Skip to main content

Leesfragment Zilvergaren van Naomi Novik

Page 1

H

et ware verhaal is bij lange na niet zo fraai als wat je hebt horen vertellen. In het ware verhaal wil de molenaarsdochter met de lange gouden lokken een edelman, een prins, een zoon van een rijke man aan de haak slaan. Daarom gaat ze naar de geldschieter om geld te lenen voor een ring en een halsketting en doft ze zich op voor het feest. En ze is tamelijk mooi, dus laat de edelman, de prins, de zoon van de rijke man zijn oog op haar vallen en danst hij met haar. Na het dansen neemt hij haar mee naar de stille hooizolder. Daarna gaat hij naar huis en trouwt hij met de rijke vrouw die zijn familie voor hem heeft uitgekozen. Vervolgens vertelt de onteerde molenaarsdochter aan iedereen dat de geldschieter met de duivel onder ĂŠĂŠn hoedje speelt en wordt hij het dorp uit gejaagd, misschien wel gestenigd, maar in ieder geval kan zij de juwelen houden als bruidsschat, en de smid trouwt met haar, voordat het eerste kind zich een beetje te vroeg aandient. Want dat is waar het verhaal eigenlijk over gaat: hoe zorg je dat je onder je schulden uit komt. Dat vertellen ze je niet, maar ik wist hoe het zat. Mijn vader was ook geldschieter, snap je. 5


Hij was er niet goed in. Als iemand niet op tijd terugbetaalde, zei hij er niet eens wat van. Pas wanneer bij ons de kasten helemaal leeg waren, of als ons de schoenen van de voeten vielen en mijn moeder zachtjes met hem sprak als ik al in bed lag, ging hij bedroefd op een paar deuren kloppen en vroeg hij met een stem alsof hij zich verontschuldigde, of ze iets van hun schuld konden afbetalen. En als er geld in huis was en iemand vroeg hem of hij iets kon lenen, vond hij het erg om nee te zeggen, ook als we zelf niet genoeg hadden. Dus bevond al zijn geld, eigenlijk het geld van mijn moeder, haar bruidsschat, zich in de huizen van andere mensen, en daar bleef het ook. Dat vonden ze allemaal wel goed zo, ook al wisten ze dat ze zich moesten schamen. Daarom vertelden ze dat verhaal vaak, zelfs, of júíst, wanneer ik het kon horen. De vader van mijn moeder was ook geldschieter. Maar hij was een heel goede. Hij woonde in Vysnia, veertig mijl rijden over de handelsweg vol gaten, die van dorp naar dorp liep als een touw vol vieze, kleine knopen. Zodra mama zich een paar stuivers kon veroorloven om de venters te betalen met wie we achter in de kar of slee konden meerijden, ging ze daar op bezoek en nam ze mij mee. Onderweg stapten we wel vijf of zes keer over. Soms vingen we een glimp op van die andere weg, de weg van de Staryk, die tussen de bomen liep. Hij schitterde als het oppervlak van de rivier in de winter wanneer de sneeuw eraf was gewaaid. ‘Niet kijken, Miryem,’ zei mijn moeder dan, maar ik hield hem in de gaten vanuit mijn ooghoeken en hoopte dat hij in de buurt bleef, want dat betekende een snelle rit: dan sloeg de voerman de paarden om ze tot spoed te manen, tot de weg weer verdwenen was. Eén keer hoorden we hoeven achter ons toen ze van hun eigen weg afweken, wat klonk als krakend ijs, en de voerman joeg de paarden snel van de weg om de kar achter een boom te zetten. Toen gingen we allemaal dicht bij elkaar op de bodem van de wagen tussen de zakken zitten. Mijn moeder had haar armen over mijn hoofd geslagen om het naar beneden te houden, zodat ik niet in de verleiding kwam om te kijken. Ze reden ons voorbij 6


en stopten niet. Het was maar een arme venter met een wagen vol potten en pannen van dof blik, en Starykruiters reden alleen uit voor goud. De hoeven dreunden verder en er woei een snijdend koude wind langs ons heen, en toen ik rechtop ging zitten was het uiteinde van mijn dunne vlecht helemaal wit bevroren, net als mijn moeders hele mouw, die over mijn hoofd had gelegen, en onze ruggen. Maar toen de vrieskou minder werd en helemaal verdwenen was, zei de venter tegen mijn moeder: ‘Zo, nu hebben we lang genoeg gerust, hè’ – alsof hij niet meer wist waarom hij was gestopt. ‘Ja,’ zei mijn moeder en ze knikte, alsof zij het zich ook niet herinnerde. Hij ging weer op de bok zitten en klakte met zijn tong om de paarden in beweging te zetten. Ik was toen nog jong genoeg om het me naderhand een beetje te herinneren, maar nog niet oud genoeg om me druk te maken om de Staryk; ik had voornamelijk last van de gewone kou, die dwars door mijn kleren ging, en van mijn rammelende maag. Ik popelde om in de stad en in het huis van mijn grootvader te zijn, dus zei ik niets waardoor de kar misschien weer zou stoppen. Mijn grootmoeder had altijd een nieuwe jurk voor me, een eenvoudige, dofbruine, maar warm en goed gemaakt, en elke winter een nieuw paar leren schoenen die niet te krap zaten en die niet opgelapt en bij de randen gebarsten waren. Ze gaf me drie keer op een dag tot barstens toe te eten en aan de vooravond van ons vertrek maakte ze altijd kwarktaart, haar eigen kwarktaart, vanbuiten goudbruin gebakken en vanbinnen dik en wit en kruimelig. Hij smaakte altijd een beetje naar appel en de bovenkant had ze versierd met zoete, goudgele rozijnen. Als ik heel langzaam het laatste hapje van zo’n stuk taart, nog groter dan de palm van mijn hand, had opgegeten, brachten ze me naar bed in de grote, knusse slaapkamer boven, waar mijn moeder en haar zusters als meisje hadden geslapen, in datzelfde smalle houten bed met houtsnijwerk in de vorm van duiven. Dan ging mijn moeder naast haar moeder bij het vuur zitten en legde ze haar hoofd op haar 7


schouder. Ze spraken niet, maar toen ik een beetje ouder werd en niet meteen in slaap viel, zag ik in de gloed van het vuur dat ze allebei een nat spoor van tranen op hun gezicht hadden. We hadden daar kunnen blijven. Er was ruimte genoeg in het huis van mijn grootvader en we waren er welkom. Maar we gingen altijd terug naar huis, omdat we van mijn vader hielden. Hij was vreselijk slecht in geldzaken, maar wel oneindig goed en zachtmoedig, en hij probeerde zijn tekortkomingen te compenseren door bijna elke dag in het koude bos op zoek te gaan naar eten en brandhout, en als hij binnen was, hielp hij mijn moeder met alles. Het woord ‘vrouwenwerk’ kwam bij ons niet voor, en als we honger hadden was hij het hongerigst, want dan schoof hij eten van zijn bord op dat van ons. Als hij ’s avonds bij het vuur zat was hij altijd met zijn handen bezig om een nieuw houten speeltje voor mij te maken of iets voor mijn moeder, een versiering op een stoel of op een houten lepel. Maar de winters waren altijd lang en bitterkoud en toen ik oud genoeg was geworden om het me te herinneren, was het elk jaar erger dan het jaar daarvoor. Ons dorp had geen muur en eigenlijk maar een halve naam; sommige mensen zeiden dat het Pakel heette, omdat het vlak bij de weg lag, maar weer andere hielden daar niet van omdat het hen eraan herinnerde dat ze vlak bij de weg van de Staryk woonden, en zij overschreeuwden de eersten en zeiden dat het Pavys heette, omdat het vlak bij de rivier lag. Maar niemand vond het van belang om het op een kaart te zetten, en dus werd er geen besluit over genomen. Als wij erover spraken, noemden we het altijd ‘het dorp’. Het lag gunstig voor reizigers, op een derde van de weg tussen Vysnia en Minask, en een kleine rivier kruiste de weg van oost naar west. Veel boeren vervoerden hun goederen per boot, dus was het op marktdag altijd druk. Maar daarmee hield onze belangrijkheid op. Geen enkele landheer maakte zich erg druk om ons en de tsaar in Koron al helemaal niet. Ik zou je niet hebben kunnen zeggen voor wie de belastinginner werkte, tot ik per toeval tijdens een bezoek aan 8


het huis van mijn grootvader vernam dat de hertog van Vysnia kwaad was, omdat de opbrengsten uit ons dorp ieder jaar minder werden. De kou in de bossen kroop alsmaar vroeger naar buiten en hij vrat aan onze oogsten. En in de laatste week van de herfst van het jaar waarin ik zestien werd, kwamen ook nog de Staryk, nog voordat de late gerst was binnengehaald. Ze kwamen zo nu en dan, en altijd om goud te roven; de mensen hadden vage herinneringen dat ze gezien waren en ze vertelden over de doden die ze hadden achtergelaten. Maar in de afgelopen zeven jaar, toen de winters strenger werden, waren ze roofzuchtiger geworden. Er hingen nog blaadjes aan de bomen toen ze van hun weg afweken en over onze weg naar het rijke monnikenklooster reden, slechts tien mijl buiten ons dorp. Daar vermoordden ze een stuk of wat monniken en stalen de gouden kandelaars en de gouden beker, en alle iconen die met goudverf waren geschilderd, en ze namen die goudschat mee naar een of ander koninkrijk, dat aan het einde van hun eigen weg lag. In de nacht nadat ze voorbijgekomen waren was de grond keihard bevroren en sindsdien woei er alle dagen onophoudelijk een snerpend koude wind uit het bos, die stekende sneeuwvlagen meevoerde. Ons eigen huisje stond helemaal afgezonderd aan het eind van het dorp, zonder andere muren in de buurt die de wind konden breken, en wij werden almaar magerder en hongeriger en we rilden continu. Mijn vader bleef zich excuseren en het werk mijden dat hij niet kon verdragen te doen. Zelfs nadat mijn moeder erop had aangedrongen en hij het had geprobeerd, kwam hij terug met slechts een handjevol munten, en dan verontschuldigde hij hun nog met de woorden, ‘het is een barre winter; het is bar voor iedereen’, hoewel ik niet geloofde dat zij zelf moeite hadden gedaan om zich te verontschuldigen. Toen ik de volgende dag door het dorp liep om ons brood te laten bakken, hoorde ik de vrouwen die ons geld verschuldigd waren praten over het feestmaal dat ze gingen koken en de lekkernijen die ze 9


op de markt gingen halen. Want midwinter naderde. Zij wilden allemaal iets goeds op tafel zetten, iets bijzonders voor de feestdagen, hún feestdagen. Daarom hadden ze mijn vader met lege handen weggestuurd, en hun licht scheen naar buiten op de sneeuw en de geur van gebraden vlees drong door de kieren naar buiten, terwijl ik langzaam terugliep naar de bakker om hem een versleten penning te geven voor een ruw, half verbrand brood, dat absoluut niet het brood was dat ikzelf had gemaakt. Hij had een goed brood aan een van zijn andere klanten gegeven en een mislukt brood voor ons bewaard. Thuis maakte mijn moeder dunne koolsoep en schraapte ze gebruikte spijsolie bij elkaar om de lamp aan te steken op de derde avond van onze eigen viering. Ze hoestte: er was weer zo’n hevige kou uit de bossen komen opzetten, die door iedere kier en dakrand van ons vervallen huisje drong. De vlammen brandden slechts een paar minuten toen een windvlaag naar binnen drong en ze uitblies, en mijn vader zei: ‘Nou, dat betekent misschien dat het bedtijd is’, in plaats van ze opnieuw aan te steken, want de olie was bijna op. Op de achtste dag was mijn moeder zo moe van het hoesten, dat ze niet uit bed kon komen. ‘Ze wordt gauw weer beter,’ zei mijn vader, zonder me aan te kijken. ‘Deze kou stopt binnenkort. Het duurt nu al zo lang.’ Hij zat kaarsen van hout te snijden, smalle stokjes om aan te steken, omdat we de laatste druppels olie de vorige avond hadden opgemaakt. Het wonder van licht zou ons huisje niet aandoen. Hij ging naar buiten om onder de sneeuw wat meer hout te sprokkelen. Onze houtkist raakte ook leeg. ‘Miryem,’ zei mijn moeder toen hij weg was. Ze klonk hees. Ik bracht haar een kop slappe thee met een schraapje honing, het enige waarmee ik haar kon verlichten. Ze nam een slokje, ging weer op het kussen liggen en vervolgde: ‘Als de winter wat minder streng wordt, wil ik dat je naar mijn vaders huis gaat. Hij zal je naar mijn vaders huis brengen.’ 10


De vorige keer dat we bij grootvader op bezoek waren, kwamen op een avond de zusters van mijn moeder met hun echtgenoten en hun kinderen eten. Zij droegen allemaal jurken van dikke wol, ze hingen hun bontmantels in de hal op en ze hadden gouden ringen aan hun handen en gouden armbanden. Ze lachten en ze zongen en het was warm in de hele kamer, hoewel het hartje winter was, en we aten vers brood en gebraden kip en goudkleurige, hete soep, hartig en vol smaak, en de damp steeg op in mijn gezicht. Toen mijn moeder dit zei, snoof ik met haar woorden alle warmte van die herinnering op en ik verlangde er ontzettend naar, met mijn koude, pijnlijk samengebalde handen. Ik dacht eraan dat ik daar als bedelaarster zou verblijven, en dat ik mijn vader zou achterlaten en dat het goud van mijn moeder voor altijd in de huizen van onze buren zou blijven. Ik perste mijn lippen stijf op elkaar, kuste haar op het voorhoofd en zei dat ze moest rusten, en toen ze in een onrustige slaap was gevallen, liep ik naar de kist bij de haard waar mijn vader zijn grootboek bewaarde. Ik pakte het eruit, nam zijn versleten pen uit de houder en mengde inkt uit de as in de haard. Toen maakte ik een lijst. Een dochter van een geldschieter, ook al is het een slechte geldschieter, leert met cijfers omgaan. Ik schreef en rekende, schreef en rekende: rente en het tijdsverloop tussen al die kleine, versplinterde, toevallige afbetalingen. Mijn vader had elke betaling keurig opgeschreven, zo gewetensvol als hij met hen omging was nooit iemand met hem omgegaan. En toen ik klaar was met mijn lijst, haalde ik mijn breiwerk uit mijn tas, sloeg mijn sjaal om en ging naar buiten in de koude ochtend. Ik ging naar alle huizen waar ze ons geld verschuldigd waren en bonkte op de deuren. Het was vroeg, heel vroeg, het was nog donker, want het gehoest van mijn moeder had ons in de nacht wakker gehouden. Iedereen was nog thuis. Dus deden de mannen de deur open en staarden mij verbaasd aan. En ik keek hen recht in het gezicht en zei koud en hard: ‘Ik ben gekomen om met u af te rekenen.’ 11


Ze probeerden natuurlijk van me af te komen; sommigen van hen lachten me uit. Oleg, de voerman met de grote handen, zette zijn gebalde vuisten op zijn heupen en staarde me aan, terwijl zijn geldbeluste vrouwtje met gebogen hoofd boven het vuur bleef staan en felle blikken op me afschoot. Kajus, die twee goudstukken had geleend in het jaar voordat ik werd geboren en goede zaken deed met de krupnik die hij destilleerde in de grote koperen ketels die hij met dat geld had gekocht, glimlachte naar me en vroeg me binnen te komen om warm te worden met hete drank. Dat sloeg ik af. Ik wilde niet warm worden. Ik stond bij hen op de stoep, liet mijn lijst zien en zei hoeveel ze hadden geleend en hoe weinig ze hadden terugbetaald, en hoeveel rente ze ons daarvoor verschuldigd waren. Ze sputterden tegen, gingen in discussie en sommigen van hen schreeuwden. Er had nog nooit van mijn leven iemand tegen me geschreeuwd: mijn moeder met haar zachte stem niet en mijn zachtmoedige vader niet. Maar vanbinnen voelde ik een zekere bitterheid, iets van die winter was mijn hart binnengewaaid: het geluid van mijn hoestende moeder, de herinnering aan het verhaal zoals het op het dorpsplein zo vaak werd verteld, over het meisje dat zich opwerkte tot koningin met het geld van een ander en dat nooit haar schulden had afbetaald. Ik bleef onbeweeglijk in hun deuropening staan. Mijn cijfers klopten, dat wisten zij net zo goed als ik, en zodra ze uitgeschreeuwd waren, zei ik: ‘Hebt u het geld?’ Dan dachten zij dat het een opening was. Nee, natuurlijk niet, zeiden ze, zo’n grote som geld hadden ze niet. ‘Dan betaalt u me nu een beetje, iedere week opnieuw, tot uw schuld is afbetaald,’ zei ik. ‘En u betaalt rente over wat u nog niet hebt betaald als u niet wilt dat ik mijn grootvader ervan op de hoogte stel en er gerechtelijke stappen worden ondernomen.’ Ze gingen geen van allen vaak op reis en ze wisten dat de vader van mijn moeder rijk was, dat hij in een groot huis in Vysnia woonde, en dat hij geld aan ridders had geleend en, zo ging het 12


gerucht, zelfs aan een edelman. Dus met tegenzin gaven ze me iets; sommige huizen slechts een paar stuivers, maar ieder van hen gaf iets. Ik liet hen ook in goederen betalen: vijftien el warme, donkerrode wollen stof, een kruik olie, twee dozijn goede, lange, witte kaarsen van bijenwas, een nieuw keukenmes van de smid. Ik berekende iedereen een eerlijke tegenwaarde – de prijs die zij iemand anders ook zouden hebben berekend, niet mij, maar op de markt – en ik schreef de bedragen op waar ze bij waren en zei dat ik de volgende week terug zou komen. Op weg naar huis stopte ik bij Lyudmila’s huis. Zij leende geen geld bij ons; zij had zelf geldschieter kunnen zijn, maar zij zou geen rente kunnen berekenen en bovendien was niemand in ons dorp zo dwaas om bij iemand anders te lenen dan bij mijn vader, die hen liet afbetalen zoals ze zelf wilden of helemaal niet. Ze opende de deur met een geoefende glimlach: zij bood reizigers ’s nachts onderdak. De glimlach verdween toen ze mij zag. ‘En?’ zei ze scherp. Ze dacht dat ik kwam bedelen. Om haar dat nog iets langer te laten denken, zei ik beleefd: ‘Mijn moeder is ziek, panova.’ Waarna ze opgelucht kon zijn toen ik vervolgde: ‘Ik ben gekomen om wat eten te kopen. Hoeveel kost soep?’ Daarna vroeg ik haar naar de prijs van eieren en brood, alsof ik dat probeerde in te passen in een smalle beurs, en omdat zij niet anders wist deelde ze me alleen kortaf de prijzen mee, in plaats van ze twee keer zo hoog te maken. Ze raakte geïrriteerd toen ik ten slotte zes stuivers uittelde voor een pan hete soep met een halve kip erin, drie verse eieren en een zacht brood, én een schaal met honingraat, afgedekt met een servet. Maar ze gaf het me, met tegenzin, en ik torste het mee op de lange weg naar huis. Mijn vader was eerder thuisgekomen dan ik. Hij legde hout op het vuur en keek ongerust op toen ik met mijn schouder de deur openduwde en binnenkwam. Hij staarde naar mijn armen vol eten en rode wol. Ik zette mijn last neer en deed de rest van de stuivers en die ene zilveren daalder in de pot bij de haard, waar 13


nog maar een paar stuivers in zaten, en ik gaf hem de lijst met de betalingen die ik had opgeschreven. Toen ging ik voor mijn moeder zorgen. Vanaf dat moment was ik de geldschieter van het dorp. En ik was een goede geldschieter, en een heleboel mensen waren ons geld verschuldigd, dus weldra was het stro op de grond vervangen door gladde planken van goudkleurig hout, werden de kieren in de open haard gedicht met goede klei en ons dak opnieuw met riet bedekt. Mijn moeder had een bontmantel om onder te slapen of om te slaan, zodat haar borst warm bleef. Dat vond ze helemaal niet leuk en mijn vader ook niet; op de dag dat ik de mantel mee naar huis bracht ging hij naar buiten en huilde stilletjes. Odeta, de vrouw van de bakker, had de mantel aangeboden als volledige afbetaling van de schuld van haar familie. Hij was prachtig, met donkere en lichtbruine schakeringen, gemaakt van hermelijnen die haar vader had geschoten in de bossen van de bojaar, en ze had hem meegebracht toen ze trouwde. Dat deel van het oude verhaal bleek dus wel te kloppen: als goede geldschieter moet je wreed zijn. Maar ik was bereid om onze buren net zo onbarmhartig te bejegenen als zij met mijn vader waren omgegaan. En ik wilde heus niet iemands eerstgeborene afnemen, maar in het late voorjaar, toen de wegen eindelijk weer sneeuwvrij waren, begaf ik me naar een van de keuterboeren op de verre akkers. Hij bezat niets waarmee hij me kon terugbetalen, hij had zelfs geen brood over. Gorek had zes zilveren daalders geleend, een bedrag dat hij van zijn leven niet zou kunnen terugbetalen, zelfs niet als hij elk jaar een oogst zou binnenhalen; volgens mij had hij nooit meer dan vijf stuivers tegelijk in zijn hand gehad. Eerst probeerde hij me gewoon vloekend het huis uit te jagen, zoals velen deden, maar toen ik voet bij stuk hield en zei dat ik de wetsdienaars erbij zou halen, kwam er echt een wanhopige klank in zijn stem. ‘Ik moet vier monden voeden!’ zei hij. ‘Van een kale kip kun je niet plukken.’ 14


Ik veronderstel dat ik medelijden met hem had moeten hebben. Dat zou mijn vader hebben gehad, mijn moeder ook, maar gehuld in mijn kilte zag ik slechts het gevaar van dat moment. Als ik hem vergaf, zijn verontschuldiging aanvaardde, zou de volgende week iedereen een excuus hebben; ik zag voor me hoe dan alles weer uit elkaar zou vallen. Toen kwam zijn lange dochter wankelend binnen. Ze had een grijze hoofddoek over haar lange, gele vlechten en droeg een zwaar juk op haar schouders met twee emmers water, twee keer zoveel als ik kon dragen als ik naar de put ging om water te halen. Ik zei: ‘Dan komt je dochter bij mij werken om je schuld af te lossen, voor een halve stuiver per dag.’ En ik liep zeer in mijn nopjes naar huis, ik maakte zelfs een paar danspasjes op de weg, in mijn eentje onder de bomen. Haar naam was Wanda. De volgende dag kwam ze bij het aanbreken van de ochtend zwijgend bij ons thuis en ze werkte als een paard tot aan het middagmaal, waarna ze ook weer zwijgend wegging, en al die tijd had ze met gebogen hoofd gelopen. Ze was heel sterk en had in die halve dag bijna al het zware werk in huis op zich genomen. Ze haalde water, hakte hout en verzorgde het kleine aantal kippen dat we intussen op het erf hadden rondscharrelen, ze schrobde de vloeren en ons fornuis en al onze potten en pannen, en ik was erg tevreden met mijn oplossing. Nadat ze weg was sprak mijn moeder voor het eerst van mijn leven boze en beschuldigende woorden tegen mijn vader, wat ze zelfs toen ze het heel koud had en ziek was niet had gedaan. ‘Kan het jou dan niet schelen wat dit met haar doet?’ hoorde ik haar tegen hem schreeuwen, nog steeds met een hese stem, terwijl ik bij de poort de modder van mijn laarzen klopte; nu ik geen ochtendwerk meer hoefde te doen, had ik een ezel geleend en was ik helemaal naar de verste dorpen gegaan om geld te innen bij mensen die waarschijnlijk hadden gedacht dat er nooit meer iemand zou komen opdagen om het terug te eisen. De winterrogge was binnengehaald en ik had twee zakken vol graan, nog twee zakken 15


met wol en een grote zak met mijn moeders favoriete hazelnoten, die in de winter vers waren gebleven door de kou, en een oude maar nog goede, ijzeren notenkraker erbij, zodat we ze niet meer met een hamer hoefden stuk te slaan. ‘Wat zal ik tegen haar zeggen?’ riep hij terug. ‘Wat zal ik zeggen? Nee, je moet omkomen van de honger; nee, je moet het koud hebben en in lompen lopen?’ ‘Als je zo koud was geweest om het zelf te doen, zou je ook zo koud zijn om het haar te laten doen,’ zei mijn moeder. ‘Het is onze dochter, Josef!’ Die avond probeerde mijn vader me rustig iets te zeggen, maar hij struikelde over zijn woorden: ik had genoeg gedaan, het was mijn werk niet, morgen zou ik thuisblijven. Ik zat noten te kraken en keek niet op en gaf geen antwoord, en ik hield de kou vast, die als een knoop onder mijn ribben zat. Ik dacht aan de hese stem van mijn moeder, niet aan de woorden die ze had gesproken. Na een poosje deed hij er het zwijgen toe. Hij stuitte op de kou in mijn binnenste en was erdoor verjaagd, zoals het ook in het dorp ging wanneer hij kwam vragen om datgene wat ze hem verschuldigd waren.

16


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook