Skip to main content

Leesfragment De Egyptische sleutel van Preston & Child

Page 1

1 In de wachtkamer van dr. Lewis Conrad, hoog boven het straatrumoer, zat Gideon Crew gespannen met de vingers van zijn linkerhand op de achterkant van zijn rechterpols te trommelen. Vandaag kreeg hij de uitslag van zijn laatste hersenscan, en die zou al dan niet een doodsvonnis inhouden. Naast zijn stoel lag de grote envelop die hij had meegebracht, vooralsnog leeg. Dr. Conrad mocht dan een van de duurste neurochirurgen in heel New York zijn, de tijdschriften in zijn fraai ingerichte wachtkamer hadden iets viezigs, iets beduimelds waardoor Gideon er niet over piekerde er een op te pakken. Bovendien gingen ze over onderwerpen – People, Entertainment Weekly, Us – die hem niet werkelijk boeiden. Het was hier potverdikkeme een dokterswachtkamer: waarom lag er geen Harper’s Bazaar of The New Criterion, of desnoods een National Geographic? Aan de andere kant van de wachtkamer ging onhoorbaar een deur open; een verpleegster met een dossiermap in de hand stak haar hoofd om de hoek, en Gideons hart sprong hoopvol op. ‘Ada Kraus?’ zei de verpleegster. Een vrouw op leeftijd kwam moeizaam overeind, schuifelde de wachtkamer door en verdween in de gang achter de open deur, die meteen weer dichtging. Gideon zakte weer onderuit in zijn stoel. Hij besefte dat hij niet eens echt ongeduldig was; het was eerder dat hij al sinds de laatste opdracht van zijn werkgever, Effective Engineering Solutions, met een unheimisch gevoel rondliep. Daardoor was hij tegen zijn gewoonte in New York blijven hangen. Normaal gesproken was hij linea recta naar zijn berghuisje in de Jemez Mountains in New 7


Mexico gevlogen, had zijn werphengel gepakt en was gaan vissen. Er was iets eigenaardigs gaande. Zijn baas, Eli Glinn, was spoorloos verdwenen. Het kantoor in het Meatpacking District was nog open, maar het leek wel of de zaak langzaam afgebouwd werd. Tot voor kort werd zijn salaris altijd automatisch op zijn rekening bijgeschreven, maar twee weken geleden was die overboeking zonder enige waarschuwing stopgezet, en sinds afgelopen week betaalde ees ook niet meer voor zijn dure suite in het Gansevoort Hotel, om de hoek van het hoofdkantoor. En toch was Gideon in New York gebleven. Na de laatste missie voor ees moest zijn arm helen, en hij had de tijd gedood met wandelen en museumbezoek; hij had in zijn hotelkamer boeken gelezen en regelmatig veel te veel gedronken in de vele hippe bars van de wijk rond het kantoor. Uiteindelijk had hij toegegeven waarom hij in de stad was blijven plakken: hij moest iets te weten komen. Het hinderlijke was alleen dat dat meteen ook iets was wat hij beslist níét wilde weten. Maar na verloop van tijd had zijn nieuwsgierigheid het gewonnen van de angst, en had hij een afspraak geboekt met dr. Conrad. Twee dagen geleden had hij een hersenscan ondergaan en nu wachtte hij op de uitslag. Inderdaad, ongeduld was het niet. Het was een combinatie van hoop en angst die hem verschillende kanten uit trok: de hoop dat er de afgelopen tien maanden iets met hem gebeurd kon zijn waardoor zijn conditie, avm – arterioveneuze malformatie oftewel een misvorming in een hersenader – zich hersteld kon hebben. En de angst dat het juist erger geworden was. Daar zat hij dus, angstig en hoopvol, de emoties in zijn hoofd even verknoopt als de avm zelf. De deur ging weer open; de verpleegkundige stak haar hoofd om de hoek. ‘Gideon Crew?’ Gideon pakte de lege envelop, stond op en volgde de verpleegster de gang door, een fraai ingerichte spreekkamer in. Tot zijn verbazing zat de arts al achter zijn bureau. Links op de werktafel lag het medische dossier met de mri-beelden dat Gideon het grootste deel van het afgelopen jaar met zich meegedragen had, intussen met lichte ezelsoren. Rechts lag een aantal nieuwe testuitslagen en scans – die van twee dagen geleden. 8


Dr. Conrad was een jaar of zestig. Hij had een vriendelijk gezicht, grijze ogen en een bos peper-en-zoutkleurig haar. Met een milde blik in zijn ogen keek hij Gideon aan van achter zijn zwartomrande bril. ‘Hallo, Gideon,’ zei hij. ‘Mag ik je bij je voornaam noemen?’ ‘Uiteraard.’ ‘Ga zitten.’ Gideon nam plaats. Het bleef even stil terwijl de arts zijn keel schraapte en van de oude mri’s naar de nieuwe keek. ‘Ik neem aan dat je al op de hoogte bent van je conditie?’ ‘Ja. Het is een malformatie van de vena Galeni. Een abnormale verknoping van aderen en slagaderen diep in mijn hersenen, in een gebied dat de cirkel van Willis wordt genoemd. Meestal aangeboren, en in mijn geval niet operabel. Omdat de aderwanden geleidelijk zwakker worden, neemt de malformatie toe, en dit zal uiteindelijk tot een bloeding leiden. En die is dan op slag fataal.’ Er viel een korte, onbehaaglijke stilte. ‘Beter had ik het niet kunnen samenvatten.’ Dr. Conrad vouwde zijn handen en legde ze op de rand van zijn bureau. ‘Toen je voor het eerst hoorde dat je een avm had,’ begon hij, ‘heeft de dokter je toen een prognose gegeven, een levensverwachting?’ ‘Ja.’ ‘En hoelang zei hij dat je nog had?’ ‘Zowat een jaar.’ ‘Wanneer was dat?’ ‘Bijna tien maanden geleden.’ ‘Aha.’ De arts bladerde door de scans op zijn bureau en schraapte nogmaals zijn keel. ‘Het spijt me heel erg voor je, Gideon, maar gezien de uitslagen van je tests en scans en de rest moet ik zeggen: de oorspronkelijke prognose was correct.’ Hoewel hij dit half verwacht had – er was ook geen enkele reden geweest om aan te nemen dat er een andere diagnose zou komen – was Gideon even sprakeloos. ‘Dus... ik heb nog maar twee maanden te leven?’ ‘Als ik je oorspronkelijke mri vergelijk met die van twee dagen 9


geleden, zie ik dat je avm helaas het klassieke patroon volgt. Dus ja, dat lijkt me een heel aannemelijke verwachting – plus of minus een paar weken.’ ‘En er zijn intussen geen nieuwe behandelingen of operaties beschikbaar gekomen?’ ‘Zoals je waarschijnlijk al weet zijn de meeste hersen-avm’s te behandelen met een operatieve ingreep, bestraling of embolisatie, maar door de plek waar die van jou zit en door de afmetingen komt deze niet in aanmerking voor een van die behandelingen. Zodra we ook maar iets doen, via een operatie of bestraling, veroorzaken we een ernstige hersenbeschadiging. Als je de ingreep al zou overleven.’ Gideon zakte achterover in zijn stoel. Alle bezorgdheid en onzekerheid die hem de afgelopen weken geplaagd hadden daalden nu als lood op hem neer. Hij kreeg bijna geen lucht meer. Dr. Conrad leunde over het bureau heen. ‘Een hard gelag, Gideon. Mooier kan ik het niet maken. Het enige wat ik je kan zeggen is: jij weet hoeveel tijd je nog hebt. De meesten van ons hebben die luxe niet.’ ‘Luxe,’ kreunde Gideon. ‘Twee maanden, een luxe. Dat méént u niet.’ ‘Toen Warren Zevon, de rockster, wist dat hij terminale kanker had, vroeg iemand hem een keer hoe hij daarmee omging. Zijn antwoord? Genieten van iedere boterham. Dat advies wil ik jou ook meegeven: laat je niet terneerslaan door ellende en angst. Gebruik de tijd die je rest voor iets wat de moeite waard is, iets waar je je ziel en zaligheid in kwijt kunt.’ Gideon zei niets; hij schudde zijn hoofd. Hij voelde zich misselijk. Twee maanden. Maar waarom had hij eigenlijk iets anders verwacht? ‘Je bent sterk en je bent mobiel, en dat blijft zo tot... tot het einde. Dat is de aard van de avm. Dus ik zeg tegen jou hetzelfde wat ik tegen al mijn patiënten in jouw situatie zeg: haal iedere minuut van je dag het onderste uit de kan.’ Een tijdlang bleef Gideon roerloos zitten. Tegenover hem, achter het bureau, bleef dr. Conrad hem met diezelfde vriendelijke blik aankijken. Toen hij na verloop van tijd de diverse rapporten 10


en scans bijeen begon te pakken, begreep Gideon dat het consult ten einde was. Hij stond op. ‘Dank u,’ zei hij. Ook de neurochirurg stond op. Hij gaf hem het dossier en schudde zijn hand. ‘Het ga je goed, Gideon. En denk aan mijn woorden.’

11


2 Er brandde een koude maartzon, en het felle licht sloeg Gideon in het gezicht toen hij naar buiten stapte, de drukte van 50th Street op, waar claxons loeiden en uitlaatgassen zich vermengden met de geuren van geroosterd vlees in een kebabkraam. Hij wankelde er bijna van, zo verbijsterd was hij. Twee maanden. Natuurlijk had hij dit geweten, maar hij besefte nu dat hij de irrationele hoop had gekoesterd dat zijn avm over was – of althans, dat de malformatie niet verder was gegroeid. Overmand door zelfmedelijden liep hij de hoek om, Madison Avenue op. Glinn was verdwenen. Het zag ernaar uit dat hij geen enkele vriend meer had. Hij had meer dan genoeg geld om een paar maanden van te leven, maar wat leverde hem dat uiteindelijk op? Wilde hij echt terug naar New Mexico om zich helemaal in zijn eentje in een afgelegen berghut terug te trekken, te gaan staan vissen tot hij er letterlijk dood bij neerviel? Zijn mobiele telefoon piepte, en hij wierp een blik op het scherm: een sms’je van Manuel Garza, Glinns rechterhand bij ees. kom onmiddellijk naar kantoor, stond er. Garza. Tijdenlang had hij moeite gehad met de briljante ingenieur, die zowel stekelig als kil kon doen. Maar tijdens hun laatste opdracht hadden ze een soort band gekregen; hij had gemerkt dat Garza kennelijk toch enig menselijk gevoel had. Onder dat harde, gladde oppervlak bleek daadwerkelijk een hart te kloppen. Onmiddellijk. Het was drie kilometer naar kantoor, en Gideon besloot te gaan lopen. Hij stak over naar de zonkant van de straat en hoopte dat de schrik van het recente nieuws wat zou betijen 12


tijdens een energieke wandeling. Twee maanden. Jezus. Een halfuur later arriveerde hij bij de foeilelijke ingang van het hoofdkantoor van ees aan Little West 12th Street. Hij was er niet meer geweest sinds twee weken geleden zijn salaris was stopgezet, maar zijn pasje en zijn toegangscode werkten nog. Hij ging de enorme, galmende ruimte van het kantoor binnen en keek verbaasd om zich heen. De uitgestrekte hal, waar ooit talloze modellen stonden van diverse technische projecten, vol whiteboards met haastig neergekrabbelde vergelijkingen en mensen in witte jassen die haastig rondliepen, was nu zo goed als verlaten. De vloer lag bezaaid met papieren en rotzooi: zo te zien was de zaak hier haastig afgebroken en verwijderd. Werktafels en bureaus waren leeg, met doods starende computerschermen, hier en daar afgedekt met plastic, en kabelstrengen die nergens heen leidden. Vanuit het halfduister kwam een donkere, gespierde gestalte met een bultige computertas over zijn schouder aanlopen. Gideon herkende Garza; die zag er razend uit. ‘Dat werd tijd ook. Wat heb jij gedaan, ben je komen lopen of zo?’ zei hij hard, nog voordat hij bij Gideon stond. ‘Dit is toch niet te geloven, die meuk?’ ‘Wat voor meuk?’ Hij maakte een weids handgebaar. ‘Dit hier!’ ‘Zo te zien gaat de tent op slot.’ ‘Hebben ze jou ook afgesneden? Vorige week heb ik geen salaris gekregen. Geen briefje, geen verklaring, geen ontslagbrief. Nada.’ ‘Dat had ik ook.’ ‘En nu dit. Na al die levensgevaarlijke missies, hoe vaak hebben we ons leven niet in de waagschaal gesteld, en al die jaren keihard werken... en dan is dit de dank die ik daarvoor krijg? Wat ben ik er helemaal mee opgeschoten? Ja, dít ja!’ En hij hief zijn polshorloge op naar Gideon – een Rolex met zwarte wijzerplaat en een gouden band – en schudde het heen en weer. ‘Ik weet niet wat jij ervan vindt, maar ik ben rázend.’ Razend leek nog zwak uitgedrukt. Gideon zelf voelde zich eerder verbluft dan gepikeerd. Wat deed het ertoe, als hij toch nog maar twee maanden te leven had? ‘Het salaris was altijd riant.’ 13


‘Nou, gezien alles wat ik voor hem gedaan heb, mocht het wel in de zeven cijfers lopen. Ik heb amper wat kunnen sparen. Het leven is duur, zeker hier in New York City, en ik had gerekend op een vaste bron van inkomsten – nog jarenlang. Maar het gaat me niet alleen om het geld; het gaat om de manier waaróp. Ik krijg hem al zes weken niet te pakken. Hij reageert niet op e-mails, niet op voicemail, niks. Ik weet niet eens waar die klojo uithangt. En nu hebben we tot vijf uur om onze spullen weg te halen. Dat is over tien minuten, mocht het nog niet tot je doorgedrongen zijn.’ ‘Eh, nee, dat was nog niet tot me doorgedrongen.’ Bij die woorden staakte Garza zijn tirade en keek hem vorsend aan. ‘Hé – gaat het wel?’ Gideon wilde antwoorden, maar er leek iets dwars te zitten in zijn keel, en hij kon geen woord uitbrengen. Garza deed een stap in zijn richting; het begrip daagde in zijn blik. Hij wist al van Gideons eerdere diagnose, en nu leek hij een en een bij elkaar op te tellen. ‘Heb je slecht nieuws gekregen?’ Gideon knikte. Het bleef een hele tijd stil voordat Gideon eindelijk zijn stem terugvond. ‘Twee maanden.’ Nu was het Garza’s beurt om verbijsterd te kijken. ‘O, shit. Shít. Wat vind ik dat erg. En geen enkele kans, geen experimentele behandeling, wat dan ook?’ Gideon maakte een handgebaar. ‘Niets.’ Garza haalde diep adem. ‘Nu ben ik nog bozer. Glinn wist dat je nog maar een jaar te gaan had toen hij je in dienst nam... en moet je zien hoe hij je sindsdien behandeld heeft! Jij zou nog bozer moeten zijn dan ik. We hadden al tijden geleden een enorme slag – maar dan ook echt een enórme – moeten slaan. Daarom ben ik na ons afzwaaien bij ees gegaan, daarom heb ik al die krankzinnige risico’s genomen. Eli beloofde gouden bergen. En het ergste is nog welhaast: die gouden bergen kwamen er ook echt. Maar net toen we eindelijk vet gescoord hadden, hevelde hij al die poen terug in dat mammoetproject van hem! En dat was natuurlijk ook een succes – dankzij ons – maar het heeft ons alles gekost en niks opgeleverd. En nu zijn we ontslagen en gooit hij de tent dicht.’ 14


Het viel Gideon zwaar zich op te winden over Eli Glinn. Hij mompelde iets instemmends. ‘Nou,’ zei Garza. ‘Ik heb al mijn spullen hierin zitten’ – hij hief de computertas – ‘dus ik zou zeggen, haal je bureau leeg, dan gaan we naar de Spice Market en laten ons vollopen.’ ‘Een puik plan. Maar ik hoef niks op te halen.’ ‘Des te beter. Kom op, dan gaan we.’ Gideon bleef nog even staan kijken naar de reusachtige, doodse, zwijgende ruimte vol half afgemaakte projecten en onduidelijke elektronica. Ook Garza hield even zijn pas in. Uiteindelijk schudde hij zijn hoofd. Op dat moment hoorde Gideon in een verre uithoek een elektronisch geklingel. Onder een doorzichtig plastic zeil floepte een klein computerscherm aan en lichtte op. Ook Garza zag het. ‘Zeker iemand die vergeten is z’n computer uit te zetten.’ Met Gideon op zijn hielen liep hij naar het scherm. Garza pakte een hoek van het zeil en rukte het weg. Tegen een witte achtergrond stond een bericht:

Project Phaistos îÝÝ® òʽ Ù «ã LoopƟjd: 43.412 uur – 34 minuten – 12 seconden Oplossing Volgt Garza staarde naar het scherm. ‘Wat is dat nou?’ ‘Drieënveertigduizend uur... dat is bijna vijf jaar,’ zei Gideon na een snelle hoofdrekensom. ‘Denk jij dat die computer hier vijf jaar lang heeft staan werken aan een of ander probleem?’ Garza barstte in lachen uit; zijn stem weergalmde in de holle ruimte. ‘Dat is echt iets voor Glinn: een computer een onmogelijke taak geven en hem dag in, dag uit laten stampen, gewoon om te kijken of hij een oplossing weet te vinden. En kijk nou: hij heeft hem! Een beetje laat, maar wat dondert het.’ Gideon tuurde naar het scherm. De ‘oplossing’ na het bericht was een lange lijst hexadecimale code. ‘Wat is project Phaistos?’ Voordat Garza antwoord kon geven, klonk er een stem aan de andere kant van de ruimte. ‘Vijf uur, heren! Sorry, maar u moet 15


ervandoor. We doen de boel hier op slot.’ Gideon draaide zich om en zag twee bewakers bij de hoofdingang staan. Hij richtte zijn blik weer op Garza en zag die over de computer gebogen staan, bezig een usb-stick in de sleuf te steken. ‘Wat doe je?’ ‘Die gegevens downloaden.’ ‘Waarom?’ Maar Garza stond druk te typen. ‘Heren?’ De bewakers kwamen hun kant uit lopen. ‘We komen er zo aan, we pakken alleen even onze spullen in!’ riep Garza zonder overeind te komen. ‘Sorry, maar we hebben strikte orders om de zaak exact om vijf uur dicht te doen.’ Garza trok de stick uit de computer en borg hem in zijn sok. ‘Jammer dat ik geen tijd heb om die machine onklaar te maken,’ zei hij binnensmonds. ‘Dat zou Eli’s verdiende loon zijn.’ Intussen waren de bewakers komen aanlopen. ‘Je mag niet meer aan de apparatuur komen,’ zei de grootste van het tweetal. ‘Sorry,’ zei Garza, terwijl hij overeind kwam. ‘We gaan al.’ De bewakers liepen met hen mee naar de entree, en daar bleven ze staan. ‘Meneer,’ zei de grootste tegen Garza, ‘ik vrees dat ik uw tas moet inspecteren.’ ‘Bullshit,’ zei Garza. ‘Dit zijn mijn spullen.’ ‘We hebben onze orders,’ zei de bewaker. Hij stak zijn hand uit naar de tas en na enige aarzeling stond Garza toe dat hij hem pakte. De bewaker opende de tas en ging met zijn worstenvingers door de hele inhoud. Er zat geen laptop in, maar zijn bezige handen vonden een kleine vaste schijf. ‘Deze moet ik in beslag nemen.’ Garza staarde hem aan. ‘Dat zijn míjn gegevens.’ ‘Wie dit bedrijf verlaat heeft geen recht meer op wat voor gegevens dan ook,’ zei de bewaker. ‘Bullshit.’ De bewaker pakte de schijf en liet hem in een sleuf zakken, waarna er plotseling een malend geluid klonk: een shredder voor elektronische media. 16


‘Hé! Wat is dat nou?’ ‘Sorry,’ zei de bewaker, op een toon waarin geen enkele spijt doorklonk, en hij legde een hand op de kolf van een Glock in een holster. ‘Tijd om op te stappen.’ Garza keek hem strak aan. ‘Laten we nu maar gaan,’ zei Gideon. Ze draaiden zich om en verdwenen zonder nog iets te zeggen, op de voet gevolgd door de twee bewakers. Toen ze bij het laaddok waren aangekomen schoof de dikke stalen deur van ees met een zwaar gerinkel dicht. Gideon hoorde de automatische grendels in het slot springen. Garza keek hem aan. ‘En nu die borrel.’

17


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Leesfragment De Egyptische sleutel van Preston & Child by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu