Skip to main content

Naomi Novik - Een dodelijke opleiding

Page 1

1

Z IELENETE

I

k besloot dat Orion dood moest nadat hij me voor de tweede keer het leven had gered. Daarvoor liet het me eigenlijk koud wat er met hem gebeurde, maar ik had mijn grenzen. Het was nog tot daaraan toe geweest als hij me echt een buitengewoon aantal keren had gered, tien of dertien keer of zo – dertien is een getal met aanzien. Orion Lake, mijn persoonlijke bodyguard: daar had ik mee kunnen leven. Maar we zaten intussen al bijna drie jaar in de Scholomance, en hij had nooit eerder de neiging gehad om mij een speciale behandeling te geven. Je vindt het vast egoïstisch van me, om moordzuchtige gedachten te koesteren over de held die verantwoordelijk is voor het overleven van een kwart van onze jaargroep. Nou, jammer voor de kneuzen die het zonder zijn hulp niet redden. Het is helemaal niet de bedoeling dat we allemaal overleven. De school zal op de een of andere manier gevoed moeten worden. Ah, maar hoe zit het dan met mij, vraag je je af. Hij moest mij toch ook redden? Twee keer zelfs? En dat is precies waarom hij dood moest. Híj had vorig jaar tijdens het gevecht met die chimaera de explosie in het alchemielab veroorzaakt. Ik moest me uit het puin omhoogwerken terwijl hij als een gek rondrende en naar de vuurspuwende staart liep te meppen. En die zieleneter was nog geen vijf seconden in mijn kamer toen hij al binnen kwam rennen: hij moet hem pal op de hielen hebben gezeten, waarschijnlijk nadat hij hem door de gang had achtervolgd. De zieleneter was alleen naar mijn kamer gevlucht om aan hem te ontsnappen. 7


Maar wie zal er naar mijn uitleg willen luisteren? Het voorval met de chimaera zal mijn reputatie misschien niet hebben geschaad – er waren die dag meer dan dertig leerlingen in het lab –, maar een dramatische redding in mijn eigen slaapkamer is van een andere orde. In de ogen van de rest van de school was ik onderdeel geworden van de massa miezerige zielenpoten die Orion Lake in de loop van zijn briljante carrière het leven had gered, en dat was onduldbaar. Onze kamers zijn niet zo groot. Hij zat maar een paar stappen bij mijn bureaustoel vandaan uit te hijgen boven de borrelende, paarsachtige smurrie van de zieleneter, die nu geleidelijk wegsijpelde in de smalle kieren tussen de vloertegels en zich langzaam maar zeker door mijn hele kamer verspreidde. De vervagende gloed op zijn handen verlichtte zijn gezicht, geen bijzonder gezicht of zo: hij had een grote haakneus die misschien ooit indrukwekkend zou worden, als de rest van zijn gezicht zich mee had ontwikkeld, maar die nu gewoon te groot was, en zijn voorhoofd droop van het zweet en was bedekt met natte plukken van zijn zilvergrijze haar, dat hij drie weken geleden al nodig had moeten knippen. Meestal wordt hij omringd door een ondoordringbaar schild van toegewijde aanbidders, dus ik was nog nooit eerder zo dicht bij hem in de buurt geweest. Hij kwam overeind en veegde met zijn arm het zweet weg. ‘Gaat het... Gal is het toch, hè?’ vroeg hij, alleen maar om zout in de wond te strooien. We hadden drie jaar in dezelfde labgroep gezeten. ‘Ja, niet bepaald dankzij jou en je grenzeloze fascinatie voor elk duister wezen dat hier rondkruipt,’ snauwde ik ijzig. ‘En het is níét Gal, het is nooit Gal geweest, het is Galadriel,’ – die naam was niet mijn idee, kijk maar niet naar mij – ‘en als je zoveel lettergrepen achter elkaar niet aankunt, zeg je maar El.’ Zijn hoofd schoot omhoog en hij keek me met halfopen mond en knipperende ogen aan. ‘O. Hm. Eh, sorry?’ zei hij, en zijn stem ging een beetje omhoog, alsof hij niet begreep wat er aan de hand was. 8


