9 78 9 4 6 0 775 2 0 8
www.vandale.nl www.vandale.be
NEDERLANDS DUITS Groot woordenboek voor school
Nederlands – Duits
D GROOT-SCHOOL 2019 - VAN DALE [31/01/2019] ▪ PPMG <VDale_FMX2019_059_ND3_fmnd_a-h ▪ 31-01-19 ▪ 10:06>
152
PAG. 0152
d [klank, letter] d, D ¿ daad 1 [verrichting] Tat . • op heter daad • auf frischer Tat • een man van de daad • ein Mann der Tat • een daad stellen • eine Tat vollbringen • de daad bij het woord voegen • etwas in die Tat umsetzen 2 [roemrijke verrichting] Tat ., Ruhmestat . de daadkracht Tatkraft . daadkrachtig tatkräftig daadwerkelijk tatsächlich, wirklich • daadwerkelijke hulp • tätige Unterstützung • daadwerkelijk verzet • aktiver Widerstand 1 daags (bn) 1 [dagelijks] täglich 2 [iedere dag dienstdoend] alltäglich, Alltags- • de daagse kleren • die Alltagskleider 2 daags (bw) 1 [per dag] täglich, pro Tag 2 [op de dag] tags, am Tag(e) • daags tevoren • tags zuvor de daalder Taler ? • [fig] op de markt is uw gulden een daalder waard • wer auf dem Markt kauft, bekommt mehr für sein Geld 1 daar (bw) 1 [ginds] da, dort; [richting] dahin, dorthin • ga daar eens staan! • stelle dich mal dahin! • de gebeurtenissen daar (ter plaatse) • die dortigen Vorgänge • hier en daar • hier und da • tot daar • bis dort(hin) 2 [om de aandacht te vestigen] da 3 [er] da ||• dat is (nog) tot daar aan toe • das geht ja noch (hin) • daar niet van • zugegeben 2 daar (vw) da, weil • daar ze ziek was, kon ze niet komen • da sie krank war, konnte sie nicht kommen daaraan daran, damit • hoe ben je daaraan gekomen? • wie bist du dazu gekommen? • daaraan heb ik het te danken, dat … • dem Umstande verdanke ich es, dass … • wat heb je daaraan? • was nützt (einem) das? • dit moet daaraan worden vastgemaakt • dies muss daran befestigt werden • de daaraan verbonden kosten • die damit verbundenen Kosten daarachter 1 [achter die plaats] dahinter • daarachter kroop hij weg • dahinter versteckte er sich 2 [achter die zaak, kwestie] dahinter • wat zou daarachter steken? • was mag (wohl) dahinter stecken? 3 [daarginds] dahinten, dort hinten daarbeneden 1 [beneden een plaats] darunter • daarbeneden ligt het dorp • dort unten im Tal liegt das Dorf 2 [onder een grens] d(a)runter, abwärts • kinderen van tien jaar en daarbeneden • Kinder von zehn Jahren und darunter daarbij 1 [bij dat] dabei, dazu • daarbij blijft het • dabei bleibts 2 [daarenboven] dazu, überdies • daarbij komt, dat … • es kommt noch hinzu, dass … ||• hoe kom je daarbij? • wie kommst du darauf? daarboven 1 [boven gelegen] (da, dort) oben, darüber • daarboven is nog een kamer • dort oben ist noch ein Zimmer 2 [boven een grens] darüber, aufwärts • kinderen van 10 jaar en daarboven • Kinder von 10 Jahren und darüber daarbuiten 1 [ginds] (da) draußen 2 [buiten die zaak] (da) draußen, (da) heraus • jij moet daarbuiten blijven • du hältst dich da heraus daardoor 1 [daar doorheen] dadurch, da hindurch 2 [om die reden] dadurch, daher • hij werd ziek, daardoor kon hij niet komen • er wurde krank, daher konnte er nicht kommen daarenboven darüber hinaus, außerdem • hij is lui en nog brutaal daarenboven • er ist faul und noch frech obendrein daarentegen dagegen, hingegen daargelaten abgesehen von • uitzonderingen daargelaten • von Ausnahmen abgesehen • het overwerk de de
153
GROOT-SCHOOL 2019 - VAN DALE [31/01/2019] ▪ PPMG <VDale_FMX2019_059_ND3_fmnd_a-h ▪ 31-01-19 ▪ 10:06>
nog daargelaten • sogar (schon) ohne die Überstunden daarginds dort, drüben daarheen dahin, dorthin daarin 1 [m.b.t. een plaats, richting] [plaats] darin; [richting] darein, dahinein • doe de boter dáárin! • tu die Butter dahinein! • daarin kun je alles inpakken • darein kannst du alles einpacken 2 [m.b.t. een zaak] darin daarmee damit • en daarmee uit! • und damit basta! daarna 1 [daarachter] danach, dann 2 [vervolgens, daaropvolgend] danach, darauf • de dag daarna • am Tag darauf daarnaar danach • kijk daarnaar! • achte darauf! • daarnaar is veel vraag • die Nachfrage danach ist groß daarnaast 1 [naast dat] daneben, nebenan • de kamer daarnaast • das Zimmer nebenan 2 [bovendien] daneben, außerdem daarnet soeben, vorhin daarom 1 [daaromheen] darum 2 [bijgevolg] darum, deshalb • daarom doe ik het juist • darum tue ich es ja gerade 3 [desondanks] darum, trotzdem • al heeft hij nogal wat fouten, daarom is hij nog niet slecht • wenn er auch manche Fehler hat, er ist darum nicht schlecht daaromtrent 1 [over die zaak] darüber 2 [ongeveer, min of meer] ungefähr • € 100,- of daaromtrent • ungefähr 100 € 3 [in die omgeving] da herum, in der Gegend daaronder darunter • er waren veel doden, daaronder ook kinderen • es gab viele Tote, darunter auch Kinder • de kosten zijn daaronder begrepen • die Kosten sind mit einbegriffen daarop darauf • de dag daarop • am darauf folgenden Tag • daarop sloot zij de deur • darauf schloss sie die Tür daaropvolgend [bn] (darauf) folgend; [bw] darauf, danach daarover darüber • denk daarover na • denk darüber nach! • daarover lag een dekzeil • darüber lag eine Plane daarstraks vorhin, soeben daartegen dagegen daartegenover 1 [tegenover die zaak] (dem)gegenüber 2 [daarentegen] demgegenüber, dagegen • daartegenover staat dat hij mij helpt • demgegenüber hilft er mir daartoe dazu • daartoe heb ik geen tijd • dazu habe ich keine Zeit daartussen dazwischen • die twee ramen en de ruimte daartussen • die beiden Fenster und der Raum dazwischen daaruit daraus • daaruit kan men afleiden dat … • daraus kann man schließen, dass … daarvan 1 [m.b.t. een plaats, kwestie, hoeveelheid] davon • wat denk je daarvan? • was hältst du davon? • daarvan komt niets • daraus wird nichts • het nut daarvan zie ik niet in • der Nutzen dieser Sache leuchtet mir nicht ein • wat zeg je daarvan? • was sagst du dazu? 2 [m.b.t. materiaal] daraus daarvandaan 1 [van die plaats af] von dort her, dorther • twee kilometer daarvandaan • zwei Kilometer von dort entfernt 2 [vandaar] daher, deshalb, deswegen daarvoor 1 [voor die plaats] davor • houd je hand daarvoor • halte deine Hand davor 2 [voor die tijd] davor, zuvor 3 [voor die zaak] dafür, darum, davor • daarvoor heb ik geen tijd • dafür habe ich keine Zeit • daarvoor heeft hij geen respect • davor hat er keinen Respekt 4 [in plaats van] dafür, stattdessen • daarvoor (in de
daarvoor PAG. 0153
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
dadaïsme A B C E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
plaats) heb ik een boek gekregen • stattdessen habe ich ein Buch bekommen 5 [wegens, vanwege] dafür het dadaïsme Dadaismus ? de 1 dadel [dadelpalm] Dattelpalme . de 2 dadel → fruit [vrucht] Dattel . 1 dadelijk (bn) 1 [onmiddellijk] sofortig, unmittelbar 2 [daadwerkelijk] tatsächlich, tätig • iedere dadelijke poging • jeder tätige Versuch 2 dadelijk (bw) 1 [aanstonds] sofort, (so)gleich • al dadelijk in het begin • schon gleich am Anfang • voor dadelijk gevraagd • per sofort gesucht 2 [bepaald] gerade, eben • niet dadelijk mooi, maar toch wel aardig • nicht gerade schön, aber immerhin nett 3 [straks] gleich • dadelijk wil je nog beweren dat … • gleich wirst du (mir) noch behaupten, dass … de dadelpalm Dattelpalme . de dadendrang Tatendrang ? de dader Täter ? • de dader van een strafbaar feit • der Straftäter • de dader ligt op het kerkhof • der Täter ist spurlos verschwunden • ontkennen de dader te zijn • die Täterschaft leugnen de daderkennis Täterwissen ¿ het daderprofiel Täterprofil ¿ de dading Vergleich ? de 1 dag → dagindeling Tag ? • het misdrijf komt aan de dag • das Verbrechen kommt ans Licht • veel scherpzinnigheid aan de dag leggen • großen Scharfsinn an den Tag legen • bij dag • tagsüber • dezer dagen • [verleden] in den letzten Tagen; [toekomst] in den nächstenTagen • vanaf dag één • vonTag eins an • [fig] zijn dag niet hebben • (s)einen schlechten Tag haben • dag in, dag uit • tagaus, tagein • in de dagen van het schrikbewind • zur Zeit der Schreckensherrschaft • werken zolang het dag is • arbeiten solange es hell ist • bij klaarlichte dag • am helllichten Tag(e) • het is kort dag • die Zeit drängt • met de dag • von Tag zu Tag • dag na dag • Tag für Tag • een verschil (als) van dag en nacht • ein Unterschied wie Tag und Nacht • om de andere dag • jeden zweiten Tag • om de acht dagen • alle acht Tage • de dag des oordeels • das Jüngste Gericht • op een dag • eines Tages • op de dag af • auf den Tag (genau) • van de ene dag op de andere • von heute auf morgen • open dag • Tag der offenenTür • aan de orde van de dag zijn • an der Tagesordnung sein • de oude dag komt met gebreken • das Alter kommt mit Beschwerden • vandaag over acht dagen • heute in acht Tagen • een dagje uitgaan • einen Tagesausflug machen • dag noch uur weten • weder Tag noch Stunde kennen • [fig] van de ene dag in de andere leven • von der Hand in den Mund leben; [zorgeloos] in den Tag hineinleben • voor dag en dauw • vor Tau und Tag • voor de dag komen • zum Vorschein kommen • met iets voor de dag komen • [nieuws] etwas zur Sprache bringen; [plan, voorwerpen] mit etwas hervortreten • [fig] zo kan ik niet voor de dag komen • so kann ich mich nicht sehen lassen • het is morgen vroeg dag • morgen fängt der Tag früh an • het wordt dag • es tagt • dag zeggen • sich verabschieden • ouden van dagen • Alte • goed voor de dag komen • [m.b.t. prestatie] sich sehen lassen können; [m.b.t. indruk, uiterlijk] einen guten Eindruck machen • tot in lengte van dagen • bis in die ferne Zukunft • elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar • viele Wenig machen ein Viel • men moet de dag niet prijzen vóór het avond is • man soll den Tag nicht vor dem Abend loben • het is niet alle dagen feest • alle Tage ist kein Sonntag
GROOT-SCHOOL 2019 - VAN DALE [31/01/2019] ▪ PPMG <VDale_FMX2019_059_ND3_fmnd_a-h ▪ 31-01-19 ▪ 10:06>
154
de dagen van de week
1/2
maandag/ma Montag/Mo. dinsdag/di Dienstag/Di. woensdag/wo Mittwoch/Mi. donderdag/do Donnerstag/Do. vrijdag/vr Freitag/Fr. zaterdag/za (vooral Z‑Du) Samstag/Sa., (nog N‑Du) Sonnabend/Sa. zondag/zo Sonntag/So.
de dagen van de week
2/2
Beispiele voorbeelden door de week in der Woche/wochentags, (Z‑Du) unter der Woche op een doordeweekse dag an einem Werktag in het weekend am Wochenende maandagmorgen (vroeg) (am) Montagmorgen maandagmorgen (laat) (am) Montagvormittag maandagmiddag (vroeg) (am) Montagmittag maandagmiddag (laat) (am) Montagnachmittag maandagavond (am) Montagabend maandagnacht is de nacht van maandag op dinsdag Montagnacht ist die Nacht von Montag auf Dienstag op maandag/iedere maandag/’s maandags am Montag/jeden Montag/montags op een maandag am Montag/eines Montags op maandag 3 januari am Montag, dem 3. Januar dit jaar valt kerstavond op een maandag dieses Jahr fällt Heiligabend auf einen Montag maandag is zij jarig am Montag hat sie Geburtstag aanstaande maandag (am) nächsten Montag afgelopen maandag (am) letzten Montag volgende week maandag (am) Montag nächster Woche vorige week maandag (am) letzten Montag/(am) Montag letzter Woche maandag over twee weken am Montag in zwei Wochen het is vandaag maandag (de vijftiende) heute ist Montag(, der Fünfzehnte) 2
het het de het de de het de
dag (tw) [begroeting] (guten) Tag!; [afscheid] (auf) Wiedersehen! dagafschrift Tagesauszug ? dagblad Tageszeitung . dagbladpers Tagespresse . dagboek Tagebuch ¿ • een dagboek (bij)houden • ein Tagebuch führen dagbouw Tagebau ? • ertsen in dagbouw winnen • Erze im Tagebau fördern dagcrème Tagescreme . dagdagelijks [Belg] tagtäglich dagdeel Tagesabschnitt ?, Tageseinheit .; [adm] halbe(r) Arbeitstag ? dagdienst 1 [een dag durende dienst] Tagesdienst ? 2 [dienst bij dag] Tagdienst ?; [in ploegendienst] Tagschicht . dagdromen [m] seinen Tagträumen nachhängent60; t60 [v en mv] ihren Tagträumen nachhängen dagelijks 1 [daags] täglich • de dagelijkse behoefte • [ook] der Tagesbedarf • de dagelijkse kleren • die Alltagskleidung • de dagelijkse spreektaal • die Alltags-
PAG. 0154
sprache 2 [gewoon] (all)täglich • het dagelijks bestuur • die Geschäftsführung; [van een gemeente] der Magistrat • in het dagelijks leven • im Alltag • de dagelijkse sleur • der (graue) Alltag 1 dagen (onov ww) [aanbreken] tagen, dämmern 2 dagen (onpers ww) [dag worden] tagen • het begint te dagen • der Tag bricht an • [fig] het begint mij te dagen • [inf] jetzt dämmert es mir 3 dagen (ov ww) [jur] vorladent72 • iemand voor de rechtbank dagen • jemanden vor Gericht laden dagenlang tagelang het dag-en-nachtritme Tag-Nacht-Rhythmus ? • een verstoord dag-en-nachtritme hebben • einen gestörten Tag-Nacht-Rhythmus haben de dageraad Tagesanbruch ?, Morgendämmerung . • met de dageraad • bei Tagesanbruch • de dageraad van de vrijheid • die Morgenröte der Freiheit het daggeld 1 [loon] Tagelohn ? 2 [vergoeding] Tagegeld ¿ de dagindeling Tageseinteilung . • een strakke dagindeling aanhouden • eine festeTageseinteilung einhalten
de het de het het de de de
de de de het de de het het de de
dagindeling Tageseinteilung
de
de ochtend (vroeg) der Morgen, (laat) der Vormittag de middag (vroeg) der Mittag, (laat) der Nachmittag de avond der Abend de nacht die Nacht de
wanneer? wann? vroeg in de ochtend/’s morgens vroeg frühmorgens halverwege de ochtend am frühen Vormittag in de loop van de ochtend im Laufe des Vormittags aan het eind van de ochtend gegen Mittag tussen de middag über Mittag aan het begin van de middag am frühen Nachmittag halverwege de middag gegen drei Uhr nachmittags in de loop van de middag im Laufe des Nachmittags aan het eind van de middag am späten Nachmittag aan het begin van de avond am frühen Abend halverwege de avond mitten am Abend in de loop van de avond im Laufe des Abends laat op de avond spätabends om middernacht um Mitternacht midden in de nacht mitten in der Nacht de de de het
dagjesmensen Ausflügler (mv) dagkaart Tageskarte . dagkoers Tageskurs ? • tegen de dagkoers • zum Tageskurs daglicht Tageslicht ¿ • [fig] iets aan het daglicht brengen • etwas ans Licht bringen • iets in een helder/verkeerd daglicht stellen • [fig] etwas in ein helles/schiefes Licht rücken • dat kan het daglicht niet velen • [fig] das geht nicht mit rechten Dingen zu • [fig] bij iemand in een kwaad daglicht staan • bei jemandem in einem schlechten Licht stehen • in het volle daglicht • im vollen Licht (des Tages) • het (eerste) daglicht zien • [fig] das Licht der Welt erblicken
155
GROOT-SCHOOL 2019 - VAN DALE [31/01/2019] ▪ PPMG <VDale_FMX2019_059_ND3_fmnd_a-h ▪ 31-01-19 ▪ 10:06>
de de
de het
de
de het de het
dagloner Tagelöhner ? dagloon Tagelohn ? dagmars Tage(s)marsch ? dagmenu Tageskarte . dagonderwijs ± Ganztagsunterricht ? dagopleiding ± Vollzeitausbildung . dagopvang Tagesstätte .; [voor kinderen ook] Tagesheim ¿ dagorde 1 [volgorde van afhandeling] Tagesablauf ?; [fig] Tagesordnung . 2 [agenda] Tagesordnung . • iets op de dagorde plaatsen • etwas auf die Tagesordnung setzen • op de dagorde staan • auf der Tagesordnung stehen dagorder Tagesorder ., Tagesauftrag ? dagpauwoog Tagpfauenauge ¿ dagprijs Tagespreis ? dagprogramma Tagesprogramm ¿ dagrecreatie Naherholung . dagreis Tagesfahrt ., Tagereise . dagretour Tagesrückfahrkarte . dagschema Tagesplan ? dagschotel Tagesmenü ¿ dagsluiting Abendandacht . dagtaak Tagesarbeit . • medewerkers met een volledige dagtaak • vollbeschäftigte Mitarbeiter • aan iets een volledige dagtaak hebben • durch etwas voll ausgelastet sein dagtekenen datieren • de brief is gedagtekend 8 febr • der Brief ist vom 8. Februar datiert • dat gebruik dagtekent uit oude tijden • dieser Brauch datiert aus alten Zeiten dagtekening 1 [datum] Datum ¿ (mv: Daten), Ausstellungsdatum ¿ (mv: Ausstellungsdaten) 2 [het dagtekenen] Datierung . dagteller → auto Tageszähler ? dagtocht Tagestour ., Tagesausflug ? dagvaarden 1 [jur] vorladent72, vor Gericht laden 2 [ter vergadering oproepen] aufrufent102, zusammenrufen dagvaarding Vorladung . dagverblijf 1 [m.b.t. personen] Tagesstätte .; [vertrek] Tagesraum ?; [in scholen] Aufenthaltsraum ?; [voor kinderen] Tagesheim ¿ 2 [m.b.t. dieren] Freigehege ¿ dagvergoeding Tagegeld ¿ dagvers täglich frisch • dagverse melk • ± Milch frisch von der Kuh dagwaarde Tageswert ? dagwerk Tagesarbeit . • een dagwerk aan iets hebben • mit etwas den ganzen Tag beschäftigt sein dahlia Dahlie . dak → auto Dach ¿ • [fig] het dak gaat eraf • es wird eine super Fete • onder dak komen • eine Wohnung bekommen • hij is onder dak • er hat eine Unterkunft; [fig] er ist unter Dach und Fach • onder één dak wonen • unter einem Dach wohnen • iemand onder dak brengen • jemanden unterbringen; [fig] jemanden unter die Haube bringen • iemand op zijn dak vallen • [fig] jemandem auf die Bude rücken • het viel me koud op mijn dak • [fig] es war eine kalte Dusche für mich • [fig] hij heeft op zijn dak gekregen • er hat eins aufs Dach bekommen • iemand/iets op zijn dak krijgen • [fig] jemanden/etwas auf den Hals bekommen • iemand iets op zijn dak schuiven • [fig] jemandem etwas aufbürden • een auto met open dak • ein Wagen mit offenem Verdeck • een leien dak • ein Schieferdach • een pannen dak • ein Ziegeldach • (van vreugde/woede) uit zijn dak gaan • (vor Freude/ Wut) außer sich3,4 geraten • het wordt al van de daken geschreeuwd • die Spatzen pfeifen es von allen
dak PAG. 0155
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
dakbedekking A B C E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Dächern • het gaat van een leien dakje • es läuft wie am Schnürchen de dakbedekking Dachhaut ., Dachbedeckung . de dakdekker Dachdecker ? de dakgoot Dachrinne ., Regenrinne . het dakje [inf] Zirkumflex ? de dakkapel Dachgaupe . dakloos obdachlos de dakloze Obdachlose(r) • de daklozenkrant Straßenzeitung ., Obdachlosenzeitung . de dakpan Dachziegel ?; [S‑vormige, holle of gewelfde] Dachpfanne . het dakraam Dachfenster ¿; [klein klapraam] Dachluke . het dakterras Dachterrasse . de daktuin Dachgarten ? het dal 1 [vallei] Tal ¿; [klein] Mulde . • het dal van de Maas • das Maastal 2 [aarde] Erdental ¿ 3 [fig; laagte] Tief ¿, Tal ¿ • hij is door een diep dal gegaan • er ist durch ein seelisches Tief gegangen • de economie bevindt zich in een dal • die Wirtschaft befindet sich in einem Tal de dalai lama Dalai-Lama ? dalen 1 [omlaaggaan] sinkent141, (ab)fallent30 • hij is zeer in mijn achting gedaald • er ist in meiner Achtung stark gesunken • het kwik daalt • die Quecksilbersäule fällt • de prijzen dalen • die Preise fallen, sinken • het vliegtuig daalt • das Flugzeug geht herunter • de weg daalt hier • der Weg fällt hier ab 2 [minder worden] fallen, nachlassent73 (hww: haben) • de dalende conjunctuur • die Konjunkturflaute • iets in waarde doen dalen • etwas im Wert herabsetzen • de koersen dalen • die Kurse fallen • verwanten in dalende lijn • Verwandte in absteigender Linie 3 [m.b.t. geluiden] sich senken, nachlassen de daler Verlierer ? [ook op de beurs] de daling 1 [het naar beneden gaan] • de daling van de prijs • der Preisrückgang; [sterk] der Preissturz • de plotselinge daling van de temperatuur • der Temperatursturz • de daling van een vliegtuig • der Senkflug • de daling van de zeespiegel • das Sinken des Meeresspiegels 2 [helling] Gefälle ¿ 3 [baisse] Rückgang ?, Abnahme . • een daling van 5% • ein Rückgang um 5% de dalmatiër Dalmatiner ? het daltononderwijs Daltonplan ?, Unterricht ? nach der Daltonmethode de daluren ± Verkehrsflaute ., Zeiten (mv) geringer Verkehrsdichte de 1 dam [waterkering] Damm ? • een dam leggen • einen Damm bauen • een dam opwerpen tegen iets • [ook fig] einen Damm gegen etwas errichten de 2 dam [damsport] Dame . • een dam halen • eine Dame bekommen het damast → stof Damast ? het dambord Damebrett ¿ de dame → aanspreekvorm 1 [beschaafde vrouw] Dame . • de dame uithangen • sich als Dame aufspielen 2 [vrouwelijke partner] Dame .; [aan tafel] Tischdame .; [in gezelschap] Begleitung . 3 [als aanspreekvorm] [enk] gnädige Frau .; [mv] meine Damen • dames en heren! • meine Damen und Herren! 4 [schaken] Dame ., Königin . de dameruil Damenabtausch ? de damesafdeling Damenabteilung . het damesblad Frauenmagazin ¿, Frauenzeitschrift . het damesdubbel Damendoppel ¿ het damesenkel Dameneinzel ¿
GROOT-SCHOOL 2019 - VAN DALE [31/01/2019] ▪ PPMG <VDale_FMX2019_059_ND3_fmnd_a-h ▪ 31-01-19 ▪ 10:06>
156
damesfiets Damenfahrrad ¿ dameskapper 1 [kapper] Damenfriseur ? 2 [kapsalon] Damen(friseur)salon ? het dameskransje Damenkränzchen ¿ de damesmode Damenmode . het damestoilet Damentoilette . het damesverband Damenbinde ., Monatsbinde . het damhert Damhirsch ? dammen Dame spielen de dammer Damespieler ?, Damespielerin . Damocles • het zwaard van Damocles • das Damoklesschwert de damp 1 [nevel, wasem] Dampf ?; [verontreinigde lucht] Dunst ? • de schadelijke damp van uitlaatgassen • der schädliche Dunst von Abgasen 2 [nat] Dampf ?, Dunst ? • damp van jodium • Joddampf 3 [rook] Qualm ? • wat hangt hier een damp! • welch ein Qualm hier! dampen 1 [damp afgeven] dampfen 2 [rook afgeven, roken] qualmen • hij zat weer flink te dampen • er qualmte wieder kräftig 3 [e‑roken] dampfen, e‑rauchen dampend 1 [damp afgevend] dampfend • dampende schotels • dampfende Schüsseln 2 [fig; hartstochtelijk] feurig, heiß de damper 1 [e‑sigaret] Dampfe . 2 [roker van e‑sigaretten] Dampfer ?, Dampferin . dampig dunstig, dampfig de dampkap [Belg] Dunstabzugshaube . de dampkring 1 [m.b.t. de aarde] Erdatmosphäre . 2 [m.b.t. andere planeten] Atmosphäre ., Gashülle . de damschijf Damestein ? het damspel 1 [spel] Damespiel ¿ 2 [partij] Partie . Dame de damsteen Damestein ? de damwand Spundwand . 1 dan (bw) 1 [op dat tijdstip] dann • nu en dan • dann und wann • tot dan! • bis dann! 2 [daarna, daarbij] dann; [vervolgens] danach, darauf • eerst werken, dan spelen • zuerst die Arbeit, dann das Spiel 3 [bijwoord van voorwaarde] dann, so • alleen dan, als … • nur dann, wenn … 4 [modaal bijwoord] denn • hebben dan alle getuigen gelogen? • haben denn alle Zeugen gelogen? • als het dan moet, dan moet het maar • wennschon, dennschon • hij heeft niet gewerkt en hij is dan ook gezakt • er hat nicht gearbeitet und er ist denn auch durchgefallen • wees dan toch eindelijk eens stil! • nun sei doch/schon endlich still! • waarom dan? • warum denn? • en wat dan nog? • na, wennschon! 2 dan (vw) 1 [na een vergrotende trap] als • groter dan ik • größer als ich 2 [na ‘ander(s)’] als • dat is anders dan je zegt • das ist anders, als du sagst 3 [na een ontkenning] außer+3 • hij heeft niemand dan zijn moeder • er hat niemanden außer seiner Mutter 4 [na ‘te’] als • hij is te trots dan dat hij zoiets zou aannemen • er ist zu stolz, als dass er so etwas annehmen würde 5 [of] oder • al dan niet gehuwd • verheiratet oder nicht verheiratet • u kunt er al dan niet gebruik van maken • Sie dürfen nach Belieben Gebrauch davon machen de dance Dance ? de dancing Dancing ¿; [ogm] Tanzlokal ¿ de dandy Dandy ? danig ordentlich, gewaltig • iemand danig toetakelen • jemanden übel zurichten • iemand danig de waarheid zeggen • jemandem ordentlich die Wahrheit sagen de dank → vragen Dank ? • iemand voor iets dank de de
PAG. 0156
betuigen • jemandem für etwas seinen Dank abstatten • geen dank! • keine Ursache! • hartelijk dank • herzlichen Dank • in dank terug • mit (vielem) Dank zurück • iets in dank aannemen • etwas mit Dank annehmen • met dank aan … • dank … • woorden van dank • Worte des Dankes • God(e) zij dank! • Gott sei Dank! dankbaar dankbar • een dankbare taak • eine dankbare Aufgabe • (iemand) dankbaar zijn voor iets • (jemandem) für etwas dankbar sein de dankbaarheid Dankbarkeit . de dankbetuiging Dankesbezeigung .; [woord van dank] Dankeswort ¿ • onder/met dankbetuiging • mit Dank 1 danken → vragen (ov ww) 1 [bedanken] danken, sich bedanken • niet(s) te danken! • keine Ursache! • (ik) dank u/je! • danke vielmals!, danke schön!; [bij weigering] nein danke! • iemand voor een cadeau danken • jemandem für ein Geschenk danken, sich bei jemandem für ein Geschenk bedanken 2 [verschuldigd zijn] verdanken • die baan dank ik (aan) jou • den Job verdanke ich dir 2 danken (onov ww) [afslaan] danken, sich bedanken • ik dank je feestelijk! • ich danke für Obst und Südfrüchte! • ik dank voor die zware taak • für diese schwere Aufgabe bedanke ich mich het dankwoord Dankeswort ¿ (vnl mv) dankzeggen 1 [bedanken] Dank sagen, sich bedanken bei 2 [een dankgebed zeggen] danksagen de dankzegging 1 [dankbetuiging] [schriftelijk] Danksagung .; [mondeling] Dankeschön ¿ • onder dankzegging voor bewezen diensten • mit Dank für erwiesene Dienste 2 [het zeggen van een dankgebed] Danksagung . dankzij dank (+ 2e of 3e nvl; in mv vnl + 2e nvl) de dans Tanz ? • een dans doen • einen Tanz tanzen • mag ik deze dans van u? • darf ich Sie um diesenTanz bitten? • iemand ten dans vragen • jemanden zum Tanz auffordern ||• de dans ontspringen • [gevaar] mit knapper Not davonkommen; [verplichting] darum herumkommen de dansavond Tanzabend ? dansen tanzen • [fig] de letters dansen voor mijn ogen • die Buchstaben tanzen mir vor den Augen de danser Tänzer ?, Tänzerin . het dansfeest Tanzfest ¿ de dansgelegenheid Tanzlokal ¿ de dansgroep Tanzgruppe . de danskunst Tanzkunst . de dansles Tanzunterricht ? de dansmuziek Tanzmusik . het dansorkest [groot] Tanzorchester ¿; [klein] Tanzkapelle . de danspas Tanzschritt ? de dansschool Tanzschule . het danstheater 1 [theat] Balletttheater ¿ 2 [gezelschap] Ballett ¿, Ballettensemble ¿ de dansvloer Tanzboden ?, Tanzfläche . dapper 1 [onverschrokken] tapfer, mutig 2 [flink] tapfer • [iron] zich dapper houden • sich tapfer halten de dar Drohne . de darm Darm ? de darmafsluiting Darmverschluss ?; [med] Ileus ? de darmflora Darmflora . het darmkanaal Darmtrakt ?, Darmkanal ? de darmkanker Darmkrebs ? de darmontsteking Darmentzündung . het dartbord Dartscheibe ., Dartboard ¿
157
GROOT-SCHOOL 2019 - VAN DALE [31/01/2019] ▪ PPMG <VDale_FMX2019_059_ND3_fmnd_a-h ▪ 31-01-19 ▪ 10:06>
dartel 1 [speels] ausgelassen, übermütig • een dartel veulen • ein verspieltes Fohlen 2 [wulps] frivol, locker dartelen tollen, sich tummeln; [van vlinders] gaukeln darten Darts spielen; [een partij] ein Dartspiel machen de darts Darts ¿ het darwinisme Darwinismus ? de 1 das 1 [stropdas] Krawatte ., ↓ Schlips ? 2 [halsdoek] Schal ? • doe een das om • binde dir einen Schal um • dat doet hem de das om • das macht ihn fertig de 2 das 1 [zoogdier] Dachs ? 2 [dashond] Dachshund ?, Dackel ? het dashboard → auto 1 [instrumentenbord] Armaturenbrett ¿, Instrumentenbrett ¿ 2 [weergave van feiten, cijfers] Dashboard ¿ (mv: Dashboards), Übersicht . het dashboardkastje → auto Handschuhfach ¿ de dashcam Dashcam ., Armaturenbrett-Kamera . de dashond Dachshund ?, Dackel ?; [vakt] Teckel ? de dasspeld Krawattennadel ., ↓ Schlipsnadel . 1 dat (aanw vnw) der (da) ?, die (da) ., das (da) ¿ • [afkeurend] dat gezanik • dieses Gequengel • ziezo, dat is dat • so, das wäre erledigt • dat is te zeggen • das heißt • dat kind • jenes Kind • [met nadruk] niet dat ervoor over hebben • überhaupt nichts dafür übrighaben • dat doet maar! • das kümmert sich um gar nichts! 2 dat (betr vnw) der ?, die ., das ¿; [na onbepaald voornaamwoord of onbepaald telw] was ¿ • het belangrijkste dat er is • das Wichtigste, was es gibt • het bericht dat hij mij bracht • die Nachricht, die er mir brachte 3 dat (vw) 1 [een afhankelijke mededeling inleidend] [alg] dass; [reden] warum; [tijdstip] wo; [vroegere tijd] als • de dag dat hij thuiskwam • der Tag, an dem er nach Hause kam • ik denk dat hij komt • ich denke, dass er kommt • de reden dat hij niet komt, is … • der Grund, warum er nicht kommt, ist … • de tijd dat zij nog werkte • die Zeit, als sie noch arbeitete 2 [+ voorzetsel; in voegwoordelijke uitdrukkingen] dass • behalve dat • außer dass • met dat ik het zei, kwam ze binnen • in dem Augenblick, wo ich es sagte, trat sie herein • in plaats dat … • statt dass 3 [omdat, opdat, zodat] [omdat] weil; [opdat] damit; [zodat] sodass, so dass • hij is kwaad, dat hij niet mee mag • er ist böse, weil er nicht mitkommen darf 4 [een gevolgaanduidende zin inleidend] dass • doe het zo, dat ik tevreden kan zijn • mach es so, dass ich zufrieden sein kann 5 [m.b.t. verwondering, ergernis] dass • dat mij nu juist zoiets moest overkomen! • dass mir nun gerade so etwas passieren musste! 6 [in uitroepende zinnen] vielleicht • een mensen dat er waren! • eine Menge Leute waren vielleicht da! 7 [voor zover] soweit, soviel • is ze handig, dat u weet? • ist sie geschickt, soweit Sie wissen? de data Daten (mv) de databank Datenbank . de database Datenbank . het databeheer Datenverwaltung . het databestand Datei . de datacompressie Datenkompression . de datakabel Datenkabel ¿ de datalimiet Datenbegrenzung ., Datenlimit ¿ de dataroaming Datenroaming ¿ de dataset Datei . de datastructuur Datenstruktur . de datatypist Datentypist ? het dataverkeer Datenverkehr ? de date [afspraakje met persoon] Date ¿, Verabredung . daten daten, treffent163 dateren datieren • ze heeft de brief gedateerd op
dateren PAG. 0157
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
datering A B C
de de
E de
F het/de
G
de
H I
eergisteren • sie hat den Brief auf vorgestern datiert • deze kwesties dateren van jaren geleden • diese Fragen bestehen seit Jahren datering Datierung . datgene dasjenige • datgene wat • dasjenige, was datingsite Datingsite ., Partnerbörse ., Singlebörse . dato am/den (genannten Tag) • drie weken na dato • drei Wochen danach • de dato • vom datrecorder DAT-Kassettenrekorder ?, Digitaltonband ¿ datsja Datscha . (mv: ook Datschen) dattum • van dattum • diesen hier! datum Datum ¿ (mv: Daten) • een datum afspreken • einen Termin vereinbaren • de melk is over datum • die Milch ist abgelaufen, das Mindesthaltbarkeitsdatum der Milch ist abgelaufen • gebeurtenissen van recente datum • Ereignisse neueren Datums de datum das Datum
J
158
1/2
O
10 maart 2020 10. März 2020 • let op het puntje 10‑03‑2020 10.03.2020 • let op de puntjes dinsdag 10 maart 2020 Dienstag, (den) 10. März 2020 op 10 maart 2020 am 10. März 2020 10 maart jl. (vóór maart:) am 10. März letzten Jahres, (na maart:) am 10. März dieses Jahres 10 maart aanstaande am kommenden/nächsten 10. März in maart 2020 im März 2020
P
de datum das Datum
Q
voorbeelden Beispiele
K L M N
2/2
de hoeveelste is het vandaag?/de hoeveelste hebben we vandaag? der Wievielte ist heute?/den Wievielten haben wir heute? het is vandaag 1 januari 2018 heute ist der 1. Januar 2018 4 januari/de vierde januari 4. Januar/der vierte Januar maandag de vierde Montag, der Vierte/den Vierten wat voor dag is de tiende? auf welchen Tag fällt der Zehnte? de tiende is een woensdag der Zehnte ist ein Mittwoch met ingang van/per/vanaf 1 januari zum/ab dem 1. Januar na 1 januari nach/ab dem 1. Januar op 1 januari am 1. Januar op z’n vroegst 1 januari frühestens am 1. Januar sinds 1 januari seit (dem) 1. Januar t/m 1 januari bis einschließlich 1. Januar tot 1 januari bis 1. Januar uiterlijk 1 januari bis spätestens 1. Januar/spätestens zum/am 1. Januar voor 1 januari vor dem 1. Januar
R S T U V W X Y Z
de de de/het
datumgrens Datumsgrenze . datumprikker Online-Terminplaner ? datumstempel Datum(s)stempel ? datzelfde dasselbe ¿, das gleiche ¿
GROOT-SCHOOL 2019 - VAN DALE [31/01/2019] ▪ PPMG <VDale_FMX2019_059_ND3_fmnd_a-h ▪ 31-01-19 ▪ 10:06>
dauw Tau ? • over de velden lag dauw • über den Feldern lag Tau dauwtrappen frühmorgens einen Spaziergang machen de daver • [Belg] iemand de daver op het lijf jagen • [doen huiveren] jemanden schaudern lassen/machen; [schrik aanjagen] jemanden in Panik versetzen daveren dröhnen, donnern daverend donnernd, dröhnend; [fig] großartig • daverend applaus • tosender Beifall • daverend gelach • dröhnendes Gelächter • een daverend succes • ein Riesenerfolg de davidster David(s)stern ? de Daviscup Daviscup ? dazen faseln, quatschen d.d. afk van de dato v. (afk van vom) de DDR afk van Duitse Democratische Republiek DDR . (afk van Deutsche Demokratische Republik) de 1 [lidwoord] der, die, das 2 [(met nadruk) de beste in zijn soort] der/die/das richtige • dé man voor dat karwei • der richtige Mann für diese Arbeit de deadline Deadline . de deal 1 [transactie] Deal … • een deal sluiten • ein Geschäft abschließen 2 [oneigenlijk] Kompromiss ? dealen dealen, handeln • hij dealt in heroïne • er dealt mit Heroin de dealer 1 [handelaar] Händler ?, Vertragshändler ? 2 [m.b.t. drugs] Dealer ? het/de debacle Debakel ¿ • een debacle beleven • ein Debakel erleiden de debardeur Pullunder ? het debat Debatte . • een debat aangaan met iemand • sich mit jemandem auf eine Debatte einlassen • vrij debat • freie Aussprache de debater Debatter ?, Debattierer ? debatteren debattieren • debatteren over iets • über etwas4 debattieren het 1 debet 1 [boekh] Debet ¿, Soll ¿ • debet en credit • Soll und Haben • een bedrag in debet boeken • einen Betrag ins Debet eintragen • debet staan • einen Debetsaldo haben 2 [schuldvorderingen] Schuldforderung . 2 debet (bn) schuldig • [fig] hij is er debet aan • er ist schuld daran de debetkaart Debitkarte . de debetnota Debetnota ., Lastschrift . de debetpost Debetposten ?, Sollposten ? de debetrente Sollzinsen (mv) het debetsaldo Debetsaldo ? de debetzijde Debetseite ., Sollseite . debiel debil het debiet 1 [afzet van waren] Absatz ? • een groot debiet hebben • reißenden Absatz finden 2 [opbrengst, productie] Ertrag ? debiteren 1 [als debet boeken] debitieren • iemand voor een zeker bedrag debiteren • jemanden mit einer bestimmten Summe debitieren 2 [in het klein verkopen] (in kleinen Mengen) verkaufen 3 [vertellen] erzählen; [fig] auftischen • leugens debiteren • Lügen auftischen de debiteur Debitor ?, Debitorin . deblokkeren 1 [ontzetten] deblockieren 2 [vrijgeven] entsperren, freigebent42 3 [vrijmaken] freigebent42 de debriefing Debriefing ¿ debuggen debuggen de debutant Debütant ?, Debütantin . debuteren debütieren, sein Debüt gebent42 het debuut Debüt ¿ de
PAG. 0158
de
de de de de
decaan 1 [deken, faculteitsvoorzitter] Dekan ? 2 [rel] Dechant ? 3 [raadgever voor studenten] Studienberater ? decadent dekadent decadentie Dekadenz . decafé koffeinfreie(r) Kaffee ? decafeïne koffeinfreie(r) Kaffee ?, entkoffeinierte(r) Kaffee ? december → maand Dezember ? [voorbeelden zie ‘januari’]
de het
de de de de de
de het de de de
de
de de het het
de de
de
de het het de het
decemberzegel Weihnachtsmarke ., ± Briefmarke . mit ermäßigtem Porto für Weihnachtskarten decennium Jahrzehnt ¿ decent dezent decentraal dezentral decentraliseren dezentralisieren deceptie Enttäuschung . decharge Entlastung . • de getuige à decharge • der Entlastungszeuge decibel Dezibel ¿ deciliter Deziliter … decimaal → breuk Dezimale ., Dezimalzahl . • een getal met vijf decimalen • eine fünfstellige Dezimalzahl decimeren dezimieren decimeter Dezimeter ¿ deck Deck ¿ declamatie Deklamation . declameren deklamieren declarant Deklarant ? declaratie 1 [onkostenrekening] Unkostenrechnung ., Spesenrechnung .; [nota] Rechnung . 2 [aangifte van in- en uitvoer] Deklaration . declaratiebasis • op declaratiebasis werken • auf Rechnung arbeiten, nur die Auslagen erstattet bekommen declareren 1 [declaratie indienen] [van gemaakte onkosten] die Unkosten geltend machen; [een nota indienen] in Rechnung stellen • zijn reiskosten declareren • seine Reisekosten einreichen 2 [aangifte doen] deklarieren declasseren deklassieren declinatie Deklination . decoder Decoder ? decoderen dekodieren decolleté Dekolleté ¿ decomprimeren dekomprimieren decor 1 [toneeluitrusting] Dekoration ., Bühnendekoration ., Bühnenbild ¿, Dekor … 2 [decorstuk] Dekorationsstück ¿ 3 [fig; achtergrond] Hintergrund ?, Kulisse . • tegen dat decor • auf diesem Hintergrund decorateur Dekorateur ?, Dekorateurin . decoratie 1 [het decoreren] Dekoration ., Dekorierung .; [het ridderen] Ordensverleihung . 2 [ordeteken] Dekoration ., Orden ? decoratief dekorativ • een decoratief effect teweegbrengen • dekorativ wirken decorbouwer Theaterhandwerker ?; [schilder] Kulissenmaler ? decoreren dekorieren • iemand decoreren • jemandem einen Orden verleihen decorontwerper Bühnenbildner ? decorstuk [alg] Kulisse .; [beweeglijk] Versatzstück ¿ decorum Dekorum ¿ • het decorum in acht nemen • die Regeln des Anstandes beachten decoupeerzaag Stichsäge . decreet Dekret ¿; [ogm] Erlass ? • een decreet uitvaardigen • ein Dekret erlassen
159
GROOT-SCHOOL 2019 - VAN DALE [31/01/2019] ▪ PPMG <VDale_FMX2019_059_ND3_fmnd_a-h ▪ 31-01-19 ▪ 10:06>
de
het de het
de de de het
het de het de het de
de
de
de het de
de de
de de de
decreteren dekretieren decrypten dechiffrieren, entschlüsseln decumul 1 [Belg] Splitting ¿ 2 [Belg; bestrijding] Abschaffung . der Ämterhäufung, Bekämpfung . der Ämterhäufung dedain Geringschätzung . deduceren deduzieren deductie Deduktion . deductief deduktiv deeg 1 [dooreengekneed mengsel] Teig ? • het deeg is gerezen • der Teig ist aufgegangen 2 [hengelsport] Köder ? deegroller Nudelholz ¿, Teigrolle . deegwaren Teigwaren (mv) deejay Discjockey ?, Plattenjockey ? deel 1 [gedeelte] Teil … • voor een groot deel • zum großen Teil • voor het grootste deel • zum größten Teil • ten dele • zum Teil • twee tiende deel • zwei Zehntel • deel uitmaken van • gehören zu • één deel zwavel op één deel salpeter • ein Teil Schwefel auf einen Teil Salpeter 2 [aandeel] Teil …, Anteil ? • elk zijn deel • jedem das Seine • hij wil zijn deel van de winst • er will seinen Anteil am Gewinn • ten deel vallen • zuteilwerden 3 [boekdeel] Band ? ||• [inf] de edele delen • die edlen Teile deelachtig teilhaftig deelakkoord Teilabkommen ¿ deelauto Teilauto ¿ deelbaar teilbar deelcertificaat Teilzertifikat ¿ deeleconomie Share Economy . deelgebied Teilgebiet ¿ deelgemeente 1 [gemeenschap] ± Stadtbezirk ?; [Oost] Gemeindebezirk ? 2 [Belg; gemeenschap] Ortsteil ?, Stadtteil ?, Ortschaft . deelgenoot 1 [iemand die met een ander iets deelt] [geheim] Mitwisser ?; [ongeluk] Schicksalsgenosse ? • iemand deelgenoot maken van een geheim • jemandem ein Geheimnis anvertrauen • iemand deelgenoot van zijn vreugde maken • jemanden an seiner Freude teilnehmen lassen 2 [compagnon] Kompagnon ?, Partner ?, Partnerin . deelhebben • deel aan iets hebben • an etwas3 beteiligt sein deelname [participatie] Teilnahme ., Beteiligung .; [medelijden] Anteilnahme . deelnemen 1 [meedoen] teilnehment88 (an+3), sich beteiligen (an+3) • deelnemen in een onderneming • an einem Unternehmen beteiligt sein 2 [meevoelen] teilnehmen (an+3), teilen • in iemands droefheid deelnemen • jemand(e)s Trauer teilen deelnemer Teilnehmer ?, Teilnehmerin . deelnemersveld Teilnehmerfeld ¿ deelneming 1 [participatie] Teilnahme ., Beteiligung . • deelneming aan een wedstrijd • Teilnahme an einem Wettkampf 2 [medelijden] Anteilnahme . • zijn deelneming betuigen • seine Anteilnahme bezeigen; [rouwbeklag] sein Beileid bezeigen • met oprechte deelneming • mit/in aufrichtiger Anteilnahme deelraad [Ned] Bezirksverordnetenversammlung . deelrepubliek Teilrepublik . deels teils, teilweise • deels om die reden, deels om een andere • teils aus diesem, teils aus einem anderen Grund deelsom Teilungsaufgabe ., Divisionsaufgabe . deelstaat Einzelstaat ?, Gliedstaat ?; [m.b.t. Duitsland, Oostenrijk] Bundesland ¿; [m.b.t. Zwitserland] Kanton ? deelstudie Einzelstudie .
deelstudie PAG. 0159
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
deeltaxi A
deeltaxi Sammeltaxi ¿ deelteken 1 [wisk] Teilpunkte (mv) 2 [trema] Trema ¿ het deeltentamen Einzelprüfung . de deeltijd • in deeltijd werken • eine Teilzeitbeschäftigung haben de deeltijdarbeid Teilzeitarbeit . de deeltijdbaan Teilzeitstelle . het deeltijdpensioen Teilzeitrente . de deeltijdstudie Teilzeitstudium ¿ (mv: Teilzeitstudien) het deeltijdwerk Teilzeitarbeit . de deeltijdwerker Teilzeitbeschäftigte(r) • het deeltje 1 [klein deel] Teilchen ¿ 2 [kleinst denkbare hoeveelheid] Teilchen ¿ 3 [klein boekdeel] Bändchen ¿ de deeltjesversneller Teilchenbeschleuniger ? de deelverzameling Teilmenge . het deelwoord Mittelwort ¿, Partizip ¿ (mv: Partizipien) • het onvoltooid deelwoord • das Partizip Präsens • het voltooid deelwoord • das Partizip Perfekt de deemoed Demut . deemoedig demütig de Deen Däne ?, Dänin . Deens dänisch • het Deens • das Dänische deerniswekkend erbärmlich, jämmerlich • er deerniswekkend uitzien • zum Erbarmen aussehen de de-escalatie Deeskalation . de-escaleren deeskalieren de defaitist Defätist ? de default Standardwert ?, Voreinstellung ., Default ¿ de defaultwaarde Defaultwert ?, Standardeinstellung . het 1 defect Defekt ?, Schaden ? 2 defect (bn) defekt de defensie Verteidigung . • de minister van Defensie • der Verteidigungsminister het 1 defensief Defensive . 2 defensief (bn, bw) defensiv, Defensiv‑, defensiv- • een defensieve positie (gaan) innemen • eine Defensivstellung beziehen • het defensieve verbond • das Defensivbündnis de deficiëntie 1 [tekort(koming)] Defizit ¿ 2 [ontoereikendheid] Mangel ?, Unzulänglichkeit . het deficit Defizit ¿ deficitair defizitär • een deficitaire begroting • ein defizitärer Haushalt het defilé Defilee ¿; [mil] Parade . • een defilé houden • ein Defilee abhalten defileren defilieren definiëren definieren • een niet te definiëren gewaarwording • eine undefinierbare Empfindung de definitie Definition . • een definitie geven • eine Definition geben • per definitie fout zijn • per definitionem falsch sein definitief definitiv; [ogm] endgültig • een definitieve versie • eine endgültige Fassung • [jur] een definitief vonnis • ein endgültiges Urteil de deflatie Deflation . deformeren deformieren defragmenteren defragmentieren deftig vornehm • een deftige buurt • ein vornehmes Viertel • van deftige familie • aus vornehmer Familie • de deftige kringen • die ersten Kreise • zich deftig uitdrukken • sich gewählt ausdrücken 1 degelijk (bn, bw) [deugdelijk] gediegen, solide • een degelijk fabricaat • ein gediegenes Erzeugnis • op degelijke gronden • aus triftigen Gründen • een degelijk huwelijk • eine solide Ehe 2 degelijk (bw) [danig] tüchtig, gründlich ||• wel dege-
160
de
3
het
B C E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
GROOT-SCHOOL 2019 - VAN DALE [31/01/2019] ▪ PPMG <VDale_FMX2019_059_ND3_fmnd_a-h ▪ 31-01-19 ▪ 10:06>
lijk • ganz bestimmt degelijk (bn) [betrouwbaar] solide, zuverlässig • een degelijk persoon • eine zuverlässige Person deftig dus niet vertalen met deftig, want dat betekent in het Nederlands stevig of ruw of flink
degen Degen ? • de degens kruisen • [ook fig] die Klingen kreuzen degene derjenige, diejenige • is hij degene die komen zou? • ist er derjenige, der kommen würde? de degeneratie Degeneration . degenereren degenerieren de degenslikker Schwertschlucker ? de degradatie Degradation ., Degradierung .; [sport] Abstieg ? de degradatiekandidaat Abstiegskandidat ? de degradatiewedstrijd Abstiegsspiel ¿ 1 degraderen (ov ww) [in rang verlagen] degradieren 2 degraderen (onov ww) [gedegradeerd worden] [in rang] degradiert werdent183; [sport] absteigen • de degraderende club • der Absteiger deinen 1 [m.b.t. de waterspiegel] [form] wogen 2 [m.b.t. vaartuigen] schaukeln • deinen op de golven • auf den Wellen schaukeln 3 [wiegen] schaukeln, (sich) wiegen • een deinende gang • ein wiegender Gang de deining 1 [golfbeweging] Seegang ?, Wellengang ?, Dünung . 2 [beroering] Aufregung . • deining veroorzaken • Aufregung verursachen de-installeren deinstallieren het déjà vu Déjà-vu-Erlebnis ¿ het dek 1 [bedekking] Decke . 2 [m.b.t. een sigaar] Deckblatt ¿ 3 [scheepsvloer] Deck ¿ • aan dek gaan • an Deck gehen • de bemanning was op (het) dek • die Besatzung war auf Deck het dekbed Bettdecke ., Oberbett ¿, Federbett ¿ het/de dekbedovertrek Bettüberzug ? het dekblad Deckblatt ¿ de 1 deken [kleed] Decke . • doorgestikte deken • Steppdecke • elektrische deken • Heizdecke • onder de dekens kruipen • unter die Decke kriechen • [fig] samen onder één deken liggen • unter einer Decke stecken de 2 deken 1 [overste, hoofd] Dekan ?; [diplomatie] Doyen ? 2 [rel; hoofd van een kapittel] Dekan ?, Propst ? 3 [rel; geestelijke] Dechant ?, Dekan ? 4 [voorzitter] Vorsitzende(r) •, Vorsteher ?, Vorsteherin . • de deken van de orde van advocaten • der Vorsteher der Anwaltskammer de dekenij [Belg] Dechanat ¿, Dekanat ¿ de dekenkist Truhe . de dekhengst Deckhengst ?, Zuchthengst ? dekken 1 [een voorwerp, laag leggen op] decken, bedecken, zudecken • de tafel dekken • den Tisch decken 2 [geheel bedekken] decken • dekkende verf • deckende Farbe 3 [overeenstemmen met] decken • die begrippen dekken elkaar • diese Begriffe decken sich 4 [verbergen] zudecken • hou je gedekt! • halt dich zurück! 5 [beschermen] decken • de aftocht dekken • den Abzug decken 6 [vergoeden] decken • deze cheque is niet gedekt • dieser Scheck ist nicht gedeckt • [fig] iemands handelwijze dekken • jemand(e)s Verhalten decken 7 [bespringen, paren] decken 8 [sport] decken, abdecken • de midvoor kort dekken • den Mittelstürmer kurz decken de dekking Deckung . • onder dekking van de nacht • de
PAG. 0160
unter dem Schutz der Nacht • deze polis geeft dekking op • diese Police bietet Deckung für • ter dekking staan • zur Deckung stehen • ter dekking van de kosten • zur Deckung der Kosten • dekking zoeken • in Deckung gehen de dekkingsgraad Deckungsgrad ? het dekkingspakket Deckungspaket ¿ het dekkingsplan Deckungsplan ? het dekkleed Decke ., Plane . de deklaag 1 [verf] Deckanstrich ?; [metaal, lak] Überzug ? 2 [gesteente] Deckschicht . 3 [wwb] Deckschicht . de deklading Deckladung . de dekmantel Deckmantel ? • onder de dekmantel van … • unter dem Deckmantel+2 de dekolonisatie Dekolonisation ., Dekolonisierung . het deksel Deckel ? deksels verflixt, verteufelt • wat een dekselse jongen! • so ein verteufelter Bursche! • deksels! • verflixt noch mal! de dekverf Deckfarbe . het dekzeil Plane . de del Schlampe . • een vieze del • eine dreckige Schlampe de delegatie Delegation . delegeren delegieren • taken aan anderen delegeren • Aufgaben an andere delegieren • gedelegeerd commissaris • delegierter Aufsichtsrat 1 delen (ww) 1 [in delen splitsen] teilen • een vertrek in tweeën delen • ein Zimmer in zwei Teile teilen • bacteriën vermenigvuldigen zich door zich te delen • Bakterien vermehren sich durch Teilung 2 [verdelen] teilen, verteilen, aufteilen; [ook] sich teilen • [comm] een bericht delen • eine Nachricht teilen • de winst delen • den Gewinn teilen 3 [m.b.t. rekenkunde] teilen, dividieren • honderd delen door tien • hundert durch zehn teilen 2 delen (onov ww) [deelnemen] beteiligt seint137 (an+3); [meeleven] teilen • iemand in de winst laten delen • jemanden am Gewinn beteiligen • iemand in zijn vreugde laten delen • mit jemandem seine Freude teilen 3 delen (ov ww) [meevoelen] teilen • een mening delen • eine Meinung teilen de deler Teiler ? • de (grootste) gemene deler • [wisk] der (größte) gemeinsame Teiler; [fig] der Durchschnitt deleten löschen de deletetoets Löschtaste . de delfstof Mineral ¿ Delfts Delfter, aus Delft delgen tilgen de deliberatie Deliberation .; [ogm] Beratschlagung .; [ogm] Überlegung . delibereren [ogm] beratschlagen, sich beratent94 • na lang delibereren werden zij het eens • nach langer Beratschlagung einigten sie sich delicaat delikat • een delicaat gestel hebben • eine delikate/zarte Gesundheit haben • een delicate zaak • eine delikate Angelegenheit de delicatesse Delikatesse . het delict Delikt ¿ • [jur] de plaats delict • der Tatort de deling Teilung . • deling in de winst • Gewinnbeteiligung de delinquent Delinquent ?, Delinquentin . het delirium Delirium ¿ (mv: Delirien) het delirium tremens Delirium tremens ¿; [ogm] Säufer-
161
GROOT-SCHOOL 2019 - VAN DALE [31/01/2019] ▪ PPMG <VDale_FMX2019_059_ND3_fmnd_a-h ▪ 31-01-19 ▪ 10:06>
wahn ? delta 1 [Griekse letter] Delta ¿ 2 [aardr] Delta ¿ 3 [rivierarmen] Flussdelta ¿, Delta ¿ 4 [vliegtuig] Deltaflugzeug ¿ het deltaplan Deltaplan ? deltavliegen Drachenfliegen ¿ de Deltawerken Deltawerke (mv), ± Abriegelung des Rhein-Maas-Schelde-Deltas im Rahmen des Deltaplans 1 delven (ww) [graven] grabent56, schaufeln, aushebent62 • een kuil delven • eine Grube ausheben 2 delven (ov ww) 1 [uitspitten] ausgrabent56 2 [mijnwezen] fördern • ertsen delven • Erze fördern de demagogie Demagogie . demagogisch demagogisch de demagoog Demagoge ? de demarcatielijn Demarkationslinie . de demarrage Ausreißversuch ? • een demarrage plaatsen • einen Ausreißversuch unternehmen demarreren ausreißent96 dement schwachsinnig • een demente grijsaard • ein seniler Greis 1 dementeren (onov ww) [verkindsen] schwachsinnig werdent183 2 dementeren (ov ww) 1 [logenstraffen] Lügen strafen 2 [ontkennen] dementieren • uitspraken dementeren • Behauptungen dementieren de dementerende Dementierende(r) • de dementie Demenz . demilitariseren entmilitarisieren demissionair [van ministers] demissioniert; [van regeringen] zurückgetreten • het kabinet is demissionair • das Kabinett hat demissioniert de demo Demo ¿ de demobilisatie Demobilisation ., Demobilmachung . demobiliseren 1 [de legersterkte terugbrengen] demobilisieren 2 [uit de krijgsdienst ontslaan] aus dem Kriegsdienst entlassent73 de democraat Demokrat ?, Demokratin . de democratie Demokratie . democratisch demokratisch 1 democratiseren (ov ww) [democratisch maken] demokratisieren 2 democratiseren (onov ww) [democratisch worden] demokratisch werdent183 de democratisering Demokratisierung . demoduleren demodulieren de demografie Demografie . demografisch demografisch de demon 1 [duivel] Dämon ? 2 [slechtaard] Teufel ? (in Menschengestalt) demonisch 1 [(als) van een demon] dämonenhaft 2 [fig; duivelachtig] dämonisch demoniseren dämonisieren de demonstrant Demonstrant ?, Demonstrantin . de demonstratie 1 [het aantonen van iets] Demonstration . 2 [pregnant; bewijs van kunnen] Probe . • een demonstratie van zijn kunnen geven • eine Probe seines Könnens geben 3 [het vertonen] Demonstration .; [ogm] Vorführung . 4 [betoging] Demonstration .; [ogm] Kundgebung . demonstratief demonstrativ het demonstratiemodel Musterexemplar ¿; [voertuig] Vorführwagen ? demonstreren demonstrieren • demonstreren tegen/voor iets • demonstrieren gegen/für etwas de demontage Demontage ., Abbau ? de
demontage PAG. 0161
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
9 78 9 4 6 0 775 2 0 8
www.vandale.nl www.vandale.be
NEDERLANDS DUITS Groot woordenboek voor school
Nederlands – Duits