~
‘Beeldschone roman.’ - The Times
~
VANAF 24 MEI VERKRIJGBAAR IN JOUW FAVORIETE BOEKHANDEL
www.uitgeverijmozaiek.nl
O
O
R
PU
BL
IC
AT
IE Een indringende vertelling over twee markante mensen aan de rand van de samenleving.
V
Tweeling Jeanie en Julius zijn altijd anders geweest. Ze zijn de vijft ig al gepasseerd en wonen nog bij hun moeder Dot, in een afgelegen cottage op het platteland. In hun grote tuin verbouwen ze alles wat ze nodig hebben voor hun levensonderhoud. Voor een buitenstaander lijkt het op armoede; voor hen is het thuis. Maar als Dot plotseling sterft , stort hun wereld in. De tweeling wordt geconfronteerd met de harde realiteit en raakt verstrikt in een woud aan regels en verwachtingen. Dan beginnen er steeds meer geheimen uit het verleden van hun moeder op te duiken. Alles wat Jeanie en Julius dachten te weten over hun leven komt voorgoed in een ander daglicht te staan.
Claire Fuller is beeldend kunstenaar en auteur. Met haar fictiewerk won ze diverse prijzen. Haar roman Rusteloze grond stond op de shortlist van de prestigieuze Women’s prize for fiction 2021. In deze gelaagde en vernuftige roman verkent Fuller met grote gevoeligheid de pijnlijke realiteit van armoede en sociaal isolement. – The Guardian
~
Claire Fuller is een uitmuntende en verrassende schrijver… Een verhaal vol mededogen en eerlijkheid… Haar beste werk tot nu toe… Fullers werk is sublieme literaire fictie die vaak draait om thema’s als isolement en geheimen die zich langzaam prijsgeven… Dit is een sterke en beeldschone roman, die ons land laat zien zoals het echt is: een plek van bescherming zowel als wreedheid, onschuld zowel als ervaring. – The Times
~
Een ijzersterk verhaal over eenzaamheid en isolement. – The Independent
~
Rusteloze Grond is een tegengeluid bij de heersende gedachte dat je, met een beetje hard werk, zelf je bestaan kan ombuigen en je geluk kan bewerkstelligen. Bij alle fouten die ze maken en leugens die ze vertellen tekent Fuller haar personages met tederheid. – Financial Times
Fuller schrijft schrijnend goed over armoede, en de wreedheid van roofzuchtige dorpsbewoners die vers bloed ruiken. Het scenario zit vol met gevaar – net als je denkt dat het niet erger kan, wordt het dat juist wel. Toch weet de ontknoping zich gelukkig van de afgrond af te wenden zonder dat het dramatische effect verloren gaat. Voortreffelijk. – Daily Mail
~
Complexe, gelaagde fictie die lezers leert op hun hoede te zijn. De roman maakt armoede en dakloosheid concreet en tastbaar, en de bedrieglijke verteltrant benadrukt dat nog eens extra. (…). In Rusteloze grond kan het herstel pas beginnen als de grote leugen is onthuld. – The Times Literary Supplement
~
In Rusteloze Grond belicht Claire Fuller met haar zo rijke en zintuiglijke proza het bestaan van mensen aan de rand van de samenleving die zelden in de spotlights staan. – The Literary Sofa
~
Het Rusteloze in de titel is goed gekozen – aan de wereld die Fuller creëert, zit een rusteloos, verontrustend randje. Langzaam en behendig trekt ze de lezer een betoverend verhaal binnen over liefde, veerkracht en overleven. – Living Magazines
~
De sfeer van schaamte en schuld is meeslepend en ontroerend. Rusteloze grond onderzoekt waar de breuklijnen liggen – en laat zien dat de fouten van een ouder een leven lang kunnen resoneren in iemands bestaan. – The Sunday Telegraph
VOORPUBLICATIE
Claire Fuller
Rusteloze grond Vertaald door Mieke Prins
Uitgeverij Mozaïek, Utrecht
Vertaling: Mieke Prins Ontwerp omslag: Diane Chonette / bij Barbara Illustratie omslag: Valerie Hegarty Foto auteur: Adrian Harvey Lay-out binnenwerk: Crius Group, Hulshout ISBN 978 90 239 6090 4 ISBN 978 90 239 6091 1 (e-book) NUR 302 www.uitgeverijmozaiek.nl Oorspronkelijk uitgegeven door Fig Tree, een imprint van Penguin Books, Groot-Brittannië, onder de titel Unsettled Ground. Engelstalige uitgave © 2021 Claire Fuller Nederlandse uitgave © 2022 Uitgeverij Mozaïek, Utrecht Alle rechten voorbehouden Uitgeverij Mozaïek vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van het papieren boek van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid.
Voor mijn ouders Ursula Pitcher en Stephen Fuller
O, will you find me an acre of land, Savoury sage, rosemary and thyme, Between the sea foam, and the sea sand, Or never be a true love of mine. ‘Scarborough Fair’ – traditionele Engelse ballade
1 Er gloort licht aan de ochtendhemel en op de cottage valt sneeuw. Het valt op het rieten dak, verbergt het mos en de muizenschade, strijkt de oneffenheden glad, vult de kieren en gaten, en smelt waar het de stenen van de schoorsteen raakt. Het daalt neer op de planten en de kale grond in de voortuin en vormt een volmaakte hoop boven op de verrotte hekpaal, als de vorm van de binnenkant van een theekopje. Het bedekt het dak van het kippenhok en van het privaat en het oude melkhuisje, en laat een laagje poeder achter op de werkbank en de vloer waar het raam lang geleden is gebroken. Achter in de groentetuin glijdt de sneeuw door de scheuren in het plastic van de polytunnel; tien centimeter onder de grond worden de plantuien koud en de nieuwe scheuten van de snijbiet verschrompelen. Alleen de kop van de laatste savooiekool wil niet zwichten en wacht, het binnenblad groen en sterk gekruld. In het hoge tweepersoonsbed boven aan de linker trap ligt Dot naast haar volwassen dochter Jeanie, die zachtjes snurkt. Dot is wakker geworden van iets vreemds aan het licht in de kamer, en ze kan niet meer slapen. Ze stapt uit bed – de vloerplanken zijn koud, de lucht is nog kouder – en trekt haar kamerjas en pantoffels aan. De hond – Jeanies hond – een lichtbruine strop5
ershond die op de overloop slaapt met haar rug tegen de schoorsteen, kijkt vragend op als Dot langsloopt, benieuwd naar de reden van het vroege opstaan, en laat haar kop weer zakken als ze geen antwoord krijgt. Beneden in de keuken port Dot met de pook in de sintels in het fornuis en legt er een prop papier, wat aanmaakhout en een houtblok in. Ze voelt pijn. Achter haar linkeroog. Tussen haar linkeroog en haar slaap. Hoe heet die plek? Ze moet eigenlijk naar de opticien, haar ogen laten nakijken, maar wat dan? Hoe moet ze een nieuwe bril betalen? Ze moet met haar recept naar de apotheek, maar ze maakt zich zorgen over wat het kost. Het licht is ook hier niet goed. Dalend? Valend? Stralend? Ze raakt haar slaap aan alsof ze de pijn wil lokaliseren en ziet tussen de gordijnen, door de kier waar ze elkaar niet helemaal raken, dat het sneeuwt. Het is 28 april. Haar bewegingen moeten de hond weer hebben gewekt, want nu wordt er aan de deur onder aan de linker trap gekrabd, en Dot steekt haar hand uit om hem te ontgrendelen. Ze kijkt naar haar hand die het smeedijzer vastpakt; de lijntjes en levervlekken zien er eigenaardig uit, ze heeft dat nooit eerder gezien: hoe haar vingers werken, hoe de huid van haar knokkels zich spant over de botjes die zich rond de klink buigen. De gewrichten zijn haar vreemd: de hand van een bedrieger. Ze heeft nauwelijks de kracht om met haar duim de kleine klink in te drukken; de lichamelijke uit6
putting die ze voelt, is nog erger dan toen haar tweeling drie maanden oud was en nooit tegelijk sliep, of in het vreselijke jaar nadat ze twaalf waren geworden. Maar met de opperste concentratie krijgt ze hem omlaag en de deur gaat open. De hond steekt haar snuit door de kier en de rest van haar lijf komt erachteraan. Ze jankt en likt aan Dots linkerhand, die langs haar dij hangt, duwt haar neus in de palm van haar hand, waardoor de hand begint te slingeren, als een pendule. De pijn wordt erger en Dot is bang dat Jeanie wakker wordt van het gejank, Jeanie die ligt te slapen in de kuil aan de rechterkant van de matras, gevormd door haar man Frank, die allang dood is, en bij de zeldzame gelegenheden dat haar kinderen niet thuis waren door die andere man over wie ze het thuis niet mag hebben, die te lang is voor dat oude korte bed, zodat hij niet languit kan liggen, en daarna verder uitgehold door Jeanie, ook al is ze nog zo schriel en nam ze maar een heel dun plakje van de Victoria-cake die ze vorige maand voor Dots zeventigste verjaardag hadden gebakken en die ze op het feestje hier in de keuken hadden gegeten met Bridget die met haar smartphone foto’s nam van Julius op zijn viool van haar op haar banjo en van Jeanie op de gitaar terwijl ze allemaal zongen na een glaasje port om de stembanden te smeren zegt Julius altijd en het gevoel dat Dot nu heeft lijkt op hoe ze zich na haar derde glas voelde onhandig en wazig met haar gedachten warrig en draaierig de overgebleven cake op de tafel achterliet 7
