Skip to main content

Antrax eiland fragment

Page 1

1

Mijn eerste blik op het eiland was door het beslagen vizier van een gasmasker, maar op driehonderd meter hoogte had ik weinig oog voor de horror onder me. Toen de helikopter aan een tweede passage begon, probeerde ik door het raam te kijken waardoor het masker tegen het glas knalde. Ik zag een kale heuvel en door stormen geteisterde kliffen uitsteken boven ziedende golven. Verder was er in het vale ochtendgloren weinig te zien, en al helemaal geen leven. Mijn maag kromp ineen. De marineman tegenover me leunde tegen de scheidingswand. Hij hield zich vast aan een spanband en zwaaide nonchalant heen en weer alsof hij in de metro stond. Ik knikte naar hem en wees naar beneden. Hij begreep wat ik bedoelde, boog zich naar de piloot en zei iets tegen hem. Toen de helikopter zwenkte, plofte hij neer op zijn plaats. Ik pakte mijn iPhone om een laatste boodschap te versturen en voelde dat iemand me op de schouder tikte. Ik draaide me om naar Bates, de potige korporaal uit Glasgow. Hij stak een enorme hand uit en gebaarde. Ik gaf hem de telefoon, draaide me weer om naar het raam en zag hoe de onheilspellende zee de rotsen geselde terwijl we over de baai vlogen. Te gevaarlijk om op het eiland zelf te landen. De helikopter slingerde plotseling, ik greep de zitting vast; de vlucht van hmnb Clyde, de marinebasis in Faslane, naar het noorden was lang en onstuimig geweest, en ik had me het grootste deel van de tijd aan de zitting vastgeklampt. De mari9


nier tegenover me grijnsde. Ik deed mijn ogen dicht, probeerde mijn ademhaling onder controle te krijgen en concentreerde me op de dreunende rotoren. Even later stopte het trillen en volgde er een schok waardoor mijn hoofd tegen de hoofdsteun klapte. Gebonk, gedempt geschreeuw; mijn ogen zaten nog steeds potdicht toen opeens frisse lucht de cabine binnenkolkte. Toen ik ze opende, zag ik de grijnzende marinier met mijn tassen naar buiten springen. Ik haalde diep adem, maakte mijn gordel los en klom achter hem aan, opgelucht om eindelijk weer vaste grond onder mijn voeten te voelen. De piloot liet de motor draaien, de rotoren zweepten de motregen op tot een regengordijn. Daardoor en door de regendruppels op het vizier zag ik verdomd weinig. De wereld was een craquelé van wazige rotsen en grillige naaldbomen. Het razende gedreun van de rotoren werd gedempt door het dikke rubber over mijn oren, waardoor ik nog meer gedesoriënteerd raakte. Ik bukte me en liep op een sukkeldrafje weg, met geheven arm in een vergeefse poging het vizier droog te houden, maar ik gleed uit op het natte gras en belandde bijna op mijn kont in de modder. Een krachtige arm hield me overeind en trok me opzij. Ik kon met moeite een Picasso-weergave van Bates onderscheiden die iets onverstaanbaars riep, maar ik begreep de bedoeling terwijl hij me al glijdend en glibberend over het smalle pad meesleurde naar het strand. De grijnzende marinier kwam ons alweer tegemoet. Bates sloeg me op de schouder en riep iets bemoedigends terwijl ik over de rotsen verder strompelde. Ik bereikte het zand op het moment dat het rotorgeluid aanzwol en de Merlin-helikopter opsteeg van het grasplateau. Ik draaide me om, bracht een afscheidsgroet en zag hoe hij wegzwenkte en snel verdween richting de bliksemschichten die de bergen in het binnenland verlichtten. Het gasmasker smoorde het geluid en even later was het stipje achter de besneeuwde toppen verdwenen. Ik stond alleen op het strand, luisterde naar mijn zware ademhaling en probeerde mijn gedachten op een rijtje te krijgen. Ik voelde me claustrofobisch en wilde dolgraag het verstik10


kende pak uittrekken en de frisse, zilte lucht inademen. Dat had ik kunnen doen, want hier op het vasteland liep ik nog geen gevaar – maar ze hadden er godsgruwelijk lang over gedaan om de kap van mijn beschermingspak aan mijn gasmasker te tapen, en ik had geen zin om dat in deze omstandigheden nog een keer te moeten doen. Ik haalde een verfrommelde Kleenex uit mijn zak en veegde het vizier droog. Nu zag ik mijn bestemming duidelijker. Wat ik zag werd er echter niet beter op. Dreigende golven gingen naadloos over in de grauwe horizon. Het eiland was niet meer dan een saaie groene rots. Aan deze kant van de heuvel stak een landtong van kiezels de zee in, aan de andere kant sloegen schuimende golven stuk op de rotsen. Onherbergzaam, naargeestig zelfs. Links achter het eiland, in de schaduw ervan, was een donkere, hoekige vorm te zien, een reusachtige haai die in het ochtendgloren op een prooi loerde. Ik had de HMS Dauntless zien liggen toen we eroverheen vlogen; waarom de Royal Navy een Type 45-destroyer naar dit kleine eiland had gestuurd was zowel voor de lokale bevolking als voor de bemanning een raadsel. Ze hadden te horen gekregen dat het schip na een revisieperiode meedeed aan een zeeoefening, maar iedereen kon zien dat het in de huidige omstandigheden niet op de proef gesteld zou worden. Ik ploeterde door het natte zand naar waar mijn uitrusting lag: een gereedschapskist en een plunjezak met persoonlijke spullen. Gruinard Bay omhulde het eiland en bestond uit verwaaide velden met verwrongen bomen, dreigende bergen en een nog dreigender zee. Laide, een boerendorpje, lag verderop langs de kust op een helling, met witte cottages die her en der op de velden stonden alsof ze er door de golven op waren gesmeten. De ruïne van zijn kleine middeleeuwse kapel was net zichtbaar, maar door het streperige vizier leek het niet meer dan een hoop stenen. Aan de kust voor Laide lag een pier; het zou veel gemakkelijker zijn geweest om daar op een boot te stappen, maar de overtocht was vanaf hier veel korter, en bovendien hadden 11


degenen die de leiding hadden het niet zien zitten om een legerhelikopter midden in het dorp te laten landen. Dat kon ik hun niet kwalijk nemen; God verhoede dat de pers lucht kreeg van wat hier gaande was. Van over de baai kwam het geronk van een buitenboordmotor aanzweven; een stipje nam langzaam de vorm aan van een kleine rubberboot. Ik zag iemand ineengedoken aan het roer staan. De marineman stond gebukt omdat hij niet door het ijskoude boegwater overspoeld wilde worden. De boot was nu vlakbij. Ik slingerde de zware plunjezak op mijn rug en hoorde bij mijn oor tape scheuren. De kap kwam los van mijn gasmasker en ik voelde de wind door mijn haar gaan. Ik huiverde en drukte de tape weer aan. De werkelijkheid drong tot me door en viel zwaar op mijn maag. Ondanks de ijzige lucht tintelden mijn vingertoppen in de rubberen handschoenen van het zweet. Was ik gek dat ik de klus had aangenomen? Dat zou niet voor het eerst zijn. Weinig risico, hadden ze gezegd. Gemakkelijk verdiend geld. Of ze hadden gelogen, of ze hadden zich vergist; het maakt niet uit, ik ben hoe dan ook selectief naïef als ik geld nodig heb. De buitenboordmotor sputterde toen de man aan het roer de boot liet stranden. Hij maakte geen aanstalten om van boord te gaan. We keken elkaar aan. Even was er een impasse. Ik zag nu dat de man een overall droeg en een eenvoudig masker voor zijn mond had – voor zijn taak absoluut te veel van het goede, dacht ik, maar aan de andere kant: als de zaak zou ontsporen ook absoluut onvoldoende. ‘Tyler?’ Ik knikte, pakte de gereedschapskist en waadde door het schuim. ‘Een beetje tempo graag,’ voegde hij eraan toe. In plaats van de eikel van boord te kieperen gooide ik mijn uitrusting in de rubberboot, greep de zijkant, sleepte hem terug het water in en draaide hem om op een golf. Door kleine lekken in mijn pak raakte mijn spijkerbroek doorweekt en liepen mijn laarzen vol water. Net als bij airconditioning daalde mijn 12


lichaamstemperatuur met enkele graden – iets wat ik niet voor mogelijk had gehouden. Toen ik tot mijn middel in het water stond, draaide de marinier het gas open. Dat was voor mij het teken om me aan boord te hijsen en met mijn gezicht naar hem en de steeds kleiner wordende kust toe op een bankje te gaan zitten. Verdekt achter grimmige bomen keek een eenzame witte cottage naar ons vertrek, de gordijnen bewogen. Normaal gesproken een prima tafereeltje voor op een ansichtkaart, maar de wetenschap van waar ik naartoe op weg was, de donkere naaldbomen en het granieten gesteente, deden behoorlijk afbreuk aan dat beeld. Bij de landing had ik daarboven een kerkhof gezien, en dat weerspiegelde perfect mijn gemoedstoestand. Ik huiverde. Mijn voeten begonnen gevoelloos te worden, maar als ik aan deze godvergeten plek alleen loopgraafvoeten zou overhouden zou ik mezelf gelukkig prijzen. De marineman schreeuwde boven het geluid van de buitenboordmotor uit. Ik hield een hand bij mijn oor. ‘Wat?’ ‘Ik zei dat ik de pineut ben,’ riep hij. ‘Jou wegbrengen.’ ‘Minder erg dan ik, makker.’ ‘Dus jij bent de technicus?’ Ik staarde naar hem... Ik had gehoopt op een rustige overtocht. ‘Ik zou niet op dat eiland willen zitten,’ zei hij vervolgens. ‘Voor geen goud, maat.’ Hij draaide het gas verder open en het bootje stuiterde over het water; het klapte op de golven, waardoor er een ijskoud watergordijn tegen mijn rug kletste. ‘Ik hoorde dat de deuren van die waardeloze ontsmettingsruimten naar hun grootje zijn. Ze zitten binnen opgesloten.’ Ik bleef hem aanstaren. ‘Ben jij van het leger?’ Die gast was niet van plan zijn mond te houden, dus ik schudde mijn hoofd. ‘Mijn bedrijf heeft die waardeloze ontsmettingsruimten gemaakt.’ ‘Burger dus?’ Ik keek over mijn schouder. We waren nu zo dicht bij het 13


eiland dat ik de details ervan kon zien – alhoewel, ‘details’ is behoorlijk overdreven, want er viel weinig te zien. Taai gras en borstelige hei, met hier en daar een boompje dat was kromgegroeid doordat het tientallen jaren was blootgesteld geweest aan Atlantische stormen. ‘Heb je de verhalen gehoord?’ De marineman grijnsde nu achter zijn stompzinnige masker. ‘Toeristen verdwijnen, ’s nachts branden er vreemde lichten en vissers keren niet terug. Pas maar op.’ ‘Het zijn niet de spookverhalen die me bang maken.’ Ik keek om naar de steile rotswanden en lage kliffen. Geen rondcirkelende zeemeeuwen. Als hij de motor zou uitzetten zouden alleen de golven te horen zijn. ‘Wat een puinhoop, hè? Dat ze geen techneut ter plekke hadden. Typisch iets voor het leger.’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik zou het niet weten, ik ben maar een burger.’ Eigenlijk wist ik het wel. Op het eiland wás al een techneut die de deuren van de ontsmettingsruimten heel simpel had kunnen maken, ware het niet dat hij – helaas maar waar – in een bodybag was geritst.

14


2

Antrax. Ik heb op een aantal vreselijke plekken gewerkt en ben in enkele afschuwelijke situaties verzeild geraakt, maar die zes letters boezemden me meer angst in dan alles wat ik in mijn twintigjarige carrière ben tegengekomen. Ik zag hoe mijn laarzen met elke stap verder wegzakten in de besmette modder en realiseerde me dat ik, ook al vertrouwde ik de filters op mijn gasmasker, mijn adem inhield. Mijn huid jeukte; ik probeerde te krabben, maar het pak maakte dat onmogelijk. Het geluid van de buitenboordmotor stierf weg, ik was weer alleen. Ik passeerde een laag bemost muurtje dat geleidelijk overgroeid werd: de afbrokkelende overblijfselen van een schaapskooi. Erachter stond een vervallen boerderijtje, een schamele schuilplaats voor de geesten van zijn lang geleden gestorven pachters. Mist sliertte door de ruïne en dreef weg over het overwoekerde land. Ik kwam herhaaldelijk met een laars vast te zitten in een konijnenhol, maar zag geen spoor van de bewoners – geen wegschietende schimmen, geen keutels op de modder. De vuiligheid van verval, geen mens of wild te zien, de oorverdovende stilte: het eiland was dood. Ik ploeterde verder door de slijkerige, enkeldiepe zuigende modder, felgele brem haakte in mijn broekspijpen en met elke stap slipte ik weg. Het land wilde me duidelijk maken wie er de baas was. Eenmaal boven op de heuvel rilde ik. Het bloed ruiste in mijn 15


oren en mijn ademhaling gierde in mijn gasmasker. De omtrek van mijn tijdelijk thuis was vaag te zien in de miezerregen. x-Base hadden ze het tijdens de briefing genoemd. Dat klonk als de titel van een Hammer Horror-film, maar ik wist dat het teruggreep op wat hier in de jaren veertig was gebeurd. Vanwaar ik stond was het niet meer dan een wirwar van feloranje prefabunits, met bovenop een kolossale radioantenne. Ze zagen eruit als uit de kluiten gewassen portakabins, verplaatsbare units van gestandaardiseerde afmetingen. Alle units waren gemarkeerd met enorme helderwitte cijfers. Het was een van de twee bases op het eiland en lag vlak bij de zuidwestkust. De andere, veel kleinere basis was ingericht op een strand een kilometer ten noordoosten ervan. De marineman had deels gelijk gehad; toen de deur van de ontsmettingsruimte gisteren opeens niet meer open kon, waardoor enkele leden van het wetenschapsteam in x-Base zaten opgesloten, was de rest buiten aan het werk geweest. Gelukkig beschikte dat tweede kamp over zijn eigen ontsmettingsruimte, zodat ze daar samen in konden gaan zitten en niet de nacht buiten hadden hoeven door te brengen. Achter de basis kon ik nog net zien hoe de rubberboot zich met de doorweekte marinier door de golven ploegde richting de voor anker liggende destroyer. Halverwege de afdaling pauzeerde ik even om op adem te komen. Ik zag nu dat de units op palen van ongeveer een halve meter stonden en als een soort trein met elkaar waren verbonden, in een grote halvemaanvorm, zoals huifkarren in oude westerns om eventuele aanvallen te kunnen opvangen. Met dit belangrijke verschil dat de vijand hier stil en onzichtbaar was. Ik telde tien oranje units die in een u-vorm bij elkaar stonden: drie achter elkaar met aan het einde een horizontale lijn van vier, en dan weer drie in lijn mijn kant op. De units waren met elkaar verbonden door een smalle plastic doorgang en stonden allemaal op die glanzende palen van ongeveer een halve meter. Aan één kant van het complex werd een oranje unit verbonden met een kleinere die er apart van stond en die zich er 16


duidelijk van onderscheidde. Ik wist dat daar de ingang was. Ik worstelde me er door varens naartoe. Hij stond heel nederig op betonblokken en niet op geïntegreerde palen zoals de andere units. Via enkele metalen treden bereikte je de deur. Geen ramen, golfplaten wanden, matgroene verf – voor het ongeoefende oog zag het eruit als een scheepscontainer. Niet toevallig, maar dankzij het mij bekende logo naast de deur – Rafferty-Nath Decontamination Systems – wist ik dat het anders zat, omdat het rnds-logo ook op het t-shirt onder mijn pak was genaaid. Het leger is gek op letterwoorden; het heeft deze unit hadu – Hazardous Agent Decontamination Unit – gedoopt, een mooie benaming voor een ontsmettingsruimte. In tegenstelling tot hoe hij eruitzag, was deze particulier gebouwde, verplaatsbare unit state of the art en voldeed aan de veeleisende specificaties van het ministerie van Defensie, maar desondanks was er toch iets mee aan de hand waardoor het team hier vastzat, en ik naar het eiland was gestuurd. Ik wist wat er met die ‘waardeloze’ deur van de ontsmettingsruimte aan de hand was: een toetsenpaneel bovenaan de trap werkte niet goed. Ik reikte ernaar, tikte erop om er zeker van te zijn. Dood. Onder de trap zat een verwijderbaar paneel. Ik bukte, rommelde in mijn gereedschapskist en pakte een schroevendraaier. Bij de eerste poging slipte die weg op het staal. Ik probeerde het opnieuw, maar mijn handen trilden in mijn handschoenen. Het ene moment had ik het te warm en liep het zweet me in de nek; het andere moment te koud, mijn spijkerbroek was doorweekt van het zeewater dat in mijn laarzen stond. Een baard van een maand jeukte onder mijn gasmasker. Ik had honger, was moe, ik had sinds de oproep van gisteravond niet meer gegeten of geslapen. Ik veegde over het vizier, controleerde mijn ademhaling, focuste. Na nog een paar pogingen lukte het me om mijn handen rustig te krijgen. Ik haalde het klepje eraf en legde dat naast de unit op de grond. Er brandde een rood lichtje. Er stond stroom op. Dus dat was het probleem niet. Ik draaide de schakelaar 17


om, waardoor het lichtje uitging, maakte de zekeringenkast open en zag meteen wat het probleem was: een van de zekeringen was weg. Niet gesprongen. Nee, weg.

18


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook