Skip to main content

Leesfragment 23 minuten - Vivian Vande Velde

Page 1

1 Het verhaal begint met een verbluffend staaltje geweld. Hoewel… dat is niet helemaal waar. Misschien begint het verhaal eigenlijk wanneer Zoe het bankgebouw in loopt – alleen heeft ze zelf niet door dat het een verhaal gaat worden. Ze weet alleen dat de late herfst haar daarnet buiten trakteerde op een stortbui, waardoor ze het gevoel had dat ze op een of andere camping onder de douche stond. Het is zo’n plensbui waar geen einde aan komt en die maar twee temperatuurvarianten kent: koud en héél koud. Zoe heeft de lol van kamperen sowieso nooit begrepen. Heeft de mens zich niet al die duizenden jaren geëvolueerd om níét op de grond te hoeven slapen, om niet buiten te hoeven pissen en poepen, om geen halfrauw voedsel te hoeven eten dat zwartgeblakerd is boven open vuur? Maar het lijkt wel of groepsleiders in tehuizen – van die tehuizen waar tieners wonen die niemand als pleegkind wil hebben – altijd denken dat ‘ruig leven’ de ideale manier is om saamhorigheid te kweken. Om een band op te bouwen met de kansloze jeugd. Alsof deze jongeren niet juist in zo’n tehuis zitten omdat ze het al zwaar genoeg hebben. Zoe zou liever overnachten in een Holiday Inn, met een jacuzzi en roomservice en een goed film­ kanaal. Dat lijkt haar een betere manier om saamhorigheid te 7

23 minuten 1-208.indd 7

10-10-16 14:24


kweken en een band op te bouwen. Niet dat iemand ooit naar Zoe’s mening vraagt. Het giet dus, en de regen voelt maar net iets warmer aan dan natte sneeuw, en Zoe vlucht het eerste het beste gebouw binnen dat ze tegenkomt. Het blijkt een bank te zijn. Dat is eerder een aanloop dan het echte begin van het verhaal. Het voorwoord, de inleiding. Dan zijn er nog de bijrollen: de hooghartige vrouw achter de balie en de zelfvoldane beveiligingsman. En die ene klant die scherp afsteekt tegen de andere aanwezigen, een stuk of tien in totaal: een jonge man die Zoe onmiddellijk inschat als aankomend succesvol zakenman, of misschien beginnend jurist bij een prestigieus advocatenkantoor (zo een dat géén reclame maakt op tv). Zoe is er trots op dat ze mensen heel snel kan inschatten. Die eigenschap heeft ze vaak nodig gehad om het te redden in haar leven. Maar deze jongeman heeft een innemende glimlach en neemt de tijd om een vriendelijk praatje met haar te maken, zelfs nadat ze tegen hem op is gebotst en op zijn tenen is gaan staan, waardoor het druipende regenwater op hem en zijn dure schoenen terechtkwam. En tot slot is er natuurlijk de bankovervaller – al weet Zoe nog niet dat hij een bankovervaller is. Dus om nu al het woord ‘verhaal’ te gebruiken… Het komt pas echt op gang als de overval flink uit de hand loopt, als ze allemaal binnen een straal van zes meter staan. Of nog minder, als je bereid bent die ene baliemedewerkster niet mee te tellen. Zonder haar bevinden ze zich eigenlijk allemaal op een kluitje: Zoe op haar knieën op de vloer en vlak bij haar de beveiligingsman, zijn getrokken pistool gericht op 8

23 minuten 1-208.indd 8

10-10-16 14:24


het hoofd van de beoogde bankovervaller, die op zijn beurt zijn wapen richt op het hoofd van de jongen die daarnet zo aardig was voor Zoe. Zal ik het nu doen, vraagt ze zich meerdere keren af, totdat de overvaller, nadat hij met een hoop geschreeuw, zwaaiend met zijn pistool, heeft gedreigd iedereen neer te schieten, eindelijk zijn aandacht richt op iemand anders dan Zoe. Zodat ze éíndelijk een momentje de kans krijgt om gebruik te maken van haar bijzondere gave en hier weg te komen. Het vervelende is dat ze die kans te danken heeft aan de jonge zakenman (of wat hij ook mag zijn) die bewust tussen haar en de bankovervaller in is komen staan. Is hij nou zo stom of is hij levensmoe, vraagt Zoe zich af. Maar dat verdient hij niet. De angst in zijn opengesperde blauwe ogen maakt duidelijk dat hij precies weet waar hij mee bezig is; zijn opstandige blik vertelt dat hij de volgende keer precies hetzelfde zou doen. En dat maakt dat Zoe blijft staan waar ze staat. De situatie loopt nog verder uit de hand, met een hoop geschreeuw en dreigementen, en dan klinken er twee schoten tegelijk. Of bijna tegelijk, zo kort na elkaar dat je het verschil niet hoort. Waardoor Zoe uiteindelijk onder het bloed zit, bloed van de dief, maar ook van de klant die ze vast heel leuk was gaan vinden als ze daar de tijd voor had gekregen. En niet alleen bloed, maar ook stukjes bot. En iets anders, iets waarvan ze zichzelf vurig probeert te overtuigen dat het onmogelijk stukjes hersenweefsel kunnen zijn. Dáár begint het verhaal. 9

23 minuten 1-208.indd 9

10-10-16 14:24


2 Oké… dat is misschien een beetje karig verteld. Dus voor deze ene keer spelen we diezelfde drieëntwintig minuten nog eens af, maar dan gedetailleerder. En dat is natuurlijk heel wat anders dan Zoe’s gave om de tijd terug te draaien. Niet dat Zoe zelf helemaal begrijpt hoe die gave werkt. Soms speculeert ze dat ze ermee geboren is, maar dat ze het pas heeft ontdekt in haar tienerjaren. Dat het een soort verborgen, min of meer magische eigenschap is, of een genetische mutatie die de kosmos haar met veel gevoel voor humor heeft toebedeeld. Ze vindt het fijn om te denken dat er misschien anderen zijn zoals zij, al zal ze daar, juist door de aard van het terugdraaien, niet makkelijk of zelfs onmogelijk achter kunnen komen. Of misschien heeft ze deze vaardigheid, dit trucje, dit talent, gekregen toen ze op haar tiende bijna bezweek aan een geperforeerde blindedarm, omdat haar moeder zo lang had gewacht om haar naar de dokter te brengen, omdat – zo zou ze later in het ziekenhuis verklaren – ‘Zoe altijd wel ergens over klaagde’. Of misschien is het allemaal begonnen toen Zoe twaalf was, toen ze een keer tijdens een onweersbui buiten bleef om 10

23 minuten 1-208.indd 10

10-10-16 14:24


naar het natuurspektakel te kijken, met de geur van ozon die in haar neus kriebelde. Ze voelde de haartjes op haar armen omhoogkomen toen de rommelende donderslagen ongeveer samenvielen met de bliksemflitsen: steeds dichterbij, steeds luider en feller, tot de bliksem insloeg in de vlaggenmast bij de familie Duran, die naast hen woonde. Zoe werd van de trap geslingerd en belandde op haar rug op de grond terwijl er tintelingen door haar hele lichaam trokken. Zoe was twaalf, en ze wist inmiddels wel dat ze bij haar moeder geen troost hoefde te zoeken, want het was wel duidelijk hoe ze zou hebben gereageerd: ze zou Zoe met de rug van haar hand een mep gegeven hebben en hebben geroepen: ‘Stomkop! Wie blijft er dan ook buiten met dit weer! Het is je verdiende loon.’ Hoe, wanneer en waarom ze het vermogen om de tijd terug te draaien ook heeft opgedaan, Zoe heeft die gave dus. Dat weet ze nu tweeënhalf jaar, sinds haar dertiende. Ze loopt in de winkelstraat, niet om te winkelen maar uit verveling, als er ineens een wolkbreuk ontstaat, zo hevig dat de ark van Noach goed van pas zou komen. Zoe schuift haar map met papieren onder haar t-shirt, maar de regen is koud en meedogenloos, dus duikt ze het dichtstbijzijnde portiek in – dat bij een filiaal van de Spencerport Savings and Loanbank blijkt te horen. Geen al te beste keuze, aangezien er daarbinnen weinig te zoeken is voor een meisje van vijftien dat niet eens een bankrekening heeft. Zoe wrijft over haar armen – een voor een, omdat ze de map nog altijd beschermend tegen zich aan gedrukt houdt – en wenst dat ze een jas had meegenomen toen ze vanmorgen de deur uit ging. 11

23 minuten 1-208.indd 11

10-10-16 14:24


Maar wat ze nog liever zou willen, is deze hele dag terugdraaien. Alles overdoen, anders, te beginnen bij haar brutale opmerking tegen mevrouw Davies, de groepsleidster. Maar drieëntwintig minuten is haar maximum, en drieëntwintig minuten na haar confrontatie met mevrouw Davies was Zoe nog te kwaad om zelfs maar te overwegen haar géén grote mond te geven. En nu is het te laat om er nog iets aan te veranderen. Ze is ook veel te impulsief – dat heeft ze intussen zo vaak gehoord. Bovendien weet ze uit ervaring dat het ook fout kan gaan, dat terugdraaien van de tijd. Ze heeft het gedaan in ernstige en in luchtige situaties, en ze schat de kans op een echte verbetering van de beginsituatie op tien procent. Haar gedachten keren terug – zoals de laatste tijd zo vaak gebeurt wanneer ze aan het terugdraaien denkt – naar die leuke jongen bij de bushalte. De eerste keer stond ze met haar mond vol tanden, de keren daarna heeft ze onhandig met hem geflirt, en de laatste keer was haar flirt succesvol… waarna ze tot de ontdekking kwam dat haar beste vriendin Delia verliefd op hem was en hij daar op Delia stond te wachten. En ze had geen terugdraaiminuten meer over om opnieuw te beginnen, zodat ze hem kon negeren. Delia heeft het haar nog steeds niet vergeven, en dan weet Delia niet eens van het bestaan van de terugdraaimogelijkheid, en dus weet ze ook niet dat Zoe er álles aan gedaan heeft om haar vriendje te versieren. In de tweeënhalf jaar dat Zoe van deze gave op de hoogte is, heeft het terugdraaien van de tijd haar meer ellende dan plezier opgeleverd. Ze is haar leven gaan beschouwen als zo’n 12

23 minuten 1-208.indd 12

10-10-16 14:24


interactief avonturenboek waarin je zelf de afloop bepaalt, alleen is het in haar geval het beste om het boek na één keer lezen weg te leggen, want de keuzes die ze maakt, worden alleen maar erger en erger. Afijn, Zoe is dus doorweekt en heeft het koud, en mevrouw Davies is kwaad op haar. Niets nieuws, eigenlijk. Er zijn die middag, de eerste vrijdag van november, een stuk of tien klanten in de bank. De beveiligingsman staat bij de ingang, vlak achter de deur, en bekijkt haar wantrouwend en afkeurend als ze binnenkomt. Misschien omdat ze plasjes water achterlaat op de vloer, of misschien denkt hij dat ze de bank heeft uitgekozen als plek om met haar verdorven tienervriendjes rond te hangen nu het winkelcentrum drie straten verderop officieel verboden terrein is voor jongeren zonder ouderlijk toezicht. Zijn wantrouwende blik wordt er niet minder op als Zoe de map met papieren onder haar t-shirt vandaan haalt en naar de lange tafel loopt, waar diverse vakjes gevuld zijn met stortings- en opnameformulieren. De map zit nu vol natte plekken, maar de papieren die erin zitten zijn droog gebleven. Gelukkig wel. Hoewel Zoe zich afvraagt, nu haar boosheid na de aanvaring met mevrouw Davies is gezakt, hoe belangrijk die papieren nou helemaal zijn. Eigenlijk zijn ze het hele gedoe niet waard. Ze neemt een roze strook uit een van de vakjes, zonder te kijken of het een stortings- of opnameformulier is. Ze pakt de pen, die – hoewel hij eruitziet als zo’n ding van tien-vooreen-dollar uit de supermarkt – met een kettinkje aan de balie bevestigd is. Dan draait ze het formuliertje om en schrijft op 13

23 minuten 1-208.indd 13

10-10-16 14:24


de blanco achterkant de namen van de andere meisjes bij haar op de afdeling. Niet dat daar echt een reden voor is, behalve dan dat ze wil zien of ze nu op alle namen kan komen, en vooral om de tijd te doden. Ze begint met Delia, ook al praat Delia niet meer met haar. Op het volgende papiertje noteert ze de namen van alle acteurs die James Bond hebben gespeeld. Daarna de zeven dwergen van Sneeuwwitje. De rendieren van de Kerstman. Alleen weet ze er maar acht, en als je Rudolph meetelt – en dat doet ze – dan moeten het er negen zijn, weet Zoe. Oké, ze kan niet de hele middag hier aan die tafel blijven zitten. Hoewel ze weigert zijn kant op te gluren – want dan zou het net lijken of ze een slecht geweten heeft – weet ze zeker dat de beveiligingsman haar in de gaten houdt en het aantal formuliertjes telt dat ze volkrabbelt. Zoe schuift de stroken in haar map en gaat dan in de rij staan bij de balie, in de hoop dat de beveiliger daardoor zal denken dat ze hier wel degelijk iets te zoeken heeft. Als ze aan de beurt is, reageert de vrouw aan het loket net zo afkeurend op Zoe als de bewaker bij de deur. Haar ‘Kan ik je helpen?’ klinkt alsof ze het vervelend vindt dat ze Zoe moet behandelen als een serieuze klant. Alsof ze het vermoeden heeft dat Zoe iets van haar wil, dat ze misschien snoep komt verkopen om het voetbalelftal op school te steunen, ook al hangt er bij de ingang een bordje met de tekst verboden hier uw waren of diensten aan te bieden – wat in deze buurt ook op iets heel anders zou kunnen slaan. Zoe spreekt meteen luid en duidelijk, want ze weet instinctief dat dit het type vrouw is dat denkt dat jongeren altijd mompelen. Ze 14

23 minuten 1-208.indd 14

10-10-16 14:24


vraagt: ‘Hebt u verzamelaarsdollars? Van die munten met de afbeeldingen van oude presidenten erop?’ De glimlach van de vrouw lijkt niet minder geforceerd dan daarnet toen ze vroeg of ze Zoe kon helpen. ‘Welke daarvan wil je?’ Zoe zegt maar niet dat ze eigenlijk hoort te vragen: ‘Wie van hen wil je?’ In een wereld van steeds wisselende tehuizen en sociaal werkers die overspannen raken of overstappen naar een andere baan als je net een beetje aan hen gewend bent geraakt, houdt Zoe van de orde en regelmaat die grammatica biedt. Maar ze trekt niet graag de aandacht, dus antwoordt ze gewoon: ‘William Henry Harrison.’ William Henry Harrison is Zoe’s favoriete president. Hij heeft het ambt maar tweeëndertig dagen bekleed en is vrijwel al die tijd ziek geweest, nadat hij bij de inauguratie longontsteking had opgelopen. En toen ging hij dood. Voor zo iemand moet je wel sympathie hebben, als je het Zoe vraagt, iemand die zoveel pech heeft. ‘Harrison…’ De vrouw achter de balie trekt een la open en bekijkt mompelend een aantal dollarmunten. ‘Pierce… Adams… de andere Adams… Roosevelt…’ Misschien verwacht ze dat Zoe haar dollarwens nog zal bijstellen. ‘Nee, het spijt me.’ Weer die nepglimlach. ‘Geeft niet,’ zegt Zoe. Ze weet niet eens zeker, nu ze erover nadenkt, of ze wel genoeg kleingeld op zak heeft om zo’n munt van te betalen. Ze loopt bij de balie vandaan. Verderop is een zithoek met een laag tafeltje waarop een bordje staat met de tekst gratis koffie voor onze klanten. Buiten stortregent het nog 15

23 minuten 1-208.indd 15

10-10-16 14:24


steeds, en koffie zou zeker helpen om de kou uit haar botten te verdrijven, maar Zoe vraagt zich af of een vergeefs verzoek om een William Henry Harrison-dollar voldoende is om jezelf klant te mogen noemen. Zonder te kijken of de beveiligingsman haar nog steeds in de gaten houdt, loopt ze terug naar de vakjes met de opnameen stortingsformulieren, vlak naast de klantenbalie. Ze slaat haar map open. Schuift wat met de papieren die erin zitten. Pakt weer een formuliertje uit een van de vakjes en probeert nog een keer alle rendiernamen te noteren. Ook deze keer komt ze niet verder dan acht. Ze pakt het vorige lijstje erbij, in de hoop dat ze niet twee keer dezelfde acht heeft gevonden, maar nee: er is één rendier dat ze consequent vergeet. En het ziet er nog altijd niet naar uit dat de regen minder wordt. Zoe besluit de straat over te steken naar de kaartenwinkel. Dan maar nat worden. Misschien kan ze iets passends vinden voor mevrouw Davies. Het zou typisch iets voor Hallmark zijn om kaarten te verkopen voor tieners die iets goed te maken hebben met hun groepsleidster. Niet dat Zoe er dan een zou kopen, maar ze zou misschien de tekst uit haar hoofd kunnen leren. Als ze bij de tafel vandaan loopt, komt er een nerveuze, in zichzelf gekeerde man binnen die het slechte weer duidelijk opvat als een persoonlijke belediging. Dat maakt Zoe op uit zijn houding: diep weggedoken in zijn regenjas, met gebogen hoofd en opgetrokken schouders, zijn handen in zijn zakken gepropt. Hij botst bijna tegen Zoe op, waarmee hij nog een keer bevestigt wat ze al wist: kinderen en jongeren zijn onzicht­ baar, zelfs wanneer ze hun best hebben gedaan om er stoer uit te zien. 16

23 minuten 1-208.indd 16

10-10-16 14:24


Zoe doet haastig een stapje achteruit, ook al vindt ze eigenlijk dat iedereen uitsluitend in kijkrichting zou moeten lopen – iets wat ze regelmatig roept. En dan trapt ze al achteruitlopend op de voet van een jonge­ man, een klant die op weg was naar de stortings- en opnameformulieren. ‘O, sorry,’ zegt hij. Beleefd, niet sarcastisch, ook al is het duidelijk háár fout en niet de zijne. Hij pakt haar bij haar linkerelleboog – misschien om te voorkomen dat ze valt, want ze verliest haar evenwicht, maar misschien ook uit angst dat ze nog een keer op zijn tenen zal trappen. Het formuliertje dat Zoe zogenaamd heeft ingevuld, valt uit de map en belandt dwarrelend op de vloer, samen met een paar papieren die ze vanmorgen in handen heeft weten te krijgen. Mevrouw Davies zou woest worden als ze het wist. ‘Wat ben ik toch een onhandige sufkop,’ mompelt Zoe. ‘Helemaal niet, joh, dat kan iedereen overkomen.’ De jongen heeft zelf ook papieren bij zich, al is hij zo verstandig die te bewaren in zo’n echte kantoormap, afgesloten met een touwtje. Toch bukt hij om Zoe te helpen haar papieren op te rapen. Waarschijnlijk is hij maar een jaar of acht, negen ouder dan zij, maar dat is op dit punt in hun leven een groot verschil: hij heeft dat zelfverzekerde van een volwassene. Een succesvolle volwassene, stelt ze vast na een korte blik op zijn haar en zijn kleding. Hij gaat duidelijk naar een goede kapsalon, niet naar zo’n zaakje op de hoek van de straat waar je je ook kunt laten scheren, of naar een stagiaire van de kappersschool, zoals Zoe – áls ze al iets aan haar haar laat doen. En hij draagt zijn smal gesneden jasje en buttondown over17

23 minuten 1-208.indd 17

10-10-16 14:24


hemd zonder stropdas op een spijkerbroek – net iets te trendy, als je het Zoe vraagt. Ze snapt best dat ze met haar eigen voorkomen – een paardenstaart in combinatie met een tweedehands spijkerbroek en t-shirt – de indruk wekt van een loser. Haar haar is blauw geverfd (bewust) en nogal piekerig geknipt (eerder per ongeluk dan als statement). Normaal gesproken is Zoe tevreden over haar uiterlijk: ze voelt zich thuis bij de mensen met wie ze graag wil omgaan en jaagt alle anderen ermee weg. Zoe heeft te weinig ervaring met bankzaken om te kunnen beoordelen of het redelijk is om vijf van die formuliertjes te gebruiken (drie roze en twee witte), maar ze vermoedt van niet. ‘Nee, nee, laat maar,’ zegt ze tegen de jongeman, en ze grist de papieren uit zijn handen om te voorkomen dat hij kan zien dat ze alleen op de achterkant heeft geschreven, dat ze alleen maar lijstjes met namen heeft neergekrabbeld in plaats van bedragen in te vullen – met bedragen zou het tenminste nog op bankieren kunnen lijken. ‘Dank je wel,’ zegt ze. Ze is er zo op gebrand de formuliertjes in handen te krijgen dat ze haar greep op de map laat verslappen. De resterende papieren glijden eruit en belanden op de vloer tussen hen in. ‘Graag gedaan.’ Zijn stem is vriendelijk, het klinkt niet geforceerd. Maar dan kijkt hij naar een van de formuliertjes, dat ondersteboven op de vloer ligt en duidelijk aantoont hoe niet-serieus Zoe bezig is geweest: Rudolph Vixen Dasher Comet 18

23 minuten 1-208.indd 18

10-10-16 14:24


Dancer Cupid Donner Prancer Hij fronst zijn voorhoofd, en even weet ze zeker dat hij haar zal gaan verraden bij de bankbazen. Of dat hij op z’n minst zijn opmerking dat ze geen onhandige sufkop is zal terug­ nemen. Maar hij zegt alleen maar: ‘Blitzen.’ Hij kijkt haar aan met een blik die het midden houdt tussen vriendelijk en geamuseerd. ‘Je bent Blitzen vergeten.’ ‘Dank je wel,’ zegt Zoe nog een keer, en ze is zich ervan bewust dat ze nu wel mompelt. Fijn. Hij vindt haar een leuk, onhandig, klunzig klein kind. Als je als meisje niet zo lang bent, word je vaak veel jonger geschat dan je bent. Zelf heeft hij tof haar – lichtbruin, goed geknipt – maar zijn gezicht is eerder interessant dan aantrekkelijk, vindt Zoe. Zijn glimlach daarentegen geeft ze een dikke negen. Jammer dat hij haar uitlacht. Zal ze het doen? Moet ze nu ‘terugdraaien’ zeggen, het woord waarmee ze het normale tijdsverloop kan stilzetten en kan terugkeren naar drieëntwintig minuten geleden, naar het moment voordat ze zich belachelijk maakte in de ogen van deze jongen? Nee, houdt ze zichzelf voor. Duh, hij is dik in de twintig. Sinds wanneer kijkt ze goedkeurend naar volwassen mannen die geen zanger of acteur zijn? En bovendien zou Zoe opnieuw in die plensbui terechtkomen als ze nu ‘terugdraaien’ zou zeggen. Er belandt een voet op het formuliertje met de rendier­ 19

23 minuten 1-208.indd 19

10-10-16 14:24


namen. De voet van de beveiligingsman. Hij vraagt: ‘Zijn er problemen?’ ‘Nee, hoor,’ zegt de jongeman. ‘Behalve dan…’ Hij wijst op het formulier onder de schoen van de beveiligingsman. ‘… dat u op onze papieren staat.’ Ooo, hij zei ‘onze’. Hij schaart zich aan haar kant: zij tweeën tegen de bewaker. De beveiligingsman, die hen ieder apart heeft zien binnenkomen en ziet hoever ze van elkaar verwijderd zijn op de schaal van sociale aanvaardbaarheid, lijkt te vermoeden dat ze iets in hun schild voeren, maar het is duidelijk dat hij nog niet heeft vastgesteld wat dat zou kunnen zijn. Bijna met tegenzin tilt hij zijn voet op, waarna hij bukt om het vel papier wat beter te bekijken. Zoe schiet naar voren om het weg te grissen voordat hij het kan lezen, en ze botsen met hun hoofden tegen elkaar. Terwijl zij zo de bewaker afleidt, raapt haar handlanger met het mooie jasje en de leuke glimlach snel het formuliertje van de vloer. Hij veegt het af aan zijn spijkerbroek – misschien om de voetafdruk van de beveiligingsman eraf te vegen, misschien als excuus om het papiertje met de beschreven kant omlaag aan Zoe te overhandigen. ‘Dank je wel,’ zegt – mompelt – ze nog een keer. Dan propt ze snel alle papieren, de stortingsformuliertjes en de paperassen van het tehuis in de map. Jasje kan er wel om lachen, de bewaker duidelijk niet. Jasje komt overeind, in een snelle, elegante beweging, en steekt een hand uit naar Zoe, die snel noch elegant is, ondanks – of misschien juist vanwege – zijn hulp. ‘Bedankt,’ zegt Jasje dan tegen de bewaker. Hij klinkt als 20

23 minuten 1-208.indd 20

10-10-16 14:24


een man met onberispelijke manieren, en tegelijkertijd maakt hij de man duidelijk: je kunt nu wel gaan. Niet dat ze zat te wachten op de hulp van Jasje. Of van wie dan ook. Zoe is trots op haar zelfredzaamheid. Regen of geen regen, ze besluit om naar de kaartenwinkel aan de overkant te hollen, waar ze tenminste niet zo hopeloos uit de toon valt. En dat is het moment waarop ze de aandacht verliest van Jasje, met zijn eerder interessant dan aantrekkelijke hoofd. Hij staart over haar schouder met een uitdrukking die ze niet helemaal kan plaatsen, waarna zijn gezicht volkomen strak en neutraal wordt – bewust neutraal. Op hetzelfde moment ontstaat er tumult achter haar. Een van de baliemedewerkers begint te gillen. De beveiligingsman draait zich om om te kijken of er iets aan de hand is in zijn bank – iets vervelenders dan Zoe – en ze ziet zijn hand naar het wapen gaan dat hij op zijn heup draagt. Maar dan verstart hij. Jij staat hier helemaal buiten, houdt Zoe zichzelf voor. Het zijn jouw zaken niet. Maak dat je wegkomt. Op dat moment lijken er nog meerdere opties te zijn om aan deze situatie te ontsnappen, en de tijd terugdraaien is niet meer dan een van die opties. Maar als er achter haar rug iets gevaarlijks gebeurt, kan ze maar beter weten wat het gevaar precies is. Of misschien ook niet… Want zodra ook zij zich langzaam heeft omgedraaid, ziet ze de nerveuze klant staan, de man die zo snel naar binnen gebeend kwam dat hij haar bijna omverliep. Met een pistool. Hij heeft alleen nog niet besloten op wie hij dat gaat richten. Hij zwaait ermee naar de rij baliemedewerkers, naar de klan21

23 minuten 1-208.indd 21

10-10-16 14:24


ten en de beveiligingsman, die – ook al heeft hij zelf een wapen – zijn handen in de lucht steekt, ver weg van zijn lichaam, in een soort verzoenend gebaar. Buiten is het koud en nat, dus het was Zoe niet echt opgevallen dat deze… ja, deze bankovervaller, blijkbaar… was binnengekomen met hoog opgetrokken schouders en de kraag van zijn regenjas opgezet rondom zijn gezicht. Ze ziet nu pas goed dat hij de klep van zijn honkbalpet ver omlaag heeft getrokken, waardoor zijn haar en een groot deel van zijn gezicht niet te zien zijn. En nu staat hij op nog geen meter afstand van Zoe. ‘Handen omhoog!’ roept hij, en het klinkt alsof hij alle doorgedraaide bankovervallers die Zoe ooit op tv heeft gezien, probeert na te doen. ‘Allemaal de handen omhoog!’ Iedereen gehoorzaamt, zelfs de klanten die zijn weggedoken achter het weinige meubilair in deze plotseling veel te lege open ruimte. Zelfs Zoe, waarbij ze haar map – met alle papieren – uit haar armen op de grond laat vallen. Dat geeft niks, want om de tijd te kunnen terugdraaien moet ze haar armen om zich heen slaan. Op een moment dat de overvaller afgeleid is en haar niet ziet, uiteraard. ‘Handen bij dat pistool vandaan!’ roept de overvaller tegen de bewaker, ook al zijn de handen van de bewaker niet eens in de buurt van zijn wapen. ‘Doe ik al, doe ik al,’ verzekert de bewaker hem. ‘Jij daar!’ zegt de gewapende overvaller tegen de baliemedewerkster bij wie hij het dichtst in de buurt staat, de vrouw die Zoe heeft geholpen – of eigenlijk niet heeft geholpen. ‘Ga door, stop die zak vol!’ 22

23 minuten 1-208.indd 22

10-10-16 14:24


Ze heeft een canvas tas in haar handen, waar ze al het geld uit haar geldla in gooit. Als ze daarmee klaar is, onhandig omdat ze vreselijk trilt, kijkt ze de overvaller aan in afwachting van zijn volgende instructies. Hij gebaart dat ze de tas moet doorgeven aan de volgende baliemedewerker. ‘Geen geintjes, mensen!’ waarschuwt de overvaller zowel de baliemedewerkers als de klanten. Hoewel Zoe, door zeer ongelukkig toeval, degene is die het dichtst in de buurt van de overvaller staat, kijkt hij over haar schouder naar de beveiligingsman. Zoe laat haar armen zakken en slaat ze stevig om haar lichaam, de eerste handeling om korte metten te maken met deze versie van de tijd. Maar het gebaar trekt de aandacht van de gewapende overvaller. Hij pakt haar bij de arm, zo ruw dat de gedachte – de ontzettend stomme gedachte – ‘nee, hè, dat wordt een blauwe plek’ door haar hoofd schiet. Maar wat erger is: het terugdraaien van de tijd wordt erdoor verhinderd. ‘Pak zijn wapen,’ zegt de overvaller op dwingende toon. ‘Huh?’ Zoe’s hersenen zijn verdoofd door de afschuwelijke situatie waarin ze terechtgekomen is. Maar dat geeft hem nog niet het recht om haar met zijn vrije hand een klap te geven, zoals mensen in de film altijd doen bij iemand die hysterisch is. Zoe snapt niet waarom de schrijvers in Hollywood schijnbaar denken dat een klap een kalmerend effect zou hebben. Zelf wordt ze, met haar gloeiende, vuurrode wang, juist banger dan ooit. ‘Dat is nergens voor nodig,’ protesteert iemand met vlakke stem, en Zoe beseft dat het Jasje is, die daarnet nog zo aardig 23

23 minuten 1-208.indd 23

10-10-16 14:24


voor haar was en probeerde de boze beveiligingsman af te leiden. Nu doet hij hetzelfde met de overvaller. ‘Ze is nog maar een kind. Laat mij dat wapen pakken.’ Hij heeft zich al half naar de bewaker toe gekeerd, maar de gewapende overvaller beveelt hem: ‘Omdraaien. Mijn kant op.’ Ga nou niet zijn aandacht trekken, roept Zoe in stilte tegen Jasje. Zelf is ze er goed in geworden om niet de aandacht op zichzelf te vestigen. Alleen staat ze nu natuurlijk op mepafstand van een bloednerveuze kerel met een pistool. ‘Pak het wapen van de bewaker,’ draagt de overvaller Zoe op. ‘Nu meteen. Met je linkerhand, met twee vingers. Langzaam.’ Zoe hoopt dat iedereen kan zien dat ze dit niet uit vrije wil doet, dat ze niet bij de bankroversbende van deze man hoort. ‘Sorry,’ zegt ze tegen de bewaker. Maar nog terwijl ze haar hand uitsteekt naar het wapen van de bewaker lijkt er iets te knappen bij de overvaller. Hij begint ineens te schieten. Er wordt gegild, en mensen bedekken hun hoofd met hun handen. Zoe heeft wel eens slachtoffers van een schietpartij gezien. Ze weet hoe jammerlijk weinig bescherming je handen in zo’n geval bieden. Maar op dat moment schiet de overvaller alleen op de camera’s van de bank. Iets wat Zoe eigenlijk wel logisch vindt. Het is ook het punt waarop ze beseft: we gaan er allemaal aan. 24

23 minuten 1-208.indd 24

10-10-16 14:24


De gewapende overvaller is ergens woest over. Zoe weet niet of het komt doordat hij haar te traag vindt of doordat iemand anders iets heeft gedaan waardoor hij flipte, of doordat hij misschien een of andere grens is gepasseerd. Zoiets. Het lijkt hem niet eens meer te interesseren of Zoe het wapen van de bewaker wel of niet pakt. Hij heeft alleen nog maar oog voor de jongen in het mooie jasje. Wat heb je hem misdaan? vraagt Zoe in stilte aan Jasje. Afgezien van die ene, overduidelijke fout die hij heeft gemaakt door een grote stap te zetten. En daarmee is hij nu degene die het dichtst bij de gewapende overvaller staat, in plaats van Zoe. Hij steekt nog steeds zijn handen in de lucht, maar blijkbaar is dat niet genoeg. De gewapende overvaller pakt hem bij zijn fraaie jasje en duwt hem tegen de halfhoge balie die de bankmedewerkers scheidt van de bezoekers. Hij drukt zijn linkerarm tegen de keel van de jongeman en zet zijn pistool tegen diens slaap. ‘Doe dat wapen weg,’ schreeuwt hij tegen de bewaker. ‘Weg ermee of ik schiet die eikel door zijn kop.’ Zoe had niet eens gezien dat de bewaker zijn wapen heeft getrokken. En van alle stomme dingen die hij zou kunnen kiezen, kiest Jasje ervoor om tegen de bewaker te zeggen: ‘Niet doen.’ ‘Denk je soms dat ik bluf?’ vraagt de gewapende overvaller op barse toon. ‘Ik doe het gerust. Als je maar weet dat ik niets liever zou willen.’ Hij maakt een draaiende beweging met het pistool, alsof hij het in Jasjes hoofd probeert te schroeven. Wat er verder ook gebeurt, de bewaker doet zijn wapen niet weg. Hij komt pal naast Zoe staan, met zijn pistool op het 25

23 minuten 1-208.indd 25

10-10-16 14:24


hoofd van de overvaller gericht. Zoe ziet de hand van de bewaker trillen, en dat is beslist geen goed teken. De bankmedewerkers duiken allemaal achter hun balie, wat Zoe heel verstandig lijkt. Maak hier een eind aan, zegt Zoe tegen zichzelf. Nu meteen. Dat kan ze. Tot op zekere hoogte. Maar het heeft haar in het verleden niet altijd meegezeten met dit soort dingen. Toen ze dertien was, deed ze er steeds veel te lang over; voor haar gevoel heeft het haar járen gekost om in het jaar dat ze dertien was verschillende momenten terug te draaien, steeds in een poging de situatie te verbeteren, terwijl je als tiener van dertien nu eenmaal een tiener van dertien bent – daar valt sowieso niks aan te doen. En nog maar een paar weken geleden is er die toestand geweest met het vriendje van Delia, de situatie die ze verkeerd had ingeschat. Niet dat er aan deze situatie veel in te schatten valt. ‘Pak het geld,’ zegt de gewapende overvaller nu tegen Jasje, aangezien de zak weer is aanbeland bij de dichtstbijzijnde ­baliemedewerkster, die pal naast hen zit. ‘Deze vriendelijke mensen laten ons dadelijk naar buiten lopen, zodat ik jou niet hoef neer te schieten.’ ‘Val dood,’ zegt Jasje. Ook dat lijkt Zoe geen al te slimme opmerking. ‘Het is simpel,’ zegt de overvaller. ‘Als je meewerkt – en hoop maar dat iedereen meewerkt – dan blijf je leven. Buiten laat ik je gaan.’ ‘Dat doe je dus niet,’ spreekt Jasje hem tegen. Hij herhaalt het nog eens tegen de bewaker, alsof hij zich ervan wil verzekeren dat die het begrijpt. ‘Hij laat me nooit gaan. Niemand 26

23 minuten 1-208.indd 26

10-10-16 14:24


van ons. Er zijn hier te veel mensen die hem kunnen identificeren. Je kunt hem beter meteen neerschieten.’ Eerst geen getuigen via de camerabeelden, dan geen live­ getuigen. Het is dezelfde conclusie die Zoe al heeft getrokken toen de man de camera’s kapotschoot. Toch klampt ze zich onbewust vast aan een laatste strohalm van hoop. Je weet niet zeker of hij je gaat doodschieten, zegt ze in gedachten tegen Jasje. Beter de kans om straks misschien doodgeschoten te worden dan nu zéker doodgeschoten worden. Dat is het moment waarop ze zich afvraagt: is hij echt zo stom of is hij levensmoe? Jasje weigert de zak met geld aan te nemen van de lokettiste, die vanuit haar schuilplaats haar hand naar hem uitsteekt. De bewaker vindt blijkbaar dat Zoe in de weg staat, zo dicht in zijn buurt, en hij duwt haar weg. Maar ze struikelt over haar eigen voet, en in plaats van een stap opzij te doen, belandt ze op haar knieën op de vloer. Jasje kijkt strak naar de gewapende overvaller en zegt tegen de bewaker: ‘Schieten.’ De gewapende overvaller zegt snel: ‘Zelfs al zou die grapjas erin slagen eerder te schieten dan ik, en ook al zou hij een kogel door mijn kop jagen die meteen dodelijk is, dan nog spant mijn vinger zich meteen om de trekker, en dan ga jij er ook aan.’ ‘Ik ga er sowieso aan,’ zegt Jasje tegen de bewaker, en Zoe zou willen dat hij daar niet zo stellig van overtuigd was. ‘Anders zou hij zijn goede bedoelingen wel laten blijken door nu zijn wapen weg te doen.’ 27

23 minuten 1-208.indd 27

10-10-16 14:24


De gewapende overvaller laat zijn slechte bedoelingen blijken door geen vin te verroeren. Jasje herhaalt nog eens tegen de bewaker: ‘Schieten.’ De bewaker is niet de enige wiens hand trilt. De gewapende overvaller ziet zijn opties afnemen nu Jasje weigert mee te werken, en Zoe beseft dat dat hem nog gevaarlijker maakt. Zeg het dan, draagt Zoe zichzelf op. Je moet het nú doen. Het risico dat ze daarmee de aandacht op zichzelf zal vestigen, moet ze maar nemen. Ze slaat haar armen stevig om haar eigen lichaam heen. Ze hoeft alleen maar ‘terugdraaien’ te zeggen om dit allemaal te laten ophouden. Ze aarzelt als ze ziet dat Jasje zich schrap zet. Waarvoor? Heeft hij soms een plan? Verwacht hij dat de overvaller zal inzien dat vluchten geen zin heeft en dat hij zich gewonnen zal geven? Of denkt Jasje dat hij de man kan overmeesteren? Is hij van plan te bukken of weg te duiken of zich op zijn knieën te laten vallen in de hoop de kogel van de overvaller te ontwijken en de bewaker de gelegenheid te geven hem neer te schieten? Of zet Jasje zich schrap voor de dood? Ze kijkt recht in zijn blauwe ogen en heeft geen idee wat zich daar afspeelt als hij zegt: ‘Verdomme, schiet nou gewoon.’ En de bewaker schiet. Of het een bewuste wraakreactie is of een reflex van zijn spieren weet ze niet, maar de bankovervaller spant ook de trekker. En wat het plan van Jasje ook geweest mag zijn, het is mislukt. Tenzij hij van plan was te sterven. En daarmee keren we terug naar het begin, naar Zoe die onder de bloedspetters zit, van de overvaller en van de klant 28

23 minuten 1-208.indd 28

10-10-16 14:24


die ze aardig zou zijn gaan vinden als ze daar de tijd voor had gekregen. Het is niet alleen bloed, er zitten ook stukjes bot tussen. En nog iets anders, iets waarvan ze zichzelf vurig probeert te overtuigen dat het onmogelijk stukjes hersenweefsel kunnen zijn. Dรกt is het echte begin van het verhaal.

29

23 minuten 1-208.indd 29

10-10-16 14:24


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Leesfragment 23 minuten - Vivian Vande Velde by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu