Skip to main content

Mijn vader, uw vader - A. van de beek - 9789021144832

Page 1

dr. a. van de beek

Het evangelie van Pasen is Gods heerlijkheid over mensen. Het is verrijzenis van het lichaam, van dit lichaam dat littekens heeft en aftakelt. Het paasevangelie wordt pas concreet als we dat niet verkondigen om weg te zingen van de wereld en haar leed, maar als we de hele wereld en haar leed mét haar schuld als zijn wereld onderkennen. Leed en schuld gaat over concrete mensen, van de verongelukte kinderen en hun radeloze ouders in mijn eerste gemeente tot de grillen van een gekke dictator die zijn volk laat doodgaan om zijn macht. Mijn eerste boek als hoogleraar had de titel Waarom? Over lijden, God en schuld. Die vraag is nog steeds mijn vraag en heeft heel mijn werk doortrokken. Die vraag is niet beantwoord. Zij is opgenomen in het ‘Waarom?’ van Jezus aan het kruis. Jezus stierf zonder antwoord. Maar de Vader heeft Hem opgewekt uit de dood.

Mijn Vader, uw Vader

Alleen door Jezus kennen we God de Vader. Als Jezus in doodsangst is zegt Hij ‘Abba’ en vraagt of Hij niet hoeft te doen wat de Vader van Hem vraagt. Toch moet Hij gaan. Bidden wij in Hem het Onze Vader, dan klinken de beden daarvan heel anders dan wanneer we God als een lieve Vader zien die vanzelfsprekend onze wensen vervult. In Jezus zien we dat God een groot geheimenis is en dat ‘Waarom hebt U Mij verlaten?’ de diepste vraag in Gods naam is. Het enige antwoord is: ‘Jezus leeft en wij met Hem’. We kunnen alleen zinvol spreken over God als we denken aan Jezus. In Hem is ons bestaan opgenomen, ons lijden en onze schuld. Daaraan is Hij gestorven en daaruit zijn wij met Hem opgewekt. Pasen is het enige antwoord op de vraag wie God is. De auteur zegt daarover:

dr. a. van de beek

Mijn Vader, uw Vader Het spreken over God de Vader

Dr. A. van de Beek is emeritus hoogleraar theologie van de Vrije Universiteit in Amsterdam en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Stellenbosch, Zuid-Afrika.

isbn 978 90 211 4483 2 | nur 700

www.uitgeverijmeinema.nl

Van de Beek – God de Vader Bellini.indd Alle pagina's

b

meinema Meinema

06-11-17 10:47


Dr. A. van de Beek

Mijn Vader, uw Vader Het spreken over God de Vader Spreken over God 3.2

Meinema


Woord vooraf

Dit is het laatste deel van de serie Spreken over God. Het gaat over God de Vader. De belijdenis van de kerk begint met het spreken over God de Vader. De Vader is immers het begin van alles, Hij is ook de bron van de gehele godheid, zoals de klassieke dogmatiek zegt.1 Toch behandelen wij de leer van de Vader hier als laatste, want we kunnen alleen over de Vader spreken door de Zoon. Alleen door de Zoon kennen wij de Vader. De Vader is ons meer verborgen dan de Zoon.2 Pas nadat we gesproken hebben over de Zoon en over de Geest die door Hem uitgaat, kunnen we verantwoord spreken over de Vader. Toen ik aan de serie Spreken over God begon, was het mijn bedoeling een meerdelig handboek te schrijven voor studenten en belangstellenden in de dogmatiek. Het eerste deel, Jezus Kurios, heeft daarvan nog het karakter. Al spoedig bleek echter dat het nodig was om de discussie aan te gaan met anderen, omdat ik een inzet heb gemaakt die niet gebruikelijk is: beginnen met de christologie. Deze inzet heeft de serie bepaald. Aanvankelijk heb ik overwogen in te zetten bij de leer van de Heilige Geest. Door de Geest leren we immers God kennen. Het risico is echter dat we dan ‘Geest’ naar ons eigen denken gaan invullen. Bij de christologie is dat anders: die gaat over een concrete persoon die zichtbaar en tastbaar in de wereld was. Hij is de meest concrete toegang tot kennis van God. Een kerntekst is voor mij: ‘Niemand heeft ooit God gezien. De eniggeboren God heeft Hem ons duidelijk gemaakt.’3 Dit moet nog verder worden toegespitst: de aardse geschiedenis 1

2 3

De voorstelling dat de Vader de bron van de godheid is vinden we al bij Pseudo-Dionysius Areopagita (De divinis nominibus 2,5, MPG 3: 641, pègè). De Vader is de Brongoddelijkheid, pègaia teōthès (De divinis nominibus 2,7, MPG 3: 647). De gedachte is overgenomen door Johannes Damascenus (De fide orthodoxa I,12, MPG 94: 849) en behoort later tot het gemeengoed van de orthodoxe theologie van Oost en West. Het begrip ‘bron’ kan net als de term ‘uitgaan’ van de Vader verwarring wekken doordat het lijkt of de Vader alleen de eigenlijke God is en de Zoon en de Geest slechts secundair. Dat is echter geenszins de bedoeling van deze terminologie. Ook de Zoon en de Geest zijn God zonder begin of oorsprong. De eenheid van de godheid gaat boven alles (Pseudo-Dionysius Areopagita, De divinis nominibus 2,4, MPG 3: 641). Het gaat niet om een emanatie vanuit de ene bron uitstromend naar de wereld van de lagere wezens. Voor God als oorsprong van alle schepselen gebruikt Pseudo-Dionysius niet het woord bron, pègè, maar andere woorden zoals huparxis (De divinis nominibus 2,4, MPG 3: 641). Met name Calvijn heeft zich ingezet om het misverstand dat de terminologie zou kunnen oproepen te voorkomen (Institutie I,13,23-29, De Niet 2009a: 156-167). Noordmans 1934: 63; VW 2: 250. Joh. 1:18. Reeds eerder (Van de Beek 1996b: 156) heb ik erop gewezen dat er in het Grieks ‘eniggeboren God’ staat (zie NA 28, maar ook eerdere edities van NA hebben deze lezing). De normale toepassing van de tekstkritische regels laat geen andere conclusie toe. Desondanks


12

Mijn Vader, uw Vader

van Jezus loopt uit op zijn kruisiging. Als we spreken over Jezus, dan gaat het over Hem als de gekruisigde. Scherper dan Paulus dat doet, kan het niet gezegd worden: ‘Ze hebben de Here der heerlijkheid gekruisigd.’4 Dit schandaal wordt aangeduid op het kaft van het eerste deel: ‘Alexamenos aanbidt zijn God’, met een afbeelding van een ezel aan het kruis.5 In het licht van het kruis wordt de geschiedenis van de wereld duidelijk in haar gebrokenheid, schuld en pijn. Het meest is dat zichtbaar bij de mensen die het dichtst bij Jezus staan. Dat is allereerst het volk waartoe Hij behoort en dat door deze God is uitverkoren om zijn volk te zijn, weergegeven in de titel van het tweede deel: De kring om de Messias.6 Uitverkoren zijn betekent in dit perspectief: ‘Om uwentwil worden wij de ganse dag gedood.’7 Jezus is gekruisigd als een misdadiger. Zo is Hij de koning van de Joden, die niet in staat waren de Here hun God te dienen.8 In Jezus verschijnt God zichtbaar onder de mensen. Daarom is Hij Gods laatste oordeel over de wereld. Dat is een wereld vol strijd, onrecht, lijden – al de dingen die het nieuws vullen. Hij sterft aan deze wereld, omdat God verantwoordelijkheid neemt voor deze wereld. Deze Jezus heeft God opgewekt. In Hem doet God recht aan al de mensen die geleden hebben onder onrecht. In Hem doet God recht aan zijn volk waarvoor de opgave om heilig te zijn zoals hun God heilig is te veel gevraagd was. Zonder de opstanding is de wereldgeschiedenis onheil en is het Oude Testament met zijn beloften van gerechtigheid onzin. Daarover gaat het derde deel: God doet recht.9 Mensen delen in de eschatologische werkelijkheid van de opgestane Christus door zijn Geest die mensen in zijn dood en opstanding doet participeren. Zo ontstaat de gemeenschap van de kerk, die het eeuwige leven viert. Zij viert dat in deze wereld echter in dezelfde gestalte als haar Heer: haar kruis dragend. De kerk draagt het lijden van Christus, het meest door haar eigen schuld. Zij is niet in zichzelf volmaakt, maar alleen in Christus. Heel haar geschiedenis is kruisgeschiedenis, doortrokken van schuld en lijden. Zij gedenkt als lichaam van Christus in zijn Geest zijn dood. Dat is het centrum van haar bestaan. ‘Niet ik leef meer, maar Christus leeft in mij.’10 In Hem geloven we in de kerk die het lichaam van

4 5 6 7 8 9 10

hebben generaties kopiisten en vertalers, tot op de dag van vandaag, geweigerd om deze te aanvaarden. De tekst moet zich aanpassen aan hun eigen theologische inzichten, die ze blijkbaar hoger achten dan die van Johannes. 1 Kor. 2:8. Van de Beek 1998a. Van de Beek 2002a. Ps. 44:23; Rom. 8:36. Joz. 24:19. Van de Beek 2008b. Gal. 2:20.


Woord vooraf

13

Christus is en waarin Hij woont door de Geest. Daarover gaat het vierde deel: Lichaam en Geest van Christus.11 Pas nadat dit helder is, kunnen we over de Vader en de schepping gaan denken. Als we daaraan te vroeg beginnen, lopen we makkelijk een verkeerde weg. Daarom komen de schepping en de leer van de Vader aan het eind, nadat we geleerd hebben wie de God van deze schepping is en van wie God de Vader is. De schepping is schepping door de gekruisigde. Hij is het hoofd van alles en alle dingen zijn door Hem gemaakt. Dat is aan de schepping af te zien. Ze is een Lichtkring om het kruis.12 Als we het gehad hebben over alle zichtbare dingen die theologisch alleen doorlicht worden door de ware God, Jezus Christus,13 kunnen we ten slotte de vraag stellen naar de Vader in de hemel. Hier komt het er het meest op aan: de Vader is geen Vader in het algemeen. Voor we het weten, hebben we dan een vadergod gecreëerd die past bij onze wensen of angsten. Juist in de leer van de Vader moeten we ons strikt houden aan de Zoon door wie we Hem kennen: de Zoon die zegt: ‘Uw wil geschiede en niet de mijne.’ Het is de Zoon die zijn Geest in handen van de Vader beveelt als Hij sterft met een schreeuw: ‘Waarom hebt U Mij verlaten?’ Deze God is herkenbaar als de God van deze concrete wereld, waarin miljoenen mensen ‘Waarom?’ vragen, vanwege hun lijden, vanwege het onrecht, vanwege hun eigen onmogelijkheid om het goede te doen. In Christus alleen zeggen we het Onze Vader mee. De volgorde is altijd: Mijn Vader, uw Vader. Het Onze Vader is geen gebed waarmee alles begint, maar waarmee alles eindigt. Het is het gebed van de eucharistie: de gemeenschap met het eeuwige leven. Na de beden spreekt de kerk de lofprijzing: ‘Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid. Amen.’ Jezus, wiens dood wij gedenken en met wie wij de beker delen, is opgestaan uit de dood. De evangeliën aarzelen om dit te zeggen: Markus heeft geen verrijzenisverhaal en Lukas mist de lofprijzing bij het Onze Vader. Jezus is opgestaan, maar dan moet eerst duidelijk worden dat Hij is opgestaan uit onze wereld en daaraan deelneemt, dat Hij deze gemaakt heeft zoals deze is en daarvoor verantwoordelijkheid neemt. Het evangelie van Pasen is Gods heerlijkheid over mensen. Het is verrijzenis van het lichaam, van dit lichaam dat littekens heeft en aftakelt. Het paasevangelie wordt pas concreet als we dat niet verkondigen om weg te zingen van de wereld en haar leed, maar als we de hele wereld en haar leed mét haar schuld als Gods wereld onderkennen. Leed en schuld gaan over concrete mensen, van de verongelukte kinderen in mijn eerste gemeente en hun radeloze ouders tot de grillen van een gekke dictator die zijn volk laat doodgaan om zijn macht. Mijn eerste boek als hoogleraar had de titel Waarom? Over lijden, God en schuld. Die vraag is nog steeds mijn vraag en heeft heel mijn werk doortrokken. Die vraag is niet be11 12 13

Van de Beek 2012a. Van de Beek 2014. 1 Joh. 5:20.


14

Mijn Vader, uw Vader

antwoord. Zij is opgenomen in het ‘Waarom?’ van Jezus aan het kruis. Hij stierf zonder antwoord. Maar de Vader heeft Hem opgewekt uit de dood. Evenals bij de andere delen dank ik allen op wie ik een beroep heb kunnen doen bij het schrijven van dit boek. Dit geldt niet alleen voor collega’s op wie ik nooit vergeefs een beroep deed voor informatie, maar ook voor alle anderen in de kerk en familie- en vriendenkring, die wilden meedenken over de onderwerpen waarover ik schreef. De voetnoten hebben een verschillend karakter. Sommige geven de bron aan waarop de argumentatie berust. Andere verwijzen naar geschriften of gesproken teksten die me op de weergegeven gedachte hebben gebracht. Weer andere geven citaten die zo sprekend zijn dat ik deze graag met de lezer wil delen. Verder zijn er toelichtingen of excursen die de hoofdtekst te veel zouden storen. En ten slotte geven alle noten het veld aan waarin ik me in de ontwikkeling van mijn gedachten bevind. Het boek is opgedragen aan de theologische faculteit van de Universiteit van de Vrijstaat in Bloemfontein in Zuid-Afrika, waar ik verschillende keren college heb gegeven en waarvan ik de collega’s hoog waardeer.


1. Inleiding 1.1. Patrologie is nodig Een afzonderlijk deel over God de Vader is niet gebruikelijk in dogmatische studies. Er is in de klassieke dogmatiek zelfs geen technische term voor, zoals ‘christologie’ voor de leer over de Zoon en ‘pneumatologie’ voor de leer over de Heilige Geest. Het is lastig dat de passende term ‘patrologie’ al als technische term in gebruik is voor het oeuvre van de kerkvaders, maar ik heb toch besloten deze naast de functie daarvan in de kerkgeschiedenis, ook toe te passen in de dogmatiek, zoals Robert Jenson eerder deed.1 Dit maakt des te meer duidelijk hoe vreemd het is dat er geen patrologie in de dogmatiek bestaat. Het ontbreken van een afzonderlijke leer over de Vader is niet het gevolg van de gedachte dat men over de Vader alleen kan spreken door de Zoon. Men zou kunnen stellen dat er geen afzonderlijke leer van de Vader mogelijk is, omdat alles wat over Hem gezegd kan worden al gezegd is in het spreken over de Zoon. Als dat het geval zou zijn, zou er ook geen afzonderlijke pneumatologie nodig zijn, want het is de Geest van Christus die werkt in de wereld en geen andere Geest. Gods werken in de Geest is ook onderscheiden van dat van de Zoon en daarom schrijven we afzonderlijk over de Geest en de kerk. Zo is ook de Vader onderscheiden van de Zoon, die tot de Vader bidt en zelf over de Vader spreekt, zelfs door de Vader zo verlaten kan zijn dat Hij Hem niet meer als Vader aanspreekt.2 Juist vanwege de relatie van de Zoon tot de Vader moeten we afzonderlijk denken over de Vader. Wat betekent Jezus’ spreken over de Vader? Wat betekent zijn spreken tot de Vader? En wat betekent dat voor onze relatie tot God, ons spreken over God en ons spreken tot God? We kunnen geen christelijke theologie beoefenen zonder te spreken over de Vader en daarom geen dogmatiek ontwikkelen zonder patrologie. Juist het spreken over de Zoon dringt ons te spreken over de Vader. Het ontbreken van een patrologie in de meeste dogmatieken3 heeft dan ook niet te maken met een totale concentratie op Christus, maar heeft andere oorzaken.

1 2 3

Jenson 1997: 115. Matt. 27:46; Mark. 15:34. Er zijn uitzonderingen, zoals Van Niftrik die zijn Kleine Dogmatiek expliciet begint met de leer van God de Vader, die ‘de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus [is] als de éénige God’ (Van Niftrik 1944: 41). Hoek (2012b) schrijft in zijn boek over gereformeerde spiritualiteit, net als ik, eerst over de Zoon en de Geest en daarna over de Vader. Omgekeerd heeft McGrath (1997) eerst een deel over God en komt de christologie pas na de leer van de Heilige Geest en een uiteenzetting over de Drie-eenheid, zonder specifiek over de Vader te schrijven.


16

Mijn Vader, uw Vader

1.2. Geen godsleer in engere zin De eerste reden voor het ontbreken van een patrologie is dat men de leer van de Vader pleegt te beschouwen als de eigenlijke theologie. Men spreekt dan over theology proper,4 niet in onderscheid tot bredere theologische thema’s zoals theologische antropologie of ethiek,5 maar in onderscheid tot de christologie en de pneumatologie. De leer van de Vader wordt gezien als de eigenlijke theologie.6 Dat betekent dat de Vader wordt gezien als de eigenlijke God. Wat er christologisch en pneumatologisch wordt gezegd, kan gezegd worden nadat de theologie is ontwikkeld. Daardoor krijgen deze in de godsleer een secundaire functie. Het hoeft geen betoog dat dit tegen het Credo is, dat zegt dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest gelijk in wezen zijn.7 De een is niet meer goddelijk dan de ander. Ze zijn ook niet drie goden, maar samen zijn ze de ene waarachtige God.8 Als we spreken over de ene God, dan spreken we over de Drie-eenheid en als we het over een van de personen hebben, dan spreken we over een van de gestalten waarin we God kennen. De Vader is niet meer God dan de Zoon en de Geest en Hij is niet de eigenlijke God.9 Het spreken over de leer van de Vader als theology proper is dus een miskenning van de Triniteit. Het kan op zijn best een subordinatiaanse triniteitsleer betekenen, maar eerder een impliciete ontkenning van de Wezenstriniteit: in zijn werken naar de wereld kennen we God trinitarisch, maar als het over de eigenlijke God gaat dan is dat alleen de Vader.10 Deze benadering van de verhouding van 4 5

6 7 8 9

10

Enns 2008: ch. 19. Theology Proper: Doctrine of God: ‘The designation given to the study of God the Father is theology proper’; Van Vliet 2016a: xv. ‘Theologie in eigenlijke zin’ kan ook worden bedoeld om daarmee de godsleer als zodanig aan te duiden, in tegenstelling tot andere theologische onderwerpen, bijvoorbeeld de theologische antropologie. Dat is een heel ander en legitiem gebruik. Zie bijvoorbeeld Hamerton-Kelly 1979: 1: ‘“Theology” in its narrow sense’. Heppe 1958: 88: de Vader is God kath’ huperochèn. Geloofsbelijdenis van Nicea, Zwanepol & Van Campenhout 2009: 17; Denz. 125. Geloofsbelijdenis van Athanasius, Zwanepol & Van Campenhout 2009: 21v; Denz. 75. Torrance 1992: 121: ‘We may know who God is only because God reveals himself through himself, in a triadic movement of self-communication whereby he announces himself to us and names himself as Father, Son, and Holy Spirit. (…) There is no other God than this God who has revealed himself in this way, and there is no other way for us to conceive of the one being of God in accordance with his divine nature except as Father, Son, and Holy Spirit’ (cursief in origineel). In de vroege kerk nam Marcellus van Ancyra (± 285-374) deze positie in. Volgens Marcellus is God alleen trinitarisch ter wille van de redding van mensen (de oikonomia) maar houdt deze op met de voleinding van de wereld. Er is alleen de oeconomische Triniteit, die van de oikonomia, maar geen Wezenstriniteit. De Triniteit is een aspect van de heilsgeschiedenis en dus van de geschiedenis en niet van de eeuwigheid. Op het concilie van Constantinopel in 381 is de gedachte van Marcellus veroordeeld en heeft de kerk expliciet aan het Credo aan het eind van de christologische paragraaf toegevoegd: ‘wiens rijk geen einde zal hebben’ (Denz. 150). Van Ruler gaat met zijn christologische intermezzo minder ver. Hij zegt alleen dat de incarnatie ongedaan gemaakt wordt, maar de Triniteit blijft bestaan. De eeuwige Logos vouwt zich weer


Inleiding

17

de personen in de Drie-eenheid heeft haar wortels in een breder religieus vertoog over God. Het is alleen een sterker christelijk ingevulde variant daarvan, waarbij het algemene godsbegrip wordt ingevuld met de gedachte aan de Vader van Jezus Christus.

1.3. Geen godsleer uit de losse pols Het ontwikkelen van zo’n breder vertoog over God is de tweede en eigenlijke reden voor het ontbreken van een patrologie. Er wordt eerst een algemene godsleer ontwikkeld en vervolgens worden de specifiek christelijke elementen daaraan toegevoegd. Men zegt dan veel over God, zijn wezen en zijn eigenschappen en pas in de volgende delen gaat het over Christus en de Geest. Daartoe kunnen verschillende methoden worden gebruikt. De meest basale is die van een filosofische godsleer. Louter op grond van begripsanalyse komt men tot een hoogste wezen met de hoogste graad van zijn. Dit wezen noemen wij ‘God’. Dit is de methode van het befaamde ontologische godsbewijs van Anselmus.11 Een variant daarop is een taalanalyse: waarvoor gebruiken mensen het woord ‘God’? Daarin kan veel variatie zijn, maar er is ook iets gemeenschappelijks en op grond daarvan kunnen we een beschrijving geven van wat met ‘God’ bedoeld wordt.12 Nadat we op grond van begrips- of taalanalyse hebben beschreven wat God is en zo een godsleer ontwikkeld, kan het specifiek christelijke vertoog worden toegevoegd, waarbij de christologie en pneumatologie functioneren als aanvulling op een algemene godsleer. Het is logisch dat er in zo’n opzet geen behoefte is aan een afzonderlijke leer van de Vader. Die is immers al gegeven in de algemene godsleer.13 Een algemene godsleer kan ook worden ontwikkeld vanuit het ervaren van de natuur. Men raakt onder de indruk van de schoonheid van de natuur, haar grootsheid. Deze impressie overstijgt wat we kunnen bevatten. Overstijgen van onze directe ervaring betekent transcendentie. Er is een werkelijkheid die ons te boven gaat en zich in de natuur manifesteert. Dat kan een directe ervaring zijn

11 12 13

in in de eeuwige Triniteit (Van Ruler 1947: 107; 1973: 26; zie verder Van de Beek 2014: 152v). Wel betekent dit dat als de geschiedenis vereeuwigd wordt in het eeuwige leven van mensen, dit blijkbaar zonder de heilsgeschiedenis is. Wat blijft er echter over van de geschiedenis als deze niet meer de weg van zonde en genade is, van Adam tot de volheid van het koningschap van Christus? Dan hebben we het over een abstracte geschiedenis die niet bestaat en nooit bestaan heeft. Het is in elk geval niet mijn geschiedenis. Anselmus, Proslogion 3 (MPL 158: 228); zie onder blz. 96. Het gaat hier niet om een formele definitie van het begrip ‘God’ (zie onder blz. 83-85), maar om een inhoudelijke invulling van wie God is en zijn relatie tot de wereld als Schepper. Zie over argumentatie voor het geloof in God op grond van algemeen menselijke ervaring of van de rede hoofdstuk 4 (blz. 95-202).


18

Mijn Vader, uw Vader

onder de duizelingwekkende sterrenhemel in de woestijn, zo overweldigend als niemand die in het verlichte Westen, waar de nacht nooit meer werkelijk nacht is, ooit kan zien. Met de Verlichting is ook de verlichting gekomen en is de huiver voor en verwondering over de sterrenhemel verdwenen. Onder de sterrenhemel van de lege woestijn wordt de beleving van grootsheid geboren die een ervaring van het transcendente is en leidt tot het lied ‘Hoe groot zijt Gij’.14 De eer van God uit de natuur kan ook meer gereflecteerd worden ingevuld. Mensen die de natuur onderzoeken, ontdekken wonderlijke samenhangen. Alles is schitterend op elkaar ingesteld: de dieren, de planten, het licht, de regen. Hoe meer je ontdekt en hoe dieper je doordringt in kennis van de natuur, hoe groter haar wonderen. Het verste is deze benadering doorgevoerd door de fysico-theologen van de achttiende eeuw.15 Tot in de kleinste details ziet men de wonderlijke wijsheid van God. Hij is overal kenbaar. Deze God is de Scheppergod, de almachtige Schepper van hemel en aarde. Over Hem kunnen we veel zeggen – en daarna moeten we het ook nog over Christus hebben. In veel christelijke theologie is dat ‘helaas ook nog over Christus hebben’. Het is bittere noodzaak, want als Adam niet had gezondigd was het niet nodig geweest.16 Zonder de zonde zouden we onbekommerd hebben kunnen genieten van de grootheid van God in de grootsheid van de natuur. Het is jammer dat we het over Christus, over de Heilige Geest en de kerk moeten hebben. Een derde weg is dat we God afleiden uit de geschiedenis. De geschiedenis is het handschrift van God. Sinds oude tijden hebben mensen de geschiedenis van hun volk beschouwd onder het licht van een macht die hun overwinningen en zegeningen gaf, de God van hun voorouders die hen leidt, soms goedgezind, soms kwaadgezind, maar steeds de garantie voor hun voortbestaan. In de moderne tijd is deze volksgeschiedenis verbreed tot de algemene geschiedenis. Er is slechts één goddelijke macht die de geschiedenis leidt. In de Verlichting is deze macht vereenzelvigd met de rede. De hele werkelijkheid is redelijk te verstaan. Hegel heeft dit uitgewerkt tot zijn grote systeem van de zelfontplooiing van de Geest. In deze alomvattende eenheid is de pneumatologie vanzelf opgenomen. Men kan zelfs zeggen dat alles pneumatologie is, omdat alles ontplooiing van de Geest is. De geschiedenis van Jezus is daarvan slechts een onderdeel. Die is deel van de godsleer, maar niet anders dan de geschiedenis van het Romeinse rijk of het ontwikkelen van de filosofie van Plato. Tegen deze alomvattende systemen is verzet gekomen. De god van de filosofen is een blinde god zonder gelaat. De geschiedenis van de Geest neemt rijp en 14 15 16

Opwekking 407. Zie Van de Beek 2014: 302. Jenson 1997: 72: ‘If we did not sin, would then God, in his identification by our story, not face death? Would God’s transcendence of death, his eternity, then have been something other than victory over death? Would the Crucified Son not have been?’


Inleiding

19

groen zonder onderscheid op. De allesomvattende God is nooit specifiek en geeft daarom geen enkele oriëntatie. Vooral vanuit de ethiek is er daarom behoefte om een ander, meer gekwalificeerd godsbeeld te ontwikkelen. Vanouds behoorde dat wel min of meer tot de godsleer: God is niet alleen transcendent machtig, wijs en alomvattend, maar Hij is ook oneindig goed.17 Zolang deze goedheid echter gerelateerd is aan macht en wijsheid is ten laatste alles goed. Als wij iets niet goed noemen, is dat alleen omdat we te beperkt zijn om de wijsheid ervan te doorgronden. Willen we echter over goed en kwaad kunnen spreken en ons handelen daarnaar oriënteren, dan moet er onderscheid zijn. Als ‘goed’ een gekwalificeerd begrip wil zijn, dan moet er onderscheid zijn, en als God oneindig goed is, dan moet er verschil gemaakt kunnen worden in zijn presentie. Zo komen christelijke filosofen tot de these ‘niet de God van de filosofen, maar de God van Abraham, Isaak en Jakob’ – ofwel ‘de God van Pascal’.18 God is een God die mensen kiest en met hen een weg gaat. Hij is de God die niet afgeleid kan worden uit de natuur of de algemene geschiedenis, maar de God die een verbond sluit, en mensen roept om te leven op een gekwalificeerde manier: in gerechtigheid en genade. Gods goedheid is niet de goedheid van het ongekwalificeerde al, maar de goedheid van het leven naar zijn geboden als wegwijzers voor het waarachtige leven. God wordt gekend in zijn openbaring.19 Ook de God die op deze wijze gekwalificeerd wordt omschreven is echter minder gekwalificeerd dan wordt voorgegeven. Het gaat wel om recht en gerechtigheid, maar dan vooral voor Israël zelf. Jegens andere mensen lijkt dit niet te gelden. Tegen hen kan de kwalificatie ongebreidelde genocide betekenen. Zij horen niet bij de uitverkorenen. Weliswaar zijn er voorbeelden van waardering van mensen buiten Israël en Gods genade zelfs voor de vijanden, maar dat is altijd tegen de achtergrond van het primaat van Israël en als een variant op Israëls verkiezing – soms alleen om het contrast duidelijk te maken ten opzichte van Israëls eigen ontrouw. De God die in het Oude Testament wordt beschreven, de God van Abraham, Isaak en Jakob, de God van Mozes en de profeten, is gekwalificeerd door zijn keuze voor zijn volk, met uitsluiting van de anderen, en binnen de relatie met Israël door het adagium ‘wie dit doet, zal leven’.20 Zonder het doen van de geboden heeft ook Israël geen toekomst. God mag lang van adem voor hen zijn,21 maar het 17 18 19

20 21

Heppe 1958: 52. De Boer 1989. Ook een wijsgerig theoloog als Tillich geeft aan dat theologie niet zonder openbaring kan. ‘De wijsgerige theologie heeft te maken met het begrip rede en de daarbij behorende categorieën, en zij voert tot het existentiële probleem dat in de rede vervat is en waarop het antwoord is openbaring’ (Tillich 1965b: 141). Zo krijgt ook de filosofie alleen betekenis door het existentiële begrip van de openbaring. Anders blijft de filosofie staan bij een logisch positivisme (1965b: 138) en dat is niet meer dan een lege schaal zonder inhoud (1965b: 138). Lev. 18:5; Rom. 10:5; Gal. 3:12. Ps. 103:8.


20

Mijn Vader, uw Vader

gebod blijft staan, ook als ze niet in staat zijn het gebod te volbrengen.22 De Torah sluit af met zegen en vloek – afhangend van Israëls gehoorzaamheid.23 Deze is echter nooit voldoende om te reiken tot de perfectie die God vraagt: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig.’24 Ook de God van het Oude Testament, gelezen zonder het Nieuwe Testament, is anders dan de God die de kerk belijdt als de Vader van Jezus Christus. Hij mag de God zijn van het joodse nationalisme, de God van de zionisten, de God van de rabbijnen met Talmoed en Midrasj, maar het is niet de drie-enige, die in de kerk ‘Vader’ wordt genoemd. Daarin zit het gelijk van Marcion. Men moet dat niet te snel terzijde schuiven, want dan leest men over de hardheid van de teksten heen en schaart men zich zonder dat expliciet te maken juist aan de kant van Marcion, omdat men aan de wijze waarop het Oude Testament over God spreekt voorbijgaat. Alleen in de verbinding met het Nieuwe Testament kan men het Oude Testament christelijk lezen. Alleen in het perspectief van Jezus’ interpretatie, niet alleen van zijn woorden, maar vooral van Hem als het vleesgeworden Woord, de Zoon, kan men christelijk zinvol over de God van Abraham, Isaak en Jakob spreken als Vader. Als men eerst een algemene godsleer ontwikkelt – of dat nu een filosofische of een oudtestamentisch joodse is – en daar de christologie en pneumatologie (en dus de ecclesiologie) aan toevoegt, dan heeft men het niet over de Vader van Jezus Christus.25 Als deze daarmee toch overeenkomt, dan is het omdat men impliciet al met dit vaderschap heeft rekening gehouden en dit voortdurend in de teksten inleest en in het vertoog inschrijft, zonder het expliciet te maken. Een verantwoorde theologie maakt dit expliciet. Wij spreken over God de Vader omdat Hij de Vader van Jezus Christus is. ‘Zonder dit vaderschap zou God niet zichzelf zijn en zonder dit zoonschap zou Jezus niet zichzelf zijn. Gods vaderschap en Jezus’ zoonschap zijn identiteitsbepalende relaties.’26 Zo heeft de kerk vanaf het begin beleden. Daarom richten we ons op de betekenis die het heeft dat in de kerk wordt gesproken over de Vader van Jezus Christus en luisteren we naar het spreken daarover door de evangelisten en apostelen, tegen de achtergrond van hun context, waarvan het Oude Testament het meest fundamentele aspect is.

22 23 24 25

26

Joz. 24:19. Deut. 28. Lev. 11:44v; 19:2; 20:7, 26. Vgl. Jenson 1997: 60: ‘If a systematically developed discourse about God precedes the exposition of Trinity, there is danger that a nontrinitarian identification of God may be hidden in that discourse, to confuse all that follows.’ Muis 2016: 108.


dr. a. van de beek

Het evangelie van Pasen is Gods heerlijkheid over mensen. Het is verrijzenis van het lichaam, van dit lichaam dat littekens heeft en aftakelt. Het paasevangelie wordt pas concreet als we dat niet verkondigen om weg te zingen van de wereld en haar leed, maar als we de hele wereld en haar leed mét haar schuld als zijn wereld onderkennen. Leed en schuld gaat over concrete mensen, van de verongelukte kinderen en hun radeloze ouders in mijn eerste gemeente tot de grillen van een gekke dictator die zijn volk laat doodgaan om zijn macht. Mijn eerste boek als hoogleraar had de titel Waarom? Over lijden, God en schuld. Die vraag is nog steeds mijn vraag en heeft heel mijn werk doortrokken. Die vraag is niet beantwoord. Zij is opgenomen in het ‘Waarom?’ van Jezus aan het kruis. Jezus stierf zonder antwoord. Maar de Vader heeft Hem opgewekt uit de dood.

Mijn Vader, uw Vader

Alleen door Jezus kennen we God de Vader. Als Jezus in doodsangst is zegt Hij ‘Abba’ en vraagt of Hij niet hoeft te doen wat de Vader van Hem vraagt. Toch moet Hij gaan. Bidden wij in Hem het Onze Vader, dan klinken de beden daarvan heel anders dan wanneer we God als een lieve Vader zien die vanzelfsprekend onze wensen vervult. In Jezus zien we dat God een groot geheimenis is en dat ‘Waarom hebt U Mij verlaten?’ de diepste vraag in Gods naam is. Het enige antwoord is: ‘Jezus leeft en wij met Hem’. We kunnen alleen zinvol spreken over God als we denken aan Jezus. In Hem is ons bestaan opgenomen, ons lijden en onze schuld. Daaraan is Hij gestorven en daaruit zijn wij met Hem opgewekt. Pasen is het enige antwoord op de vraag wie God is. De auteur zegt daarover:

dr. a. van de beek

Mijn Vader, uw Vader Het spreken over God de Vader

Dr. A. van de Beek is emeritus hoogleraar theologie van de Vrije Universiteit in Amsterdam en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Stellenbosch, Zuid-Afrika.

isbn 978 90 211 4483 2 | nur 700

www.uitgeverijmeinema.nl

Van de Beek – God de Vader Bellini.indd Alle pagina's

b

meinema Meinema

06-11-17 10:47


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Mijn vader, uw vader - A. van de beek - 9789021144832 by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu