1 BEGIN

8

In het begin schept God de hemel en de aarde. De aarde nu is woest en leeg; duisternis ligt over de afgrond en de geest van God zweeft over de wateren. God zegt: ‘Daar zij licht!’ en er is licht. God ziet het licht: het is goed. God maakt scheiding tussen het licht en de duisternis. God noemt het licht ‘dag’, en de duisternis noemt hij ‘nacht’. Dan is het avond geweest en het is morgen geweest: de eerste dag.

God zegt: ‘Laat er een uitspansel zijn.’ En God maakt een uitspansel dat water van water scheidt en noemt het uitspansel ‘hemel’. Avond, ochtend; dag twee. God zegt: ‘Laat het water zich verzamelen op één plek en laat het droge zich zien.’ God noemt het droge ‘land’ en het verzamelde water ‘zee’. God ziet dat het goed is. God zegt: ‘Het land geeft jong groen; vruchten, zaden op het land.’ En zo is het. God ziet dat het goed is. Avond, ochtend; dag drie. God zegt: ‘Laat zon, maan en sterren heersen over dag en

kokBWwaarikjezoek0418.indd 8

24-04-18 09:27


GENESIS

9

nacht, om dagen, nachten, jaren te kennen.’ God ziet dat het goed is. Avond, ochtend; dag vier. God schept de zeemonsters, ‘Leviatan’, ‘Behomot’, en God maakt in het water, op de aarde en in de hemel vruchtbaar leven: zwemmend, kruipend, vliegend. God ziet dat het goed is. Avond, ochtend; dag vijf. God maakt de dieren op het land: vee, kruipend, wild, ieder naar zijn aard. God ziet dat het goed is.

God zegt: ‘Laten we een mens maken, naar ons beeld, naar onze gelijkenis; dat zij heersen over de vissen van de zee; de vogels in de hemel; over het vee; over heel de aarde; over al het kruipend gedierte dat over de aarde kruipt.’ En God schept de mens naar zijn beeld; naar het beeld van God schept hij hem; man en vrouw schept hij hen. God zegent ze, en God zegt tot hen: ‘Wees vruchtbaar, en vermenigvuldig je; vervul de aarde en onderwerp haar, heers over de vissen van de zee; de vogels in de hemel; over het vee, over heel de aarde en over al het kruipend gedierte dat over de aarde kruipt.’

En God ziet alles wat hij gemaakt heeft. Zie: goed, meer dan goed is het. Avond, ochtend; dag zes. Dan voltooit God op dag zeven het werk dat hij heeft geschapen. God rust op dag zeven. God zegent en heiligt die dag. Sjabbat.

kokBWwaarikjezoek0418.indd 9

24-04-18 09:27


10

BEGIN

thuis In zeven dagen wordt deze plaats gemaakt, je thuis ingericht. Als een jonge ouder in de eerste dagen van lang gehoopte zwangerschap richt God de kinderkamer in. In de donkere, nog lege kamer knipt hij het licht aan. De eerste stem over je leven echoot door de leegte, nog voor je er bent. ‘Licht!’ Hier, op deze plek zul jij veilig zijn. Onder dit dak, het tentdoek in de woestijn, het baldakijn boven je liefdesbed, het hemeltje boven je wieg. Het nachtlampje in de hoek, de sterren op het plafond. Jij hoeft niet bang te zijn in de nacht. ‘Overdag zal de zon me niet steken; de maan niet ’s nachts.’ Het mooiste behang, de knuffels: olifant, giraffe. Iedere ochtend brengt meer tijd en plaats voor jou, nieuw mens. Als een vrouw, een meisje nog, telt God de dagen van zwangerschap. Ik zal de monsters voor je temmen met de verhalen die ik vertel (Be-ho-mot! en je zult kraaien van plezier). Wie zul je zijn, wat zul je doen met al het goede dat voor jou klaarstaat? Met wie zul je spelen in de tuin die op je wacht?

beeld Op dag zes ‘maakt God de dieren op het land, ieder naar zijn aard’, maar ‘de mens schept hij naar zijn beeld. Man en vrouw.’ Vanaf den beginne lijken we op elkaar. God en mens. Hoog intelligent dier?, erfelijk belast brein met voeten?, ‘broodkruimel op de rok van het universum’? Woorden die ver liggen van dit begin. Spreek goddelijk over de mens! Jíj enige, unieke bent het beeld. Spreek menselijk over God: weg met de godenbeelden, weg met het ideaal of geloof dat jou zal stukmaken. In de verhalen die volgen wordt Gods afkeer van dode beelden alleen maar groter. Niet alleen omdat God jaloers is als een geliefde, ‘ben ik te min?’, maar ook omdat hij ziet hoe beelden zijn geliefde schepsel kleineren,

kokBWwaarikjezoek0418.indd 10

24-04-18 09:27


GENESIS

11

de vrijheid, de ruimte benemen om anders, eigen, uniek te zijn. Beelden laten je uiteindelijk altijd worden tot wie je niet bent. Dat later – nu staan we nog in de kraamkamer. ‘The mystery is among us.’ Een nieuw mens, uniek beeld van God in je armen. In jou ligt de schepping besloten. Hoe zouden we dat in één beeld kunnen vangen? Het kleinste, intiemste is het grootste. Het begin is even hoopvol als verontrustend. Want wat ligt er als beeld van God niet in onze macht?

Het ‘begin van de wereld’ van Constantin Brancus˛i heeft als bijnaam het ei. Wie de voorstudies heeft gezien, ziet een kindergezicht, een kind in de baarmoeder. Beide eigenlijk. Het brons krijgt daarmee iets zachts, teders. De ontroering van het meest kwetsbare geboortemoment. Je zou het begin van de wereld op willen pakken en in je hand wegen, wiegen. De Roemeen Brancus˛i, oorlogskind, zwerft al vanaf vroege leeftijd. Via Craiova naar Parijs. Daar werkt hij met de grootste kunstenaars. In zijn werk zoekt hij naar de perfecte vorm, die ‘reikt naar oneindigheid’ schrijven commentaren. Zijn beroemdste werk staat in zijn geboorteplaats; Tirgu Jiu. [Zie gedicht: Herman de Coninck – Genesis]

kokBWwaarikjezoek0418.indd 11

24-04-18 09:27


12

BEGIN

God, JHWH, maakt de mens uit het stof, blaast hem de adem in zijn neus. Zo wordt hij levend. JHWH plant met liefde een tuin, vol bomen. De boom van het leven in het midden. Daarnaast die van kennis van goed en kwaad. Om de tuin heen grote brede rivieren. JHWH zet de mens in die tuin en zegt: ‘Van alle bomen mag je eten, zoveel je wilt, maar niet van de boom van kennis van goed en kwaad, want dan zul je sterven. Doodgaan!’ De mens is alleen. Dat is niet goed. Ook tussen de dieren vindt hij geen hulp tegenover hem. Dan laat JHWH hem in slaap vallen en neemt één van zijn zijdes. En JHWH bouwt van die zijde een vrouw en brengt haar naar de mens. Dan zegt de mens: ‘Dit is ze: been van mijn gebeente; vlees van mijn vlees. Ze zal vrouw (iesja) heten omdat ze uit de man (iesj) is genomen.’ Ze zijn beide naakt en schamen zich niet. De slang is de slimste van alle dieren die JHWH heeft gemaakt. Hij verleidt de vrouw om van de boom van goed en kwaad te eten. Ook de man naast haar eet. Als JHWH die avond door de tuin wandelt, hebben de twee zich verstopt. Ze zijn bang geworden. Ze schamen zich voor God, elkaar, zichzelf. God roept: ‘Mens, waar ben je?’ ‘Ik hoorde uw stem – en werd bang omdat ik naakt ben.’ ‘Wie heeft je dat verteld? Heb je van de boom gegeten?’ ‘Ik was het niet’, zegt de man, ‘zíj gaf me te eten.’ ‘Niet ik, maar dat daar’, zegt de vrouw, ‘de slang heeft me verleid.’ God vloekt: ‘Slang, jij zal in het stof kruipen, levenslang. Jij, vrouw, zal kinderen baren met pijn en moeite. Jij, man, zal zwoegen op het land om te leven tot je tot het land terugkeert. Stof zijn jullie en tot stof zul je weer worden!’

kokBWwaarikjezoek0418.indd 12

24-04-18 09:27


GENESIS

13

Dan noemt de mens zijn vrouw ‘Eva’, moeder van de levenden. En JHWH maakt voor hen mantels. ‘Zie, de mens: als één van ons!’ Dan stuurt JHWH hem weg uit de tuin van de liefde om het land te bewerken. Een engel bewaakt de weg naar de boom van het leven, zodat ze niet ook daarvan zullen eten.

dit ander ik De rabbijnen hebben zich nogal verbaasd dat het boek Genesis en dus de hele Bijbel met de tweede letter van het Hebreeuwse alfabet begint en niet met de eerste. De beet (‫ )ב‬in plaats van de aleph (‫)א‬. De eerste letter wordt bewaard voor het eerste van de Tien Woorden, straks in de woestijn: ‘Anochi’, Hebreeuws voor ik, oppert één van hen. Het is dit eerste woord dat de naam van God inleidt. ‘Ik ben JHWH je God.’ Onvertaalbare raadselnaam JHWH. Werkwoord van aanwezigheid. ‘Ik zal er zijn? Ik ben die ik ben?’, anderen vertalen ‘Heer, HEERE, Eeuwige’, maar niets is het helemaal. Deze ander die aan jouw ik voorafgaat. ‘Aanwezige.’ Voor je iets zegt, doet, word je aangesproken. Het ander ik is de grondgedachte van al deze verhalen. Eerst is er altijd een ander die jou ik leert. ‘Ik is een ander’, zal de dichter zeggen. Van nu af aan is JHWH God. De naam als intieme geheimtaal voor de aanwezige God. Ik die er is voor jij ik was en zal zijn. Zoals Buber schrijft in zijn ‘gedicht’ over het eerste begin. Ich und Du: ‘In den beginne is de relatie (...) een model voor de ziel; het a priori van de relatie; het aangeboren Jij.’ Kijk maar naar de afhankelijkheid van het pasgeboren kind, ‘de opgehouden hand, waarin het tegenover zich vlijt’ of beluister het Hooglied dat het verlangen bezingt: ‘Kijk, daar komt hij, springend over de bergen, huppelend over de heuvels.’ Mens word je met een ander die je

kokBWwaarikjezoek0418.indd 13

24-04-18 09:27


14

BEGIN

roept tot het besef dat jij ander bent. Ga en ‘wankel naar haar/ die ik niet ken’. Zo begint het pas goed: ‘en zij werden één vlees’. God had het kunnen weten. Ware vrijheid begint nu eenmaal met het trotseren van een verbod. Als Freudianen avant la lettre zien de kerkvaders in de slang een eerste erectie: het begin van alle wellust en begeerte! De link naar de zonde is snel gelegd. Van nu af aan laten God, lust en lichaam zich moeizaam combineren. Maar God vraagt niet naar seks of zonde, maar roept vol verlangen ‘Mens, waar ben je?’ Geldt de pijn van het alleen-zijn ook hem? ‘...dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,/en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt/zoals ik U.’ Hoe zou ik kunnen antwoorden, juist nu ik, schaamtevol schuilend in het gebladerte, ‘voor mijzelf een grote vraag ben geworden’. Want nu ik jou zo zie, weet ik dat jij mij zo ziet, als ander. Tegenover. Ik geworden, twijfel ik. Ik kan me niet meer verbergen. Jij bent voorgoed een ander, en wie ben ik dan voor jou? Paradise lost; slechts in kleine momenten zullen we weer een zijn en zo zal iets van ons ooit paradijs herkennen. De rest is verlangen. Prachtig, maar even pijnlijk verlangen.

kokBWwaarikjezoek0418.indd 14

24-04-18 09:27


GENESIS

15

Kwetsbaar als aardewerk, maar met de grootste dromen in je kop. Is het de adem van God, mijn ziel, geest die mijn verlangen wekt om over de dood heen te denken? Of toch botte angst – wetend dat alles vergeefs zal zijn? Hoe we ook reiken naar eeuwigheid, we komen maar niet los van de aarde. God en mens; tijd en eeuwigheid, jij en de ander. Zaad in je lendenen, poëzie in je kop. Nooit zullen we elkaar bereiken. ‘Gij hebt Uw lichtjaar, / ik mijn centimeter’ dichtte Reve al. Als Fabre’s Wolkenman zijn we pijnlijk ontoereikend. Het beeld zou zijn opgedragen aan zijn overleden broer. Dit is niet zomaar geklungel op een trap. Het is machteloos verlangen, reiken naar voorbij. Toch gaan staan en uitstrekken – wetend dat je er niet bij kunt. Hoger, hoger, misschien toch... [Zie gedicht: Hester Knibbe – aleph]

kokBWwaarikjezoek0418.indd 15

24-04-18 09:27


16

BEGIN

Adam kent Eva, zijn vrouw, en zij wordt zwanger, baart Kaïn – verworven I – en zegt: ‘Ik heb een man van JHWH verworven!’ Voortvarend baart ze zijn broer Abel – zuchtje. Abel wordt schaapherder en Kaïn landbouwer. En het geschiedt na enige dagen, dat Kaïn JHWH een offer brengt van de vrucht van het land. En ook Abel brengt van de eerstgeborenen van zijn schapen en hun vet. En JHWH ziet Abel en zijn offer, maar Kaïn en zijn offer ziet JHWH niet. Daardoor ontvlamt Kaïn en laat zijn aangezicht vallen. En JHWH zegt tot Kaïn: ‘Waarom ontvlam je; waarom is je aangezicht gevallen? Is het niet zo: als je goed doet – “verhoging”; als je niet goed doet – “de zonde ligt voor de deur”; naar jou verlangt hij, maar jij zal over hém heersen.’ II Dan spreekt Kaïn met Abel, zijn broer. En het geschiedt, als ze in het veld zijn, dat Kaïn tegen Abel, zijn broer, opstaat en hem doodslaat. En JHWH zegt tot Kaïn: ‘Waar is Abel, je broer?’ En hij zegt: ‘Ik weet het niet; ben ík mijn broers hoeder?’ En hij zegt: ‘Wat heb je gedaan? De stem van het bloed van je broer roept tot mij uit de aardbodem. Nu ben je vervloekt van de aardbodem, die zijn mond heeft geopend om het bloed van jouw broeder uit jouw hand te ontvangen. Als jij de aardbodem bebouwt zal hij je zijn opbrengst niet meer geven. Je zal zwerven en dolen op aarde.’

kokBWwaarikjezoek0418.indd 16

24-04-18 09:27


GENESIS

17

En Kaïn zegt tot JHWH: ‘Mijn misdaad is te groot om te worden vergeven. Zie, u hebt mij heden van de aardbodem verdreven en ik zal voor uw aangezicht verborgen zijn. Ik zal zwerven en dolen op de aarde en het zal geschieden dat ieder die mij vindt, mij zal doodslaan.’ Maar JHWH zegt tot hem: ‘Daarom: ieder die Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden!’ En JHWH stelt een teken aan Kaïn, opdat wie hem vindt, hem niet neerslaat. En Kaïn gaat weg van het aangezicht van JHWH. Hij gaat wonen in het land Nod – dwaaloord –, ten oosten van Eden.

Kaïn plant zich voort in het Oosten. De steden groeien. De cultuur bloeit. De haat woekert. Van geslacht op geslacht. Adam kent zijn vrouw en zij baart opnieuw een zoon. Zij geeft hem de naam Set – gezet. Want: ‘God heeft in me zaad gezet in plaats van Abel want Kaïn vermoordde hem.’ Set is gelijkenis en beeld van zijn vader. Hij krijgt een zoon: Enos – mens. Dan roepen ze Gods naam: ‘JHWH – Aanwezige.’ Geslachten komen en gaan. Zonen worden stokoud. De een na de ander. Tot Lamechs zoon: Noach – troost; ‘is hij ons tot troost op deze vervloekte aarde?’ De dochters zijn mooi. De godenzonen zien het en nemen wie ze maar willen. God zegt: ‘De mens is vlees! Mijn geest zal niet altijd in hem blijven. Honderdtwintig jaar is genoeg!’ Reuzen, misgeboortes zijn deze mannen van naam. JHWH ziet al het kwaad en krijgt spijt. Hartzeer. Verdriet.

kokBWwaarikjezoek0418.indd 17

24-04-18 09:27


18

BEGIN

‘Ik zal de mens uitroeien (...); en alles wat ik gemaakt heb. Ik heb spijt dat ik hen gemaakt heb.’ Alleen Noach. Hij wandelt met God en vindt genade in Gods ogen.

moord Een man! Kaïn! Maar bij haar tweede geen woord. Al gewend aan de hardheid van de bevalling en aan het wonder van het nieuwe leven. Nog een dus, Abel – zuchtje, zorgenkindje. Altijd gedoe met hem op de harde grond. Nee, dan zijn broer! Kijk toch eens wat een lijf, stierenjong, held, vrouwen bij de vleet, harde werker, nooit ziek, staat altijd klaar, vechter. Broer. Het drama is met het begin gegeven. Jij en ik. Geen God, Noodlot of Kracht; een simpel verlangen naar erkenning, een gekwetst ‘zie mij’ is het begin van alle kwaad. Ik ben toch ook jouw beeld, geen stofje in je ogen? Het klonk zo romantisch ‘in den beginne de relatie’, maar de ander is me vreemd, beneemt me de ruimte. Juist wie op me lijkt, kan ik niet als exoot negeren. Ik heb alle kracht in mijn lijf, maar iets zegt me dat ik hem nooit klein krijg. De machteloosheid van mijn kracht wekt mijn woede. Zijn onaantastbaarheid, zijn onaangedaanheid en zijn overvloed aan taal maken me razend. ‘Ben ik mijn broeders hoeder, ik?’ Van die-daar? Dat-daar? De daad woekert voort. Haat is niet te keren. Tot in het zoveelste geslacht. Met de geschiedenis van Kaïn zijn we in het tegendeel van het scheppingslied beland. Het verhaal van de goede schepping verwordt tot een epos waarin helden ‘branden van verlangen te vechten en oorlog te voeren’. Dagen van goede schepping worden levensjaren, enkelingen, massa’s, mensen, halfgoden die elkaar niet kennen, maar nemen. In de verheerlij-

kokBWwaarikjezoek0418.indd 18

24-04-18 09:27


GENESIS

19

king van viriliteit en vruchtbaarheid verloopt de verantwoordelijkheid. Gods beeld en gelijkenis is een kluwen van genen en afkomst geworden. Liefhebben wordt driftmatig grijpen, nemen en voortplanten. Het leven tot een rauw bestaan, vrijheid tot noodlot. Nog even en we zijn weer terug in het woeste land van het oerbegin: ‘the whithered stumps of time; the heap of broken images. I had not thought death had undone so many!’ Kijk naar je geschiedenis en leer er toch van. Wie God en mens verwart, roept verwoesting over zich af. Alles wat eeuwigheid aspireerde is na duizenden doden tot stof vergaan. God wandelt met Noach zoals God eens met de mens in de tuin wandelde – ach, hoe lang al geleden. Heeft God ook heimwee naar het goede begin? God begint opnieuw. Noach stemt zwijgend toe met alle verwoesting die dat vraagt.

Het land is bedorven in Gods ogen. God zegt tegen Noach: ‘Ik laat de wateren over het land stromen. Alles wat leeft zal omkomen. Maak voor jezelf een ark. Driehonderd bij vijftig bij dertig. Drie verdiepingen. Ga in die ark. Jij, je zonen, je vrouw en de vrouwen van je zonen; breng van alles wat leeft één paar, mannelijk en vrouwelijk, in de ark. Neem voldoende voedsel mee.’ Noach doet wat hem gezegd wordt. Na zeven dagen komt het water van de vloed over het land. Alle bronnen van de oervloed breken open. Stortregen uit de scheuren in de hemel. Veertig dagen en veertig nachten. Het water stijgt tot heel het land ermee is bedekt. Tot boven de bergen! Het water heeft het land in zijn macht, honderdvijftig dagen lang. Dan gedenkt God Noach. Het water daalt en de ark vindt rust in het gebergte Ararat. Na veertig dagen laat Noach een raaf uit, maar die raaf blijft

kokBWwaarikjezoek0418.indd 19

24-04-18 09:27


20

BEGIN

heen en weer vliegen, vretend van het aas op het water. Na zeven dagen laat hij een duif uit, maar die vindt geen rust. Nog een duif. Díe komt terug met een jong olijftakje. De derde duif komt niet terug. Dan opent Noach het luik, kijkt, speurt: het land wordt droog. God zegt: ‘Ga uit de ark, jij, je vrouw en je zonen en de vrouwen van je zonen; en alles wat leeft. Vul de aarde, wees vruchtbaar en wordt talrijk.’ Dan gaat Noach, bouwt een altaar en offert aan God. God zegt: ‘Ik zal de aarde niet nogmaals vervloeken vanwege de mens.’ God zegent Noach en zijn zonen. ‘Wie bloed van een mens vergiet; diens bloed zal een mens vergieten, want in Gods beeld is de mens gemaakt. Kijk, dit is het teken van het verbond met jou, je nageslacht en alles wat leeft: mijn boog in de wolken. Als ik die zie zal ik mijn verbond gedenken, zodat de wateren nooit meer tot een vloed zullen worden om het leven te verdelgen.’ Noach plant een wijngaard, drinkt wijn en wordt dronken. Geslacht op geslacht volgt; zoon op zoon. Allen spreken één taal en verstaan elkaar. Op een dag in de vlakte van Sinear, in het Oosten, zeggen de mensen tegen elkaar: ‘Kom en nu een stad bouwen, en een toren, met zijn hoofd in de hemel, zodat we niet verstrooid raken over het land.’ Als JHWH afdaalt om de stad en de toren te zien zegt Hij: ‘Ja ja één volk, één taal. Dat is nog maar het begin! Nu zal niets meer onmogelijk zijn.’ En JHWH verwart hun taal en verstrooit hen over heel het land Babel – verwarring. Tien geslachten volgen. Tot Terach, de vader van Abram.

kokBWwaarikjezoek0418.indd 20

24-04-18 09:27


GENESIS

21

helden De allerhoogste kiest vreemde helden. Noach is vaak geïdealiseerd als degene die de schepping redde: wat een blind vertrouwen! Tegen beter weten in een boot op het droge! In de traditie van de rabbijnen is hij een sul. De wereld gaat ten onder en hij ondergaat het allemaal zwijgend. Alsof geloven willoos maakt! Abraham, Mozes, Job, allemaal onderhandelen ze, soebatten, klagen en roepen tegen God, alleen Noach niet. Zijn God is als het noodlot waartegen ieder verzet bij voorbaat zinloos is. Een bang mannetje. Hoofdpersoon in de derde acte van het drama met de titel ‘Mens, waar ben je?’ Drie keer ontwijken ze de confrontatie met de ander. Van kwaad tot erger. Eerst de man en de vrouw met God in de tuin: ‘Ik niet – zij – die, dat daar’, dan de broer met zijn naaste op het land: ‘ben ik zijn hoeder – van hem daar?’ en nu met de hele wereld: (stilte). Zwijgen, wegkijken, ontkennen. Zonder antwoord is er geen verantwoordelijkheid voor wie we zijn en wie of wat ons gegeven is. Gods mens is een tegenvaller. Ik, uniek beeld van de allerhoogste, verschuil me in de vlakte in het grote wij; excuus van massa en ideaal. Wij klimmen op naar de hemel! Het fatale geklauter zal zich van geslacht op geslacht, eeuw na eeuw herhalen en het ik vermorzelen. Keer op keer. Nog één keer dan. De modder van de zondvloed nog aan je voeten. Alles om je heen roept dood, chaos en leegte. ‘Beeld van God ben je, jij en je naaste. Wie bloed vergiet, zal bloed over zich afroepen!’ In deze paar woorden ligt de menselijkheid van dit verhaal besloten. Je bent geen machteloos schepsel onder een verre hemel, maar medeschepper van het goede. Verleid om mee te roepen tegen het donker, licht te ontvangen en te verspreiden. Je weet nu van the waste land. Oervloed en Babel. Niet in tempels, traptorens en kathedralen, in helden en halfgoden,

kokBWwaarikjezoek0418.indd 21

24-04-18 09:27


22

BEGIN

maar in de mens ligt de hoop van de schepping. In jou en je naaste, in de ander schuilt oneindigheid.

