1
Er was eens, honderd jaar geleden, een donker, vechtlustig meisje. Ze was Russisch, en ook al waren haar haar en haar ogen van nature donker en waren haar vingernagels de hele tijd zwart, vechtlustig was ze alleen als ze vond dat het absoluut noodzakelijk was. Wat best vaak voorkwam. Ze heette Feodora. Ze woonde in een houten huis, gebouwd van bomen uit de omringende bossen. De muren waren bekleed met schapenwol om de Russische winter buiten te houden en de binnenkant werd verlicht met stormlampen. Feo had de lampen alle kleuren uit haar verfdoos gegeven, zodat het huis met rood-, groen- en geelgekleurde lichten het bos in scheen. Haar moeder had eigenhandig de deur getimmerd en geschuurd, waarvan het hout twintig
9
centimeter dik was. Feo had hem sneeuwblauw geverfd. De wolven hadden er in de loop van de jaren krassen aan toegevoegd, wat hielp om onwelkome bezoekers te weren. Alles – maar dan ook alles – begon met een klop op de sneeuwblauwe deur. Al was ‘kloppen’ niet het juiste woord voor deze herrie, vond Feo. Het klonk alsof iemand probeerde met zijn knokkels een gat in het hout te slaan. Kloppen was sowieso raar. Er klopte nooit iemand; er waren alleen zij, haar moeder en de wolven. Wolven kloppen niet. Als ze naar binnen willen, komen ze door het raam, of het openstaat of niet. Feo zette de ski’s die ze aan het invetten was tegen de haard en luisterde. Het was vroeg en ze had haar nachtpon nog aan. Ze had geen badjas, maar trok de trui aan die haar moeder had gebreid en die tot aan het litteken op haar knie kwam en rende naar de voordeur. Haar moeder was in een peignoir van berenvel gewikkeld en keek net op van het vuur dat ze in de woonkamer had aangestoken. ‘Ik doe wel open!’ Feo trok met beide handen aan de deur. Hij klemde; ijs had de scharnieren vastgekit. Haar moeder stak een hand naar haar uit. ‘Wacht! Feo!’ Maar Feo had de deur al opengetrokken, en voor ze achteruit kon springen, sloeg die naar binnen en kwam tegen de zijkant van haar hoofd. ‘Au!’ Feo struikelde en kwam zittend op haar enkel terecht. Ze zei iets waardoor de vreemdeling die zich langs haar heen naar binnen drong zijn wenkbrauwen en lip optrok.
10
De man had een gezicht dat uit rechte hoeken bestond: een vooruitstekende neus en rimpels op boze plekken, diep genoeg om schaduwen te werpen in het donker. ‘Waar is Marina Petrovna?’ Hij stampte de gang door en liet een sneeuwspoor achter. Feo kwam op haar knieën omhoog – en viel terug toen nog twee mannen in grijze jassen en zwarte laarzen haar voorbijstampten en daarbij op een haar na haar vingers pletten. ‘Opzij, meisje.’ Tussen hen in droegen ze, hangend aan zijn poten, het lichaam van een jonge eland. Hij was dood en er druppelde bloed uit een wond. ‘Wacht!’ zei Feo. Beiden droegen de hoge bontmutsen van het keizerlijke leger van de tsaar en hadden een overdreven officiële uitdrukking op hun gezicht. Feo rende hen achterna en bracht haar ellebogen en knieën alvast in stelling. De twee soldaten lieten de eland op het vloerkleed vallen. De huiskamer was klein en de twee jongemannen waren lang en besnord. De snorren leken het grootste deel van de kamer in beslag te nemen. Van dichtbij leken ze nauwelijks ouder dan zestien; maar de man met de deurbeukvuisten was oud, en het oudst aan hem waren zijn ogen. Feo’s maag kromp ineen. De man zei over Feo’s hoofd heen iets tegen haar moeder. ‘Marina Petrovna? Ik ben generaal Rakov.’ ‘Wat wilt u?’ Marina stond met haar rug tegen de muur. ‘Ik ben bevelhebber van het keizerlijke leger van de tsaar, over een gebied van Sint-Petersburg tot vijftienhonderd kilometer verder naar het zuiden. Ik ben hier omdat jouw wolven dit hebben gedaan,’ zei hij. Hij gaf de eland
11
een schop. Bloed verspreidde zich over zijn glanzend gepoetste laars. ‘Míjn wolven?’ Haar moeders gezicht stond kalm, maar haar ogen stonden niet kalm, en ook niet blij. ‘Ik bezit geen wolven.’ ‘Je laat ze hierheen brengen,’ zei Rakov. Zijn ogen hadden een kilte die je niet zou verwachten bij iets wat leefde. ‘Daardoor vallen ze onder jouw verantwoordelijkheid.’ Zijn tong was geel gevlekt van de tabak. ‘Nee. Nee, niets daarvan,’ zei Feo’s moeder. ‘Andere mensen sturen de wolven als ze ze beu zijn: aristocraten, rijken. Wij maken ze weer wild, meer niet. En wolven kun je niet bezitten.’ ‘Liegen zal je niet helpen, vrouwtje.’ ‘Ik ben geen…’ ‘Die drie wolven waarmee ik je kind zie. Zijn die niet van jou?’ ‘Nee, natuurlijk niet!’ begon Feo. ‘Die zijn…’ Maar haar moeder schudde beslist haar hoofd en gebaarde naar Feo dat ze haar mond moest houden. Feo beet toen maar in haar haar om niks te zeggen en stopte haar vuisten gevechtsklaar in haar oksels. Haar moeder zei: ‘Ze zijn alleen in zoverre van haar zoals ik van haar ben en zij van mij is. Het zijn Feo’s metgezellen, niet haar huisdieren. Maar die beet is niet het werk van de Zwarte, de Witte of de Grijze.’ ‘Klopt.’ zei Feo. ‘Die is van een veel kleinere wolf.’ ‘Jullie vergissen je,’ zei Rakov, ‘als jullie denken dat ik excuses wil horen.’ Zijn stem werd steeds minder officieel: luider, met rauwe randjes.
12
Feo probeerde rustig adem te halen. Ze zag de twee jongemannen naar haar moeder kijken: eentje liet zijn mond openhangen. Marina had brede schouders, een brede rug en brede heupen; ze had spieren die je over het algemeen bij mannen zag, of meer nog bij wolven, dacht Feo. Maar een bezoeker had ooit gezegd dat haar moeders gezicht op dat van een sneeuwluipaard of een heilige leek. ‘Een aardse godin,’ had hij gezegd. Feo had toen net gedaan of ze niet trots was. Rakov leek ongevoelig voor haar moeders schoonheid. ‘Ik ben gestuurd om een schadevergoeding voor de tsaar te innen. Je bent de tsaar honderd roebel schuldig. En probeer geen spelletje met me te spelen.’ ‘Ik heb geen honderd roebel.’ Rakov sloeg met zijn vuist tegen de muur. Hij was verbazend sterk voor zo’n oude, verschrompelde man; het hout trilde. ‘Vrouw! Protesten of excuses interesseren me niet. Ik ben gestuurd om gehoorzaamheid en orde af te dwingen van deze godvergeten plek.’ Hij keek omlaag naar zijn rood bespatte laars. ‘De tsaar beloont succes.’ Zonder waarschuwing gaf hij de eland zo’n harde schop dat diens poten flapperden. Feo siste van afschuw. ‘Jij daar!’ De generaal stapte op haar af, boog naar voren tot zijn gezicht, dooraderd en papierachtig, nog maar een paar centimeter bij het hare vandaan was. ‘Als ik een kind had met een blik die zo brutaal was als die van jou, kreeg ze een pak slaag. Ga daar zitten en blijf uit mijn ogen.’ Hij duwde haar achteruit, maar het kruis dat om zijn hals hing, raakte verward in Feo’s haar. Hij trok het met
13
geweld los en liep terug de gang in. De soldaten volgden hem. Marina gaf Feo een teken dat ze moest blijven waar ze was – hetzelfde gebaar dat ze voor wolven gebruikte – en rende ze achterna. Feo wachtte in de deuropening tot het gezoem in haar oren minder werd; toen hoorde ze een kreet en iets breken, en ze rende, glijdend op haar sokken, de gang door. Haar moeder was er niet, maar de soldaten waren Feo’s slaapkamer binnengedrongen. Feo deinsde achteruit: de kamer stonk naar rook en zweet en naar baarden die al een jaar niet meer gewassen waren. Een van de soldaten had een onderbeet waarmee hij zo uit zijn neus had kunnen eten. ‘Niks wat de moeite waard is,’ zei een van de soldaten. Zijn ogen gleden over haar sprei van rendiervel, over de stormlamp, en bleven rusten op haar ski’s die tegen de haard leunden. Feo nam een spurt en ging er beschermend voor staan. ‘Deze zijn van mij!’ zei ze. ‘Ze hebben niets met de tsaar te maken. Ik heb ze gemaakt.’ Het had haar per ski een hele maand gekost om ze elke avond bij te snijden en glad te maken met vet. Feo greep er een in beide vuisten als was het een speer. Ze hoopte dat het geprik in haar ogen niet te zien was. ‘Ga mijn kamer uit.’ Rakov glimlachte, maar niet vriendelijk. Hij pakte Feo’s lamp en hield hem omhoog in het ochtendlicht. Feo graaide ernaar. ‘Wacht!’ zei Marina. Ze stond in de deuropening. Op haar wang zat een blauwe plek die er eerst niet had gezeten. ‘Ziet u niet dat dit de kamer van mijn dochter is?’
14
De jongemannen lachten. Rakov deed niet mee: hij staarde ze alleen maar aan tot ze rood werden en stilvielen. Hij liep naar Feo’s moeder, bestudeerde de plek op haar wang, boog zich naar voren tot het puntje van zijn neus haar huid raakte en snuffelde. Marina stond doodstil, met haar lippen stijf op elkaar. Toen gromde Rakov en wierp de lamp naar het plafond. ‘Tsjort!’ schreeuwde Feo, en ze dook weg. De glasscherven regenden neer op haar schouders. Ze deed een uitval naar de generaal en zwaaide in het wilde weg met haar ski. ‘Weg!’ zei ze. ‘Weg!’ De generaal lachte, greep de ski en wrong hem uit haar handen. ‘Ga zitten en gedraag je voor ik kwaad word.’ ‘Eruit!’ zei Feo. ‘Zitten! Of je ligt straks naast die eland.’ Marina leek met een schok tot leven te komen. ‘Wat? Denkt u mijn kind te kunnen bedreigen? Bent u gek geworden?’ ‘Ik walg van jullie alle twee.’ Rakov schudde zijn hoofd. ‘Het is weerzinwekkend om met die beesten te leven. Wolven, dat is ongedierte met tanden.’ ‘Dat is…’ Het gezicht van Feo’s moeder drukte honderd verschillende vloeken uit voor ze zei: ‘onjuist.’ ‘En uw dochter is ongedierte als ze met die wolven omgaat. Ik heb verhalen over jullie gehoord… Je bent een ontaarde moeder.’ Marina stootte een geluid uit dat Feo pijn deed aan haar oren, iets tussen een snik en gesis in. Hij ging door: ‘Er zijn scholen – in Vladivostok – waar ze de waarden van een góéde moeder zou leren: van Moe-
15
dertje Rusland. Misschien dat ik haar daarnaartoe stuur.’ ‘Feo,’ zei Marina, ‘ga naar de keuken en wacht daar. Nu meteen, alsjeblieft.’ Feo stoof de kamer uit, liep om de deur heen, bleef aarzelend staan en tuurde door de kier van de scharnieren. Toen haar moeder Rakov aankeek, gloeide haar gezicht van boosheid en van andere, meer ingewikkelde dingen. ‘Feo is mijn kínd. Godallemachtig, weet u niet wat dat betekent?’ Marina schudde ongelovig haar hoofd. ‘Ze is een heel leger van mannen als u waard. Mijn liefde voor haar is iets wat je alleen kunt onderschatten als je een heel krachtige doodswens hebt. De liefde van een ouder voor een kind… is als vuur.’ ‘Wat lastig voor je.’ Rakov streek met zijn hand over zijn kin. ‘Wat wil je daarmee zeggen? Een beetje snel, graag.’ Hij veegde zijn laars af aan het bed. ‘Je wordt vervelend.’ ‘Wat ik wil zeggen, is dat u met uw handen van mijn dochter af moet blijven als u er prijs op stelt dat ze aan uw armen blijven zitten.’ Rakov snoof. ‘Klinkt niet erg vrouwelijk.’ ‘Juist wel. Voor mij klinkt het door en door vrouwelijk.’ Rakov keek naar Marina’s vingers, waarvan er twee hun topje misten, en toen naar haar gezicht. Zijn gezicht stond angstaanjagend: het had iets onbeheersts. Marina keek hem recht aan. Rakov knipperde het eerst met zijn ogen. Hij gromde en beende met grote passen de deur uit. Feo week achteruit en rende hem vervolgens achterna de keuken in.
16
‘Jullie maken het jezelf niet gemakkelijk,’ zei hij. Zijn gezicht vertoonde geen enkele emotie toen hij de zijkant van de eetkamertafel beetgreep en die omgooide. Feo’s lievelingsmok viel kapot op de vloer. ‘Mama!’ riep Feo. Toen haar moeder de keuken binnen kwam snellen, greep ze haar moeders jas en hield die stevig in haar knuist. Rakov keek niet eens haar kant op. ‘Neem de schilderijen mee,’ zei hij. Ze hadden er drie, elk schilderij met kubussen in gedurfde kleuren en zo gerangschikt dat ze aan mannen en vrouwen deden denken. Marina vond ze mooi. Feo sprak haar niet tegen. ‘Nee, niet doen!’ zei ze. Dat is mama’s Malevich. Het was een cadeau! Wacht! Hier. We hebben dit!’ Ze trok haar gouden ketting van haar hals en hield hem de jongste soldaat voor. ‘Hij is van goud. Hij was van mama’s moeder voor ik hem kreeg, dus hij is oud. Oud goud is meer waard.’ De soldaat beet op de ketting, snoof eraan, knikte en gaf hem aan Rakov. Feo holde naar de voordeur om die open te doen. Ze bleef ernaast staan terwijl de sneeuw naar binnen waaide en haar sokken bedekte. Haar hele lijf beefde. ‘Nu moeten jullie gaan.’ Marina kneep haar ogen heel even dicht, deed ze toen weer open en glimlachte naar Feo. De twee soldaten spuugden onverschillig op de vloer en liepen de sneeuw in. ‘Ik waarschuw niet nog een keer,’ zei Rakov. Hij deed alsof hij de open deur en de sneeuwjacht niet zag. ‘Bevel van de tsaar. Hij wil niet hebben dat zijn dieren afgeslacht
17
worden door wolven die júllie hebben leren jagen. Als de mensen uit de stad jullie wolven sturen, schiet je die van nu af aan dood.’ ‘Nee!’ zei Feo. ‘Dat kunnen we niet! We hebben trouwens geen geweer! Zeg het tegen hem, mama!’ Rakov lette niet op haar. ‘U zult die bijgelovige idioten die hun belachelijke huisdieren naar u toe sturen laten weten dat u de beesten weer hebt losgelaten in de wildernis en daarna schiet u ze dood.’ ‘Nee,’ zei Marina. Al het bloed leek uit haar gezicht weggetrokken. Feo kreeg er buikpijn van; ze wenste dat ze een geweer had om op de man in de deuropening te richten. Rakovs jas bolde op toen hij zijn schouders ophaalde. ‘U kent de straf voor degenen die tegen de bevelen van de tsaar in handelen? Weet u nog wat er met de oproerkraaiers in Sint-Petersburg is gebeurd? Dit is de laatste waarschuwing die u krijgt.’ Hij liep naar de voordeur, en in het voorbijgaan wees hij met een gehandschoende vinger naar Feo’s borst. ‘Dat geldt ook voor jou, meisje.’ Hij gaf haar een harde por tegen haar sleutelbeen. Feo sprong achteruit. ‘Als we dit kind met een wolf zien, zullen we de wolf doodschieten en het kind meenemen.’ Hij sloeg de deur met een klap achter zich dicht.
18
Later die dag zaten Feo en haar moeder bij het vuur. Glasen porseleinscherven waren opgeveegd, de eland was in ijs gepakt en in de houtschuur opgeslagen. Feo had hem netjes willen begraven, met een kruis en een begrafenisdienst, maar haar moeder had nee gezegd: ze moesten er misschien van eten als de winter nog langer zou duren. Feo liet haar hoofd op haar moeders schouder rusten. ‘Wat gaan we nu doen, mama?’ vroeg ze. ‘Nu ze gezegd hebben dat we de wolven moeten doden? Dat doen we toch niet, hè? Ik hou je tegen.’ ‘Nee, lapoesjka!’ Marina’s arm, met zijn wirwar van littekens en spieren, omvatte Feo. ‘Natuurlijk niet. Maar we moeten wat stiller te werk gaan en waakzamer zijn.’ Ze schudde de kastanjes om die op het rooster in het vuur lagen en wipte er een in Feo’s handen. ‘Wat de wolven doen, kunnen wij ook, hè?’ Natuurlijk konden ze dat, dacht Feo die avond terwijl ze haar ski’s onderbond. Over het algemeen lieten mensen Feo koud; er was maar één iemand van wie ze echt hield, met het soort woeste trots dat mensen in moeilijkheden brengt, of in de gevangenis, of in de geschiedenisboeken. Haar moeder kon alles, vond ze. Feo had op ski’s tien minuten nodig om bij de ruïne van de stenen kapel te komen. Bij de ingang stonden drie vervallen heiligenbeelden: ze hadden geen hoofden en twee ervan hadden een geschubde huid van groene klimop gekregen. Zelfs onthoofd kregen de heiligen het voor elkaar om niet onder de indruk te lijken van deze situatie. Van de kapel stond nog maar tweeënhalve muur overeind, het dak was lang geleden ingestort op de mo-
19
zaïekvloer. Er stonden banken, voor de helft opgegeten door de houtwormen, en een marmeren beeldje van de maagd Maria, dat Feo met het zachtgekauwde uiteinde van een takje had schoongemaakt. Bij goed licht en als je heel aandachtig keek, kon je zien dat de muren ooit waren beschilderd met gouden afbeeldingen. Feo vond het de mooiste plek op aarde. In de kapel woonde een roedel van drie wolven. Een wolf was wit, een was zwart en een had grijze tinten, zwarte oren en de uitdrukking van een politieagent. Tam kon je ze niet noemen – ze kwamen absoluut niet als je ze riep – maar ze waren ook niet helemaal wild. Feo zelf was half wild, zeiden de buren, en ze keken met afschuw naar haar rode, naar wolf ruikende cape. Het lag dus voor de hand dat Feo en de wolven elkaars beste vrienden zouden worden: ze kwamen elkaar halverwege tegemoet. Toen ze door de deur naar binnen skiede, waren de wolven op de karkassen van twee raven aan het kauwen, waarbij ze het Mariabeeld met bloed bespatten. Feo kwam niet te dicht in de buurt – als wolven aan het eten zijn, kun je ze beter niet storen, al zijn het je beste vrienden – maar wachtte met haar benen opgetrokken op een van de banken tot ze uitgegeten waren. Ze maakten geen haast, likten hun snuiten en voorpoten en stormden toen als team op haar af, stootten haar van de bank en bedekten haar kin en handen met wolvenspeeksel. De Zwarte en zij zaten elkaar voor de lol tussen de banken achterna en Feo slingerde tussen de onthoofde heiligen door om op de been te blijven. Ze voelde iets van het loden gewicht van de dag van haar af vallen.
20
Feo kon zich niet herinneren dat ze ooit geen wolven kende of niet van ze hield. Het was onmogelijk om niet van ze te houden: ze waren zo slank en mooi en zo vastberaden. Ze was ermee opgegroeid om dennennaalden uit hun vacht en stukjes oud vlees tussen hun tanden uit te pikken. Haar moeder zei altijd dat ze als een wolf kon huilen voor ze kon praten. Feo begreep ze; wolven hoorden bij de weinige levende wezens die de moeite waard waren om voor te sterven, vond ze. Maar het zag er niet naar uit dat iemand dat van haar zou vragen: per slot van rekening waren het meestal wolven die tot sterven waren gedoemd.
21 1
2
De eerste wolf die twee weken na de waarschuwing van de generaal aankwam, was een jong beest, een vrouwtje met een mooie staart, maar dikker dan een wolf hoort te zijn. Als de karren bij het huis in het bos aankwamen, knipperden de voerlui meestal met hun ogen en keken om zich heen of ze een grote manspersoon zagen die de wolf kon losmaken. In plaats daarvan zagen ze Feo en haar moeder omgeven door kookluchtjes het huis uit komen. Marina was drieĂŤndertig en kwam tot aan de bovenkant van de deur. Ze had Feo geleerd hoe ze zich aan de deurlijst kon optrekken. Rond haar linkeroog zat een litteken van een viernagelige klauw. Van mannen was bekend dat ze heel even vergaten om adem te halen als ze haar zagen. Maar die ochtend ging Feo de kar alleen tegemoet. Ze nam de worstelende wolvin in haar armen, duwde de
22
helpende hand van de voerman weg en legde de wolvin in de sneeuw. Ze aaide haar over haar kop, waardoor de wolf rustig werd. Haar vacht was zwarter dan Feo ooit had gezien. ’s Nachts zou ze onzichtbaar zijn, eigenlijk nog donkerder dan de nacht zelf, omdat Russische nachten nooit helemaal zwart zijn, vooral niet als de sneeuw het licht van de sterren terugkaatst. ‘Prettig om kennis met je te maken,’ zei Feo tegen de wolf. Ze negeerde de voerman, boog haar gezicht omlaag en raakte met haar neus de wolvensnuit. De wolvin likte haar kin. Haar adem rook geruststellend naar speeksel en zilveren munten, maar de lange tong was opgezet en bloedde een beetje. ‘Ze heeft zichzelf gebeten,’ zei Feo. ‘Je had voorzichtiger met haar moeten rijden.’ Ze bekeek de voerman eens goed. Het was een grote man met lange neusharen die naadloos overgingen in zijn baard. ‘Ben je onderweg soldaten tegengekomen?’ ‘Hoezo? Waarom zou ik…’ ‘Nee, niks.’ Feo schudde heftig haar hoofd. ‘Vergeet dat ik dat gezegd heb.’ Ze maakte de wolf voorzichtig los, waarbij ze haar handen zo hield dat de wolf ze kon zien. De wolvennagels waren te lang: ze begonnen al om te krullen naar de kussentjes onder haar poten. Feo pakte haar mes, liet een van de wolfspoten op haar knie rusten en begon de nagels bij te snijden. ‘Heb je voer voor haar?’ vroeg ze aan de voerman. ‘Ze heeft honger.’ Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘Nee. Ze is al vet genoeg.’ 23
Feo drukte de wolvenkaak tegen zich aan en wrikte hem open, streek met haar vingers langs de tanden en drukte op het tandvlees. ‘Hé, meisje, hou daarmee op! Moeder Maria!’ De man stootte een indrukwekkende waterval aan vloeken uit. Feo merkte met belangstelling op dat zijn handen zweetten. ‘Wil je dood? Waar ben je mee bezig?’ ‘Ik controleer of ze gezond tandvlees heeft.’ Het viel mee. Ze liet de wolf los en krabde haar onder haar oksels. De wolf liet zich jankend van genot op haar zij vallen. De man keek nog steeds geschokt en bijna kwaad. ‘Moet dat daar geen touw om d’r muil?’ Hij staarde naar Feo, naar haar ogen en naar haar oorlel: de laatste was in tweeën gespleten door een onopzettelijke wolfsklauw toen ze zes was. Feo schudde haar haar naar voren en keek hem vernietigend aan. Tenminste, dat probeerde ze. Ze had er alleen in boeken over gelezen en wist niet precies hoe het moest. Ze stelde zich voor dat er een hoop neusvleugelwerk aan te pas kwam. ‘Wolven hebben geen touw nodig. Het zijn geen hónden.’ Ze hadden meer vuur, bedacht ze, en waren veel grilliger. Het was moeilijk uit te leggen. Ze dacht na over hoe ze dat moest zeggen en beet op haar lip, maar schudde toen haar hoofd. Mensen waren zo lastig. ‘Als je wilt kun je gaan. Dat zou ik doen als ik jou was.’ Marina kwam met half gevlochten haar uit het huis tevoorschijn, net op tijd om de kar te zien verdwijnen. ‘Wilde hij niet wat drinken?’ vroeg ze. ‘Nee,’ zei Feo. Ze grinnikte naar haar moeder. ‘Eigenlijk
24
leek hij niet veel zin te hebben om te blijven.’ ‘Dat is misschien maar goed ook. Kom, snel… laten we haar onder de bomen brengen, uit het zicht.’ ‘Denk je dat ze ons in de gaten houden?’ Feo keek om zich heen in de sneeuw. ‘Het is mogelijk, lapoesjka. Ik denk niet dat het een loze bedreiging was. Bij loze dreigementen maken ze volgens mij minder kapot.’ De wolvin liep tergend langzaam naar het bos en jankte onder het lopen alsof ze niet aan kou gewend was. Marina veegde de sneeuw uit Feo’s haar. ‘We moeten praten over wat er kan gebeuren.’ ‘Mmm.’ De wolf kuchte. Feo legde twee vingers tegen haar hals en kneedde zachtjes. ‘Wat denk je dat ze gedaan heeft? Waarom hebben ze haar weggedaan?’ ‘Ze zeiden dat ze in de klerenkast van de gravin was gekropen en de japonnen heeft fijngekauwd. Maar hoorde je nou wat ik zei?’ ‘Is dat alles? Heeft ze niemand gebeten? Ja, sorry, ik luister!’ Feo dacht aan haar eigen roedel. De Grijze had de duim van een langskomende belastingophaler afgebeten. De Witte had een diepe snee in de dij van een hertogin gekrabd toen die had geprobeerd haar te laten dansen voor de gasten. De Zwarte had drie tenen opgegeten die strikt genomen van een Engelse lord waren. Haar wolven waren een stel van de allermooiste boeven, bedacht Feo. ‘Als Rakovs mannen ons in de gaten houden, kun je niet openlijk met de wolven gezien worden.’ ‘Nee. Dat heb je al gezegd, mama! Ik heb de voerman gevraagd of hij soldaten had gezien, en hij zei nee.’
25
‘Je hebt wát?’ Marina keek geschrokken. ‘Mijn lieve schat, je moet het met niemand over de soldaten hebben. Het is niet verstandig om vreemdelingen te laten merken dat je iets te vrezen hebt.’ ‘O.’ Feo voelde een kramp in haar binnenste en ze kreeg het warm. ‘Sorry. Dat wist ik niet.’ ‘Het is mijn schuld. Ik had je moeten waarschuwen.’ Marina woelde met beide handen door haar haar. Ik heb een vluchtplan gemaakt. Voor het geval dat.’ De wolvin drukte de zijkant van haar snuit tegen Feo’s knie en kuchte weer. ‘Mama, heeft ze de jurken ingeslikt? Als ze nog steeds stukjes tussen haar tanden heeft, kan dat pijn doen.’ ‘Feo, laat de…’ ‘Kijk, mama.’ Feo duwde de wolvenkaken open. Wolvenspeeksel bedekte haar hand toen ze voorzichtig aan de binnenkant voelde. Achter in de wolvenbek was een stukje stof tussen de tanden blijven zitten. Feo trok. Het was rood fluweel met één heel klein pareltje dat van het borduursel was overgebleven. ‘Hebbes! En het touw waarmee ze haar hebben vastgebonden, was te dun,’ zei Feo. Ze hield de wolvenpoot omhoog voor haar moeder. ‘Kijk! Bloed. Zie je? Ze heeft van die tere pootjes.’ Ze kuste het wolvenoor. ‘We zouden je Broospootje moeten noemen.’ ‘Ik heb wat zalf.’ Marina bukte en wreef een bruine pasta op de wolvenpoot. Haar handen bewogen sneller dan die van de meeste mensen en de wolvin ontspande in haar greep. ‘Maar begrijp je het, Feo? Je moet een tas inpakken met eten, droge kleren, een mes en touw, en die
26
klaarzetten bij de achterdeur, voor het geval dat.’ Feo verlegde met moeite haar aandacht. ‘Maar voor welk geval, mama?’ ‘Het geval dat Rakov ons komt halen.’ ‘Maar dat doet hij niet! Toch? Ik bedoel… hij is oud.’ Feo probeerde de gedachte aan zijn ogen die haar aanstaarden uit het gelige gezicht, uit te bannen. ‘Oude mensen houden van zitten. En van haar in hun oren. En… van soep.’ Feo had heel weinig oude mensen ontmoet. ‘Daar heeft hij het vast druk mee.’ Marina glimlachte, maar haar mondhoeken leken onwillig. ‘Als je je ogen maar openhoudt, lapoesjka. Wanneer je de wolven wilt zien, doe dat dan in de kapel of achter het huis. We zullen deze zo snel mogelijk verwilderen en haar in het westelijke bos loslaten, bij het niervormige meer, zodat ze Rakov niet voor de voeten loopt.’ ‘Maar dat is een slecht bos om te jagen! Dan komt ze om van de honger.’ ‘Niet als we haar leren om vogels te vangen. Trouwens, wolven vinden daar wel wat op. Het zijn de tovenaars van de dierenwereld.’
27 7