zodat de hond ondeugend op haar achterpoten ging staan en het opswofte en zij haar een standje gaven en lachten tot ze… buikpeen? puikbijn had? … al haar dierbaren behalve die ene, daar bij haar, en de hond die blaft en springt en blaft te opgewonden en luidruchtig zoals ze in de sneeuw altijd doet zodat Julius, die heel licht slaapt en bij elk geluidje opschrikt, wakker wordt. Al deze gedachten en meer gaan door haar hoofd terwijl haar lichaam vertraagt. Het is een natte jas die ze wil afschudden, zoals de kippen hun veren in de herfstrui. Een gewicht dat niet meegeeft. Loodzwaar. Dot valt achterover op de keukenbank, alsof iemand haar met zijn hand een zetje tegen haar borst geeft. De hond gaat op haar achterste zitten en laat haar kop op Dots knie zakken, duwt tegen haar hand tot ze die tussen de oren van het dier legt. En alle gedachten aan kippen en kinderen, aan feestjes en foto’s, alle gedachten aan alles verstommen en verdwijnen. De zorgen van zeventig jaar – het geld, de ontrouw, de leugentjes – vallen weg, en als ze naar haar hand kijkt, kan ze niet meer zeggen waar zij eindigt en de hond begint. Ze zijn één geheel, immens en onbegrensd, net als de bank, de stenen vloer, de muren, het rieten dak, de sneeuw, de hemel. Alles verbonden. ‘Jeanie!’ roept ze, maar ze hoort een ander woord. Ze maakt zich geen zorgen, ze heeft nog nooit zoveel liefde gevoeld voor de wereld en alles wat erin leeft. De hond maakt een geluid dat niet lijkt op een geluid dat bij een 8
hond hoort en deinst achteruit, zodat Dot haar hand wel van de bonkige kop moet halen. Ze gaat verzitten, ze wil het dier weer aanraken, haar armen om de hond heen slaan en in haar wegkruipen. Maar als Dot zich voorover buigt, valt ze om, haar linkervoet zwikt en glijdt weg. Ze verliest haar evenwicht, klapt voorover, probeert met haar rechterhand haar val te breken, terwijl haar andere hand klem komt te zitten onder haar borst en de trouwring haar vinger afknelt. Dots hoofd duikt omlaag en haar voorhoofd slaat tegen de rand van het houtfornuis waar één tegel altijd een stukje heeft uitgestoken, die nu verschuift, waardoor het haardstel, dat naast het fornuis staat, omvalt. In een laatste moment van helderheid is Dot bang dat het gekletter van de metalen schep en borstel het hart van haar dochter uit zijn regelmatige ritme zal halen, totdat ze zich herinnert dat dat de grootste leugen van allemaal is. De pook, die ook gevallen is, rolt weg onder de tafel, schommelt nog een keer, twee keer, en blijft dan stil liggen.
9
2 Jeanie wordt wakker van Julius die aan haar arm schudt, eerst zachtjes en dan steeds ruwer. Ze rent hem achterna de trap af, haar nachthemd wapperend om haar benen, ook al heeft hij gezegd dat ze rustig moet lopen. Het is donker in de keuken, de gordijnen zijn dicht, de lichten uit, ze ziet alleen de oranje gloed van het vuur in het fornuis. Hun moeder ligt met haar gezicht naar beneden op de grond en beweegt niet. Jeanie slaat haar handen voor haar mond om een schreeuw binnen te houden. ‘Help me om haar om te draaien,’ zegt Julius. Zodra Jeanie hun moeder aanraakt, weet ze dat ze dood is. Dots armen blijven langs haar lichaam liggen, ze heeft haar voeten over elkaar, de pantoffels vallen uit en hoewel ze haar kamerjas aan heeft, vindt Jeanie dat ze eruitziet alsof ze aan het zonnebaden is, iets wat haar moeder nooit zou doen: als je buiten was, was je aan het werk. Jeanie doet haar best om niet naar de wond op Dots voorhoofd te kijken en houdt dan haar handen voor haar gezicht om zichzelf tegen de aanblik te beschermen. Flarden rozig licht, waarin de keuken en stukjes van haar moeders lichaam zichtbaar zijn, schemeren tussen haar vingers door. Toen zij en Julius twaalf waren, in Priest’s Field, was het haar ook niet gelukt om 10
weg te kijken. De hond, die zich onder de keukentafel heeft verschanst, komt jankend tevoorschijn en Jeanie haalt haar handen van haar gezicht vandaan. ‘Maude!’ Ze knipt met haar vingers en wijst, en de hond kruipt weer onder de tafel. ‘Haar hals! Druk tegen haar hals. Voel of er een hartslag is,’ zegt Julius. Hij zit gehurkt aan de andere kant van Dot, met alleen zijn pyjamabroek aan. Jeanie heeft hem al jaren niet meer zonder zijn werkkleren gezien: grijze haren op zijn borst, armen en torso, gespierd van het werken met zijn handen. Gedachteloos legt Jeanie haar vingers tegen haar eigen hals, en raakt dan haar moeder kort aan, op de wang. ‘Ze is koud. Het is te laat.’ ‘Ik heb geprobeerd een ambulance te bellen, maar mijn telefoon is leeg,’ zegt Julius. ‘Die hebben we niet meer nodig. Het is te laat.’ ‘Vast een stroomstoring geweest. De elektriciteit is vannacht uitgevallen. Ik zal in de meterkast kijken.’ ‘Ze is er niet meer, Julius.’ ‘Kunnen we niet iets met dat hart-pompen doen?’ ‘Ze is dood.’ ‘Allemachtig!’ Julius kijkt ernstig, en de situatie is zo onverwachts dat Jeanie moet lachen. Ze voelt een lach van ongeloof omhoogborrelen en ze slaat haar handen weer voor haar mond om hem tegen te houden. Julius wrijft met zijn grote handen over zijn hoofd, over zijn wijkende haar11
grens. Zijn lichaam verkrampt en schokt; zijn gehuil klinkt als de roep van een of ander exotisch dier. Jeanie kijkt geïntrigeerd naar hem. Ze zijn bijna een hele dag na elkaar geboren, hij als eerste en Jeanie als tweede: ze kwam onverwachts en onaangekondigd, en werd opgevangen door hun in paniek geraakte vader nadat de vroedvrouw was vertrokken. ‘Mijn onderdeurtje,’ had Frank zijn dochter liefkozend genoemd. Jeanie denkt vaak dat die drieëntwintig uur de verschillen tussen haar en Julius verklaren: de onbevangen manier waarop hij de wereld omarmt en zijn emoties toont, terwijl zij, Jeanie, hunkert naar de rust en geborgenheid van thuis. Ze buigt zich onhandig over het lichaam van hun moeder, trekt Julius overeind en leidt hem naar de bank, waar ze gaan zitten. Maude kijkt op alsof ze hoopt op een uitnodiging om bij hen te komen zitten, maar Jeanie schudt kort haar hoofd, waarna de hond haar snuit weer op haar poten legt. ‘Ik heb haar horen vallen,’ zegt Julius als hij is bedaard. Hij veegt zijn neus af met zijn hand, wrijft over zijn ogen. ‘Of in elk geval de pook en de borstel. Ik dacht dat het Maude was die gek deed of zo. Ik ben weer gaan slapen.’ ‘Het is niet jouw schuld,’ zegt Jeanie, al weet ze nog niet of ze dat echt meent. Haar broer en daarvoor hun vader hebben vaak beloofd dat ze die tegel goed zouden leggen. Als je moeder dood op de keukenvloer ligt, is dat dan iemands schuld? Ze houdt hem vast en zo blijven ze een paar minuten zitten, tot Jeanie over 12
zijn schouder door de kier van de gordijnen kijkt. ‘Het sneeuwt,’ zegt ze. Ze leggen een deken over Dot heen. Jeanie wil haar op de bank tillen, maar die is te kort. Ze kookt een ketel water op het fornuis en zet thee, en ze gaan aan tafel zitten om die te drinken, met het lichaam van hun moeder achter hen op de grond, alsof ze een kind is dat verstoppertje speelt en een bijzonder slechte verstopplek heeft gevonden en zij net doen alsof ze haar niet zien. ‘Ze was een goede vrouw,’ zegt Julius. ‘Een geweldige moeder.’ Jeanie knikt en mompelt in haar beker. ‘Staan de schragen nog in het melkhuis?’ Ze weet dat Julius begrijpt wat ze bedoelt, dat heeft hij altijd gedaan. Ze gaat naar de zitkamer, rolt het tapijt op en schuift de stoelen aan de kant, alsof ze voorbereidingen treft voor een dansavond, in een kamer waar nog nooit is gedanst. Julius legt een oude deur op de twee schragen en gaat terug naar de keuken, waar hij hijgend en kreunend hun moeder van de grond tilt. Jeanie mag hem niet helpen. De lijst ‘verboden te tillen’ is lang, vanwege haar zwakke hart: dozen, hooibalen, baby’s, tractoren… Hij draagt Dot naar de zitkamer. Het is hier koel, veel kouder dan in de keuken. Er ligt een antimakassar op de rugleuning van een plompe fauteuil. Een kan in de vorm van een oude man met een steek, en een ingelijste foto van Dot en Frank op hun trouwdag met achter hen een Italiaans landschap waar ze 13
nooit zijn geweest, staan op een lage, glimmende kast. Een kamerscherm verbergt de open haard, die in dit gedeelte van het huis nooit wordt gebruikt. Toen Dot en Frank pas getrouwd waren, hadden ze een jaar in de halfvrijstaande cottage met één slaapkamer gewoond, maar zodra de tweeling was geboren, had Frank de huur van de spiegelbeeldige rechter cottage bedongen. Hij had de twee huisjes samengevoegd en een van de voordeuren dichtgemetseld, zodat de voorgevel een beetje asymmetrisch is, terwijl het binnen nog steeds twee trappen heeft die elk naar een kleine overloop en een slaapkamer leiden. Julius legt Dot op de oude deur en Jeanie verwisselt de deken voor een schoon laken. Daarna gaan broer en zus, inmiddels aangekleed, weer aan de keukentafel zitten, met een verse pot thee. Julius heeft de meterkast in de bijkeuken gecontroleerd: er is niets doorgebrand, maar hoe hij ook aan de draden prutst, de stroom doet het niet. ‘Ik denk dat we een dokter moeten waarschuwen. Dat moet toch als er iemand doodgaat?’ zegt Julius, meer tegen zichzelf. Toen hun vader stierf, was er een bepaalde werkwijze gevolgd, waar Jeanie en Julius niets van afwisten en waar ze nu alleen maar naar kunnen gissen. ‘Dokters zijn voor mensen die ziek zijn,’ zegt Jeanie. ‘Maar we hebben een overlijdensakte nodig.’ Waarvoor eigenlijk, vraagt Jeanie zich af, maar ze zegt het niet hardop. 14
‘Zodat we haar kunnen begraven,’ zegt Julius alsof hij antwoord geeft. ‘Ik haal een dokter en die geeft ons het formulier, en dan is het voor elkaar.’ Jeanie schudt haar hoofd. Dot zou niet hebben gewild dat er een dokter naar het huis kwam: ze had een hekel aan aktes, formulieren, autoriteiten. Ze hebben in geen jaren een dokter gezien. Julius staat op en trekt zijn werkschoenen aan. ‘Ik zal naar het dorp moeten lopen,’ zegt hij. Het dorp Inkbourne heeft een huisartsenpraktijk, een dorpshuis met openbare toiletten, een fish-andchipszaak en een kleine supermarkt met een postkantoortje. Er is ook de oude kruidenierswinkel, die is opgekocht door een jongeman uit Londen met een gewaxte snor, die er een delicatessenzaak van heeft gemaakt met chic brood, kaas en olijven, en ook wat groenten en eieren die Jeanie en Dot erheen brengen. De eigenaar, Max, serveert luxe koffie en gebak aan aluminium tafeltjes buiten op de stoep, waarmee hij passerende klanten trekt, zoals wandelaars die het langeafstandspad volgen dat door het dorp loopt, of in lycra geklede mannen op de fiets, met briefjes van tien pond opgevouwen in het zakje aan de voorkant van hun fietsbroek. ‘Ik kan niet op de fiets,’ zegt Julius en Jeanie herinnert zich de sneeuw. ‘Als de praktijk open is, zal ik het aan Bridget vertellen, die zal het zeker willen weten, en zij kan het aan een van de dokters vertellen. Als de praktijk dicht is, loop ik door naar haar huis.’ Hij pakt 15
zijn jas van het haakje achter op de deur. Maude staat kwispelend op. ‘Moest jij vandaag niet die loodgietersklus met Craig afmaken?’ zegt Jeanie. ‘Op de dag dat mijn moeder doodgaat, ga ik niet helpen een gietijzeren bad de trap op te sjouwen naar een of andere chique badkamer.’ ‘Hoe ga je hem dat laten weten?’ ‘Hij merkt vanzelf dat ik niet kom.’ ‘Was het niet de bedoeling dat hij je vandaag zou betalen?’ Julius aarzelt. ‘Ik ga je hier niet de hele dag alleen laten.’ ‘Ik moet de kippen voeren. Er moet van alles in de tuin gebeuren wat niet kan wachten.’ Ze komt naar hem toe. ‘Je moet gaan om je geld te krijgen. We hebben het nodig.’ Julius’ hand ligt op de grendel van de voordeur. ‘Ik kijk wel. Als ik er niet op de fiets naartoe kan, kom ik toch te laat.’ Er klinkt ergernis in zijn stem, misschien hoort hij het zelf ook, want hij komt weer de kamer in en slaat zijn armen om haar heen. ‘We redden ons wel,’ zegt hij in haar haren. ‘Het komt goed.’ ‘Ik weet het,’ zegt ze terwijl ze hem wegduwt. ‘Ga nou maar.’ Ze kijkt hem na bij de voordeur van de cottage, Maude naast haar, verwachtingsvol en vervolgens teleurgesteld omdat ze niet mee mag. Jeanie zuigt de ijskoude lucht op. De modder van april is verborgen; de 16
sneeuw laat alleen de bulten van de planten zien, net als het laken dat over het lichaam in de kamer achter haar ligt. Misschien is Dot gevallen van de schrik, omdat het zo laat nog sneeuwde. Als ze de sneeuw heeft gezien, zal ze zich zorgen hebben gemaakt over de groentezaailingen buiten in de kou, en over het geld en de tijd die ze daardoor verliezen. Later op de dag zou Jeanie uit de tuin zijn gekomen en haar moeder aan de keukentafel hebben zien zitten met een stuk papier, kauwend op het uiteinde van haar potlood, terwijl ze de ene na de andere rij getallen bij elkaar optelde. Een halve mijl lang slingert het pad door een klein bos en daarna tussen de heggen van twee weilanden. Op een andere dag zou Julius zijn gestopt op de plek waar het uitzicht weids wordt en het landschap naar de steile en golvende heuvelrug klimt met Rivar Down aan de rechterkant en links het drie mijl lange stuk over de hoge heuvelkam van krijtrotsen helemaal tot Combe Gibbet. De groepjes bomen op de hellingen – beuken, eiken en coniferen – zijn wit, de laag sneeuw is dik en de lucht hangt vlak boven het afgegraasde land. Vandaag laat hij zich echter niet afleiden, let niet op de sporen van kleine zoogdieren en vogels die hem zijn voorgegaan door de sneeuw. Hij rolt een sjekkie en rookt dat terwijl hij het pad volgt dat zijn voeten kennen, omdat ze er al meer dan vijftig jaar overheen wandelen en fietsen, ook al is 17
het vandaag onzichtbaar. Tegen het eind wordt het pad recht en loopt hij langs de achterkant van het ingedeukte bord voor het boerenerf met de tekst Private, No Public Right of Way. Hier passeert hij een grote stal van zwart gebeitste planken, en betonnen schuren met open zijkanten vol vergeten machines, waar brandnetels omheen staan. Om de hoek ligt de boerderij van rode baksteen en grijze vuursteen van de Rawsons, en hun keurige tuin met de in figuren gesnoeide struiken als reusachtige sneeuwpoppen. Hij kan nog vier mijl naar het dorp lopen of bij de Rawsons aankloppen en vragen of hij hun vaste lijn of mobiel mag gebruiken. Pepperwood Farm is al drie generaties in de familie; Rawson was twintig toen hij het erfde nadat zijn vader aan een hartaanval was gestorven. De vijftig hectaren land lopen van het akkerland aan de voet van de heuvelrug tot aan de oever van de Ink, het modderstroompje waaraan het dorp zijn naam te danken heeft. Ook het beukenbos aan weerszijden van het pad hoort erbij en het weiland achter de tuin, en officieel omvatte het ook de cottage met de bijbehorende grond. Julius werkt soms op de boerderij als ze een extra paar handen nodig hebben, maar de klussen worden altijd via de bedrijfsleider geregeld. Als Julius Rawson weleens ziet, in zijn landjonker-outfit met tweedjasje, vest en corduroy broek, zorgt hij dat hij uit zijn buurt blijft. Maar vier mijl lopen op de ochtend dat je moeder is gestorven, is toch weer vier mijl lopen. Hij loopt naar de deur van de boerderij. 18
3 Julius’ hand blijft aarzelend boven de deurklopper met de leeuwenkop hangen. Hij heeft nog nooit op de stoep van de boerderij gestaan. Als kind ging hij vaak met Jeanie en hun vader naar de boerderij, en speelde rond de rommelige verzameling schuren en bijgebouwen, die grotendeels achter het woonhuis verscholen staan. Ze zwierven over de velden, plukten bramen en keken ’s avonds naar de dassen, alsof het land van de Seeders was en niet van de Rawsons. Julius is weleens via de achterdeur binnen geweest, maar hij is nooit verder gekomen dan de bijkeuken, toen zijn zus en hij door de huishoudster werden uitgenodigd voor een glas limonade. Hij laat de klopper vallen. Het sneeuwt niet langer en nu al vallen er gestaag druppels uit de bomen en struiken. Iemand is de oprit op en af gereden, en heeft de grond besmeurd en modderig gemaakt, maar de vroege ochtendzon schijnt en waar de sneeuw nog schoon is, zijn de schaduwen scherp en blauw. Er komen geen geluiden uit het huis en Julius maakt al aanstalten om weg te gaan als hij hoort dat de deur wordt ontgrendeld. Rawson, gekleed in een broek en een wit overhemd, zijn voeten bloot, doet de deur open. Julius realiseert zich dat hij de huishoudster uit zijn kindertijd had verwacht: een grote, vriendelijke vrouw 19
met een schort voor, die inmiddels vast en zeker dood is. Net als zijn moeder, denkt hij. Dood. Rawson is lang, een kop groter dan Julius, en ongeveer even oud als zijn moeder, met helderwit haar, zwarte wenkbrauwen en een witte snor die aan weerszijden van zijn mond hangt. Deze ochtend heeft hij ook een witte stoppelbaard. Het hele plaatje lijkt op een bunzing, zoals het dier dat Jenks, Julius’ drinkmaat, een keer in zijn val gevangen had en mee naar de pub had genomen: slank en lenig. ‘Julius,’ zegt Rawson en hij doet verbaasd een stap achteruit, en Julius is op zijn beurt verbaasd omdat Rawson zijn naam nog weet. ‘Is alles in orde?’ ‘Ik heb uw telefoon nodig.’ Julius’ eigen mobiel, die hij uit gewoonte in zijn jaszak heeft gestopt, is een eenvoudig model, geen smartphone zoals iedereen tegenwoordig schijnt te hebben, en hij heeft er niet aan gedacht zijn oplader mee te nemen. ‘Natuurlijk, kom binnen,’ zegt Rawson met zijn beschaafde stem, en stapt opzij. De grote hal heeft een schouw met houtsnijwerk, een tegelvloer en lambrisering. Een hoekige houten trap draait langs de muur omhoog. Kunstnijverheid, noemde Dot het altijd, maar Julius wist niet wat ze bedoelde en het interesseerde hem niet. ‘Hebt u stroom?’ Julius veegt zijn voeten op de mat. ‘Wij hebben hier geen problemen. Heb je een stroomstoring? Stoppenkast nagekeken?’ 20
Julius rolt met zijn ogen als Rawson zich omdraait. ‘Waar is die telefoon gebleven? Caroline gebruikt hem altijd en zet hem niet terug in de houder.’ Rawson loopt door een deuropening naar een kamer die uitkijkt op de voortuin, met een open haard van rode baksteen, twee witte sofa’s tegenover elkaar en daarachter een kleine vleugel. Het is alsof niemand die kamer gebruikt: geen honden op de meubels, geen voeten op de stoelen, geen natte lepels in de suiker. ‘Zal ik het nummer van het elektriciteitsbedrijf opzoeken? Bij wie zitten jullie?’ ‘Ik heb het nummer van de huisarts nodig,’ zegt Julius en loopt de kamer in. Hij heeft de neiging om zijn pet af te doen, maar ontdekt dat hij vergeten is die op te zetten. Verrek, denkt hij. Rawson kijkt hem kort aan. Te arrogant, denkt Julius, om te vragen waar hij dat nummer voor nodig heeft. De man struint wat rond, vindt de telefoon in een leunstoel, drukt eerst op de ene en dan op een andere knop om te checken of er een kiestoon is. ‘Wie had gedacht dat het eind april nog zou sneeuwen?’ zegt Rawson in een poging het gesprek op gang te houden en zonder een antwoord te verwachten. Hij geeft de telefoon aan Julius. ‘Geen problemen in de cottage hoop ik?’ Rawson zoekt op zijn mobiel naar het nummer van de huisarts en loopt door de kamer terug naar de hal. Julius loopt hem achterna. ‘Mijn moeder is dood,’ zegt Julius onomwonden, gewoon om te kijken of hij een eind kan maken aan het 21
gepraat van de man, maar Julius schrikt zelf ook van de woorden. Ze is echt dood. De twee mannen staren elkaar aan en Julius ziet zijn eigen blik weerspiegeld in die van Rawson. ‘Wat?’ Rawson pakt de houten schoorsteenmantel vast. Er klinkt een vrouwenstem van boven: ‘Wie is het?’ ‘Julius,’ roept Rawson terwijl hij hem aankijkt. ‘Van de cottage.’ ‘Wat moet hij?’ Rawson blijft Julius aankijken en Julius kijkt terug, benieuwd naar wat Rawson zal antwoorden, tot Rawson zijn blik omhoog richt naar waar de houten leuning de hoek om gaat en uit het zicht draait. Dan kijkt hij weer naar Julius en roept: ‘Het is niets. Ik vertel het straks wel.’ Niets, denkt Julius. Dat is wat de Seeders zijn voor de Rawsons. De vrouw – Rawsons vrouw, neemt Julius aan – geeft geen antwoord en komt ook niet naar beneden, en dan lijkt Rawson zichzelf te vermannen. ‘Het spijt me vreselijk. Wat is er gebeurd?’ ‘Ze is gevallen, heeft haar hoofd gestoten. Vanmorgen vroeg. Ik moet de dokter bellen.’ ‘Natuurlijk, natuurlijk.’ Rawson frummelt weer met zijn smartphone en zegt: ‘Mijn vrouw gebruikt altijd Alexa voor telefoonnummers, maar ik kan niet met dat ding overweg.’ Julius vraagt zich af of de man seniel aan het worden 22
is: hij heeft geen idee wie Alexa is. Rawson leest het telefoonnummer voor en Julius toetst de cijfers in. Terwijl de telefoon overgaat, loopt Rawson terug naar de zitkamer, maar Julius is zich bewust van zijn aanwezigheid aan de andere kant van de deur; hoogstwaarschijnlijk luistert hij mee. Een receptioniste – een andere dan Bridget – neemt op, maakt meelevende geluiden en noteert de gegevens. Ze zoekt Dot op in hun computersysteem en Julius bedenkt dat ze misschien niet langer bij hen ingeschreven staat, maar de receptioniste vindt haar naam en zegt dat dokter Holloway die ochtend langskomt zodra hij tijd heeft. Als het gesprek klaar is, komt Rawson terug de hal in. Zijn ogen zijn helder, glanzend. ‘Is het goed als ik nog een telefoontje pleeg?’ vraagt Julius. ‘Ga je gang. Wil je wat te dr…’ begint Rawson. ‘Nee.’ ‘Natuurlijk niet. Je hebt vast een hoop te regelen.’ ‘Bedankt,’ zegt Julius, hoewel hij er niks van meent. Deze man stond bij mijn moeder in het krijt, denkt Julius. En nu staat Rawson bij Jeanie en hem in het krijt. ‘Ik heb nog een nummer nodig. Een badkamerinstallateur. Ik zou vandaag voor hem werken.’ Als hij het nummer heeft, belt Julius Craig, terwijl Rawson een vaas met bloemen op een tafel een centimeter naar links schuift en doet alsof hij ook niet met dit gesprek meeluistert. 23
Bij de voordeur, als Julius weggaat, zegt Rawson: ‘Wacht even. Ik heb nog post voor jullie.’ De postbode wil het pad niet meer op nadat zijn busje een keer vast is komen te zitten en door een tractor weggesleept moest worden. Julius weet eigenlijk niet hoe en wanneer zijn moeder de post ophaalde. Hij kijkt niet naar de enveloppen, maar vouwt ze dubbel en stopt ze in zijn jaszak. ‘Hebben jullie al nagedacht over…’ begint Rawson, aarzelt dan en begint opnieuw: ‘Zijn jullie van plan iets te organiseren voor Dot? Een afscheid? Ik zou graag mijn medeleven betuigen.’ ‘Nee,’ zegt Julius. ‘Over dat soort dingen hebben we nog niet nagedacht.’ Op de oprit kijkt hij achterom. Spencer Rawson staat op zijn blote voeten in een laagje sneeuw en kijkt hem na.
24
Claire Fuller is beeldend kunstenaar en auteur. Met haar fictiewerk won ze diverse prijzen. Haar roman Rusteloze grond stond op de shortlist van de prestigieuze Women’s prize for fiction 2021. In deze gelaagde en vernuftige roman verkent Fuller met grote gevoeligheid de pijnlijke realiteit van armoede en sociaal isolement. – The Guardian
~
Claire Fuller is een uitmuntende en verrassende schrijver… Een verhaal vol mededogen en eerlijkheid… Haar beste werk tot nu toe… Fullers werk is sublieme literaire fictie die vaak draait om thema’s als isolement en geheimen die zich langzaam prijsgeven… Dit is een sterke en beeldschone roman, die ons land laat zien zoals het echt is: een plek van bescherming zowel als wreedheid, onschuld zowel als ervaring. – The Times
~
Een ijzersterk verhaal over eenzaamheid en isolement. – The Independent
~
Rusteloze Grond is een tegengeluid bij de heersende gedachte dat je, met een beetje hard werk, zelf je bestaan kan ombuigen en je geluk kan bewerkstelligen. Bij alle fouten die ze maken en leugens die ze vertellen tekent Fuller haar personages met tederheid. – Financial Times
Fuller schrijft schrijnend goed over armoede, en de wreedheid van roofzuchtige dorpsbewoners die vers bloed ruiken. Het scenario zit vol met gevaar – net als je denkt dat het niet erger kan, wordt het dat juist wel. Toch weet de ontknoping zich gelukkig van de afgrond af te wenden zonder dat het dramatische effect verloren gaat. Voortreffelijk. – Daily Mail
~
Complexe, gelaagde fictie die lezers leert op hun hoede te zijn. De roman maakt armoede en dakloosheid concreet en tastbaar, en de bedrieglijke verteltrant benadrukt dat nog eens extra. (…). In Rusteloze grond kan het herstel pas beginnen als de grote leugen is onthuld. – The Times Literary Supplement
~
In Rusteloze Grond belicht Claire Fuller met haar zo rijke en zintuiglijke proza het bestaan van mensen aan de rand van de samenleving die zelden in de spotlights staan. – The Literary Sofa
~
Het Rusteloze in de titel is goed gekozen – aan de wereld die Fuller creëert, zit een rusteloos, verontrustend randje. Langzaam en behendig trekt ze de lezer een betoverend verhaal binnen over liefde, veerkracht en overleven. – Living Magazines
~
De sfeer van schaamte en schuld is meeslepend en ontroerend. Rusteloze grond onderzoekt waar de breuklijnen liggen – en laat zien dat de fouten van een ouder een leven lang kunnen resoneren in iemands bestaan. – The Sunday Telegraph
~
‘Beeldschone roman.’ - The Times
~
VANAF 24 MEI VERKRIJGBAAR IN JOUW FAVORIETE BOEKHANDEL
www.uitgeverijmozaiek.nl
O
O
R
PU
BL
IC
AT
IE Een indringende vertelling over twee markante mensen aan de rand van de samenleving.
V
Tweeling Jeanie en Julius zijn altijd anders geweest. Ze zijn de vijft ig al gepasseerd en wonen nog bij hun moeder Dot, in een afgelegen cottage op het platteland. In hun grote tuin verbouwen ze alles wat ze nodig hebben voor hun levensonderhoud. Voor een buitenstaander lijkt het op armoede; voor hen is het thuis. Maar als Dot plotseling sterft , stort hun wereld in. De tweeling wordt geconfronteerd met de harde realiteit en raakt verstrikt in een woud aan regels en verwachtingen. Dan beginnen er steeds meer geheimen uit het verleden van hun moeder op te duiken. Alles wat Jeanie en Julius dachten te weten over hun leven komt voorgoed in een ander daglicht te staan.