HOOFDSTUK 1
K
ijk! Daarboven in de lucht…
Hoger… 7
Ga door… ga door…
Yep, dat bedoel ik! Maar dan nog hoger!
WOOOOO!! Te ver! 8
Kom terug. Ja, daar. Terug, terug, terug, terug, terug, STOP!!! We zijn er.
De berg Olympus. Hier wonen de Griekse goden. En wie is de hoogste baas in dit oude rijk? Ik. Ik… ben geweldig. Ik… ben machtig. Ik… ben heerser over alles wat ik zie. Ik… ben een god. Ik… ‘Kakdonis! WAKKER WORDEN! JE KOMT TE LAAT OP SCHOOL!!’ … ik droom. Kakdonis! OPSTAAN! 9
De eerste schooldag, ook bekend als ERGSTE schooldag. Echt, is er iemand die dit leuk vindt? Ze zouden de eerste schooldag gewoon moeten verbieden en ons op de tweede dag moeten laten beginnen. Hoewel de tweede dag dan de eerste dag zou zijn en iedereen een hekel aan de tweede dag zou hebben. Dus wat schiet je daarmee op? ‘Kakdonis!!!’ Tijd om op te staan. En ja, je hebt het goed gehoord: Kakdonis. Niet Adonis. Dat is mijn broer. En nee, ik ben niet de hoogste baas van dit oude rijk. Ik ben niet geweldig. Ik ben niet machtig. Ik ben niet de heerser over alles wat ik zie… wat dat ook mag betekenen. En ik ben geen god. Niet echt. Ik ben… … een beetje anders. … een beetje gek. Ik zal het uitleggen. 10
FLASHBACK! De kraamafdeling van de berg Olympus.
Dit is mijn moeder: Freya. Noordse godin van de liefde. En zie je die gast die heen en weer loopt en in zichzelf praat? Dat is mijn vader, Zeus. De Griekse god van… ja, van alles eigenlijk. Je zou kunnen zeggen dat we een samengesteld gezin zijn. (Meer samengeráápt dan samengestéld, zou ik zeggen.) Je zou ook kunnen zeggen dat mijn vader op het punt staat om te gaan flippen, want hij en mijn moeder staan op het punt om een kind te krijgen! 11
En kijk! De baby is er! O, en wat is-ie knap. Vind je niet?
ST E R
KI
N
AR
KE
GO LV END
JE N KUI LT
B LO ND
T EE
HA
ME
E
RIN
PACK! HO E K AN EEN BAB Y NOU EEN SIX-
ZO’N G ES
? PIE RDE BUIK H EBBEN
Een goed gelukt Grieks godje. Een echte Adonis. Dus noemden ze hem – hoe kan het anders? – Adonis. Mam blij. Pap blij. Niks aan het handje, toch? Maar wacht! Dit is niet alles. Er is nóg een kind! Hallooooo! Is daar iemand? Hé! HAAL ME HIER UIT! 12
En de tweede baby is geboren! Een tweeling! Een jongen! O, en hij is… … eh… … hum… … tja… Mij.
ROMME
HA A R! A RT W LIG Z
EMANNENB LUBBE RBUIK! OUD HO E K A
N EEN BABY NOU ZO
’N B LUBBE
RBUIK H EBBE
N?
Niet echt een goed gelukt Grieks godje. Pap kijkt naar mij, kijkt naar mam, kijkt dan weer naar mij, kijkt weer naar mam, en zegt… ‘KAK!’ Hmmm. (Zelf vind ik dat ik er best leuk uitzie!) En dus noemden ze me – hoe kan het anders? – Kakdonis. 13
Snel even naar de toekomst! HELP! Ik zou willen dat ik dat niet had gedaan. Ik kijk in de spiegel en dit is wat ik zie.
ZE L FDE R HA A ROMME LIGE
NOG EEN PU KKE L
Z E L FD E DIKKE UITGEZ A KT E B LUBBE RBUIK
WIEBELT ENEN
14
En het is nog erger dan HELP, want vandaag is niet zomaar de eerste schooldag. Het is de eerste dag op de NIEUWE school. Een nieuw jaar. En hopelijk een nieuwe start.
15
HOOFDSTUK 2
S
ommigen van jullie zullen vragen: ‘Waarom een nieuw begin, Kakdonis?’ Anderen zullen vragen: ‘Waarom nóg een pukkel, Kakdonis?’ Ik kan niks zeggen over die pukkel, maar ik kan wel wat vertellen over een nieuw begin. FLASHBACK! NOG EEN KEER!
Dit ben ik op de basisschool. Basisschool Spartacus, om precies te zijn. Volgens mij groep één. (Ik vind nog steeds dat ik er best leuk uitzie!) Ahh. En ik speel in de zandbak, toch? Maar niet lang meer. Let op wat er nu gebeurt. 16
Daar is mijn broer met zijn godenvrienden. Op zoek naar wie ze nu kunnen ‘dissen’. Dat is hoe het gaat op de basisschool. De goden hadden de macht. En wie geen god was… werd ingegraven. Op de berg Olympus draait alles om de goden. Goden, goden, goden.
17
Iedereen kent de goden en hun superkrachten. Maar wat de meeste stervelingen niet weten is dat er op de berg Olympus ook nog een heleboel knakkers zijn die niet echt een god zijn.
NEPGOD EN
GEENGODEN
HALF N GODE
STERVELINGEN
MONSTERS
Sommigen van ons hebben minikrachten, of rare krachten, of krachten die niemand wil hebben, of gewoon helemaal geen kracht. En weer anderen, zoals laten we zeggen IK, weten niet eens wat hun kracht is. We kennen onze eigen krachten niet. En geloof me, ik ben al heel lang bezig om dat uit te zoeken. Tot nu toe is het vooral een kwestie van afstrepen. 18
Ik weet dus wat ik niet ben:
Ik ben niet sterk.
Ik ben niet sportief.
Ik ben niet creatief.
19
En weet je wat écht niet grappig is? Mijn broer is dat allemaal WEL!
STERK!
SPORTIEF!
CREATIEF!
20 20