‘Nee, nee,’ zei ik. ‘Ik moet sorry zeggen. Blijkbaar vervul ik mijn rol niet naar behoren.’ Ik sloeg melodramatisch mijn hand tegen mijn voorhoofd. ‘Orion, ik was zó bang,’ riep ik, met stokkende stem, en ik wierp me tegen hem aan. Hij wankelde een beetje: we waren even lang. ‘Wat een gelúk dat jij er was om me te redden, ik had een zieleneter nooit in mijn eentje aangekund.’ Ik smoorde hikkend een overduidelijke nepsnik tegen zijn borst. Geloof het of niet, maar hij probeerde nota bene zijn arm om me heen te slaan om me een klopje op mijn schouder te geven, zo automatisch gaat dat bij hem. Ik ging expres op zijn voet staan, beukte mijn elleboog in zijn maag en duwde hem van me af. Hij maakte een geluid als een benauwde blaffende hond, strompelde achteruit en gaapte me aan. ‘Ik heb jouw hulp niet nodig, onuitstaanbare gluiperd,’ zei ik. ‘Blijf uit mijn buurt, anders krijg je er spijt van.’ Ik duwde hem nog een stap verder naar achteren en knalde de deur een paar centimeter voor zijn haakneus dicht. Even had ik de voldoening om een blik van absolute verbazing op zijn gezicht te zien verschijnen. Toen verdween hij uit beeld en bleef ik achter met de kale, metalen deur met een groot weggesmolten gat op de plek waar eerst de deurknop en het slot hadden gezeten. Bedankt, held. Ik keek er nijdig naar en draaide me weer om naar mijn bureau, net op het moment dat de klonterige massa van de zieleneter sissend als een lekkende stoompijp verder inzakte en de stank van bederf de kamer vulde. Ik was zo kwaad dat ik zes pogingen moest doen voordat ik een toverspreuk had gevonden om de boel schoon te maken. Na de vierde poging slingerde ik de laatste oeroude, halfvergane perkamentrol de ondoordringbare duisternis aan de andere kant van mijn bureau in en schreeuwde woedend: ‘Ik wíl geen leger van scuvara oproepen! Ik wíl geen dodelijke vlammenmuren tevoorschijn toveren! Ik wil verdomme een schone kamer!’ In antwoord hierop kwam er vanuit de leegte een gruwelijk dik boek naar binnen vliegen met een knisperende omslag van

9


bleek leer en stalen hoeken, dat met een onplezierig schrapend geluid over mijn metalen bureau naar me toe schoof. Het leer was waarschijnlijk afkomstig van een varken, maar iemand had kennelijk graag gewild dat je zou denken dat het mensenhuid was, wat bijna net zo erg was, en het klapte open op een bladzijde met instructies over hoe je een complete mensenmassa kon onderwerpen en naar je pijpen kon laten dansen. Ik veronderstel dat die mijn kamer wel zou hebben schoongemaakt als ik daar opdracht toe had gegeven. Ik moest een van de stomme kristallen van mijn moeder erbij pakken, op mijn smalle, krakende bed gaan zitten en tien minuten mediteren, terwijl de stank van de zieleneter in mijn kleren, beddengoed en papieren trok. Je zou denken dat geuren hier snel weg zouden trekken, aangezien een hele muur van onze kamers openligt en uitkijkt op een mystieke, donkere leegte, wat je het verrukkelijke gevoel geeft te leven in een ruimteschip dat recht een zwart gat in vliegt, maar dat is niet zo. Nadat ik mijn woede ten slotte zover had bedwongen dat ik niet meer alleen maar als een razende om me heen wilde trappen, duwde ik het varkensleren boek over de rand van mijn bureau terug de leegte in – waarbij ik voor de zekerheid een pen gebruikte, om het niet aan te hoeven raken – en zei ik zo kalm mogelijk: ‘Ik wil een eenvoudige huishoudspreuk voor het opruimen van een ongewenste, stinkende bende.’ Er kwam traag een enorm boekwerk naar beneden zakken met de titel Amunan Hamwerod. Het zat tjokvol toverspreuken die waren geschreven in Oudengels – mijn zwakste dode taal – en het viel ook nog eens niet op een bepaalde bladzijde open. Dat soort dingen overkomt mij nou altijd. Sommige tovenaars hebben een affiniteit voor weermagie, of transformatiespreuken, of fantastische vechtmagie, zoals die lieve Orion. Ik heb een affiniteit voor massavernietiging. Het is natuurlijk allemaal de schuld van mijn moeder, net als die stomme naam van me. Zij is

10


zo’n typetje van bloemen, kralen en kristallen, dat bij maanlicht danst voor de Godin. Iedereen is lief en wie iets verkeerds doet is onbegrepen of ongelukkig. Ze geeft zelfs massagetherapie aan aardlingen, ‘omdat het zo ontspannend is om ervoor te zorgen dat mensen zich beter voelen, lieverd’. De meeste tovenaars houden zich niet bezig met aardlingenwerk – er wordt een beetje op neergekeken – en als ze het wel doen, azen ze op baantjes die een lege huls zijn. De persoon die na zesenveertig jaar met pensioen gaat zonder dat iemand precies weet wat hij heeft gedaan, de verwarde bibliothecaris die je soms tussen de boekenrekken ziet scharrelen, zonder dat hij iets lijkt uit te voeren, de derde vicepresident van de marketingafdeling die alleen komt opdagen voor vergaderingen met het hogere management; dat soort dingen. Er zijn toverspreuken om deze banen te vinden of in het leven te roepen, en zo voorzie je dan in je levensonderhoud en heb je je handen vrij om mana te vergaren, zodat je je goedkope flat vanbinnen in een herenhuis met twaalf kamers kunt veranderen. Maar mam doet dat niet. Zij brengt bijna niets in rekening, en dat ze überhaupt iets vraagt, is vooral omdat mensen je raar aankijken als je professionele massages gratis aanbiedt, waar ze groot gelijk in hebben. Natuurlijk was ik voorbestemd om precies het tegenovergestelde te worden van dit toonbeeld van rechtschapenheid, zoals iedereen met enig begrip van het Evenwichtsprincipe misschien al verwachtte, en als ik nu mijn kamer wil opruimen, krijg ik instructies om hem met vuur te verwoesten. Niet dat ik deze verrukkelijke cataclysmische toverformules die de school me zo graag aanreikt ook daadwerkelijk kan gebruiken. Grappig genoeg kun je niet met een handomdraai een heel leger demonen oproepen. Daar is toverkracht voor nodig, en niet zo’n beetje ook. En niemand gaat je helpen om mana op te bouwen om een persoonlijk demonenleger tevoorschijn te toveren, dus, laten we eerlijk zijn: er is malia voor nodig.

11


Iedereen – bijna iedereen – gebruikt hier en daar wel een beetje malia, voor dingen waar ze geen kwaad in zien. Een boterham veranderen in een plak cake zonder daar eerst de mana voor te verzamelen, dat soort dingen, die iedereen beschouwt als onschuldig valsspelen. Maar de toverkracht moet érgens vandaan komen, en als je die niet zelf hebt verzameld, komt hij waarschijnlijk uit iets levends, want het is gemakkelijker om toverkracht te halen uit iets wat al levend rondloopt. Dus jij krijgt je cake en in je achtertuin verstijft en sterft intussen een mierenkolonie die direct tot ontbinding overgaat. Mam zal niet eens malia gebruiken om haar thee warm te houden. Maar als je, zoals de meeste mensen, niet zo’n pietje-precies bent, dan kun je elke dag van je leven van stof en mieren voor jezelf een taart van drie lagen maken en evengoed honderdvijftig worden en vredig sterven in je bed, als je tenminste voor die tijd niet overlijdt aan cholesterolvergiftiging. Maar als je op grotere schaal malia gaat gebruiken, bijvoorbeeld om een stad met de grond gelijk te maken of een heel leger af te slachten, of een van de duizend andere nutteloze dingen te doen waarvan ik precies weet hoe ik ze moet bewerkstelligen, dan kun je er alleen genoeg van bij elkaar krijgen door mana – of levenskracht, of esoterische energie of elfenstof of hoe je het maar wilt noemen; mana is gewoon de huidige trendy benaming – op te zuigen uit wezens die ingewikkeld genoeg in elkaar zitten om daar gevoelens over te hebben en zich tegen je te verzetten, en dan wordt de toverkracht besmet en grijpen ze je psychisch vast terwijl je hun mana probeert af te pakken, en vaak genoeg winnen ze. Voor mij zou dat geen probleem zijn. Ik zou fantastisch zijn in malia trekken, als ik stom of wanhopig genoeg zou zijn om het te proberen. Wat dat aangaat moet ik mam de eer geven die haar toekomt: ze heeft dat stomme Natuurlijk Ouderschap gedaan, wat in mijn geval betekende dat haar liefelijke, sprankelend schone aura mij genoeg omhulde om te voorkomen dat ik me op te jonge

12


leeftijd met malia ging bezighouden. Als ik kikkertjes mee naar huis nam om met hun ingewanden te rommelen, was het altijd heel lief: ‘Nee, schattebout, wij doen levende wezens geen pijn’, en dan nam ze me mee naar de kruidenier op de hoek en kocht ze een ijsje voor me, om goed te maken dat ze die kikkertjes had afgepakt. Ik was vijf, ijs was toch al mijn enige motivatie om toverkracht te willen, dus je kunt je voorstellen dat ik al mijn vondsten naar haar toe bracht. En toen ik eenmaal zo oud was dat ze me niet meer had kunnen tegenhouden, was ik ook oud genoeg om te begrijpen wat er gebeurt met tovenaars die malia gebruiken. Meestal beginnen de laatstejaars ermee, in het dreigende vooruitzicht van het examen, maar wij hebben er een paar in onze jaargroep die er nu al mee bezig zijn. Als Yi Liu je te snel aankijkt, worden haar ogen soms even helemaal wit. Daarnaast zijn haar nagels gitzwart geworden en ik weet zeker dat het geen nagellak is. Jack Westing ziet er prima uit, echt zo’n blonde Amerikaanse jongen met een perfecte glimlach, en de meeste mensen vinden hem fantastisch, maar als je langs zijn kamer loopt en diep inademt, ruik je vaag de geur van het knekelhuis. Als je tenminste iemand bent zoals ik. Luisa, die drie deuren bij hem vandaan woonde, is eerder dit jaar verdwenen, en niemand weet wat er met haar is gebeurd. Op zich niets bijzonders, maar ik ben er vrij zeker van dat wat er van haar over is, in zijn kamer ligt. Ik voel dit soort dingen goed aan, zelfs als ik het liever niet wil weten. Als ik wél toe zou geven en malia zou gaan gebruiken, zou ik hier moeiteloos rondzweven – toegegeven, op de afzichtelijke leerachtige vleermuisvleugels van demonische beesten, maar er zou sprake zijn van vleugels, dat is al heel wat. De Scholomance vindt het heerlijk om malefisten op de wereld los te laten; ze worden bijna nooit vermoord. Nee, dat is weggelegd voor de rest van ons: wíj krijgen midden op de dag zieleneters onder onze deur door, en als we proberen te douchen of huiswerkopdrachten zit-

13


ten te lezen die onze oogbollen oplossen, komen er wauria door de afvoerbuizen glibberen die zich aan onze enkels vastzuigen. Zelfs Orion is het niet gelukt om ons allemaal te redden. Meestal haalt nog niet eens een kwart het examen, en achttien jaar geleden – ongetwijfeld niet toevallig kort voordat Orion werd verwekt – hebben maar tien leerlingen het gehaald, en die waren allemaal de duistere kant op gegaan. Ze hadden een bende gevormd en al hun jaargenoten vermoord, in ruil voor een gigantische dosis toverkracht. Natuurlijk begrepen de families van alle andere leerlingen wat er was gebeurd – dat lag ook nogal voor de hand: de idioten hadden niet eens eerst de enclavers laten ontsnappen – en zij hebben de tien malefisten opgespoord. De laatste was dood tegen de tijd dat mam het jaar daarop examen deed, en dat was dan het einde van de Handen des Doods, of hoe ze zichzelf ook maar noemden. Maar zelfs als je een achterbakse gluiperd van een maliazuiger bent die zijn slachtoffers slim uitkiest en onopvallend zijn gang gaat, glijd je uiteindelijk steeds verder af. Die alleraardigste Jack steelt al levenskracht van mensen, dus binnen vijf jaar na zijn examen zal hij van binnenuit beginnen weg te rotten. Ik wed dat hij grandioze plannen heeft om zijn verval tegen te gaan, die hebben malefisten altijd, maar ik geloof niet dat het hem gaat lukken. Tenzij hij iets bijzonders bedenkt zal hij binnen tien, hooguit vijftien jaar uiteindelijk op een groteske manier instorten. Dan zullen ze zijn kamer uitspitten en honderd lijken vinden en iedereen zal afkeurend ‘jeetje’ mompelen en zeggen: mensenlief, hij leek nog wel zo’n aardige jongeman. Maar op dat moment, terwijl ik me pagina na pagina door extreem specifieke, in een onduidelijk handschrift geschreven Oudengelse huishoudspreuken heen worstelde, had ik sterk het gevoel dat ik zelf ook graag over een flinke portie malia zou beschikken. Als mijn ongepelde haverkorrels ooit door kieviten zouden worden opgegeten, dan zou ik weten wat me te doen

14


stond. Intussen stootte de zieleneter achter mij voortdurend zachte, lichtgevende gasbelletjes uit, die er stuk voor stuk uitzagen als verre bliksemschichten, waarna de afschuwelijke stank die daarbij vrijkwam mijn neus bereikte. Ik had al de hele dag zitten ploeteren voor de eindtentamens. Het was nog maar drie weken tot het eind van het schooljaar: als je in de badkamer je hand tegen de muur legde, kon je al het vage, ratelende geluid horen van de middelgrote raderwerken die in gereedheid werden gebracht, klaar om ons allemaal weer een laag verder naar beneden te draaien. De leslokalen blijven op dezelfde plek in de kern van de school, en onze slaapverdiepingen beginnen bovenin, op het niveau van de kantine, en draaien ieder jaar verder naar beneden, als een enorme metalen noot die om de schacht van een schroef heen draait, tot we helemaal beneden zijn voor het examen. Volgend jaar zitten wij op de laagste verdieping, niet iets om naar uit te kijken. En ik heb absoluut geen zin om een onvoldoende te halen voor een eindtentamen en mezelf op te zadelen met extra inhaalwerk. Dankzij mijn ijver in de middag waren mijn rug, mijn kont en mijn nek helemaal pijnlijk geworden, en mijn bureaulamp begon te flikkeren en minder licht te geven terwijl ik over de enorme pil gebogen zat en met samengeknepen ogen de letters probeerde te ontcijferen en een lamme arm kreeg van het vasthouden van mijn woordenboek Oudengels. Het idee om een muur van dodelijk vuur op te werpen om daarmee de zieleneter, het toverboek, het woordenboek, mijn bureau enzovoort enzovoort in de as te leggen, trok me steeds meer aan. Het is niet helemรกรกl onmogelijk om het als malefist lang vol te houden. Met Liu komt het wel goed, zij gaat veel voorzichtiger te werk dan Jack. Ik wed dat zij bijna al het gewicht dat ze bij de inlijving de school binnen mocht brengen, heeft gebruikt om een zak hamsters of zo mee te nemen en dat ze die volgens een vast schema opoffert. Ze rookt stiekem een paar sigaretjes per week,

15


ze is geen kettingrookster die vier pakjes per dag weg paft. Maar ze kan zich dat veroorloven, omdat ze er niet helemaal alleen voor staat. Ze heeft een grote familie – niet groot genoeg om al een eigen enclave op te richten, maar het scheelt weinig – en er gaan geruchten dat ze altijd veel malefisten in de familie hebben gehad. Voor hen is het een strategie. Ze heeft een paar tweelingneefjes die volgend jaar op school komen, en door malia te gebruiken zal ze de toverkracht hebben om hen te beschermen en hen door hun eerste jaar heen te helpen. En na haar examen heeft Liu verschillende opties. Ze kan de tovenarij laten voor wat zij is, een aardlingenbaan nemen om de rekeningen te betalen en het aan de rest van haar familie overlaten om haar te beschermen en hun toverkrachten voor haar in te zetten. Met een jaar of tien zal ze dan psychisch genoeg zijn hersteld om weer mana te kunnen gaan gebruiken. Of ze kan een professionele malefist worden, het soort heks dat door enclavers flink wordt betaald om zwaar werk voor hen te doen, zonder dat er wordt gevraagd waar de toverkracht vandaan komt. Zolang ze niets buitensporigs doet – lees: mijn soort toverkunsten gebruikt – zal ze het waarschijnlijk wel redden. Maar ik heb geen familie, behalve mijn moeder, en er staat al helemaal geen enclave klaar om me te ondersteunen. Wij wonen in de Stralende Geest-commune, dicht bij Cardigan in Wales, die ook onderdak biedt aan een sjamaan, twee paranormaal genezers, een heksenkring en een groep Morris-dansers, die allemaal over ongeveer dezelfde hoeveelheid echte toverkracht beschikken, namelijk helemaal geen, en die zouden omvallen van ontzetting als ze mam of mij echte toverkracht zouden zien gebruiken. Nou ja, mij. Mam beoefent magie door met een groep bereidwillige vrijwilligers via dans mana op te wekken – ik heb tegen haar gezegd dat ze er geld voor moet vragen, maar nee – en dat strooit ze dan weer overvloedig rond in schitteringen en geluk, trala. Mensen lieten ons aan hun tafel mee-eten omdat ze van haar houden

16


(wie zou dat niet doen), en ze bouwden een joert voor haar toen ze drie maanden zwanger was van mij en vanuit de Scholomance rechtstreeks naar hen toe kwam. Maar ze konden me geen van allen helpen met toveren en ze konden me niet beschermen tegen rondzwervende maleficaria. En zelfs als ze dat wel konden, zouden ze het niet doen. Ze mogen me niet. Niemand mag me, behalve mam. Papa is hier doodgegaan, tijdens het examen, terwijl hij mam naar buiten hielp. We noemen het ‘het examen’ omdat de Amerikanen het zo noemen, en zij hebben de afgelopen zeventig jaar het leeuwendeel van de kosten van de school voor hun rekening genomen. Wie betaalt bepaalt, zullen we maar zeggen. Maar het is geen feestelijke gebeurtenis of zo. Het is gewoon het moment waarop de laatstejaars met z’n allen worden gedumpt in de examenhal, helemaal onder in de school, en zich tussen de hongerige maleficaria die daar op de loer liggen een weg naar buiten proberen te vechten. Ongeveer de helft van de laatstejaars – dat wil zeggen: de helft van degenen die het tot die tijd hebben overleefd – redt het. Papa niet. Hij had wel familie. Ze wonen in de buurt van Mumbai. Het lukte mam om hen op te sporen, maar toen was ik al vijf. Papa en zij hadden geen informatie over de echte wereld uitgewisseld of plannen gemaakt voor na hun examen, als ze eruit gegooid zouden worden en weer naar hun respectievelijke ouderlijke huizen terug zouden moeten. Dat zou veel te verstandig zijn geweest. Ze waren op school maar een maand of vier samen geweest, maar ze waren zielsverwanten en de liefde zou hun wel de weg wijzen. Voor mam zou dat natuurlijk waarschijnlijk ook écht zo zijn gegaan. Hoe dan ook, toen ze zijn familie uiteindelijk vond, bleek die rijk te zijn, en dan niet gewoon rijk, maar paleizen-en-juwelen-en-djinn-bedienden-rijk. En, wat naar de maatstaven van mijn moeder belangrijker was: ze stamden van een oeroude Hindoe-en-

17


clave die zuiver mana was en die was vernietigd toen Brits-Indië nog een kolonie was, en ze houden zich nog steeds aan die regels. Ze eten geen vlees, en ze trekken al helemáál geen malia. Mam vond het heerlijk om bij hen te gaan wonen, en zij waren ook allemaal verrukt om ons op te nemen. Ze hadden nooit vernomen wat er met papa was gebeurd. De laatste keer dat ze iets van hem hadden gehoord was aan het eind van het jaar voor zijn examen. De laatstejaars verzamelen een week voor het examen briefjes van de jongere leerlingen. Ik heb mijn briefje voor dit jaar al geschreven en er een paar meegegeven aan leerlingen van de Londen-enclave. Kort en bondig: leef nog, gaat goed op school. Ik moest het briefje heel klein houden, zodat ze met goed fatsoen niet konden weigeren om het in hun envelop te stoppen, anders zouden ze dat zeker doen. Papa had aan het eind van het derde jaar zo’n briefje naar zijn familie gestuurd, dus ze wisten dat hij het tot dan toe had overleefd. Maar daarna kwam hij dus niet naar buiten. De zoveelste van de honderden die op de vuilnishoop van dit oord belanden. Toen mam eindelijk zijn familie had opgespoord en hun over mij vertelde, was het voor hen net of ze toch nog iets van papa terugkregen. Ze stuurden ons vliegtickets voor een enkele reis en mam nam afscheid van iedereen in de commune en vertrok met mij en al onze aardse bezittingen. Maar toen we daar aankwamen, wierp mijn overgrootmoeder één blik op mij en sloeg vervolgens tegen de grond. Ze had een visioen en zei dat ik een belaste ziel was en dat ik, als ik niet werd tegengehouden, dood en verderf zou zaaien in alle enclaves van de wereld. Mijn grootvader en zijn broers probeerden me daadwerkelijk tegen te houden. Dat is de enige keer ooit dat mam alle registers open heeft getrokken. Ik herinner me vaag dat ze in onze slaapkamer stond, met vier mannen die haar onhandig probeerden te dwingen opzij te gaan en mij aan hen over te dragen. Ik weet niet wat ze met me van plan waren – ze hadden geen

18


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Naomi Novik - Een dodelijke opleiding by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu