Skip to main content

Inkijkexemplaar De Wet van Motley - Kimberley Motley

Page 1

Proloog

Op het Spaanse eiland Mallorca houdt de rechtbank zitting. Ik zit naast mijn cliënt, een jonge Brit die ervan wordt beschuldigd dat hij op het naburige eiland Ibiza drugs heeft gedeald, als de telefoon in mijn zak begint te trillen. Ik haal hem zo onopvallend mogelijk tevoorschijn en lees het berichtje. Het is van Laila, een andere cliënt, die onlangs vanuit Wenen naar Afghanistan is ontvoerd. Er staat: ‘Ik weet niet of ze wapens hebben.’ Omzichtig kijk ik om me heen. Advocaten horen tijdens een rechtszitting geen sms’jes te versturen, maar Laila heeft snel antwoord nodig. Ik begin te typen, nonchalant, en probeer geen aandacht te trekken. ‘Heb je de zwarte kleren aan?’ Ik druk op verzenden en krijg onmiddellijk antwoord. ‘Ja.’ ‘In de auto ligt een boerka. Trek die aan.’ ‘Oké.’ Ik herinner me de eerste keer dat ik een boerka zag. Dat was in 2008, toen ik in Afghanistan aankwam. Ik vond het macabere blauwe gewaad dat het hele lichaam bedekte zowel angstaanjagend als idioot: een zichtbaar teken van de onderdrukkende cultuur van vrouwenhaat die in het land gemeengoed was. Het is pure ironie dat ik de boerka nu bij de bevrijding van Laila gebruik. Ik luister hoe de openbaar aanklager onze getuige ondervraagt. Als hij schuldig wordt bevonden hangt mijn cliënt een straf van negen jaar in een Spaanse gevangenis boven het hoofd en zou hij als veroordeelde drugsdealer voor de rest van zijn leven een strafblad hebben. Ik kijk hem met een geruststellende glimlach aan. Hij luistert zenuwachtig naar het vervolg van het kruisverhoor. 9


‘Relax,’ fluister ik. Ik sla de openbaar aanklager gade als hij onze getuige onder handen neemt. Onze getuige is consistent, zelfverzekerd en overtuigend. Prima vent, denk ik bij mezelf. Hij beantwoordt alle agressieve vragen perfect. Precies zoals ik in zijn plaats zou antwoorden. Ik probeer me te concentreren, maar moet voortdurend aan Laila denken. Ik vraag me af wat ze aan het doen is. Steels werp ik een blik op mijn telefoon, die ik voor de rechters verborgen hou. Eerst gebeurt er niets, maar dan begint hij plotseling te trillen, zodat ik bijna opspring. Ik open het sms’je. Het is van een van mijn mannen; ze staan in Afghanistan buiten het huis waar Laila maandenlang is vastgehouden. Het is het uur U. Ik stuur Laila een nieuw berichtje. ‘Het hek is open. De auto staat buiten. Stap in.’ Ik verstuur het bericht. Mijn hartslag gaat omhoog. Weer een sms’je. ‘Ik ben bang.’ ‘Dat snap ik. Stap in de auto, Laila.’ Een van de rechters werpt een afkeurende blik in mijn richting. Ik glimlach en concentreer me op de getuige. Mijn telefoon begint opnieuw te trillen. ‘Ik kan het niet,’ sms’t Laila. Shit. Laila heeft net als veel slachtoffers van mensenhandelaars die ik door de jaren heen heb gered last van de psychische effecten van haar opsluiting. Ze heeft een minieme kans om te ontsnappen, maar angst heeft haar in zijn greep gekregen. Ze zit in Afghanistan, verlamd en te bang om iets te doen. Ik krijg een idee. ‘Heb je de oortjes bij je?’ ‘Ja.’ ‘Ga over twee minuten naar de badkamer. Doe de oortjes in. Ik zal je een gesproken bericht sturen.’ Ik had een week met weinig slaap achter de rug. Dat had alles te maken met het lokaliseren van Laila, het plannen van haar bevrijding en de voorbereiding van de rechtszaak op Mallorca. En nu we nog maar een paar kostbare minuten hebben om deze jonge vrouw te redden, zakt de moed haar voor het eerst in zes dagen in de schoenen. Als we 10


nu niet in actie komen, zal ze naar Pakistan verdwijnen en vinden we haar misschien nooit meer terug. Het is nu of nooit. In de rechtszaal emmert de aanklager maar door met haar kruisverhoor. Ik begin te hoesten en ga daarmee net zo hard en luidruchtig door totdat alle aanwezigen stoppen met wat ze aan het doen zijn en naar me kijken. Ik doe er nog een schepje bovenop en steek mijn hand op. De rechter, die me eerder had aangestaard, trekt nu enigszins bezorgd een wenkbrauw op, alsof ze wil zeggen: gaat het? ‘We lassen een korte pauze in,’ zegt ze met een argwanende blik in haar ogen, maar waarschijnlijk hoopt ze tegelijkertijd dat ik geen long uithoest. Ik knik, wacht totdat de rechters de zaal verlaten hebben, sprint naar het toilet en doe de deur achter me op slot. ‘Laila,’ zeg ik in de telefoon, ‘luister goed. Je hebt vijf minuten om in die fucking auto te gaan zitten. Doe je dat niet, dan komen we niet meer terug. Ik zal in Pakistan niet naar je op zoek gaan, ik zal je niet langer helpen en ik zal je telefoontjes niet beantwoorden. Víjf... mínúten.’ In de tien jaar dat ik in Afghanistan heb gezeten, heb ik vaak in uiterst gevaarlijke omstandigheden cliënten uit allerlei landen en van diverse pluimage bijgestaan die in een juridisch lastig parket zaten. Ik ken alle ins en outs van het strafrechtelijk metier, en hoewel het voor mij vandaag niet meer dan een gewone werkdag is, weet ik dat voor Laila elke seconde het verschil tussen leven en dood kan betekenen. Mijn telefoon trilt. ‘Miss Motley, alstublieft, help,’ sms’t Laila. Ik sms terug. ‘Vier minuten.’

11


1 De playlist

In 2007 woonde en werkte ik in Milwaukee, Wisconsin. Ik ben er opgegroeid. Het is de plek waar ik naar school ging, waar mijn leven met mijn man, Claude, begon, en waar we onze drie kinderen kregen: Deiva, Seoul en Cherish. Ik ken Milwaukee beter dan ik mezelf ken. Maar dat betekent nog niet dat ik ervan moet houden. Ik weet niet beter dan dat Milwaukee de meest gesegregeerde stad in de Verenigde Staten is.1 Er worden daar meer zwarte mensen opgesloten dan in welke andere stad in de vs ook, zodat nu meer dan de helft van de zwarte bevolking tussen de dertig en begin veertig in een of andere staatsgevangenis opgesloten heeft gezeten.2 In 2018 werd Milwaukee beschouwd als de slechtste plek in Amerika om een zwart kind op te voeden.3 Misschien komt dit op jullie over als de zoveelste vreselijke statistiek over een stad, maar voor mij is het veel meer dan dat. Het staat voor de ervaringen die ik mijn hele leven heb gehad. Ik groeide op in een achterbuurt. Toen ik zeven was, was Janine mijn beste vriendin. Elke dag ging ik naar haar toe om te spelen, en ik herinner me nog goed dat haar moeder, een prachtige vrouw, altijd aardig voor me was. Ik weet nog dat ze soms koekjes voor ons bakte. Op een nacht lag ik in bed toen de straat plotseling werd verlicht door de zwaailichten van ziekenauto’s en politiewagens. Sirenes loeiden en buiten klonk geschreeuw. De volgende dag hoorde ik dat Janines moeder door haar vader was vermoord. Ze had geprobeerd te vluchten, had op deuren gebonsd en om hulp geschreeuwd, maar niemand had opengedaan. Haar man had haar geslagen en op straat doodgestoken, en had haar lichaam in een van de groene afvalcontainers gegooid waar ik elke dag op weg naar school langsliep. 13


Mijn broertjes en ik waren een keer op de speelplaats in de buurt aan het honkballen toen een wat oudere jongen naar ons toe kwam en onze knuppel inpikte. Hij pakte de knuppel en sloeg midden op straat vlak voor onze neus een andere jongen finaal in elkaar. Ik zal toen een jaar of negen zijn geweest. Dat is Milwaukee. Het is de stad waar ik ben geboren en getogen. Het is de stad waar ik van hou en die ik haat. Het is de stad die me heeft gemaakt tot wie ik ben en me heeft voorbereid op alles wat de wereld nog voor me in petto zou kunnen hebben. Hoewel ik opgroeide in een achterbuurt, was niet naar school gaan geen optie. Niet voor mijn Koreaanse moeder en ook niet voor mijn zwarte Amerikaanse vader, een militair. Ze wilden dat ik zou gaan studeren, ook al had ik zelf mijn zinnen op iets anders gezet. Pas toen ik twintig was en zwanger was van Deiva besloot ik een parajuridische opleiding te gaan volgen, zodat ik een baantje zou kunnen vinden waarmee ik genoeg zou verdienen om voor haar te kunnen zorgen. Ik ben altijd al geïnteresseerd geweest in de rechtsgang. Toen ik twee was, kwam mijn vader onder werktijd bijna om bij een auto-ongeluk. Zijn toenmalige werkgever, General Electric (ge), weigerde niet alleen hem een schadevergoeding te betalen voor de lichamelijke ongemakken waar hij door het ongeluk last van had gekregen, maar ontsloeg hem zelfs. Er bleef hem weinig anders over dan er een rechtszaak van te maken. Die sleepte zich jarenlang voort. Bij ons thuis ging het vaak nergens anders over. Uiteindelijk kwam de zaak voor en hij verloor. Dat veranderde ons leven totaal. Vóór het ongeluk waren we al niet rijk, maar erna waren we echt arm. We moesten zelfs onze hond wegdoen. Na mijn parajuridische opleiding haalde ik mijn bachelor in strafrecht. Daarna ging ik gelijktijdig aan twee verschillende universiteiten opleidingen volgen, die ik in mei 2003 afrondde. Hoewel ik nog niet zeker wist op welk juridisch terrein ik wilde werken, vertelde ik iedereen al wel dat het in elk geval niet op het gebied van strafrecht zou zijn. Dat kwam doordat ik in een criminele omgeving was opgegroeid en er voor de rest van mijn leven mijn buik vol van had. Maar toen het advocatenkantoor uit Milwaukee dat in pro-Deozaken was gespecialiseerd een bezoek bracht aan onze campus en ik in gesprek raakte met een van hun recruiters, overtuigde ze mij ervan dat ik heel geschikt 14


was voor het werk en ze bood me een baan aan. Dat ik zwanger was van mijn tweede kind, Seoul, maakte het gemakkelijk om ja te zeggen. Veel mensen die pro-Deoadvocaat worden, worden voor het eerst met armoede geconfronteerd. Dat kan een behoorlijke cultuurschok zijn. Als je een goede advocaat wilt zijn, moet je niet alleen de wet kennen, maar ook weten hoe je moet omgaan met mensen die anders zijn dan degenen uit je eigen omgeving. Dus toen ik bij het pro-Deokantoor ging werken was het voor mij vanaf het begin duidelijk dat ik een vreemde eend in de bijt was. Van jongs af aan was ik getuige geweest van crimineel gedrag, terwijl het voor veel van mijn collega’s de eerste keer was dat ze ermee te maken kregen. Om een goede pro-Deoadvocaat te zijn moet je iets bijzonders hebben, want het is meer dan een baan; het is een manier van leven. Helaas duurde het niet lang voordat ik in de gaten kreeg dat dat leven mij niet aanstond. Het gevoel dat ik moest kiezen tussen een goede advocaat zijn en een mooi leven hebben werd steeds sterker. Ik zeg niet dat ik schatrijk wilde worden, maar het idee dat ik niet én mijn werk goed kon doen én een rijk leven kon leiden frustreerde me. Ons systeem in de vs maakt het simpelweg onmogelijk om arme mensen pro Deo bij te staan en daarnaast genoeg geld en tijd te hebben om een gezin te onderhouden. Zoals de meeste pro-Deoadvocaten kwam ik om in het werk. Er werd van mij verwacht dat ik tussen de tweehonderd en tweehonderdvijftig cliënten vertegenwoordigde, waardoor er weinig tijd overbleef voor kantoorafspraken en al die andere dingen die je van een advocaat zou mogen verwachten. Elke dag begon ermee dat ik Deiva en Seoul, mijn oudste dochter en zoon, naar school bracht en Cherish afzette bij de kinderopvang. De rest van de tijd rende ik heen en weer tussen de rechtbank en de gevangenis. De dag dat ik David ontmoette was zo’n dag. Ik had die ochtend de kinderen afgezet en was van de ene rechtbank naar de andere gedraafd. Voor David probeerde ik borgtocht te regelen. Ons kantoor werkte volgens een roulerend systeem, dus als je aan de beurt was, moest je voor iedereen die in die week was gearresteerd borgtocht zien te regelen. Je probeerde te allen tijde een redelijk pleidooi te houden, ongeacht de persoon of wat die op zijn kerfstok had, 15


en hoe hopeloos de zaak ook was. Ooit heb ik bij een borgtochtzitting aangevoerd dat het feit dat mijn cliÍnt, weliswaar geboeid, was komen opdagen, rustig bleef zitten en beloofde dat hij (voor deze ene keer) niet zou proberen te vluchten, positieve factoren waren die de rechter bij het bepalen van de borgtocht mee zou moeten nemen. Je probeert echt van alles. Op de dag dat ik David voor het eerst ontmoette kwam ik aan bij de rechtbank en besefte dat ik ongeveer tien minuten had om uit te vogelen wat we konden aanvoeren om het hof ervan te overtuigen dat hij niet moest worden vastgezet. Eerlijk gezegd werkte ik op de automatische piloot, omdat ik die dag al tien Davids had gezien. Althans, dat dacht ik. Maar iets aan Davids dossier was ongewoon. Hij zat nog op de middelbare school; ik zou dat kunnen gebruiken en kunnen aanvoeren dat de kans dat hij zou vluchten nihil was. Hij had nog geen strafblad, wat absoluut een pluspunt was, en hij had een vaste parttimebaan – nog een pre. Nog voordat ik me zelfs maar had verdiept in de details van zijn zaak dacht ik al dat dit joch een goede kans had om op borgtocht te worden vrijgelaten. David was een zwarte jongen van zeventien die zich voorbereidde op zijn schoolbal. Om zo goed mogelijk voor den dag te komen ging hij naar de plaatselijke kapper. Terwijl hij werd geknipt, zaten er andere jongens te kletsen, zoals jongens in kapperszaken dat doen. Op een gegeven moment haalde een van hen een pistool tevoorschijn, dat hij kort daarvoor op straat van een of andere kerel had gekocht. Bij de aanblik van het wapen raakte iedereen opgewonden. Ze lachten erom en maakten grappen. Toen haalde de kapper het magazijn eruit en liet het pistool rondgaan. Om beurten bewonderden ze het wapen, zeiden er wat van en speelden er even mee. Uiteindelijk kreeg David het in handen. We mogen niet vergeten dat er geen magazijn meer in zat. David hield het pistool omhoog, bekeek het en haalde de trekker over. De kogel raakte een andere zeventienjarige jongen, die in de stoel tegenover David zat. Mike was daar die dag, net als David, om voor het schoolbal zijn haar te laten knippen. Hij werd in zijn hoofd geraakt en was op slag dood. 16


David liet het wapen vallen en schreeuwde: ‘Je had niet gezegd dat er nog een kogel in de kamer zat!’ Hij raakte in paniek en probeerde de bloedende jongen op de grond te helpen. David riep om hulp, hoewel duidelijk te zien was dat die niet meer zou baten. De andere jongens in de zaak moeten ook in paniek zijn geraakt, want ze gingen tegen David tekeer en riepen dat hij zich snel uit de voeten moest maken. Ze werkten hem met geweld de deur uit. David rende naar huis, waar hij zijn oudere zus vertelde wat er was gebeurd. Ze pakte een tas voor hem in en zei dat hij zo snel mogelijk de stad uit moest. Ze raadde hem aan om naar Chicago te gaan en zich daar gedeisd te houden. Ergens tussen het huis en Chicago moeten Davids geweten en gezonde verstand in actie zijn gekomen, want in plaats van de raad van zijn zus op te volgen liep hij naar het dichtstbijzijnde politiebureau. Hij vertelde de politie wat hij had gedaan. Ze vroegen hem – wat iedere agent in die situatie zou doen – een volledige bekentenis op te schrijven. Maar toen deed David iets heel opvallends. Hij schreef geen bekentenis, maar een brief. De brief was gericht aan de moeder van de jongen die hij nog maar een paar uur daarvoor had neergeschoten. De brief was schuldbewust en liep over van berouw en verdriet om wat er was gebeurd. Hij schreef dat het een afschuwelijk ongeluk was geweest en dat het hem speet dat hij zoveel pijn had veroorzaakt. De agenten beloofden dat ze Davids brief aan de familie van het slachtoffer zouden laten zien (wat nooit is gebeurd). Uiteindelijk werd hij aangeklaagd voor de moord op Mike. Een paar dagen nadat hij op borgtocht was vrijgelaten kwam hij mijn kantoor binnenlopen. Hij droeg zijn schooljasje met sportembleem en keek zenuwachtig om zich heen. Het was duidelijk dat dit de eerste keer was dat hij in de problemen zat. Hij was net als bij de hoorzitting beleefd en bescheiden, maar je voelde dat hij bang was. Je raakt er als pro-Deoadvocaat aan gewend dat je veel mensen ontmoet die misdaden hebben gepleegd, en je raakt ook gewend aan hun gesnoef, hun gedrag, de blik waarmee ze je aankijken, en aan hoe ze met je praten. 17


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Inkijkexemplaar De Wet van Motley - Kimberley Motley by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu