Skip to main content

Josie Silver - In een ander leven

Page 1

Wakker Donderdag 10 mei Freddie Hunter, ook wel bekend als de grote liefde van mijn leven, is zesenvijftig dagen geleden gestorven. Het ene moment vervloekte ik hem omdat hij te laat was en mijn verjaardagsdinertje verpestte, het volgende moment probeerde ik de aanwezigheid van twee politieagentes in uniform in mijn woonkamer te bevatten, van wie er een mijn hand vasthield terwijl ze tegen me praatte. Ik staarde naar haar trouwring en vervolgens naar mijn verlovingsring. ‘Freddie kan niet dood zijn,’ zei ik. ‘We gaan volgend jaar trouwen.’ Waarschijnlijk kan ik me uit zelfbehoud moeilijk herinneren wat er daarna precies gebeurde. Ik weet nog dat ik met de politieauto snel naar de spoedeisende hulp werd gereden en dat mijn zus me staande hield toen mijn benen het begaven in het ziekenhuis. Ik weet nog dat ik Jonah Jones de rug toekeerde toen hij met nauwelijks een schrammetje in de wachtkamer verscheen. Alleen zijn hand zat in het verband en hij had een oogverband over één oog. Hoe oneerlijk is dat? Er stappen er twee in de auto en slechts een komt er weer uit. Ik weet nog wat ik aanhad: een nieuwe groene blouse, die ik speciaal voor het etentje had gekocht. Ik heb hem weggegeven aan een liefdadigheidswinkel omdat ik hem nooit meer wil dragen. Sinds die verschrikkelijke dag heb ik talloze keren mijn her-

13


senen gepijnigd om me elk woord van mijn laatste gesprek met Freddie te herinneren, maar het enige wat ik me herinner is dat ik op hem mopperde omdat hij te laat dreigde te komen in het restaurant. En dan volgen de andere gedachten. Reed hij te hard om mij een plezier te doen? Was het ongeluk mijn schuld? God, ik wou dat ik had gezegd dat ik van hem hield. Als ik had geweten dat het de laatste keer was dat ik hem sprak, had ik dat gedaan. Natuurlijk had ik dat dan gedaan. Sinds het is gebeurd, heb ik soms gewenst dat hij nog net lang genoeg had geleefd om nog één gesprek met elkaar te kunnen voeren, hoewel ik niet weet of mijn hart dat had aangekund. Het is misschien maar goed dat de laatste keer dat je iets doet wat van groot belang is, onaangekondigd aan je voorbijgaat: de laatste keer dat mijn moeder me ophaalde van het schoolplein en mijn kleine handje geruststellend vasthield, de laatste keer dat mijn vader aan mijn verjaardag dacht. Weet je wat de laatste woorden waren die Freddie tegen me zei toen hij op mijn achtentwintigste verjaardag naar me terug racete? ‘Over en uit.’ Het was een gewoonte, iets wat hij al jaren zei. Onbeduidende woorden die nu een van de belangrijkste zinnen in mijn leven zijn geworden. Maar ik denk dat het typisch iets voor Freddie was om met die woorden zijn laatste adem uit te blazen. Hij had enorm veel levenslust en een nonchalante houding, maar bezat ook een dodelijk competitief trekje. Hij was luchthartig, maar ook levensgevaarlijk, zou je kunnen zeggen. Ik heb nooit eerder iemand ontmoet die altijd precies wist wat hij moest zeggen. Hij was heel goed in andere mensen laten geloven dat ze hadden gewonnen, terwijl hij in werkelijkheid precies had gekregen wat hij wilde. Hij rolde de reclamewereld in en schoot als een meteoor omhoog, altijd jagend op de volgende prijs. Hij was de stralende ster onder ons, degene die altijd iemand zou zijn of iets zou

14


doen waardoor mensen zich zijn naam nog lang nadat hij weg was zouden blijven herinneren. En nu ís hij verdomme weg. Hij heeft zijn auto in de prak gereden tegen een eik en het voelt alsof iemand me aan flarden heeft gesneden en een knoop in mijn luchtpijp heeft gelegd. Het voelt alsof ik niet genoeg lucht in mijn longen krijg. Ik krijg geen adem en verkeer voortdurend op het randje van een paniekaanval. Mijn huisarts heeft me eindelijk iets gegeven zodat ik kan slapen, nadat mijn moeder gisteren tegen hem had staan schreeuwen in de woonkamer: een maandvoorraad van een nieuwe slaappil, die hij eigenlijk liever niet wilde voorschrijven omdat hij vindt dat rouw iets is wat ik ‘bewust moet doormaken om daarna opnieuw te verrijzen’. Ik verzin dit niet, een paar weken geleden zei hij precies die woorden tegen me, waarna hij me met lege handen achterliet en naar huis ging, naar zijn springlevende vrouw en kinderen. Het feit dat ik om de hoek woon van mijn moeder is in meer of mindere mate zowel een zegen als een vloek. Als ze bijvoorbeeld haar befaamde kipschotel maakt en ons een schaal komt brengen, nog warm uit de oven, of als ze op weg naar haar werk even langswipt om antivries op mijn voorruit te spuiten op een koude novemberochtend: die keren is haar nabijheid een zegen. Maar op andere momenten, wanneer ik bijvoorbeeld in bed lig met een kater en ze me fronsend aankijkt alsof ik nog steeds zeventien ben, of wanneer ik een paar dagen niet heb opgeruimd en ze haar neus ophaalt alsof ik zo’n obsessieve verzamelaar ben die geholpen moet worden door een interventieteam van een realityprogramma: op die momenten is haar nabijheid een vloek. Idem dito wanneer ik ongestoord probeer te rouwen en ze me komt opzoeken als de gordijnen in de woonkamer om drie uur ’s middags nog dicht zijn en ik dezelfde pyjama draag als de dag

15


ervoor, en de dag dáárvoor, en ze thee voor me zet die ik vergeet op te drinken en sandwiches voor me maakt die ik achter in de koelkast leg als ze boven de badkamer aan het schoonmaken is of de vuilnis buitenzet. Ik begrijp het natuurlijk wel. Ze is erg bezorgd om me, vooral nu. Ze liet de huisarts letterlijk beven van angst toen hij aarzelde slaappillen voor te schrijven. Eigenlijk weet ik bij God niet of ik die pillen wel moet nemen, hoewel het idee van vergetelheid erg verleidelijk is. Ik weet niet waarom ik God erbij haal. Freddie was een overtuigd atheïst en zou dat ook altijd zijn gebleven, en ik ben op zijn minst ambivalent, dus ik denk niet dat God er iets mee te maken heeft dat ik deelneem aan een klinische proef voor rouwende nabestaanden. De huisarts adviseerde me mee te doen aan de medicijnproef, waarschijnlijk omdat mijn moeder de hoogste dosis valium eiste en deze nieuwe pillen worden aangeprezen als een mildere, meer holistische optie. Om heel eerlijk te zijn kan het me eigenlijk niets schelen wat ze zijn. Ik ben officieel het verdrietigste en meest vermoeide proefkonijn ter wereld. Je moet weten dat Freddie en ik een fantastisch bed hebben. Het klinkt misschien gek, maar het Savoy Hotel veilde zijn bedden voor een habbekrats om plaats te maken voor nieuwe, en dit bed is werkelijk een droomeiland van epische proporties. Eerst haalden mensen hun wenkbrauwen op: kopen jullie een tweedehands bed? Waarom zou je dat in godsnaam doen, had mijn moeder ontsteld uitgeroepen, alsof we een afgedankt veldbed hadden gekocht van een daklozenopvang. Deze mensen met bedenkingen hadden duidelijk nog nooit in het Savoy gelogeerd. Ikzelf trouwens ook niet, maar ik had op tv iets gezien over hun handgemaakte bedden en ik wist precies wat ik in huis haalde. En zo kwamen we in het bezit van het meest comfortabele bed in de wijde omgeving, waarin Freddie en ik op talloze zondagochtenden ontbijtjes hebben verorberd en waarin we hebben

16


gelachen, gehuild en hartstochtelijk gevreeën. Toen mijn moeder een paar dagen na het ongeluk zei dat ze de lakens voor me had verschoond, bezorgde ze me onopzettelijk een acute, gierende inzinking. Het was alsof ik van een afstand naar mezelf keek: ik klampte mezelf snikkend vast aan het deurtje van de wasmachine terwijl de lakens ronddraaiden in het sop en de laatste sporen van Freddies huid en geur werden weggespoeld. Mijn moeder was helemaal overstuur en probeerde me op te tillen van de vloer terwijl ze mijn zus om hulp riep. We eindigden dicht opeengepakt op de houten keukenvloer terwijl we naar de lakens keken en we waren allemaal in tranen omdat het zo verdomd oneerlijk is dat Freddie er niet meer is. Sindsdien heb niet meer in het bed geslapen. Ik heb zelfs helemaal niet meer goed geslapen. Ik doe alleen af en toe een dutje: met mijn hoofd op tafel naast mijn onaangeroerde ontbijt, op de bank weggekropen onder Freddies winterjas, zoals nu, en zelfs rechtopstaand en leunend tegen de koelkast. ‘Kom op, Lyds,’ zegt mijn zus terwijl ze zachtjes mijn schouder schudt. ‘Ik ga wel met je mee naar boven.’ Ik kijk gedesoriënteerd naar de klok omdat het klaarlichte dag was toen ik mijn ogen sloot, maar inmiddels is het al zo schemerig dat iemand, ik neem aan Elle, de lampen heeft aangedaan. Het is typisch iets voor haar om zo zorgzaam te zijn. Ik heb haar altijd gezien als een betere versie van mezelf. We lijken fysiek op elkaar in lengte en bouw, maar zij heeft donker haar en bruine ogen, terwijl ik blond ben. Ze is ook aardiger dan ik, vaak zelfs te aardig voor haar eigen bestwil. Ze is hier al het grootste deel van de middag. Ik denk dat mama een rooster heeft opgesteld om ervoor te zorgen dat ik nooit langer dan een paar uur alleen ben. Ze heeft het waarschijnlijk opgehangen aan de zijkant van haar koelkast, naast de boodschappenlijst die ze de hele week

17


aanvult en het eetdagboek dat ze bijhoudt voor haar dieetklasje. Ze houdt van lijstjes, mijn moeder. ‘Waar boven?’ zeg ik terwijl ik wat rechterop ga zitten en naar het glas water en het potje met pillen in Elles handen kijk. ‘Naar bed,’ zegt ze op licht dwingende toon. ‘Ik lig hier prima,’ mompel ik, hoewel onze bank niet bepaald comfortabel is om op te slapen. ‘Het is nog niet eens bedtijd. We kunnen ook kijken naar...’ Ik gebaar met mijn hand naar de televisie in de hoek en probeer me een van de soaps te herinneren. Ik zucht, geïrriteerd over het feit dat mijn vermoeide brein er niet op kan komen. ‘Je weet wel, met die pub en die kale mannen en dat geschreeuw.’ Ze lacht en rolt met haar ogen. ‘Je bedoelt EastEnders.’ ‘Ja, die,’ zeg ik afwezig terwijl ik de kamer afspeur naar de afstandsbediening om de tv aan te zetten. ‘Dat zal nu wel afgelopen zijn. Bovendien heb je al zeker vijf jaar niet naar EastEnders gekeken,’ zegt ze gedecideerd. Ik trek een verontwaardigd gezicht. ‘Echt wel. Je hebt, eh, die vrouw met die lange oorbellen, en, eh, die vrouw die wordt gespeeld door Barbara Windsor,’ zeg ik terwijl ik mijn kin omhoogsteek. Elle schudt haar hoofd. ‘Allebei dood,’ zegt ze. Wat erg voor ze, denk ik, en wat erg voor hun families. Elle steekt haar hand uit. ‘Het is tijd om naar bed te gaan, Lydia,’ zegt ze vriendelijk maar beslist, en ze klinkt meer als een verpleegster dan een zus. Er prikken hete tranen in mijn ogen. ‘Ik denk niet dat ik dat kan.’ ‘Dat kun je,’ zegt ze resoluut, nog steeds met uitgestoken hand. ‘Wat moet je anders doen? Voor de rest van je leven op de bank slapen?’ ‘Zou dat zo erg zijn?’

18


Elle gaat naast me zitten en pakt mijn hand terwijl ze de pillen op haar schoot legt. ‘Ja, dat zou erg zijn, Lyds,’ zegt ze. ‘Als het Freddie was geweest die alleen achter was gebleven in plaats van jij, zou je toch ook willen dat hij goed sliep?’ Ik knik verdrietig. Natuurlijk zou ik dat willen. ‘Sterker nog, je zou hem niet met rust laten totdat hij ging slapen,’ zegt ze terwijl ze met haar duim over mijn knokkels wrijft en ik bijna stik in de enorme brok die ik sinds Freddies dood in mijn keel heb. Ik zie dat ze een kleine, felroze pil in haar hand schudt. Is dat alles wat er nodig is om me erbovenop te krijgen? Zal ik na een paar weken goed slapen weer helemaal in topvorm zijn en klaar om te gaan? Elle blijft me onafgebroken aankijken en er rollen tranen over mijn wangen als ik besef hoe kapot ik ben. Ik heb een emotioneel en fysiek dieptepunt bereikt. Dat hoop ik tenminste, want ik denk niet dat ik het overleef als ik nog dieper wegzak. Ik pak de pil met trillende vingers aan, stop hem in mijn mond en slik hem door met wat water. Als we voor mijn slaapkamerdeur staan, draai ik me om naar Elle. ‘Ik moet dit alleen doen,’ fluister ik. Ze strijkt mijn sluike haar uit mijn ogen. ‘Weet je het zeker?’ Haar donkere ogen bestuderen mijn gezicht. ‘Ik kan bij je blijven tot je slaapt, als je dat fijn vindt?’ Ik kijk naar de vloer en huil zoals gewoonlijk. ‘Ik weet dat je zou kunnen blijven,’ zeg ik terwijl ik haar hand pak en stevig vasthoud. ‘Maar ik denk dat het beter is...’ Ik kom niet op de juiste woorden. Ik weet niet of dat komt doordat de pil begint te werken of omdat er simpelweg geen juiste woorden zijn. Elle knikt. ‘Ik ben beneden als je me nodig hebt, oké? Ik ga nergens heen.’ Mijn vingers krullen zich om de deurgreep. Ik heb de deur

19


gesloten gehouden sinds de dag waarop mijn moeder het beddengoed verschoonde, omdat ik op weg naar de badkamer geen enkele glimp wilde opvangen van het smetteloze bed. In mijn hoofd heb ik er een soort ontoegankelijke plaats delict van gemaakt, die afgezet is met gele tape. ‘Het is maar een bed,’ fluister ik terwijl ik de deur langzaam openduw. De toegang wordt niet geblokkeerd door gele tape en er zijn geen monsters onder het bed. Maar Freddie Hunter is er ook niet en dat is meer dan hartverscheurend. ‘Het is maar een bed,’ zegt Elle terwijl ze haar hand troostend op mijn rug legt. ‘Een plek om te rusten.’ Maar dat is niet waar. We weten allebei dat het zoveel meer is dan dat. Deze kamer, mijn en Freddies slaapkamer, was een van de belangrijkste redenen waarom we dit huis kochten. Hij is fris en baadt in het daglicht dankzij de lage schuiframen en de honingkleurige houten vloer, waar tijdens heldere zomernachten het maanlicht in strepen op valt. Iemand, waarschijnlijk Elle, is al binnen geweest om het nachtlampje aan mijn kant van het bed aan te doen, waardoor ik word verwelkomd door een plas van warm licht, hoewel de zon nog niet helemaal onder is. Ze heeft zelfs het dekbed teruggeslagen en het lijkt meer op een hotelkamer dan een slaapkamer. Als ik de deur dichtdoe, ruik ik de overweldigende geur van frisgewassen beddengoed. Geen sporen van mijn parfum vermengd met Freddies aftershave, geen verkreukelde overhemden die achteloos over de fauteuil geslingerd zijn of schoenen die uitgeschopt zijn voordat ze de vloer van de klerenkast hebben bereikt. Het is hier nu supernetjes. Ik voel me als een bezoeker in mijn eigen leven. ‘Het is maar een bed,’ fluister ik opnieuw als ik op de rand van het matras zit. Ik ga aan mijn kant van het bed liggen, rol me op onder het dekbed en sluit mijn ogen. We hebben veel te veel uitgegeven aan beddengoed dat past

20


bij ons Savoy-bed: witte katoenen lakens met een hogere draaddichtheid dan in de meeste hotels waar ik ooit heb gelogeerd. Als ik mijn lichaam tussen de lakens laat glijden, voel ik dat ze al warm zijn. Elle heeft er een warme kruik voor me tussen gestopt om de kou die gepaard gaat met schone lakens weg te nemen. Mijn bed, ons bed, omhelst me als een oude vriend die ik te lang heb genegeerd. Ik lig op mijn kant van het matras en mijn lichaam doet pijn van het verdriet en mijn armen strekken zich als vanzelf uit om hem te vinden. Ik duw de warme kruik naar zijn kant van het bed om de lakens op te warmen voordat ik er zelf ga liggen, met de kruik tegen mijn borst gedrukt. Ik begraaf mijn natte gezicht in zijn kussen en loei als een gewond dier, een geluid dat even vreemd als oncontroleerbaar is. Maar dan neemt het langzaam af. Mijn hartslag wordt rustiger en mijn ledematen worden loodzwaar. Ik lig in een warm, veilig holletje en voor het eerst in zesenvijftig dagen ben ik niet volkomen verloren zonder Freddie. Ik ben niet verloren, want terwijl ik in een weldadige slaap val, kan ik bijna voelen hoe hij met zijn volle gewicht het matras indrukt, zijn lichaam lepeltje-lepeltje tegen me aan ligt en zijn regelmatige ademhaling in mijn nek blaast. Red me uit deze donkere, onbekende wateren, Freddie Hunter. Ik trek hem dicht tegen me aan en snuif zijn geur op terwijl ik in een diepe, vreedzame slaap val.

21


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook