Olen Steinhauer
Met geslepen messen Vertaald door Ernst de Boer en Ankie Klootwijk
Ambo Anthos Amsterdam
henry
1
Er is vertraging ontstaan bij het opstijgen van San Francisco, ik vermoed door overbelasting van de luchthaven, maar dat zal niemand ons vertellen. Op dit soort momenten, als je vastzit op de startbaan, komen er makkelijk apocalyptische gedachten op: overvolle vliegvelden, snelwegen verstopt met stilstaande suv’s met oververhitte mensen achter het stuur, smogalarm en overvolle eerstehulpafdelingen waar bloedende mensen op de gang liggen. In Californië neemt dit soort beelden groteske vormen aan en stel je je voor dat de aarde uiteen wordt gereten waardoor alle overconsumptie, al die mobieltjes, al die villa’s aan zee en al die hoopvolle aankomende sterretjes met veel lawaai in zee storten. Het voelt bijna als een zegen. Maar misschien ben ik de enige die zo denkt. Voor zover we weten is de vertraging te wijten aan een technisch probleem. We krijgen via de intercom verontschuldigingen te horen: ‘Dank u voor uw geduld’, en worden een beetje extra in de watten gelegd door de toch al afgetobde stewards van SkyWest, die met een schouderophalen reageren op vragen en strooien met ‘sorry’ alsof dat het makkelijkste woord in de Engelse taal is. De vrouw naast me waaiert zich koelte toe met een brochure van Presidio Park – sequoia’s en dicht gebladerte flitsen heen en weer en wuiven wat muffe lucht mijn kant op. Ze zegt: ‘Geen dag zonder vertraging.’ 9
‘Breek me de bek niet open.’ ‘Iemand hier heeft slecht karma bij zich.’ Ik glimlach naar haar omdat ik niet helemaal voor mezelf insta als ik haar hardop antwoord zou geven. Het is een klein toestel, een Embraer turboprop met dertig zitplaatsen, waarvan er op deze vlucht hooguit twintig zijn bezet door passagiers die sms’jes sturen naar degenen die hen in Monterey komen ophalen. Mijn buurvrouw pakt haar telefoon en tikt met haar duimen een bericht in dat begint met: ‘Je gelooft het niet...’ Ik laat mijn telefoon waar hij zit. Na een vlucht van vijftien uur en tienduizend kilometer en de massapsychose van de Amerikaanse paspoortcontrole te hebben ondergaan, lijkt de precieze tijd van aankomst onbelangrijk. Als ik jonger was geweest had ik er misschien anders over gedacht. Vroeger kon ik op internationale vluchten uitrusten voor het komende avontuur, maar op een gegeven moment lukte het me niet meer om in de lucht te dommelen – dat was in 2006 geloof ik, toen ik negenendertig was geworden. Na... nou ja, na de Flughafen. Als je eenmaal een high-definition video van honderdtwintig lijken in een vliegtuig hebt gezien, weet je dat je je nooit meer kunt ontspannen in de economyclass. Dus als ik straks eindelijk in Californië aankom, ben ik afgepeigerd. Mijn vingers voelen korter en dikker aan en mijn wangen zijn afwisselend warm en koud; van tijd tot tijd raakt mijn onderhemd doordrenkt met koud zweet. Ik probeer niet te veel na te denken over vliegtuigen en blik in plaats daarvan vooruit naar mijn bestemming. Celia Favreau, geboren Harrison. Ze zal wel blijven wachten, of niet. Een paar minuten lang weet ik mezelf er zelfs van te overtuigen dat het me niet zoveel kan schelen. Geen hartzeer, omdat ik op dit moment geen hart heb dat pijn kan doen. Als ze niet in het restaurant is, bestel ik gewoon een droge martini en wat gefrituurde schaaldieren, overpeins de aanstaande ineenstorting van de beschaving en rij dan terug naar het vliegveld voor een 10
avondvlucht naar San Francisco. Een laatste telefoontje om te controleren of alles goed is geregeld, en dan terugvliegen naar Wenen, waar ik eindelijk kan neerzijgen. Ik reis al te lang en onder veel slechtere omstandigheden om me door kleine ongemakken van mijn stuk te laten brengen. Bovendien zou mijn klus, en mijn leven, er een stuk eenvoudiger op worden als ik haar niet in de ogen hoef te kijken. Het is halfvijf als we opstijgen; een halfuur te laat. Aan de andere kant van het raampje huilen de propellers, en mijn buurvrouw haalt een ereader tevoorschijn. Ik vraag wat ze aan het lezen is, en dat leidt tot een gesprek over de sterke en zwakke punten van de hedendaagse spionageromans. Ze is halverwege een oude Len Deighton, waarin de jacht op een mol de verteller op het spoor van zijn eigen vrouw zet. ‘Dit soort verhalen wordt gewoon niet meer geschreven,’ zegt ze weemoedig. ‘Toen wist je nog wie de slechteriken waren. Maar tegenwoordig...’ Ik probeer haar te helpen. ‘Radicale islam?’ ‘Juist. Ik bedoel, wat voor vijand is dat nou eigenlijk?’ Een ongrijpbare, wil ik zeggen. Maar alweer bedenk ik me. Wanneer we een uur later landen, ben ik een hoop te weten gekomen over deze vrouw. Ze heet Barbara Jakes. Ze is opgegroeid in Seattle en verhuisde vervolgens naar Monterey met haar eerste man, die uiteindelijk met een serveerster uit Salinas de benen nam naar Los Angeles. Na een paar maanden liet de serveerster hem zitten voor een filmproducent. Hij belt zijn ex nog steeds en smeekt haar om het weer goed te maken. Maar ze is hertrouwd en is nu moeder van twee zoons – haar verschrikkingen noemt ze ze –, en ze werkt in de gezondheidszorg. In haar vrije tijd leest ze oude thrillers en kijkt ze naar wedstrijden van de National Football League met haar zoons. Sinds kort vermoedt ze dat haar nieuwe echtgenoot haar bedriegt. ‘Je gaat je afvragen,’ zegt ze tegen me, ‘of het misschien aan jou ligt dat ze vreemdgaan.’ Ik schud beslist van nee. ‘Dan zoek je de schuld bij het slachtoffer. Die valkuil moet je vermijden.’ Ik ben al een paar jaar niet meer in de vs geweest, en ik was vergeten 11
hoe snel Amerikanen heel hun hebben en houden op tafel leggen. Al na een uur neemt ze mijn advies over haar huwelijksleven aan. Dat lijkt bespottelijk, maar misschien is het dat niet. Misschien zien alleen degenen die ons helemaal niet kennen ons het duidelijkst. Misschien zijn vreemden onze beste vrienden. In Monterey vang ik een glimp op van haar echtgenoot – een man wiens lijf is vormgegeven door zachte bureaustoelen en wiens vrijetijdskleding een belachelijk accent krijgt in de vorm van een versleten heuptasje – en van een afstandje schat ik de mogelijkheid in dat hij Barbara bedriegt. Ik kijk toe terwijl hij haar weekendtas pakt en een snelle kus op haar lippen drukt voordat hij haar voorgaat naar de parkeerplaats, maar ik zie niets dat daarop wijst. Ik vraag me af of Barbara niet wat al te snel conclusies trekt, of haar ervaringen met haar vorige echtgenoot haar misschien paranoïde hebben gemaakt. Ik vraag me af – en ik weet heus wel dat ik me aan projectie schuldig maak – of de wonden van haar leven zijn gaan etteren en of die haar geliefden binnenkort misschien zullen beschadigen. Bij de Hertz-balie staat er maar één iemand voor me, een corpulente zakenman van begin zestig met een kaalgeschoren hoofd. Ik kan me niet herinneren dat hij op mijn vlucht zat, toen ik me liet afleiden door Barbara’s problemen en door niet te veel aan vliegen te denken. Nu voert hij een heftige discussie over de verborgen kosten van een vijfdeursauto – verzekering, belastingen, administratiekosten – en de baliemedewerker, een toonbeeld van Californische gastvrijheid, legt hem alles uit alsof hij het tegen een kind heeft. Uiteindelijk loopt hij weg met een nieuw stel autosleutels en alleen een kleine schoudertas. De medewerker werpt me een mat glimlachje toe. ‘Meneer?’ Ik kijk even welke auto’s er beschikbaar zijn en bestel een Chevrolet Impala, maar dan vraag ik hoeveel de cabrio in het duurdere segment kost, een Volvo C70. Twee keer zoveel. De man wacht met engelengeduld tot ik heb besloten en uiteindelijk mijn schouders ophaal. ‘De cabrio.’ 12
‘Goed meneer.’ Ik onderteken een paar formulieren en identificeer mezelf met een oud rijbewijs uit Texas, en laat alles van mijn zakelijke creditcard afschrijven. Kort daarna wandel ik naar buiten onder een bewolkte oktoberhemel, maar het is warm genoeg om mijn jasje uit te kunnen trekken. Ik ontgrendel de auto met de afstandsbediening. Even verderop zit de dikke reiziger in zijn hatchback luidkeels aan de telefoon met iemand te bekvechten, maar met het raampje dicht, zodat ik niet kan verstaan wat hij zegt. Ik haal mijn eigen telefoon tevoorschijn en zet hem aan. Na een tijdje maakt hij verbinding met at&t, en piept ten teken dat er een bericht is. Ondanks de vijf jaar en de reden waarom ik hier naartoe ben gekomen, slaat mijn hart over als ik haar naam op het schermpje zie. Blijk ik toch nog een hart te hebben. Je komt toch wel? Laat in elk geval wat horen.
Ik stuur Celia één letter, J, en stap dan in de auto. Hij start als een zonnetje.
13
2
Van: Henry Pelham <hpelman@state.gov> Datum: 28 september 2012 Aan: Celia Favreau <celiafavreau@yahoo.com> Onderwerp: Hoi C, Ik hoor van Sarah dat je het daar aan de Westkust druk hebt met geniale kinderen op de wereld zetten en de doorgaans rustige enclave op stelten zetten. Wenen is zoals het altijd is geweest; je mist niet veel. Ik moet je de groeten doen van Jake. Ik heb tegen hem gezegd dat je je hem niet zou herinneren, dus doe alsjeblieft niet alsof. Klaus Heller zegt tegen me dat hij je nog een of andere borgsom verschuldigd is. Oostenrijkers zijn zoals altijd goudeerlijk. Een schattig trekje. Hoe is het met Drew? Er gingen geruchten over een hartoperatie, maar hopelijk zijn die ongegrond. Hanna liet me wat foto’s van Evan en Ginny zien waar mijn mond van openviel. Hoe kan iemand zulke aanbiddelijke kinderen op de wereld zetten... met Drew? Ginny doet me aan jou denken.
14
Toevallig ben ik over een paar weken bij je in de buurt. Iets zakelijks in Santa Cruz. Maar op 16 oktober, een dinsdag, heb ik een dagje vrij en ik zou je graag mee uit eten nemen. Zeg jij maar waar, de overheid betaalt. En als je wilt vraag ik Klaus om die cheque. Het schijnt dat er uitstekende financiĂŤle vooruitzichten in de sterren staan. Veel liefs, H
15
3
Ik ben alleen. Dat besef dringt tot me door als ik met het dak stijlvol neergeklapt invoeg op Highway 1, waar langs de vluchtstroken bomen in bloei staan en recht voor me de bergen van de Californische Central Coast opdoemen. Te midden van schitterende landschappen doet de eenzaamheid zich scherper voelen, heb ik gemerkt. Misschien komt dat alleen doordat er niemand is om het uitzicht mee te delen. Ik weet het niet. Ik zet de radio aan. Robert Plant jammert over het land van ijs en sneeuw. Hoewel ik er in mijn snelle huurauto binnen een paar minuten zou kunnen zijn, ga ik rechts rijden en doe het kalm aan terwijl de windvlagen van alle kanten binnenwaaien. Het is een goede weg, veel prettiger dan de wegen die ik de afgelopen tien jaar gewend was – de winderige Europese wegen met hun verkeersopstoppingen, waar mensen hun auto schuin op de stoep parkeren zodat je bijna een prof moet zijn om er zonder lakschade langs te komen. Bovendien rijden hier CaliforniÍrs rond: gemoedelijk, onthaast, zo anders dan Europese mannen in hun kleine autootjes, die met een belachelijk vertoon van machismo aan je bumper kleven. Het rijdt ontspannen, het leven lijkt hier aangenaam. Ik begrijp waarom ze zich hier heeft teruggetrokken. Dat had Vick ook al gezegd in zijn kamer op de vijfde verdieping 16
van de ambassade, hoog boven de Boltzmanngasse. ‘Ze is weg,’ zei hij. ‘Ze is gelukkig. Je verdoet je tijd.’ Wat kon ik daarop antwoorden? ‘Ik weet het, Vick. Ze heeft tenslotte twee kinderen.’ ‘Nee, ik denk dat je het niet weet. Volgens mij ben je nog steeds hopeloos verliefd op die vrouw.’ Vick heeft het Celia nooit vergeven dat ze haar post zo plotseling verliet, en daarom spreekt hij haar naam liever niet uit. ‘We zijn nog steeds goeie vrienden,’ zei ik. Vick lachte. Achter hem was een heldere Oostenrijkse lucht door het raam zichtbaar. Een laagvliegend toestel was op weg naar Flughafen Wien, waar ik de volgende ochtend met mijn schoudertas door de hallen zou slenteren en zoals altijd zou vaststellen dat de Oostenrijkse efficiency elk trauma van 2006 volledig had weggeretoucheerd. ‘Nee,’ zei Vick uiteindelijk. ‘Jullie zijn níét nog steeds goeie vrienden. Zo werkt dat niet als je uit elkaar bent. En ook zij zal aan je kunnen zien, net als ik, dat je nog steeds smoorverliefd op haar bent. Na een huwelijk van vijf jaar en kinderen ben jij de laatste die ze wil zien.’ ‘Ik denk dat je een verwrongen geschiedenis van romantische verwikkelingen achter je hebt liggen, Vick.’ Hiermee wist ik hem in elk geval een glimlach te ontlokken. ‘Laten we Mack sturen. Jij geeft hem de vragen en hij reikt je de antwoorden op een dienblaadje aan. Je hoeft er niet naartoe.’ ‘Mack heeft niet door of ze liegt.’ ‘Mack is goed.’ ‘Hij ként haar niet.’ ‘Jij ook niet. Niet meer.’ Ik wist niet goed wat ik daartegen in moest brengen. Ik kon hem niet zeggen waarom ik er zelf heen wilde, maar ik had op z’n minst een voorgekookt zinnetje paraat moeten hebben, iets logisch en onweerlegbaars dat ik hem onder de neus kon houden. Het feit dat ik dat niet had duidt erop dat mijn capaciteiten beginnen af te nemen. 17
