Skip to main content

Leesfragment Een dag in december van Josie Silver

Page 1

21 december Laurie Het is een wonder dat mensen die gebruikmaken van het openbaar vervoer niet allemaal omvallen en sterven aan een overdosis bacillen. In de afgelopen tien minuten is er voortdurend tegen me aan gehoest en geniest, en als de vrouw vóór me nog één keer haar roos mijn kant op schudt, gooi ik het restje van mijn lauwe koffie over haar heen, dat ik niet meer kan opdrinken omdat het vol zit met haar hoofdschilfers. Ik ben zo moe dat ik als een blok in slaap zou kunnen vallen op het bovendek van deze schommelende, volgepakte bus. Godzijdank ben ik klaar met mijn werk voor kerst, want ik denk niet dat mijn hersenen of mijn lichaam nog een dienst achter de receptie van dat afschuwelijke hotel hadden aangekund. Voor de gasten is het dan misschien mooi versierd met slingers en kerstlichtjes, maar zodra je achter het gordijn stapt is het een zielloze hel. Zelfs als ik wakker ben, loop ik min of meer slaapwandelend rond. Ik ben half van plan tot het begin van het nieuwe jaar een winterslaap te houden als ik morgen ben aangekomen in de nostalgische vertrouwdheid van mijn ouderlijk huis. Het heeft altijd iets geruststellends als ik Londen tijdelijk verruil voor het rustige dorpsleven in de Midlands, waar het lijkt alsof de tijd heeft stilgestaan, en mijn intrek neem in mijn oude slaapkamer, ook al heb ik niet alleen maar gelukkige herinneringen aan mijn kindertijd. Zelfs de hechtste families hebben hun tragedies en ik kan zeggen dat die van ons zich vroeg in mijn leven heeft afgespeeld en diepe 9


wonden heeft geslagen. Ik wil er verder niet bij stilstaan, want kerst hoort een tijd te zijn van liefde en hoop, en waar ik me op dit moment nog het meest op verheug is slaap. Slaap, onderbroken door competitieve schranspartijen met mijn broer Daryl en zijn vriendin Anna en door het hele scala aan slechte kerstfilms. Want hoe zou je ooit genoeg kunnen krijgen van een ongelukkige man die buiten in de kou zwijgend borden omhooghoudt waarop hij aan de vrouw van zijn beste vriend verklaart dat zijn gebroken hart altijd aan haar zal toebehoren? Hoewel: is dat romantisch? Ik vraag het me eigenlijk af. Ik bedoel, het is een soort van romantisch, op een sentimentele manier, maar hij is ook de allerslechtste vriend ter wereld. Ik heb besloten me niet langer druk te maken om de bacillen in deze bus, want ik heb er ongetwijfeld al genoeg binnengekregen om eraan te sterven als ze dodelijk zijn. Ik laat mijn hoofd rusten tegen het beslagen raam en zie Camden High Street aan me voorbijtrekken in één grote glinstering van kerstlichtjes en helder verlichte, bedompte winkeletalages waarin van alles ligt uitgestald: van leren jassen tot prullerige souvenirs. Het is nog geen vier uur in de middag, maar toch schemert het al in Londen; volgens mij is het vandaag nooit helemaal licht geworden. De weerspiegeling in het raam zegt me dat ik de flutkrans van engelenhaar die ik van dat vreselijke mens van een manager van me moest dragen beter van mijn haar kan trekken, omdat ik eruitzie alsof ik Aartsengel Gabriël speel in een kerstvoorstelling op school, maar het is me te veel moeite. Niemand anders in de bus kan het iets schelen: de zweterige freak naast me niet, die meer dan de helft van het bankje in beslag neemt terwijl hij in slaap is gedommeld achter een krant van gisteren, de groep scholieren niet, die naar elkaar zitten te schreeuwen op de achterste banken in de bus, en de vrouw met roos vóór me – met haar oorbellen van glinsterende sneeuwvlokken – al helemaal niet. De ironie van deze sieradenkeuze ontgaat me niet; als ik een bitch was ge10


weest, had ik op haar schouder geklopt en haar erop gewezen dat die oorbellen de aandacht vestigen op de sneeuwstorm van huidschilfers die ontstaat bij iedere zwaai van haar hoofd. Maar ik ben geen bitch; of misschien ben ik er stilletjes eentje vanbinnen. Is iedereen dat niet? Jemig, bij hoeveel haltes gaat deze bus nog stoppen? Ik ben slechts een paar kilometer van mijn appartement verwijderd en hij zit al voller dan een veewagen die naar de markt gaat. Kom op, denk ik. Rijden, breng me naar huis. Hoewel het thuis behoorlijk saai zal zijn nu mijn huisgenote Sarah naar haar ouders is. Ik mis haar nu al verschrikkelijk. Nog ĂŠĂŠn dag en dan ben ik hier ook weg, stel ik mezelf gerust. De bus komt schokkend tot stilstand aan het einde van de straat en ik zie hoe onder me een grote stroom mensen zich een weg naar buiten baant, terwijl anderen tegelijkertijd naar binnen proberen te dringen. Het lijkt wel alsof ze denken dat het een wedstrijd is om te zien hoeveel mensen er in een kleine ruimte passen. Op een van de klapstoeltjes in het bushokje zit een jongen. Dit kan niet zijn bus zijn, want hij wordt volledig in beslag genomen door het boek dat hij in zijn handen heeft. Hij valt me op omdat het geduw en getrek dat zich vlak voor hem voltrekt volledig aan hem voorbij lijkt te gaan, als in een film met van die coole special effects, waarin iemand helemaal stilstaat terwijl de wereld een beetje wazig om hem heen draait. Ik kan zijn gezicht niet zien, alleen de bovenkant van zijn rossige haar, dat niet te kort is geknipt en zal golven als het nog langer groeit, zo stel ik me voor. Hij is dik ingepakt in zijn wollen jekker en een sjaal die eruitziet alsof iemand hem voor hem heeft gebreid. Het is een kitscherig ding en contrasteert nogal met de rest van zijn coole outfit: donkere skinny jeans en laarzen. Hij gaat volledig op in het boek. Ik veeg met mijn mouw het beslagen raam schoon en probeer met gebogen hoofd te zien wat hij leest. 11


Ik weet niet of het de beweging van mijn arm over het glas is of de flikkerende oorbellen van de vrouw met de hoofdroos die hij vanuit zijn ooghoeken ziet, maar hij kijkt op en knippert een paar keer met zijn ogen terwijl hij zijn aandacht op mijn raam richt. Op mij. We staren elkaar recht aan en ik kan niet wegkijken. Ik voel mijn lippen bewegen, alsof ik iets wil zeggen, God weet wat, en opeens wil ik uit de bus stappen. Ik voel een onbedwingbare drang om naar buiten te gaan, naar hem toe. Maar ik doe het niet. Ik verroer geen vin, omdat ik weet dat het me nooit gaat lukken om langs die freak naast me te komen en me een weg te banen door de volgepakte bus voordat hij weer gaat rijden. Dus besluit ik in een fractie van een seconde te blijven zitten en hem met mijn blik vol wanhopig verlangen over te halen in de bus te stappen. Hij is niet zo knap als een filmster en is ook geen perfecte klassieke schoonheid, maar hij heeft een air van arrogante onverzorgdheid en onverschilligheid die me fascineert. Ik kan hiervandaan niet goed zien welke kleur ogen hij heeft. Groen, zou ik zeggen, of misschien blauw? En dit is het gekke: misschien is het ijdele hoop, maar ik weet zeker dat hij door dezelfde bliksemflits is getroffen, alsof een onzichtbare schicht ons op onverklaarbare wijze met elkaar heeft verbonden. Ik zie een elektrische schok van herkenning in zijn grote ogen. Het lijkt alsof hij een tweede, ongelovige blik op me werpt, iets wat je zou doen als je toevallig je oudste en beste vriend ziet, die je al eeuwen niet meer hebt gezien en van wie je niet kan geloven dat hij het echt is. Het is een blik die tegelijkertijd zegt ‘Hallo!’ en ‘O mijn god, je bent het echt’ en ‘Wat ontzettend leuk om je weer te zien’. Zijn ogen richten zich op de slinkende rij voor de ingang van de bus en daarna weer op mij, en het is alsof ik de gedachten die door zijn hoofd schieten kan horen. Hij vraagt zich af of het raar zou zijn als hij in de bus zou stappen, wat hij zou moeten 12


zeggen als we niet van elkaar gescheiden werden door het glas en de meute, en of hij zich belachelijk zou maken als hij met twee treden tegelijk de trap op zou rennen om bij me te komen. Nee, probeer ik hem door te geven, nee, je zal je niet belachelijk maken. Daar zorg ik wel voor. Stap nou maar gewoon in die verdomde bus! Hij kijkt me recht aan en dan verschijnt er een flauw glimlachje om zijn volle lippen, alsof hij het niet kan inhouden. En dan lach ik terug, lichtzinnig bijna. Ik kan het ook niet tegenhouden. Stap alsjeblieft in. Plotseling neemt hij een besluit: hij slaat zijn boek dicht en stopt het in de rugzak tussen zijn voeten. Hij loopt naar voren en ik hou mijn adem in en druk mijn hand plat tegen het glas om hem aan te sporen haast te maken, ook al hoor ik het tergende gesis van de deuren die zich sluiten en de ruk waarmee de handrem eraf gaat. Nee! Nee! Waag het eens weg te rijden van deze halte! Het is kerst! Ik zou het wel willen uitschreeuwen, ook al voegt de bus zich inmiddels tussen het verkeer en gaat hij steeds harder rijden, terwijl hij buiten adem op straat staat toe te kijken hoe we wegrijden. Ik zie dat verslagenheid het licht in zijn ogen dooft en omdat het kerst is, en omdat ik net tot over mijn oren verliefd ben geworden op een vreemdeling bij een bushalte, blaas ik hem een wanhopige handkus toe, leun ik met mijn voorhoofd tegen het raam en kijk hem na totdat hij uit het zicht is verdwenen. Dan bedenk ik opeens iets. Shit. Waarom heb ik niet een pagina uit de krant van die ongelukkige man naast me gescheurd en iets voor hem opgeschreven? Dat had ik kunnen doen. Ik had ook mijn telefoonnummer op het beslagen raam kunnen schrijven of het kleine ruitje kunnen openen en mijn naam en adres kunnen roepen. Ik kan een hele reeks dingen bedenken die ik had kunnen en moeten doen, maar op het moment zelf kwam niet ĂŠĂŠn van die dingen in me op, omdat ik mijn ogen gewoon niet van hem kon afhouden. 13


Voor de toeschouwers moet het een Oscar-waardige stomme film van zestig seconden zijn geweest. Vanaf nu zal ik iedereen die vraagt of ik wel eens op het eerste gezicht verliefd ben geworden antwoorden met: ja, ĂŠĂŠn glorieuze minuut lang op 21 december 2008.

14


2009


Goede voornemens Ik heb maar twee voornemens dit jaar, maar wel twee grote, schitterende, geweldige. 1) Hem vinden, de jongen van de bushalte. 2) Mijn eerste echte baan vinden bij een tijdschrift. Verdorie. Ik wou dat ik ze met potlood had opgeschreven, want dan zou ik ze uitgummen en de volgorde omdraaien. Het allerliefst zou ik eerst de onwijs coole aanstelling bij een tijdschrift vinden en daarna de busjongen tegen het lijf lopen in een café, terwijl ik iets gezonds vasthoud als lunch dat hij onhandig uit mijn handen slaat, waarna hij opkijkt en zegt: ‘O, ben jij het. Eindelijk.’ En dan slaan we de lunch over en gaan in plaats daarvan in het park wandelen, omdat onze trek is verdwenen maar we de liefde van ons leven hebben gevonden. Dat dus. Wens me geluk.

17


20 maart Laurie ‘Is dat hem? Ik kreeg echt een bus-achtig gevoel van hem net.’ Ik kijk in de richting waarin Sarah knikt en speur met mijn blik het drukke vrijdagavondcafé af. Het is een gewoonte van ons geworden om iedere keer als we uitgaan alle gezichten in de menigte langs te gaan op zoek naar de ‘busjongen’, zoals Sarah hem doopte toen we in januari onze kerstervaringen uitwisselden. De festiviteiten bij haar familie in York waren een stuk minder verfijnd dan mijn gezellige, met eten overladen kerstfeest in Birmingham, maar we zijn allebei naar het winterse Londen teruggekeerd met een nieuwjaarsdip. Vol zelfmedelijden gooide ik mijn treurige ‘liefde op het eerste gezicht’-verhaal op tafel en ik had er meteen spijt van. Niet dat ik Sarah niet vertrouw met mijn verhaal; het is meer dat ze hem vanaf dat moment nog liever wil vinden dan ik. En ik word stilletjes steeds gekker op hem. ‘Waar?’ Ik tuur naar de zee van mensen die voornamelijk bestaat uit achterhoofden van onbekenden. Ze rimpelt haar neus terwijl ze probeert te bedenken hoe ze mijn speurende blik naar haar jongen kan leiden. ‘Daar, in het midden, naast die vrouw met de blauwe jurk.’ Haar kan ik makkelijker onderscheiden: haar kaarsrechte gordijn van platinablond haar vangt het licht als ze haar hoofd achterovergooit en naar de jongen naast zich lacht. Hij heeft ongeveer de juiste lengte. Zijn haar lijkt hetzelfde en de lijn van zijn schouders in zijn donkere shirt vertoont een 18


schokkende gelijkenis. Hij zou iedereen kunnen zijn, maar hij zou ook de busjongen kunnen zijn. Hoe langer ik naar hem kijk, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat de zoektocht voorbij is. ‘Ik weet het niet,’ zeg ik terwijl ik mijn adem inhoud omdat we zo dicht bij hem zijn. Ik heb hem zo vaak beschreven dat Sarah waarschijnlijk beter weet hoe hij eruitziet dan ik. Ik wil dichterbij schuifelen. Dat ben ik zelfs al aan het doen als Sarah haar hand op mijn arm legt om me tegen te houden, aangezien hij net zijn hoofd vooroverbuigt om het gezicht van de blondine te kussen, die onmiddellijk mijn minst favoriete persoon op aarde is. O god, volgens mij is het hem! Nee! Zo zou het niet mogen gaan. Elke avond voor het slapengaan heb ik vele varianten van deze scène voor mijn ogen laten afspelen, maar het eindigde nooit, ik herhaal nooit, zoals nu. Soms is hij met een groep vrienden in een kroeg, andere keren zit hij alleen in een café te lezen, maar wat echt nooit gebeurt is dat hij een schitterende blonde vriendin heeft met wie hij zit te zoenen. ‘Shit,’ mompelt Sarah terwijl ze mijn wijnglas in mijn hand drukt. We kijken toe hoe hun zoen voortduurt en voortduurt. Jezus, kennen die mensen geen grenzen? Hij laat zijn handen nu gretig over haar rug gaan, waarmee hij alle fatsoensnormen die gelden in een druk café overtreedt. ‘Mensen, gedraag je,’ moppert Sarah. ‘Hij is toch niet je type, Lu.’ Ik ben zwaar teleurgesteld. Zo erg, dat ik het glas gekoelde wijn in een keer achteroversla en huiver. ‘Ik denk dat ik wil gaan,’ zeg ik terwijl ik mijn tranen nauwelijks kan bedwingen. Dan stoppen ze opeens met zoenen en trekt ze haar jurk recht. Hij mompelt iets in haar oor, draait zich om en loopt recht op ons af. Ik weet het meteen. Hij loopt vlak langs ons en ik begin bijna te lachen van opluchting. ‘Het is hem niet,’ fluister ik. ‘Hij lijkt niet eens op hem.’ Sarah rolt met haar ogen en blaast de adem uit die ze moet 19


hebben ingehouden. ‘Jezus, godzijdank. Wat een smeerlap. Weet je dat ik op het punt stond hem te laten struikelen?’ Ze heeft gelijk. De jongen die zich net langs ons wurmde liep over van eigendunk. Terwijl hij op weg was naar het toilet veegde hij met een zelfvoldane grijns de rode lippenstift van het meisje van zijn mond. God, ik heb meer drank nodig. De zoektocht naar de busjongen duurt nu al drie maanden. Ik kan hem maar beter snel vinden, anders eindig ik nog in een afkickkliniek. Als we later terug zijn in Delancey Street schoppen we onze schoenen uit en ploffen neer op de bank. ‘Ik heb eens nagedacht,’ zegt Sarah, die zich tegenover me aan het andere uiteinde van de bank heeft uitgestrekt. ‘Ik heb een nieuwe collega die je misschien leuk zult vinden.’ ‘Ik wil alleen de busjongen,’ zucht ik melodramatisch als in een kostuumdrama. ‘Maar wat nou als je hem vindt en hij een eikel blijkt te zijn?’ Onze ervaring in het café heeft haar duidelijk ook aan het denken gezet. ‘Vind je dat ik moet stoppen met zoeken?’ vraag ik terwijl ik mijn zware hoofd optil van de bankleuning om haar aan te kijken. Ze heft haar armen ten hemel. ‘Ik zeg alleen dat je rekening moet houden met onvoorziene omstandigheden.’ ‘Voor het geval hij een eikel is?’ Ze steekt haar duimen omhoog omdat het haar waarschijnlijk te veel moeite kost haar hoofd op te tillen. ‘Misschien is hij wel een verwende, snobistische, arrogante zak,’ zegt ze. ‘Of misschien heeft hij een vriendin. Of, jezus Lu, misschien is hij wel getrouwd.’ Ik hap letterlijk naar adem. ‘Echt niet!’ sputter ik tegen. ‘Hij is single en hij is adembenemend en hij wacht ergens op me tot ik 20


hem vind.’ Ik voel het met de volle overtuiging van een dronken vrouw. ‘Of misschien is hij wel op zoek naar mij.’ Sarah richt zich op met haar ellebogen en kijkt me aan. Haar lange, golvende rode haar zit helemaal in de war en haar mascara is uitgelopen. ‘Ik zeg alleen dat we, dat jij, misschien onrealistische verwachtingen hebt en dat je, dat wij, wat voorzichtiger moeten zijn. Dat is alles.’ Ik weet dat ze gelijk heeft. Mijn hart begaf het bijna eerder deze avond in het café. We kijken elkaar aan en ze klopt met haar hand op mijn been. ‘We vinden hem wel,’ zegt ze. Het is zo’n simpel gebaar van solidariteit, maar in mijn aangeschoten toestand krijg ik er een brok van in mijn keel. ‘Beloofd?’ Ze knikt en trekt een kruis over haar hart. Een grote, snotterige snik verlaat mijn keel omdat ik moe ben en baal en omdat ik me het gezicht van de busjongen soms niet meer voor de geest kan halen en bang ben dat ik vergeet hoe hij eruitzag. Sarah gaat rechtop zitten en droogt mijn tranen met de mouw van haar shirt. ‘Niet huilen, Lu,’ fluistert ze. ‘We blijven net zo lang zoeken tot we hem hebben gevonden.’ Ik knik en laat me weer achterovervallen om naar het grof gestuukte plafond te kijken dat onze huisbaas al sinds we hier een paar jaar geleden introkken belooft opnieuw te schilderen. ‘Ja, we zullen hem vinden. En hij zal perfect zijn.’ Ze is even stil en beweegt dan vaag met haar wijsvinger over haar voorhoofd. ‘Dat is hem geraden. Anders grafeer ik “eikel” midden op zijn voorhoofd.’ Ik knik. Haar loyaliteit wordt gewaardeerd en is wederzijds. ‘Met een roestig scalpel,’ zeg ik om het gruwelijke beeld nog wat aan te dikken. 21


‘En dan raakt het ontstoken en valt zijn hoofd eraf,’ mompelt ze. Ik doe mijn ogen dicht en moet stilletjes lachen. Totdat ik de busjongen vind, is Sarah degene van wie ik het meeste hou.

22


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Leesfragment Een dag in december van Josie Silver by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu