Inhoud
Voorwoord 7
1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18
Vrijburg – een gehoorzaal van dissidenten 9 De ontdekking van de Rode Hoed 21 Hulp uit de hemel – 1990 31 Centrum voor religie, zingeving en poëzie – eerste personeel 41 Sonja Barend komt – in één klap bekend 45 Poëzie in huis 55 Woodbrookers – verwante zielen 63 ‘Eén onverbrekelijk geheel’ 73 Uit elkaar, maar niet helemaal – een triest afscheid 81 Een nieuwe directeur – het moet professioneler 95 Het land verandert, de Rode Hoed verandert mee 103 Pasta en daarmee Basta! 119 Gouden jaren – 2006, 2007, 2008, 2009 135 Verder dan de zaal – het wezen van de Rode Hoed 145 Stichting Vrijburg & Banning Vereniging & de Rode Hoed – de verknoping 153 De nieuwe directeur verbouwt en maakt een breed cultuurhuis 163 De Volkskrant op Zondag – poort naar het parlement 175 Verschuivingen – jongeren in huis 185
19 Gemaakt van gedachten – een thuis voor filosofische gesprekken 203 20 De blik van De Balie – geheugen en toekomst combineren 213 21 Te mooi om waar te waar te zijn 223 22 Thuiskomst 229 Van de Hoed en de rand 235 Chronologie 239 Winnaars VSB Poëzieprijs in de Rode Hoed 247 25 jaar Abel Herzberglezingen in de Rode Hoed 248 Uitgaven Rode Hoed 250 Bronnen 252 Bibliografie 254 Fotoverantwoording 255
Voorwoord
Ze waren er allemaal, bij het twintigjarig jubileum. Medewerkers, bestuurders en directeuren van toen en nu. Alleen Wim Ramaker, de jong overleden eerste directeur, ontbrak. Ze proostten op het vierde lustrum en de zojuist voltooide renovatie van de foyer, het café en de keukens en spraken honderduit over heden en verleden van de Rode Hoed. Over poëzie en politiek, niet in de laatste plaats over de staat van ‘links Nederland’. Over de vele bijna-faillissementen. Over hun soms botsende karakters, humeuren en stijlen van leiderschap. Omdat het jammer is als de verhalen vervliegen wanneer het feest voorbij is, besloten we dat die kleurrijke geschiedenis te boek moest worden gesteld, te verschijnen bij gelegenheid van het volgende jubileum. Het Prins Bernhard Cultuurfonds bleek bereid de helft van de kosten voor zijn rekening te nemen. Schrijfster en oud-journaliste Anneloes Timmerije kreeg de vrije opdracht, dook in de archieven en interviewde tal van betrokkenen om de vertelde geschiedenis te kunnen optekenen. Regine Dugardyn van Uitgeverij ten Have was bereid de uitgave te verzorgen. ‘Bestaat de Rode Hoed pas twintig jaar’? was de meeste gestelde vraag bij het vorige jubileum. Onze vrijplaats aan de gracht is onderdeel van het collectief geheugen en lijkt er daarom altijd te
7
zijn geweest. Dat de Rode Hoed in korte tijd zo’n brede bekendheid kreeg was niet alleen te danken aan de eigen programmering, maar zeker ook aan Sonja Barend die er een veelbesproken en door miljoenen mensen bekeken talkshow maakte. Uit het boek blijkt bovendien dat de Hoed een kat is met zóveel levens, dat je er met gemak een vijftigjarige in kunt vermoeden. In de tuinen van monumentale panden tussen de Prinsengracht en de Keizergracht verrees in de zeventiende eeuw, achter de gevel van een hoedenatelier, een remonstrantse schuilkerk. Daar liet ruim 350 jaar later oprichter Huub Oosterhuis zijn oog op vallen. Het was de gedroomde locatie voor ‘een huis waar alles woont’: een plek waar poëzie, muziek, politiek, Ekklesia en Leerhuis & Liturgie samen konden zijn. De gevelsteen met het hoedje inspireerde hem tot de naam die nu wijd en zijd bekend is. Vijf jaar later blikken we tijdens het zilveren jubileum opnieuw terug, maar nu met dit boek: de draagbare Rode Hoed, met hoofd en hart in de hoofdrollen. En, om met een gast van het eerste uur, Het Zwanenkoor, te spreken: ook goed voor een lach en een traan.
v r i j p l a at s a a n d e g r a c h t
Ton van Brussel Directeur
8
Amsterdam september 2015
1
Vrijbrug – een gehoorzaal van dissidenten
Wijnkoper Antoni de Lange slaat met zijn stok tegen het dak van het rijtuig. Hij had zich de moeite kunnen besparen, want de koetsier spant de leidsels al en laat de paarden halt houden op het punt waar de Prinsenstraat uitkomt op de Keizersgracht. De koets blokkeert de kruising, een handelaar met een hondenkar slingert hem een verwensing naar het hoofd maar de man op de bok trekt zich daar weinig van aan. Hij weet dat zijn meester de panden vanaf de Noordschebrug wil bekijken – het is immers al de derde keer deze week dat hij deze stop maakt. De Lange stapt uit, stampt zijn voeten warm en wacht geduldig tot doctor Jan van Hartoghvelt, iets stram in het rechterbeen, hem volgt naar het midden van de brug. ‘Helemaal tot aan de hoek?’ vraagt Van Hartoghvelt. ‘Bijna,’ zegt De Lange. Hun woorden maken witte pluimen in het harde winterlicht van de laatste dagen van 1629. ‘Hoe groot is het erf?’ vraagt Van Hartoghvelt. ‘Kom maar mee, dan kun je het met eigen ogen zien.’ Antoni de Lange en zijn vriend en geloofsgenoot slaan aan de voet van de brug linksaf de gracht op, lopen langs de koetsier, die het rijtuig aan de kant heeft gezet en de dampende paardenlijven met dekens toedekt, en staan stil voor het pand van de weduwe Sara Willers. Het is makkelijk te herkennen aan een gevelsteen in de vorm van een hoed, vandaar dat het bekendstaat als Huys den Hoet.
9
Gravure van de bouw van de remonstrantse schuilkerk, Frans Brun 1630. Joost van den Vondel schreef het onderschrift: De heyligheyd hing noyt in kostelyke stof; Al was de tempel heel van louter goud gegoten,
Gesmeed van diamant. Wie anders denckt, is grof. Oock wordt de Godheyd met kappel nocht kerck besloten: Se straelt in ’t heyligh hart: waer dat is, daer is God. ’t Eenkennigh bygeloof wil poppen, met den sinnen, En soeckt hem in ’t gebaer, en scheld de wysheyd sot. Wie God sluyt buiten ’t hart, die sluyt den afgod binnen.
Zeventiende-eeuwse gevelsteen van ‘Huys den Hoet’
v r i j p l a at s a a n d e g r a c h t
Zodra Jan van Hartoghvelt de hoedenmakerij achter het huis ziet en ontdekt hoe ver het erf doorloopt achter de naastgelegen panden aan de Keizersgracht, weet hij dat Antoni heeft gevonden waarnaar ze op zoek waren: een plek voor een kerk.
12
De Lange en Van Hartoghvelt zijn lidmaten van de jonge remonstrantse gemeente in Amsterdam en treden op als kopers van Huys den Hoet. De 303 gemeenteleden (168 vrouwen en 135 mannen) hebben 40.000 gulden bijeengebracht voor de bouw van hun kerk. Een klein deel van het bedrag is afkomstig uit contributies en collectes, het leeuwendeel wordt geleend tegen vijf procent rente. De geldschieters zijn kooplieden als Antoni de Lange, die duizend of tweeduizend gulden contant kunnen neertellen. Hij en Van Hartoghvelt behoren tot de twaalf man-
De Lange en Van Hartoghvelt zouden vandaag vergeefs zoeken naar de ingang van hun zaal, want wie nu voor de Rode Hoed staat en opkijkt, ziet twee grote toegangsdeuren in een gevel die aan een kerk doet denken. Het huidige vooraanzicht van Keizersgracht 102 is gebouwd aan het einde van de negentiende eeuw, nadat vrijheid van godsdienst in de grondwet was verankerd. Het is een mooie, sobere gevel, ontworpen door D. Van
V rijbr u g – een gehoorzaal van dissidenten
nen die zich verbonden hebben voor de lasten van het gebouw, de borgen. Maar ook de minder vermogende leden van de piepkleine gemeente geven gul en het geld voor de kerk stroomt binnen. Sara Willers doet haar huis, het hoedenatelier en het achtererf maar al te graag van de hand. Ze kan de 6.500 gulden die de remonstranten bereid zijn te betalen goed gebruiken. Sinds de dood van haar man, de hoedenmaker Hans Lenartsz de Jonge, is de zaak zieltogend. Op 22 december 1629 wordt de koop beklonken. De eerste preek, nog in de voormalige hoedenmakerij, wordt gehouden op 31 januari 1630 door dominee Herman Montanus. Krap zeven maanden later, op 8 september 1630, wijdt theoloog en hoogleraar Simon Episcopius de nieuwgebouwde kerk in. Een zaal, zoals de remonstranten liever zeggen, een zaal waar verschillende stemmen mogen klinken. Van het gebouw, een galerijkerk met driebeukige aanleg, 19,85 bij 18,36 bij 11,52 meter, is vanaf de gracht niets te zien en dat is precies de bedoeling. De remonstrantse gemeente, ook wel broederschap genoemd, heeft een kerk laten bouwen die voldoet aan de restricties van de Amsterdamse vroedschap. Alleen onttrokken aan het oog mogen remonstranten ter kerke gaan. Het remonstrantse geloof wordt in het zeventiende-eeuwse Amsterdam geduld zolang het niet zichtbaar wordt beleden en dat geldt voor alle kerkgenootschappen en stromingen die niet tot de bevoorrechte publieke calvinistische kerk behoren. Zo begint De Oude Rem, zoals hij drie eeuwen later liefkozend wordt genoemd, zijn leven als schuilkerk. De eerste en grootste in Nederland.
13
v r i j p l a at s a a n d e g r a c h t
14
Oordt en Zn., en het is begrijpelijk en goed dat, toen het eindelijk kon, de deuren van de kerk letterlijk en figuurlijk opengingen. Toch is het ook een beetje jammer dat alleen op een tekening van A. Schoenmaker uit 1629 nog te zien is dat de kerk volledig schuil kon gaan achter de oorspronkelijke gevel, gebouwd als façade van een particulier grachtenhuis. Want juist die noodzaak van onzichtbaarheid roept een belangrijke vraag op: hoe kwam het dat remonstranten zich moesten verstoppen in een stad die in die Gouden Eeuw beroemd en geroemd zou worden als asielplaats voor vrijdenkers, vreemdelingen en vervolgden, een stad die door Amsterdamse drukkers ‘Vrijburg’ werd gedoopt omdat er van hun persen boeken kwamen die elders in Europa verboden waren? Het korte antwoord is dat de eerste remonstranten een streng calvinistische vroedschap troffen op hun pad naar vrijer denken over geloofsbelijdenis en de verhouding tussen kerk en staat. De bouw van de kerk op de plek van de oude hoedenmakerij markeert het eindpunt van een roerige kerkelijke en politieke periode en is wellicht het eerste voorbeeld van een gedoogconstructie. Remonstranten (ook wel arminianen genoemd, naar hun voorganger Jacobus Arminius) staan een innerlijk christendom voor met waarden als liefde, vrijheid en verdraagzaamheid. Zij stellen de predestinatieleer ter discussie en zijn tegen bindende belijdenisgeschriften waarin is vastgelegd hoe de Bijbel moet worden geïnterpreteerd. De Amsterdamse vroedschap ontploft van zoveel ketterij en verbiedt de samenkomsten bij monde van de voorzittende burgemeester Gerrit Witsen (het burgemeesterschap was een jaarlijks roulerend ambt). Rechtsgeleerde Hugo de Groot, geen remonstrant maar wel sympathisant, is nog komen pleiten voor onderlinge verdraagzaamheid in de kerk – niet alleen om andersdenkenden tegemoet te komen maar ook omdat eendracht de band tussen de gezamenlijke Staten zou versterken. De vroedschap heeft er geen boodschap aan. Zij handhaaft het verbod op samenkomsten en treedt niet op tegen orthodoxe pro-
De onrust in de staatskerk en daarbuiten loopt zo hoog op, dat de Nationale Synode van Dordrecht een uitspraak moet doen in het geschil. Belangrijkste twistpunten zijn de menselijke vrijheid ten opzichte van God (niet alles is voorbeschikt) en ruimte voor godsdienstige meningsverschillen binnen kerk en staat. We weten niet of De Lange en Van Hartoghvelt toen, tien jaar voor de koop van Huys den Hoet, al voortrekkers waren binnen de kleine remonstrantse gemeenschap. We mogen wel aannemen dat zij en hun geloofsgenoten hoop gevestigd hadden op de Synode. Tevergeefs, zo blijkt. De remonstranten verliezen. Hun leer wordt veroordeeld en tweehonderd predikanten worden uit het ambt gezet. Vanaf dat moment geldt er een verbod op samenkomsten op het hele grondgebied der Zeven Provinciën, uitgevaardigd door de Staten-Generaal op 3 juli 1619. Aanbrengers van overtreders van deze verordening kunnen rekenen op een beloning. Dit maakt de remonstranten en hun sympathisanten alleen maar sterker. Ze blijven bijeenkomen op zorgvuldig geheimgehouden locaties, in hun overtuiging gesteund door Artikel 28 van de Nederlandse geloofsbelijdenis, die ironisch genoeg zojuist door dezelfde Synode is aanvaard als basis van het geloofsleven. De remonstrantse gemeente in wording vindt vooral steun bij de passage die, in een losse vertaling van de zeventiende-eeuwse tekst, zegt dat gelovigen vrij moeten zijn om zich bij hun kerk te voegen, zelfs als overheden en wetten van vorsten zich daartegen verzetten en er de dood of lijfstraf op zou staan.
V rijbr u g – een gehoorzaal van dissidenten
testanten die zich misdragen tegenover de vrijer denkende remonstranten. Zo begint de strijd tussen de remonstranten en contraremonstranten – de rekkelijken en de preciezen – die jaren zal duren en in 1618, na ingrijpen van prins Maurits, onder andere leidt tot de onthoofding van landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt en de veroordeling ‘tot eeuwige gevangenisse’ van Hugo de Groot, al ontsnapt die drie jaar later in zijn boekenkist.
15
v r i j p l a at s a a n d e g r a c h t
Prins Claus was aanwezig bij het oprichtingsdiner
28
netwerken noemen. Ik was Binnenlandse Zaken gewend, waar het er gestructureerder aan toeging. Huub paste naadloos in die vrijere WVC-cultuur. Hij was er een meester in om met een mengeling van charme, brutaliteit, een goed verhaal en overtuigingskracht mensen te winnen voor de goede zaak.’ Het klinkt niettemin alsof er destijds even iets geregeld kon worden. Brinkman lacht, schudt bijna nee. ‘Dat ministerie had niet zozeer iets conspiratiefs, maar je moest wel via je kennis en kennissen de zaak bij elkaar weten te schrapen. Zo was uiteindelijk dat hele subsidiemechaniek in de loop der jaren voor mijn
3
Hulp uit de hemel – 1990
De Rode Hoed is geboren. Er komt van WVC een startsubsidie van 250.000 gulden, plus 150.000 gulden voor huisvestings- en bureaukosten en daarbovenop krijgt de nieuwe Stichting de Rode Hoed een garantie van vier jaar om twee personeelsleden te kunnen betalen. Op een vrijdag stapt Huub Oosterhuis de kerk binnen. De verbouwing is in volle gang, overal zijn mensen aan het werk – waar ooit weer een vloer moet komen, lopen sleuven in de oude leemgrond. De architect komt naar hem toe en zegt: ‘Als je wilt dat de bekabeling geschikt wordt voor tv-opnamen, kan ik die dáár aansluiten. Moet ik dan wel dinsdag weten.’ ‘Hoeveel kost dat?’ vraagt Oosterhuis. ‘Vijf ton,’ zegt de architect. Huub Oosterhuis en Kees Kok hadden van meet af aan, dagdromend in die geparkeerde auto, uitgesproken dat de kerk een ideale televisielocatie was. Het faciliteren van tv zou wel eens goed kunnen zijn voor de Rode Hoed. Hoe goed dat zou uitpakken, kon niemand bevroeden maar ‘iets’ lijkt Oosterhuis in die richting geduwd te hebben, want hij was heilig overtuigd van het belang van die beslissing. Het zou nog vier jaar duren voor schrijfster, columniste en destijds tevens programmeur Karin Spaink ons kwam vertellen over de wonderen van het Wereld Wijde Web. GSM bestond nog niet, er was een select groepje mannen
31
Gravure van het interieur van de remonstrantse schuilkerk van Caspar Philips Jacobsz, 1771
Hoe kan het dat twee nonnen met tonnen klaarstaan voor een gewezen priester? Hoe is het mogelijk dat het geld uit de hemel lijkt te vallen voor een onkerkelijk doel? Oosterhuis was binnen de katholieke kerk niet alleen bekend vanwege zijn kritiek op het celibaat, zijn verbanning uit de jezuïetenorde en het daarop volgende ontslag als studentenpastor door Zwartkruis, de bisschop van Haarlem, hij schreef ook honderden liturgische liederen in eigentijds Nederlands, samen met componist Bernard Huijbers. Die liederen vonden hun weg naar vele kerken in Nederland. ‘Zij kenden mij voor we elkaar leerden kennen,’ zegt Oosterhuis over de zusters Florentina en Albertina. ‘Mijn teksten waren hun taal geworden.’ En er was meer, vertelt Huub Oosterhuis: ‘Florentina en Albertina waren linkse zusters die leden onder het machobeleid van de bisschoppen. Je moet bedenken dat het de tijd was van Gijssen en dat soort dwaallichten. Zij zagen het belang van de Ekklesia, al was die buitenkerkelijk. Door steun te bieden aan de Rode Hoed maakten zij een duidelijke eigen keuze, in weerwil van de kerkelijke regressie.’
H u lp u it de he m el – 1 9 9 0
(bijna uitsluitend mannen) dat de beschikking had over een autotelefoon in het formaat van een beautycase – het moderne leven was voor informatie en vermaak nog zeer aangewezen op televisie. De beslissing was derhalve snel genomen, nu alleen nog de centen: vijfhonderdduizend gulden. Oosterhuis had vier dagen de tijd om dat bedrag bijeen te brengen. Hij stapte in zijn auto en reed naar het Brabantse Schijndel. Doel van zijn reis was de Orde van de Zusters van Liefde, in het bijzonder de overste, zuster Florentina van Kalsteren. Oosterhuis had haar bij een eerdere ontmoeting verteld over de Rode Hoed en tijdens dat gesprek had ze gezegd dat haar orde wel wilde helpen als de nood aan de man kwam. ‘Ik kan tweeënhalve ton geven, meer niet,’ zei ze. ‘Ik bel even met Albertina.’ En waar Oosterhuis bij zat, belde zuster Florentina met zuster Albertina Egbers van de franciscanessen in Roosendaal. Op dinsdag stond er vijf ton op de rekening en konden de kabels worden gelegd.
33
v r i j p l a at s a a n d e g r a c h t
34
‘Huub probeerde mensen van verschillende gezindten en culturen bij elkaar te brengen om van gedachten te wisselen, om te luisteren naar elkaar.’ Zuster Albertina Egbers, tot 1996 overste van de Congregatie van de Zusters Franciscanessen van Maria dal te Roosendaal en sindsdien overste van het moederhuis, zegt dat dát voor haar het belang was van de Rode Hoed. ‘Luisteren – geen kritiek uiten, wel vragen stellen. Hij bracht mensen bijeen.’ De franciscanessen van Mariadal vormen een onderwijscongregatie, de zusters hebben allen een gelofte van armoede afgelegd. Als zuster Albertina vertelt, spreekt ze over ‘Huub’. In het persoonlijk contact is dat anders. ‘We zijn even oud, maar ik zeg u en meneer Oosterhuis. Voor wij elkaar ontmoetten, volgde ik hem, tamelijk aan de zijlijn, en ik zong onder andere zijn liederen, werkte met zijn teksten.’ De zijlijn kwam in 1989 op haar pad tijdens de KNR, Konferentie Nederlandse Religieuzen (organisatie voor alle ordes en congregaties, at) waar ze in gesprek raakte met zuster Florentina. ‘Florentina vertelde over Huub en de Rode Hoed en liet weten dat de Zusters van Liefde hem zouden helpen, want hij had financiële steun nodig.’ Zuster Albertina zag wel wat in de plannen en is gaan praten met het bestuur. De zusters waren bereid om hem te helpen, maar zij wilden eerst meer weten. ‘Wij hadden vragen: wie bent u? Waar staat u voor? Op welke manier uit u uw geloof?’ Oosterhuis kwam en zuster Albertina schrok van hem. ‘Hij vertelde ons hoe het hem vergaan was sinds zijn uittreding. Hij zat voorover met zijn handen op zijn knieën, bijna alsof hij zat te biechten.’ Zuster Albertina valt even stil, gaat verzitten en vertelt zorgvuldig formulerend verder. ‘Het wereldje waarin hij zat, hoe moet ik het zeggen? Ik wist er niks van en ik wist er alles van. De vragen die Huub stelde, sloten deels aan bij de vragen die ik stelde. Het was de tijd na het Tweede Vaticaans Concilie. Evenals Huub hadden wij verdriet, omdat paus Paulus vi veel van wat daar was besloten leek terug te draaien. Dat was ons ver-
Zuster Albertina is voor ontwikkeling en nieuwe inzichten in geloven. Het ‘oude’ is prima als dit met overtuiging wordt beleefd. Geloven onder druk van wetmatigheid en angst is niet goed. Daarin vonden zij en Oosterhuis elkaar. ‘Neem de eucharistie,’ zegt de zuster, ‘ik geloof ook niet dat God in dat stukje brood zit. Dat is achterhaald. Als ik denk hoe ik daar als kind mee heb geworsteld, dat ik daar niet op mocht bijten! Dat was benauwend.’ Een van haar zorgen als algemeen overste was bij de tijd blijven. Zuster Albertina wilde met de toen bijna zevenhonderd zusters van de congregatie de veranderingen in de kerk, in de maatschappij en in het klooster volgen. ‘Dat betekende bestuderen wat er gebeurde, erover spreken en het goede in praktijk brengen. Geloven in de tijd waarin wij leefden. ‘Bij mijn intrede in 1951 verliep de opvoeding voor het religieuze leven nog volgens de oude traditie. Dat moet je in de tijd plaatsen. In de kerk, op school en in het gezin was dat niet anders. Mijn vader was streng in de leer, mijn moeder wilde wel meer weten over veranderingen – waarom dingen gebeurden. Ik denk dat ik op haar lijk. Toen ik intrad wilde ik heilig worden, liever gisteren dan vandaag.’ Nadat ze jarenlang op een school godsdienstles had gegeven aan kinderen van twaalf tot zestien jaar, werd zuster Albertina in de gelegenheid gesteld om theologie te studeren. Ze was ta-
H u lp u it de he m el – 1 9 9 0
driet en is het nog. Bij die ontwikkelingen in de kerk wilden wij niet horen, maar natuurlijk hoorden wij wel bij de kerk. ‘We hadden ook vragen bij de handelwijze van Huub. Waarom breekt hij met zijn bisschop en zijn orde? Tegelijkertijd fascineerde hij ons toch. Ik noem het nu geen ontrouw meer – toen nog wel hoor! Ik weet sindsdien dat er redenen zijn waarom het scheiden van je kerk of in een huwelijk beter is dan het in stand houden. Het woord “ontrouw” is uit mijn mond, wie ben ik om te oordelen? We hebben lang gesproken over het geloof en over de Rode Hoed. Toen Huub vertrok zei hij: “U moet maar doen wat u moet doen, ik leg het in Gods hand.”’
35
r e g e lt j e
Huub Oosterhuis