Hij zei: ‘Ze vraagt een straatverbod aan.’ ‘Doe niet zo idioot.’ ‘Ik zou dat doen, als ik haar was.’ We lieten het allebei even rusten. Het vliegtuig was verdwenen. Ik zei: ‘Hoor eens, het is een excuus om er een paar dagen uit te zijn. Om een vroegere vriendin op te zoeken. Ik zal haar een paar vragen over Frankler stellen, dan mag Uncle Sam voor het eten betalen.’ ‘En dan sluit je het af?’ vroeg hij. ‘Frankler bedoel ik.’ Frankler was het onderzoek dat me bijna twee maanden binnen had gehouden, en zoals ik vaak genoeg had gedaan in al die jaren dat we samenwerkten, loog ik tegen Vick. ‘Het ligt gevoelig. We proberen ons straatje hier schoon te vegen – ik wil alleen maar nagaan of we volledig zijn ingedekt.’ ‘Maar je hebt geen verdachte, toch? Geen feitelijk bewijs dat iemand een misdrijf heeft begaan?’ ‘Slechts het woord van één man.’ ‘Het woord van een terrorist.’ Ik haalde mijn schouders op. ‘En vlak daarna is hij verdronken in een emmer water,’ zei Vick. ‘Dus het is niet zo dat hij ooit in de getuigenbank zal staan.’ ‘Klopt.’ ‘Sluit het onderzoek dan af. Schrijf 2006 weg onder de noemer pech.’ Hij was er nog meer op gebrand dan ik om een punt achter deze zaak te zetten. ‘Ik zoek uit of Celia misschien nog iets heeft toe te voegen, en als ik terug ben steek ik er nog een week in. Oké? En dan sluiten we het af.’ ‘Je slaat wel een gat in ons budget, weet je dat?’ ‘Echt waar, Vick? Ik loop de hele dag in de kelder rond, oude dossiers boven water te halen.’ ‘Je vliegt ook.’ ‘Twee keer. In twee maanden tijd heb ik twee reisjes gemaakt om 18
met mensen van vroeger te praten. Bill Compton en Gene Wilcox. Dat kun je toch nauwelijks buitensporig noemen.’ Hij staarde me aan met die slome oogopslag van hem, aarzelde en zei toen: ‘Heb je weleens nagedacht over wat je gaat doen als je die zaak op iemand kunt vastpinnen?’ Ik had aan weinig anders gedacht. Maar ik zei: ‘Zeg jij het maar.’ Vick zuchtte. Ik ken hem al tien jaar, vanaf het moment dat ik in Oostenrijk kwam werken, en hij zucht zoals andere mensen hun knokkels knakken of kettingroken. ‘Je weet hoe het ligt, Henry. We kunnen ons niet in verlegenheid laten brengen door een rechtszaak, en het gaat hier niet om een gevangenenruil met de jihadi’s. Het liefst zou ik zelfs willen dat Langley er niets over te weten komt.’ ‘Dus wat je eigenlijk zegt, is dat je wilt dat ik de verrader executeer.’ Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Ik geloof niet dat ik iets in die trant heb gezegd.’ We keken elkaar even aan. Ik zei: ‘Nou, laten we dan maar hopen dat ik de schuldige niet vind.’ Hij zuchtte weer en staarde naar mijn handen; ik stak ze in mijn zak. ‘Wat zegt Daniels?’ vroeg hij. Larry Daniels was degene die met de theorie op de proppen was gekomen. Twee maanden geleden was hij vanuit Langley naar Wenen gevlogen om met Vick te praten over nieuwe informatie die afkomstig was van een gevangene in Guantanamo Bay, een zekere Ilias Shishani, die was opgepakt bij een operatie in Afghanistan. Een van de vele dingen die de man had losgelaten was dat hij zijn ondervragers had verteld dat een bron binnen de Amerikaanse ambassade medeplichtig was geweest aan de catastrofe die in 2006 op het vliegveld van Wenen had plaatsgevonden. Wij waren daar destijds allemaal gestationeerd: Vick, Celia, Gene, Celia’s baas, Bill, en ik. Nadat Vick Larry’s verhaal had aangehoord, had hij mij gevraagd om het onderzoek te leiden dat hij de codenaam Frankler had gegeven. ‘Larry is achtentwintig,’ bracht ik hem nogmaals in herinnering, 19
wat ik ook al had gezegd toen hij me op het Frankler-onderzoek had gezet. ‘Hij probeert een zaak op te bouwen gebaseerd op de desinformatie van een terrorist. Hij wil zijn cv maar al te graag oppompen.’ ‘Laten we het dan meteen afblazen. Daar zal Daniels wel van over de zeik gaan, maar het zou zijn bazen wel goed uitkomen als ze hem een toontje lager kunnen laten zingen en tegelijk een schandaal kunnen vermijden.’ Dat was een idee waarmee ik twee maanden lang had gespeeld. Ik mocht Larry Daniels niet – en dat gold voor de meeste mensen die hem op zijn incidentele bezoekjes aan Wenen hadden ontmoet. Hij was klein van stuk en je kreeg jeuk als je naar hem keek, met zijn vettige haar en hoge, raspende stemgeluid. Hij straalde uit dat hij beter wist wat er aan de hand was dan wie ook. Maar hij was ook slim, en als ik Frankler onder in een la zou leggen, zou Daniels het eruit halen, afstoffen en stennis maken. En belangrijker nog, hij zou me het onderzoek uit handen nemen, en dat was iets wat ik niet kon toestaan. Ik zei: ‘Hoe denk je dat we erop staan als Daniels stampij maakt in Langley? Ik moet dit uitzoeken voor zover dat mogelijk is; als ik niet met Celia ga praten zou dat een gapend gat achterlaten. En daar zou hij ons in duwen.’ Weer een zucht. ‘Probeer het snel af te ronden, wil je? Morgen levert ons al genoeg problemen op zonder dat we gisteren moeten uitpluizen. Vergeet dat niet als je je vriendin met vragen bestookt.’ Maar ik was Vick al mijlenver voor, en vanwege de afronding van Frankler rijd ik nu langzaam door het drukker wordende verkeer, starend naar borden terwijl ik vruchteloos probeer niet aan Celia te denken en aan wat zij van de ontmoeting verwacht. Een paar uur lang herinneringen ophalen, iets officieels of... iets interessanters? Op de radio hoor ik de dj zeggen dat hij de Led uit de kast gaat trekken, en ik ben verbaasd dat in de afgelopen dertig jaar, sinds ik op mijn tienerslaapkamer naar mijn oude transistor luisterde, dj’s geen betere manier hebben gevonden om van hun liefde voor Zeppelin te 20
getuigen. Hij gaat verder met te zeggen dat hij het komende uur een ‘Beatles-blokje’ heeft gepland en roept zijn luisteraars op om te bellen voor zijn ‘dolle dinsdag’. Meent hij dat nou? Heeft de commerciële radio zijn creatieve piek in 1982 bereikt? Ik zet hem uit. Links van me is een middelbare school, en rechts stuurt een bord me tussen bomen door naar de Ocean Avenue, die heuvelaf naar de kust loopt en het stadje Carmel-by-the-Sea in tweeën deelt. De maximumsnelheid daalt tot veertig kilometer per uur en ik rijd kalmpjes verder, ingeklemd tussen twee gepimpte suv’s. Carmel heeft zijn stoplichten lang geleden opgedoekt, zodat er om de paar huizenblokken een kruispunt verscholen ligt waar je van alle kanten moet stoppen. Ik heb het gevoel dat iemand me stiekem een licht kalmerend middel heeft toegediend. Ik heb nog nooit van mijn leven zo’n frisse lucht ingeademd. Uiteindelijk, na tussen de bomen korte glimpen te hebben opgevangen van kleine huizen, komt het winkelcentrum in zicht, met een middenberm vol sierbomen en links en rechts cottageachtige winkels. Winkelketens zijn hier verboden, en het centrum ziet eruit als de filmversie van een schilderachtig Engels dorpje. Let wel: geen echt Engels dorpje, maar zo een waar Miss Marple in ronddoolt en lijken tussen het antiek opduikelt. Ik rijd het centrum door tot aan de zee, langs winkelende mensen van pensioengerechtigde leeftijd die in golfoutfit hun hondjes uitlaten, en maak dan een rondje over de lusvormige zanderige parkeerplaats om in het snel afnemende licht een glimp van het schone zandstrand en de ruwe golven te kunnen opvangen. Er zitten toeristen achter me, zodat ik maar even ongestoord kan genieten voordat ik weer terugrijd naar het centrum. Ik parkeer dicht bij de hoek van Lincoln Street en wacht achter het stuur tot de avond valt. Spaarzame inwoners en toeristen, elk met hun eigen nuance van wit, slenteren over het trottoir. Ik zit midden in een geïdealiseerd beeld van een dorpje aan zee in plaats van in het ech21
te werk. Een beeld van een beeld, een volmaakte plaats om te wonen als je iets anders wilt zijn dan je vroeger was. Maar het ziet er fraai uit, en ik vraag me af of ik een kamer had moeten reserveren in plaats van een stoel op de nachtvlucht naar San Francisco. Ik zie mezelf al samen met de andere golfers door het dorpje lopen op weg naar het strand voor hun ochtendgymnastiek. De ochtendbries, de zee – het soort dingen dat je schoon spoelt na tien jaar op de ambassade in Wenen. Een zoutwassing voor de ziel. Maar na vanavond is er meer nodig dan een mooi strand om mijn ziel schoon te schrobben, en ik vermoed dat tegen de tijd dat ik op mijn terugvlucht zit, ik alleen nog maar zo snel als mijn beentjes me kunnen dragen van Carmel-by-the-Sea wil wegrennen. Nadat ik de kap van de cabrio met een druk op de knop weer heb laten dichtgaan en heb vastgezet, pak ik een telefoon uit mijn schoudertas. Het is een Siemens-telefoon met druktoetsen, die ik jaren geleden heb afgedankt omdat ik me liet verleiden door de moderne touch screens. Hij glimt niet en is niet minimalistisch, maar hij heeft een uitstekende microfoon die ik soms gebruik om ongemerkt gesprekken op te nemen. Ik zet hem aan, controleer de batterij en stel de opnamesoftware in. Ik ben zo iemand die zijn leven graag documenteert. Als het niet voor het nageslacht is, dan in elk geval om me in te dekken. In Wenen heb ik het beltegoed van de prepaid simkaart aangevuld met contant geld, en nu bel ik een nummer dat ik een week geleden ook al heb gebeld. Daarvoor had ik dat nummer al meer dan drie jaar niet gebruikt, toen ik in opdracht van Bill Compton belde, Celia’s vroegere baas. Na drie keer overgaan neemt een man met een brommerige stem op. Ik heb hem nooit ontmoet, zodat ik me er geen gezicht bij kan voorstellen. Ik zeg: ‘Spreek ik met Treble?’ Hij denkt even na. Zijn eigen codenaam wisselt al naargelang de beller, dus in gedachten (maar het zou best ook op een oude envelop naast zijn telefoon kunnen staan) neemt hij een lijst namen door. Treble betekent dat hij spreekt met... ‘Hallo Piccolo. Hoe gaat het?’ 22
‘Staat onze afspraak nog?’ ‘Een kleine sportwagen,’ zegt hij. ‘Bijzonder vrouwelijk. In Carmel-by-the-Sea.’ ‘Precies.’ Hij aarzelt. ‘Je had het toch ook over een paar brommertjes plus een ouwe Chevy?’ ‘Maar daar hoeft niets aan gedaan te worden.’ ‘Ja, ja.’ Zijn gedrag is niet bepaald vertrouwenwekkend, en ik vraag me af hoe oud hij is. ‘Ja, het is allemaal in orde. Ik ben er.’ ‘In Carmel?’ ‘Natuurlijk.’ Ik had niet gedacht dat hij er zo snel zou zijn. ‘Wanneer heb je het ook alweer nodig?’ vraagt hij. ‘Niet direct, maar over een paar dagen.’ ‘Goed dan.’ ‘Er is een kans,’ zeg ik snel, omdat ik me zorgen maak over zijn geheugen, ‘dat het niet nodig is.’ ‘Ja, dat had je al gezegd.’ ‘In dat geval betaal ik de reiskosten en de helft van je normale honorarium.’ ‘Dat weet ik. Dat is redelijk.’ ‘Goed. Ik bel je binnenkort weer.’ ‘Tot dan,’ zegt hij, en wanneer hij ophangt, denk ik: ik hoop in godsnaam van niet.
23