In 1918 begint Brancus˛i te werken aan de eindeloze kolom die in 1938 in het Roemeense Tîrgu Jiu, zijn geboortestad, wordt opgericht. Een monument ter ere van het onbekende aantal doden dat hier bij ‘de slag aan de Jiu’ van 23 tot en met 26 oktober 1916 viel. De 17 delen van de kolom maken de onvoltooide kolom meer dan 29 meter hoog. In de jaren 50 wordt hij op last van het Stalinistisch bewind bijna neergehaald. Communisten hadden nu eenmaal het alleenrecht op de oneindigheid. Het kunstwerk redt het net tot de val van het systeem, en wordt dan met geld van American Express gerestaureerd. Het kunstwerk maakt deel uit van een ensemble waaronder ook de tafel van stilte en de poort van de kus behoren.

kokBWwaarikjezoek0418.indd 22

24-04-18 09:27


Met verwijzingen naar film, kunst, filosofie en poëzie vertelt Werner Pieterse de eeuwenoude Bijbelverhalen opnieuw. Een boek vol heimwee, strijd en verlangen.

Over Saul: Als de vrouwen eenmaal dansen kan niets Sauls woede nog keren. Hij draait zich vast als farao in zijn untergang, Lear in zijn gekte, Frank Underwood in zijn kaartenhuis. Saul, ‘jong, krachtiger, mooier dan wie ook onder de zonen van Israël’, ‘de bevrijder van Jabes’, is na twee jaar koningschap een paranoïde loner. Wanhopig jaagt hij de schimmen van zijn eigen paniek en angst na. Moordend maait hij om zich heen.

Over Batseba en David: ‘Ik ben zwanger.’ Het woord van hoop uit Genesis is in dit verhaal een noodlottig bericht geworden. Het begin van een geschiedenis vol dood. Stap voor stap, alsof het een militaire operatie betreft, legt David Uria’s val. Kwaad is geen abstractie, geen blinde drift, geen ‘ik kan niet anders’. Het begint met een daad en nog een en nog een. Een keuze. ‘En in de morgen schrijft David een brief.’

kokBOwaarikjezoek0416.indd 1

NUR 700 ISBN 978 90 435 2962 4

9 789043 529624 >

WAAR IK JE ZOEK

WAAR IK JE ZOEK  Werner Pieterse

Over Jozef: Ach Rachel, wat hebben we van hem gedroomd, terwijl Lea haar jongen wierp. Nu hij er is, is hij ons koningskind. Maak hem een mantel – dat heel de wereld hem kan zien! Uit te groot verlangen eigent Jakob zich de liefde toe en beneemt zijn zoon de ruimte. Vaders belofte wordt tot zware last. Zijn zegen is tot vloek geworden. Wat kan dit kind anders dan gaan dromen?

Alles begint in een tuin. Twee mensen en God – waar ben je? Op harde grond roept God zijn mensen om op weg te gaan. Met de groep zwervers trekt hij de woestijn door, op zoek naar nieuw land. Daar bevechten warlords en koningen hun vijanden, en elkaar, bouwen paleizen en tempels. God blijft zoeken, roepen. Een moeder, een kind, nieuw begin. Steeds weer.

* Als een vrouw, een meisje nog, telt God de dagen van zwangerschap. Ik zal de monsters voor je temmen met de verhalen die ik vertel (Be-ho-mot! en je zult kraaien van plezier). Wie zul je zijn, wat zul je doen met al het goede dat voor jou klaarstaat? Met wie zul je spelen in de tuin die op je wacht?

Verhalen van zwervers, koningen, moeder en kind

www.kok.nl

Werner Pieterse 24-04-18 09:26


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Waar ik je zoek - Werner Pieterse - 9789043529624 by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu