Skip to main content

Lieve Edward

Page 1

12 juni 2013 07.45 uur

De pas gerenoveerde luchthaven van Newark glimt. Er staan potten met planten bij elk stuk securitywachtrij om te voorkomen dat passagiers beseffen hoelang ze in de rij moeten staan. Mensen leunen tegen de muur of zitten op hun koffer. Ze zijn allemaal voor het ochtendgloren opgestaan en zuchten luidruchtig, pruttelend van moeheid. Als de familie Adler eindelijk vooraan staat, leggen ze hun apparaten en schoenen in de bakken. Bruce Adler trekt zijn riem uit zijn broek, rolt die op en legt hem naast zijn bruine instappers in een grijze plastic bak. Zijn zoons zijn minder netjes en gooien sneakers boven op laptops en portemonnees. De veters hangen over de rand van hun gedeelde bak heen. Bruce kan het niet helpen en stopt de losse uiteinden erin. Op het grote, rechthoekige bord naast hen staat: Portemonnees, sleutels, telefoons, sieraden, elektronische apparatuur, computers, tablets, metalen voorwerpen, schoenen, riemen en etenswaren in een bak. Dranken en verboden voorwerpen weggooien. Bruce en Jane Adler lopen met hun twaalfjarige zoon Eddie tussen hen in naar de scanner. Hun vijftienjarige zoon Jordan treuzelt. Als de rest van het gezin erdoor is, zegt Jordan tegen de man die het apparaat bedient: ‘Ik maak gebruik van mijn recht om te weigeren.’ De beveiligingsmedewerker kijkt op. ‘Wat zeg je?’ 9


De jongen duwt zijn handen in zijn zakken en zegt: ‘Ik maak gebruik van het recht om te weigeren.’ De beveiliger roept: ‘Ik heb hier een weigeraar, mannelijk!’ ‘Jordan,’ zegt zijn vader van de andere kant van de poort. ‘Wat doe je?’ De jongen haalt zijn schouders op. ‘Dit is een backscatter x-raybodyscan, pap. Dat is de gevaarlijkste en minst effectieve scanner. Ik heb erover gelezen en ik ga er niet doorheen.’ Bruce, die er tien meter vanaf staat en weet dat het niet toegestaan zal zijn om door de scanner terug te lopen naar zijn zoon, doet zijn mond dicht. Hij wil heel graag dat zijn zoon dat verder ook doet. ‘Ga opzij, jongen,’ zegt de beveiligingsbeambte. ‘Je houdt de rij op.’ Als de jongen gehoor aan zijn verzoek heeft gegeven, zegt de man: ‘Ik kan je zeggen dat het stukken makkelijker en aangenamer is om door het apparaat te gaan dan dat hij je fouilleert. Dat gebeurt namelijk grondig, als je begrijpt wat ik bedoel.’ De jongen strijkt een lok haar van zijn voorhoofd. Hij is in het afgelopen jaar vijftien centimeter gegroeid en is zo slank als een hazewindhond. Net als zijn moeder en broertje heeft hij krullen die zo hard groeien dat ze niet onder controle te krijgen zijn. Het haar van zijn vader is kort en grijs. Bruce is al grijs sinds zijn zevenentwintigste, het jaar dat Jordan werd geboren. Hij wijst altijd graag naar zijn hoofd en zegt dan tegen zijn zoon: ‘jouw schuld’. De jongen is zich ervan bewust dat zijn vader op dit moment strak naar hem kijkt alsof hij hem door de lucht gezond verstand probeert te bezorgen. Jordan zegt: ‘Er zijn vier redenen waarom ik niet door die machine ga. Wilt u ze horen?’ De beveiliger lijkt het wel amusant te vinden. Hij is niet langer de enige die naar de jongen luistert, de passagiers om hem heen doen dat ook. 10


‘O god,’ mompelt Bruce. Eddie Adler laat voor het eerst in minstens een jaar zijn hand in die van zijn moeder glijden. Toekijken hoe zijn ouders alles inpakten voor deze verhuizing van New York naar L.A., die zijn vader De Volksverhuizing noemde, had hem buikpijn bezorgd. Hij voelt zijn darmstreek nu ook rommelen en vraagt zich af of er toiletten vlakbij zijn. Hij zegt: ‘We hadden bij hem moeten blijven.’ ‘Hij redt zich wel,’ zegt Jane net zo goed tegen zichzelf als tegen haar zoon. Haar man heeft zijn blik strak op Jordan gericht, maar zij kan het niet aanzien. Daarom concentreert ze zich maar op het fijne gevoel van de hand van haar jongste kind in de hare. Ze heeft dit gemist. Zoveel dingen zouden makkelijk kunnen worden opgelost als mensen gewoon wat vaker elkaars hand vasthielden, denkt ze. De beveiliger drukt zijn borst vooruit. ‘Kom maar op.’ Jordan houdt zijn hand omhoog, klaar om op zijn vingers te tellen. ‘Ten eerste stel ik me het liefst zo min mogelijk bloot aan straling. Ten tweede geloof ik niet dat deze technologie terrorisme voorkomt. Ten derde is het walgelijk dat de regering foto’s van mijn ballen wil nemen. En ten vierde’ – hij haalt even adem tussendoor – ‘is de houding die je in het apparaat moet aannemen – handen omhoog alsof je wordt beroofd – volgens mij alleen maar bedacht om je te vernederen en je een kwetsbaar gevoel te geven.’ De luchthavenbeveiliger is opgehouden met glimlachen. Hij kijkt om zich heen. Hij vraagt zich af of de jongen hem op de hak neemt. Crispin Cox zit vlakbij in een rolstoel te wachten tot security die op explosieven zal controleren. De oude man zat daar ook al even op te broeden. Zijn rolstoel controleren op explosieven! Als hij lucht overhad in zijn longen zou hij weigeren. Wie denken die mafkezen wel niet dat ze zijn. Weten ze niet wie hij is? Is het niet al erg genoeg dat hij in dit ding moet zitten en er een verpleegkundige met hem mee moet vliegen? Hij gromt: ‘Fouilleer die jongen nou maar gewoon.’ 11


Crispin geeft al tientallen jaren bevelen en ze worden bijna altijd opgevolgd. De toon van zijn stem hakt de besluiteloosheid van de beveiligingsbeambte door als de hand van een zwartebander door een stuk hout. Hij verwijst Jordan naar een andere beveiliger, die hem zegt dat hij zijn armen en benen wijd moet doen. De rest van het gezin kijkt ontzet toe als de man ruw met zijn handen tussen de benen van de jongen voelt. ‘Hoe oud ben je?’ vraagt hij als hij even stopt om zijn rubberen handschoenen goed te doen. ‘Vijftien.’ Hij trekt een zuur gezicht. ‘Het zijn bijna nooit kinderen die weigeren.’ ‘Wie dan wel?’ ‘Hippies vooral.’ Hij denkt even na. ‘Of mensen die vroeger hippie waren.’ Jordan moet zijn lijf dwingen niet te bewegen, want de beveiliger voelt nu langs de taille van zijn spijkerbroek en dat kietelt. ‘Misschien word ik later wel een hippie.’ ‘Je bent klaar, vijftien,’ zegt de man. ‘Wegwezen.’ Glimlachend loopt hij naar zijn familie. Hij neemt zijn sneakers aan van zijn broertje. ‘Kom op,’ zegt Jordan. ‘We willen niet te laat komen voor onze vlucht.’ ‘Hier is het laatste woord nog niet over gezegd,’ zegt Bruce. De twee jongens lopen voor hun ouders uit. Deze gang heeft ramen, waardoor in de verte de wolkenkrabbers van New York zichtbaar zijn; door de mens gemaakte reuzen van staal en glas die gaten prikken in de blauwe lucht. Jane en Bruce kijken automatisch naar de plek waar de Twin Towers ooit stonden, net zo automatisch als een tong naar de plek gaat waar een tand is uitgetrokken. Hun zoons, die allebei nog heel klein waren toen de torens naar beneden kwamen, accepteren de skyline zoals die tegenwoordig is. ‘Eddie,’ zegt Jordan en de jongens wisselen een blik. 12


De twee broers voelen elkaar moeiteloos aan. Hun ouders staan vaak voor een raadsel als blijkt dat ze een heel gesprek hebben gevoerd en samen een besluit hebben genomen zonder daarvoor ook maar één woord te gebruiken. Ze hebben altijd als een eenheid gefunctioneerd en alles samen gedaan. Maar in het afgelopen jaar is Jordan begonnen zich los te maken. De manier waarop hij nu de naam van zijn broer zegt, betekent: ik ben er nog en ik kom altijd weer terug. Eddie geeft zijn broer een stomp op zijn arm en rent gauw weg. Jane loopt rustig. De hand die haar jongste kortgeleden heeft losgelaten tintelt nog na. Bij de gate is het ook weer wachten. Linda Stollen, een jonge, geheel in het wit geklede vrouw, haast zich een drogisterij in. Haar handen zijn klam van het zweet en haar hart bonst alsof het een uitweg uit haar borstkas zoekt. Haar vlucht vanuit Chicago kwam om middernacht aan en de tussenliggende uren heeft ze op een bankje doorgebracht en getracht met haar tas tegen zich aan gedrukt rechtop zittend te slapen. Ze had de goedkoopste vlucht geboekt – vandaar de tussenstop in Newark – en haar vader onderweg naar het vliegveld laten weten dat ze hem nooit meer om geld zou vragen. Hij had het uitgeproest en zelfs op zijn knie geslagen alsof hij nog nooit zoiets grappigs had gehoord. Maar ze meende het. Ze wist op dit moment twee dingen zeker: ten eerste dat ze nooit meer terugging naar Indiana en ten tweede dat ze haar vader en zijn derde vrouw nooit meer om ook maar íéts zou vragen. Dit is Linda’s tweede bezoek aan een drogisterij in vierentwintig uur. Ze laat haar hand in haar tas glijden en voelt de verpakking van de zwangerschapstest die ze in South Bend heeft gekocht. Deze keer pakt ze een tijdschrift over beroemdheden, een zakje chocoladesnoepjes en een light frisdrank en neemt ze mee naar de kassa. Crispin Cox zit te snurken in zijn rolstoel, zijn lichaam een 13


uitgemergeld origami van huid en botten. Zo nu en dan fladderen zijn vingers als kleine vogeltjes die er niet in slagen om op te stijgen. Zijn verpleegkundige, een vrouw van middelbare leeftijd met borstelige wenkbrauwen, zit vlakbij haar nagels te vijlen. Naast elkaar op de blauwe luchthavenstoelen maken Jane en Bruce ruzie, hoewel niemand om hen heen dat zou vermoeden. Ze fluisteren en hun gezicht staat neutraal. Hun zoons noemen deze manier van ruziemaken ‘defcon 4’ en zitten er niet zo mee. Hun ouders zijn aan het kibbelen, maar het is meer communicatie dan een strijd. Ze tasten af, vallen niet aan. Bruce zegt: ‘Dat was een riskante situatie.’ Jane schudt lichtjes haar hoofd. ‘Jordan is nog maar een kind. Ze zouden hem niets hebben gedaan. En hij stond in zijn recht.’ ‘Dat is naïef van je. Hij trok zijn mond open, daar moet men in dit land ondanks wat er in de grondwet staat niets van hebben.’ ‘Jij hebt hem die mondigheid geleerd.’ Bruce perst zijn lippen op elkaar. Hij wil er wel tegenin gaan, maar dat kan niet. Hij heeft in zijn thuisonderwijs aan de jongens altijd de nadruk gelegd op kritisch denken. Hij herinnert zich een recente preek over het niet zomaar aannemen van regels. ‘Zet altijd bij alles vraagtekens,’ heeft hij gezegd. Hij had zich wekenlang druk gemaakt over de dwaasheid van de sukkels van de Columbia-universiteit die hem een benoeming hadden geweigerd omdat hij niet naar cocktailparty’s ging. Hij had het hoofd van de faculteit gevraagd: ‘Wat hebben dronken spitsvondigheden in godsnaam met wiskunde te maken?’ Hij wilde dat zijn zoons ook vraagtekens zetten bij dit soort sukkels. Maar nu nog niet. Hij had zijn monoloog moeten aanpassen naar: ‘Zet bij alles vraagtekens als je eenmaal volwassen bent en over je volle verstand beschikt en niet meer thuis woont, zodat ik er niet bij ben en me zorgen maak.’ ‘Moet je die vrouw daar zien,’ zegt Jane. ‘Er zijn belletjes in de zoom van haar rok genaaid. Je moet er toch niet aan denken iets aan te hebben dat bij elke beweging die je maakt tingelt?’ Ze schudt 14


haar hoofd met wat ze denkt dat spot is, maar eigenlijk grote bewondering blijkt te zijn. Ze stelt zich voor hoe het is om tussen het gerinkel van kleine belletjes te lopen, met elke stap muziek te maken en de aandacht te trekken. De gedachte maakt haar al aan het blozen. Ze draagt een spijkerbroek en wat ze haar ‘schrijftrui’ noemt. Ze koos vanmorgen voor comfortabel. En die vrouw? De vrees en schaamte die bij de scanner door Bruce’ lichaam zinderden, beginnen weg te ebben. Hij masseert zijn slapen en prevelt een joods-atheïstisch dankgebed voor het feit dat hij niet een van zijn hoofdpijnen heeft gekregen die alle tweeëntwintig botten van zijn schedel laat kloppen. Toen zijn arts hem vroeg of hij wist wat zijn migraine veroorzaakte, had Bruce moeten snuiven. Het antwoord was zo duidelijk en voor de hand liggend: zijn zoons. Het vaderschap was voor hem de ene angstwekkende schok na de andere. Toen zijn jongens nog een baby waren, zei Jane altijd dat hij ze vasthield alsof het granaten waren. Wat hem betrof waren ze dat ook, en nog steeds. De belangrijkste reden waarom hij met de verhuizing naar L.A. instemde is omdat ze van de filmstudio een huis met een tuin kunnen huren. Bruce is van plan zijn granaten binnen die omheining neer te zetten. En als ze ergens naartoe willen, moet hij ze rijden. In New York konden ze gewoon in de lift stappen en weg waren ze. Hij kijkt nu ook even waar ze zijn. Als milde daad van zelfstandigheid zitten ze te lezen aan de andere kant van de hal. Zijn jongste kijkt tegelijkertijd terug. Eddie is ook een tobber. Ze wisselen een blik, twee verschillende versies van hetzelfde gezicht. Bruce forceert een brede glimlach om te proberen hetzelfde bij zijn zoon te bewerkstelligen. Hij voelt een plotseling verlangen om de jongen gelukkig te zien. De vrouw met de luidruchtige rok loopt tussen de vader en zoon door en verbreekt het contact. Haar belletjes tingelen met elke stap. Ze is lang, Filipijns en stevig gebouwd. Haar donkere haar is versierd met kleine kraaltjes. Ze zingt in zichzelf. De 15


woorden zijn zacht, maar ze strooit ze als bloemblaadjes door de wachtruimte: Glory, Grace, Hallelujah, Love. Een Afro-Amerikaanse militair in uniform staat bij het raam met zijn rug naar de hal. Hij is bijna twee meter en zo breed als een ladekast. Benjamin Stillman neemt zelfs plaats in in een ruimte waar er genoeg van is. Hij luistert naar de zingende vrouw. Haar stem doet hem aan zijn grootmoeder denken. Hij weet dat zij net als de scanner dwars door hem heen zal kijken zodra ze hem op lax ziet. Ze zal zien wat er is gebeurd tijdens het gevecht met Gavin, ze zal de kogel zien die twee weken later dwars door zijn zij ging, en de stomazak die nu dat gaatje bedekt. Ook al is Benjamin nog zo getraind in bedrog en verbergt hij al zijn hele leven de waarheid voor iedereen, inclusief zichzelf, bij haar zal het spel uit zijn. Maar nu vindt hij kalmte in het luisteren naar flarden van een lied. Een medewerkster van de luchtvaartmaatschappij loopt met een microfoon in haar handen parmantig naar de ingang van de wachtruimte. Ze staat met één uitgestoken heup. Bij de andere gatemedewerkers zit het uniform te los of te strak, maar dat van haar past als gegoten. Haar haar zit in een nette knot en haar lippenstift is glanzend rood. Mark Lassio, die zijn collega instructies zat te sturen, kijkt op. Hij is tweeëndertig en het tijdschrift Forbes heeft in de afgelopen drie jaar twee keer een profiel over hem geschreven. Hij heeft een sterke kin, blauwe ogen die de kunst van de dreigende blik onder de knie hebben en kort haar met veel gel. Zijn pak is leigrijs, een kleur die er ingetogen maar toch duur uitziet. Mark neemt de vrouw in zich op en voelt dat zijn brein als een scheprad begint te draaien en de whisky sours van gisteravond afwerpt. Hij gaat rechtop zitten en schenkt haar zijn volledige aandacht. ‘Dames en heren,’ zegt ze, ‘welkom bij Vlucht 2977 naar Los Angeles. We zijn klaar om aan boord te gaan.’

16


Het toestel is een Airbus a321, een witte walvis met een blauwe streep over de zijkant. Er is één gangpad en ruimte voor 187 passagiers. In first class bevinden zich aan beide zijden van het gangpad twee ruime stoelen, in economyclass zijn er drie stoelen per kant. De vlucht is volgeboekt. Langzaam stappen de passagiers een voor een aan boord. Kleine tassen vol zaken die te waardevol of te onmisbaar zijn om in te checken slingeren tegen hun knieën. Het eerste wat hun opvalt als ze het vliegtuig binnengaan is de temperatuur. Het is er zo koud als een koelkast en de ventilatiegaten van de airco brengen een onophoudelijk veroordelend shhhh! voort. Armen die bloot arriveerden vertonen nu kippenvel en worden algauw bedekt met truien. In first class doet Crispins verpleegkundige een poging hem vanuit de rolstoel over te hevelen naar zijn zitplaats. Hij is nu wakker en uitermate geïrriteerd. Een van de ergste dingen aan ziekelijk zijn is dat het mensen, vreemden nota bene, ineens toestemming verschaft hem aan te raken. De verpleegkundige slaat haar arm om zijn dij om hem te verschuiven. Zijn dij! Die benen schreden ooit door bestuurskamers, verplaatsten zich over het hele squashveld op de club en scheerden in Jackson Hole over zwarte pistes. Nu denkt een vrouw die hij op zijn best middelmatig zou noemen dat ze ze mag omgorden met haar handen. Hij wuift haar weg en zegt: ‘Ik heb geen hulp nodig om in een stomme stoel te gaan zitten.’ Met gebukt hoofd stapt Benjamin het vliegtuig in. Hij is met een militair vliegtuig naar New York gevlogen, dus dit is zijn eerste commerciële vlucht in meer dan een jaar tijd. Maar hij weet wat hij kan verwachten en vindt het prima. In 2002 zou hij nog automatisch zijn geüpgraded van economy- naar first class en zou het hele vliegtuig hebben geapplaudisseerd als ze hem zagen. Nu begint één passagier te klappen, waarna er nog eentje volgt en nog een paar. Het geklap zeilt als een steen over een meer die hier en daar het oppervlak raakt tot hij eronder in het niets verdwijnt. ‘Bedankt 17


voor je inzet,’ fluistert een jonge vrouw. De militair salueert losjes en laat zich op zijn stoel zakken. De familie Adler splitst zich bij de deur op. Jane zwaait naar haar zoons en man en haast zich met gebogen schouders naar first class. Bruce kijkt zijn vrouw even na en gaat Jordan en Eddie met hun slungelige ledematen voor naar de achterkant van het vliegtuig. Hij tuurt naar de stoelnummers die ze passeren en berekent dat ze negenentwintig rijen van Jane af zullen zitten. Eerder had ze beloofd haar ticket te downgraden zodat ze bij elkaar zaten. Bruce beseft inmiddels dat wat haar werk betreft haar beloften niet veel betekenen. Toch kiest hij er elke keer weer voor om haar te geloven en dus om teleurgesteld te worden. ‘Welke rij, pap?’ vraagt Eddie. ‘Eenendertig.’ Mensen halen snacks en boeken uit hun tas en stoppen die in het stoelvak voor hen. In het achterste gedeelte van het vliegtuig ruikt het naar Indiaas eten. De thuiskoks onder de passagiers, inclusief Bruce, snuiven de lucht op en denken: komijn. Jordan en Eddie vechten om de plek aan het raam (hun vader eist die aan het gangpad op vanwege de beenruimte) tot de oudere jongen beseft dat ze andere passagiers ophouden en acuut toegeeft. Hij heeft al spijt van deze volwassen daad zodra hij zit, want tussen zijn vader en zijn broer in voelt hij zich opgesloten. De trots, de macht, die hij na de fouillering ervoer is de kop ingedrukt. Een paar minuten lang voelde hij zich een volledig bewuste volwassene. Nu voelt hij zich een suf kind dat zit vastgesnoerd in een kinderstoel. Hij besluit minstens een uur niet met Eddie te praten, als straf. ‘Pap,’ vraagt Eddie, ‘zijn al onze spullen al in het huis als we daar aankomen?’ Bruce vraagt zich af waarover Eddie zich in het bijzonder druk maakt: zijn zitzak, zijn pianomuziek, zijn knuffelolifant waar hij zo nu en dan nog mee slaapt? Zijn zoons hebben hun hele leven in het appartement in New York gewoond. Dat wordt nu verhuurd 18


en als Jane succes heeft en ze besluiten aan de westkust te blijven wonen, zal het worden verkocht. ‘Onze dozen arriveren volgende week,’ zegt Bruce. ‘Maar het is gemeubileerd, dus we redden ons prima tot die tijd.’ De jongen knikt met zijn gezicht naar het ovale raampje gekeerd. Zijn vingertoppen liggen wit op het doorzichtige plastic. Linda Stollen rilt in haar witte jeans en dunne blouse. De vrouw op de stoel rechts van haar lijkt, hoe onwaarschijnlijk ook, al te slapen. Ze heeft een blauwe sjaal over haar gezicht gelegd en leunt tegen het raampje. Linda zoekt net in het stoelvak naar een gratis dekentje dat ze daar hoopt te vinden, als de vrouw met de muzikale rok haar rij in stapt. Ze is zo fors dat als ze in de stoel aan het gangpad plaatsneemt, ze over de armleuning in Linda’s persoonlijke ruimte hangt. ‘Goeiemorgen, schat,’ zegt de vrouw. ‘Ik ben Florida.’ Linda trekt haar ellebogen dicht tegen zich aan om lichamelijk contact te vermijden. ‘Net als de staat?’ ‘Niet net als de staat. Ik bén de staat. Ik ben Florida.’ O god, denkt Linda, deze vlucht duurt zes lange uren en ik zal de hele tijd moeten doen alsof ik slaap. ‘En hoe heet jij, lieverd?’ Ze aarzelt. Dit is een onverwachte kans om haar nieuwe zelf een kickstart te geven. Ze is van plan zich in Californië aan onbekenden voor te stellen als Belinda. Het hoort bij haar nieuwe begin: een verbeterde versie van zichzelf met een verbeterde naam. Belinda, zo heeft ze besloten, is een charmante vrouw die zelfvertrouwen uitstraalt. Linda is een onzekere huisvrouw met dikke enkels. Ze krult haar tong in haar mond ter voorbereiding. Be-linda. Maar haar mond wil de lettergrepen niet uitspreken. Ze kucht en hoort zichzelf dan zeggen: ‘Ik ga trouwen. Ik ga naar Californië zodat mijn vriend een aanzoek kan doen. Dat gaat hij doen.’ ‘Nounou,’ zegt Florida op milde toon, ‘dat is me wat.’ 19


‘Ja,’ zegt Linda. ‘Ja. Ik veronderstel inderdaad dat dat zo is.’ Op dat moment beseft ze hoe moe ze is en hoe weinig ze de afgelopen nacht heeft geslapen. Het woord ‘veronderstel’ klinkt belachelijk uit haar mond. Ze denkt dat dit de eerste keer is dat ze het in een zin heeft gebruikt. Florida buigt voorover om de spullen in haar enorme canvas tas te herschikken. ‘Ik ben zelf een handjevol keren getrouwd geweest,’ zegt ze. ‘Misschien wel meer dan een handjevol.’ Linda’s vader is drie keer getrouwd, haar moeder twee keer. Meerdere huwelijken zijn haar dus niet vreemd, al is ze zelf van plan het maar één keer te doen. Ze gaat anders zijn dan alle andere Stollens. Beter. ‘Als je trek krijgt, lieverd, ik heb snacks genoeg. Ik weiger dat vliegtuigeten aan te raken. Als je het al eten kunt noemen.’ Linda’s maag knort. Wanneer heeft ze voor het laatst een fatsoenlijke maaltijd gehad? Gisteren? Ze staart naar haar zak met chocoladesnoepjes die troosteloos uit het stoelvak voor haar piept. Met een drang die haar verbaast pakt ze de zak, scheurt hem open en kiepert de inhoud in haar mond. ‘Je hebt je naam niet gezegd,’ zegt Florida. Ze stopt even met kauwen. ‘Linda.’ De stewardess, dezelfde vrouw die hen bij de gate verwelkomde, loopt rustig door het middenpad en controleert bagagecompartimenten en stoelriemen. Ze lijkt te bewegen op een inwendige soundtrack. Ze mindert vaart, glimlacht, verandert dan weer van tempo. Zowel mannen als vrouwen kijken naar haar, want het zwaaiende loopje is betoverend. De stewardess is de aandacht duidelijk gewend. Ze steekt haar tong uit naar een baby die bij de moeder op schoot zit en het kind kirt. Ze staat stil bij de stoel aan het gangpad waarop Benjamin Stillman zit, laat zich op haar hurken zakken en fluistert in zijn oor: ‘Ik ben op de hoogte gesteld van uw medische ongemak aangezien ik de purser op deze vlucht ben. Als u op enig moment hulp nodig hebt, aarzel niet erom te vragen.’ 20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook