De avond is zacht, maar het meisje rilt. De weinige auto’s die haar passeren zien er vreemd knus uit, de bestuurders zijn in hun eigen veilige wereldje op weg naar huis om zich vlug van alles af te kunnen sluiten. Als een van hen zijn hoofd had gedraaid en naar de tengere gestalte op het trottoir had gekeken, had hij misschien gezien dat het meisje zich enigszins nerveus gedraagt. Angstig, zelfs. Maar geen van hen ziet haar, ze loopt net buiten de gele lichtkegels van de straatlantaarns en haar lange haar verbergt haar gezicht. Toen leek het zo’n goed idee. Het beste idee, zelfs. Nu? Nu weet ze dat niet meer zo zeker. Het meisje duwt haar onbehaaglijke gevoelens weg. Nou ja. Ze kan nu niet meer terug. Hij verwacht haar.
7
Artikel in de Manchester Evening News van 17 februari 2017:
ZAAK VERMISTE SCHOLIERE IN DE IJSKAST Redactie De rechercheurs die de verdwijning van een scholiere uit Cheshire onderzoeken, zetten dit onderzoek op een lager pitje, zo is bekendgemaakt. De zestienjarige Sophie Harlow uit het groene Vale Dean werd vorig jaar vlak voor haar schoolexamens opgegeven als vermist, waarop de politie een intensieve zoektocht startte. Toen de voormalige scholiere van Amberton Grammar iets van zich liet horen, besloten de agenten hun onderzoek in de weken na haar vertrek in de avond van vrijdag 13 mei echter terug te schroeven. Hoewel de zaak niet wordt gesloten, zullen rechercheurs niet langer actief naar het meisje zoeken. Een woordvoerster van de Greater Manchester Police verdedigde de ‘schaal en toewijding’ van de inspanningen die de politie tot op heden heeft verricht. Ze verklaarde: ‘Wij geloven niet dat Sophie onder verdachte omstandigheden is verdwenen en beschouwen haar vanaf nu als weggelopen. Uiteraard zullen we, zoals bij iedere vermissing, elke nieuwe aanwijzing onderzoeken. Tevens vragen we Sophie dringend om contact met ons of haar familie op te nemen om te bevestigen dat alles goed met haar gaat.’ De ouders van Harlow zijn eerder deze maand tijdens een bespreking met de rechercheurs van het besluit op de hoogte gebracht. Mark en Kate Harlow, die sinds de verdwijning van hun enige dochter uit elkaar schijnen te zijn, waren gisteren niet bereikbaar voor commentaar.
Deel 1
1 Twee jaar vermist Ik ben een slechte moeder. Dat hoor je niet te zeggen. Iedereen drukte me op het hart dat ik mezelf niet de schuld moest geven. In het begin, tenminste. En ze hadden gelijk, we – ik – hadden ook genoeg goed gedaan. Verhaaltjes voor het slapengaan, evenwichtige maaltijden, een mooi, elegant huis. Vakanties in het buitenland, tenniskamp, pianoles, een bijlesleraar toen Sophie op de basisschool enige moeite met rekenen kreeg. Toen Sophie zeven was, hadden we zelfs een dappere poging met de viool gewaagd, al speelde ze bijzonder vals; haar spel deed zo’n pijn aan je oren dat Mark en ik een keer achter de deur van de woonkamer dubbel hadden gelegen van het lachen, maar dat zouden we ons kleine meisje natuurlijk nooit laten merken. Ook al had Sophie dus geen gevoel voor muziek, verder had ze alles. We hadden zelfs een hond, natuurlijk hadden we een hond, een zwarte labrador die King heette en even lief als gulzig was. Mark had de naam bedacht. Hij was opgegroeid met dat soort honden en wilde dat Sophie er ook een zou hebben. Ik mis King. Maar misschien zie ik het wel helemaal verkeerd, zelfs nu nog. Misschien lag het niet aan mij of Mark dat alles zo makkelijk leek te gaan, dat de bubbel van ons gezinnetje door het leven leek te zweven, maar aan onze dochter, die altijd lachte, altijd lief was, het iedereen naar de zin wilde maken. 11
‘Je kleine schaduw,’ noemde Mark haar vroeger. Ze was altijd bij me in de buurt, ze trippelde achter me aan en deed altijd vrolijk met me mee. Ze had de gave om vrolijk te zijn. Toen ze in de puberteit kwam, had ze natuurlijk zo haar momenten, maar dat viel te verwachten. Uiteindelijk zou het allemaal goed komen. Dat was niet zo. Maar ik loop excuses te zoeken. Alles wat ik heb gedaan, de autoritjes, de afgeveegde neuzen, de kusjes-erop, de jaren van liefde en zorg, is nu onbelangrijk. Als je er goed over nadenkt, kan er uiteindelijk maar één conclusie zijn. Ik heb gefaald. De ochtenden zijn het moeilijkst. Soms is het lastig om in beweging te komen, te besluiten dat ik toch een reden heb om op te staan. ‘Ik begrijp niet hoe je het voor elkaar krijgt om verder te gaan met je leven, Kate,’ hebben mensen tegen me gezegd. Ik weet niet waarom ze dachten dat ik verderging. Het voelde heel lang alsof ik stilstond. Maar dat punt ben ik voorbij. Ik werk niet op een kantoor, niet meer, maar ik houd mezelf op mijn eigen manier bezig. Er is zoveel te doen: telefoontjes, e-mails, brieven. Ik moet artikelen lezen, online fora bijhouden. Dat kan best overweldigend zijn. Mensen denken dat ik me hier verstop, dat ik hier zit te niksen, maar zij begrijpen niet hoeveel ik nog steeds doe. Al moet ik toegeven dat ik soms pas uit bed weet te komen als de kat chagrijnig begint rond te trippelen, wachtend op zijn eten. De truc, zo heb ik ontdekt, is om er niet te veel over na te denken. Vandaag werd ik daarbij geholpen door de zon die in een warme baan over mijn kussen viel en te fel in mijn ogen scheen. Tussen de gordijnen die ik niet helemaal had dichtgetrokken vormde de hemel al een knalblauwe strook. Dus ik dwong mezelf mijn voeten op de vloer te zetten en terwijl ik even zo bleef zitten, nog een beetje licht in mijn hoofd van de slaap, dacht ik na over de dag die voor me lag. Ik heb het tegenwoordig niet bepaald druk. Niet zoals in 12
die weekenden dat we elke vrijdag en zaterdag buiten de deur waren. Etentjes, werkborrels, grootse verjaardagsfeestjes, er was altijd wel iets te vieren. Mark was ontzettend sociaal en ik liet me met liefde door hem meeslepen. Maar vanavond heb ik plannen, dus dat is in elk geval iets. En nu heb ik gedoucht en een kop sterke koffie gezet om helder te worden, want ik heb mezelf vandaag een taak gegeven. De laag stof op het eerste fotoalbum laat me niezen als ik het album van de plank in de woonkamer trek. Ik ben altijd goed geweest in het bijhouden van fotoalbums, liet onze digitale kiekjes omzetten in glanzende afdrukken die ik kon inplakken. Maar ik zwelg niet in het verleden, in tegenstelling tot wat sommigen denken. Ik kijk zelden in deze albums. Vandaag moet ik wel, want ik heb besloten dat de foto die ik online en in brieven en e-mails gebruik, Sophies laatste schoolfoto, wel eens misleidend kan zijn. Vanaf deze zomer zou ze niet meer op de middelbare school zitten, ze zou nu net eindexamen hebben gedaan. Daarom ben ik bang dat de foto de verkeerde indruk wekt, dat het zelfs averechts zou kunnen werken om een overduidelijke schoolfoto te verspreiden waarop Sophies witte overhemd helder afsteekt tegen haar donkerblauwe trui en waarop haar glanzende blonde haar in een nettere paardenstaart dan gewoonlijk is bijeengebonden. Dat haar heeft ze van mij, al heb ik al tijden een beetje hulp van de kapper nodig om het zo licht te houden. Sophies glimlach is echter geheel van haarzelf: die is vrolijk en een tikkeltje ondeugend en laat haar lieve ronde gezichtje stralen. Vandaag zoek ik een goede, duidelijke foto waarop ze geen schooluniform draagt. Ik veeg mijn grijze vingers af aan mijn korte broek, neem het fotoalbum mee naar de salontafel, sla het voorzichtig open en voel de moed me in de schoenen zinken. Ik dacht dat ik de albums al tijden geleden op chronologische volgorde op de plank had gezet, maar dit is niet het album dat ik wilde bekijken. Dit is een van de eerste, waarvan de foto’s, zoals dat gaat, nu al een vreemd gedateerde indruk 13
maken. Hoe kan dat toch? Dat kan niet alleen aan onze kleren liggen, want we dragen dat tijdloze zomertenue van een t-shirt en slippers. Toch komt deze eerste foto uit een ander tijdperk. Mark, Sophie en ik zitten op een anoniem parkbankje en hebben alle drie een ijsje in ons hand. Mark is slanker dan nu en ik ben ronder, blozender, maar dat is niet waarom ik ons op de foto net vreemden vind lijken. Misschien komt het door iets in onze gezichtsuitdrukking: we zijn allebei zo zorgeloos, klaar voor een toekomst die beslist niets dan nog meer goeds zou brengen. En dan heb je natuurlijk nog Sophie, een mollige tweejarige met een lichtblonde kuif. Haar in een tuinbroek gehulde beentjes steken recht naar voren, te kort om over de rand van het bankje te kunnen bungelen. Ik sla de pagina om. O, dit herinner ik me ook nog. Deze heb ik genomen. Sophie was op de bank in slaap gevallen met één handje nog altijd stevig om Teddy geklemd, de veel te dure teddybeer die Mark met Kerstmis een keer per se voor haar had willen kopen. Die knuffels zijn verzamelobjecten, geen kinderspeelgoed, had ik gelachen. Maar ze vond haar nieuwe beer geweldig, sleepte hem aan één poot achter zich aan door het huis en wilde ’s avonds dat hij naast haar op haar kussen lag. Als ze lag te slapen moest ik hem stiekem ontvoeren en hem wassen met ongeparfumeerd wasmiddel zodat hij daarna niet gek zou ruiken. Zelfs toen ze ouder werd, belandde Teddy toch elke avond weer onder haar kussen. Ik weet niet waar Teddy is gebleven. Het was nooit zo belangrijk om bij te houden waar dat soort dingen waren, niet toen ze hier nog was... Uit de keuken klinkt het schelle geluid van de telefoon en ik schrik een beetje van de herrie die te hard door het stille huis klinkt. Ik loop ernaartoe en droog mijn ogen aan mijn mouw; zoals gewoonlijk heb ik geen zakdoek bij de hand. ‘Hallo?’ ‘Hallo, lieverd?’ Het is mijn vader. Vroeger klonk hij minder schor. 14
‘Pap, hoe gaat het met je?’ Tot mijn tevredenheid klink ik kalm. ‘Prima, prima. We vroegen ons gewoon af, je zus en ik, of je zin hebt om vanmiddag deze kant op te komen. We wilden naar die nieuwe Italiaan die net is geopend. Daar hebben ze...’ hij zwijgt even nadenkend, ‘... sushi.’ ‘Italiaanse sushi? Weet je dat zeker?’ ‘Nou ja, iets in die trant. Tapas, misschien. Dat kan ik allemaal niet meer onthouden. Maar je schijnt er erg lekker te kunnen eten. Heb je zin om mee te gaan? Je kunt bij Charlotte blijven slapen.’ ‘O. Lief van je, maar ik kan niet.’ ‘Je mag ook bij mij slapen, als het je daar te lawaaierig lijkt met die rondrennende jongens van haar. Dan maak ik de bank voor je op.’ Mijn vader is kleiner gaan wonen en woont nu in een rijtjeshuis, een soort arbeiderswoninkje, nog dichter bij mijn zusje Charlotte en haar gezin. Hij laat telkens hints vallen dat ik hetzelfde moet doen, hij blijft maar zeggen dat ‘een kleiner huis zo weinig onderhoud vergt’. Volgens mij willen ze allebei dat ik dichterbij kom wonen, in de buurt waar ik ben opgegroeid. ‘Dat is heel lief, pap. Maar ik kan echt niet. Ik ben vanavond weg.’ ‘O!’ Hij klinkt tevreden. ‘Waar ga je op deze zaterdagavond naartoe?’ vraagt hij opgewekt. ‘Naar de hulplijn,’ antwoord ik kortaf. ‘Je weet dat dit mijn vaste avond is.’ ‘Ja. Ja, natuurlijk. Ik dacht alleen dat je onderhand misschien... denk je dat ze het erg zouden vinden als je vanavond niet komt?’ ‘Ik wou dat dat kon... maar ik kan ze niet zomaar laten stikken. Dat zou verkeerd zijn.’ Ik bijt op mijn lip. Eigenlijk weet ik zeker dat ze het prima zouden vinden. Ik heb meer dan genoeg diensten gedraaid en ben altijd bereid om er een over te nemen als iemand wil ruilen. Flink wat mensen staan bij mij in het krijt. ‘De volgende keer misschien.’ 15
‘Ja, de volgende keer.’ Opeens zie ik hem voor me in dat keurige geblokte overhemd dat hij draagt als hij in de tuin gaat werken, alleen in zijn nette keukentje, tegenwoordig een beetje krom. Ik vind het eng om te bedenken hoeveel ouder hij de afgelopen paar jaar is geworden. Het is lief dat ze het blijven proberen, dat weet ik. ‘Ik was trouwens van plan binnenkort een keertje langs te komen,’ zeg ik. ‘Ik bedacht laatst iets. Kun je je die avond herinneren dat je buiten stond?’ ‘Hm. Welke avond bedoel je?’ ‘Die ene avond, pap, toen je dacht dat je Sophie zag?’ Hij praat hier niet graag meer over, maar iets in me wil dit doorzetten. ‘Ik weet dat je altijd hebt gezegd dat je je niet kunt herinneren in wat voor auto ze zat, dat het te donker was, maar ik zat te denken... wat als ik nou wat automodellen opzoek op internet en die uitgeprint meeneem om te zien of een ervan je bekend voorkomt. Daar heeft de politie nooit de moeite voor genomen, toch?’ Hij is even stil. ‘Katie... het spijt me. Dat was niet zo netjes van me.’ ‘Wat was niet zo netjes?’ ‘Dat had ik nooit moeten vertellen, ik had je nooit valse hoop mogen geven. Ik had niet beseft dat je er nog zo mee bezig was.’ ‘Natuurlijk. Ik ben altijd bezig met nieuwe aanwijzingen.’ ‘Weet je, Katie, het is na een verdwijning heel gebruikelijk dat familie en vrienden de vermiste persoon denken te zien.’ ‘Dat weet ik, maar...’ Voor de verandering onderbreekt hij me, zijn stem klinkt krachtiger. ‘Katie, alsjeblieft. We hebben het hier al over gehad, heel vaak zelfs. Ik was al verhuisd. Dat kon Sophie onmogelijk weten, zelfs niet als ze inderdaad naar me op zoek was. Het was donker. Ik zag wat ik wilde zien. Dat is onderdeel van het rouwproces.’ Therapiegezwets. ‘Je bent weer naar die praatgroep geweest.’ Ik probeer mijn toon neutraal te houden, maar ik klink kil. 16
‘Dat heeft je zusje en mij erg geholpen. En ik denk dat het jou ook zou helpen, als je het nog een keer zou proberen.’ ‘Misschien. Een dezer dagen... O, weet je, wacht even. Sorry, de bel gaat. Ik spreek je later, pap. Fijne avond alvast. Groetjes aan Charlotte, Phil en de jongens.’ ‘Dag, Katie.’ Hij klinkt verdrietig. ‘Dag.’ Ik hang op. Ik heb nooit goed kunnen liegen. Ik heb dat praatgroepgedoe geprobeerd, maar uiteindelijk ben ik maar één keer gegaan. Ik vond het vreselijk. Ik wilde alleen verhalen horen die goed afliepen. Ik wilde niet in een kille kerkzaal zitten met een stel vreemden die probeerden te accepteren wat hun was overkomen. Alsof hun dat ooit zou lukken. Het was allemaal zo idioot. Ik weet hoe het werkt. Ik heb de informatie gelezen die ze me hadden gegeven. Sommige stukken daarvan bleken uiteindelijk best nuttig. ‘Een minderheid van de gezinnen,’ zo stond in een van de folders, ‘beschermt zich tegen de intensiteit en allesoverheersende aard van de zoektocht door er helemaal niet aan te beginnen of er na een tijdje mee te stoppen.’ Ik ben niet gestopt. Zelfs als ik zou willen stoppen, zou ik dat niet kunnen. Maar ik geloof dat ik Mark daardoor iets beter begreep, nadat Sophie was vertrokken. Want dat was uiteindelijk het laatste waarover we het maar niet eens werden. Wanneer het tijd was om te stoppen met zoeken.
17