13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 10
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 11
1
Meidoorn
I
k viste een roestige spijker onder mijn brits vandaan en kerfde een nieuw streepje in de muur. Morgen zou het midzomer zijn, al kon je regen niet van zonneschijn onderscheiden in dit hol. Ik was hier al een jaar. Een heel jaar van vuil, mishandeling en meedogenloos neergeduwd worden zodra ik maar een centimeter opkrabbelde. Morgen zou ik, eindelijk, de kans krijgen om mijn stem te laten horen. Morgen zou ik mijn verhaal vertellen. In de duisternis van de cel tegenover de mijne begon Grim te brabbelen. Een tel later ging de deur van de bewakerspost verderop krakend open. Hoe Grim wist dat de bewakers eraan kwamen nog voordat we hen hoorden, was voor mij een raadsel, maar hij wist het altijd. Het gebrabbel was een soort beschermend schild. ’s Nachts, wanneer het gebouw aan ons, de gevangenen, toebehoorde, was hij beter te verstaan. Gerinkel van metaal, naderende voetstappen. Grote, zware stappen. Beuker. Gewoonlijk trokken we ons in de schaduwen terug als hij eraan kwam, in de hoop aan zijn aandacht te ontsnappen. Vandaag stond ik hem bij de tralies op te wachten. Mijn verblijf op deze plek had me murw gemaakt. De persoon die ze de vorige zomer hadden opgesloten, was verdwenen, en ze kwam niet meer terug. Maar morgen zou ik voor die vrouw spreken, voor de vrouw die ik was geweest. Morgen zou ik de waarheid vertellen, en als de raadsleden enig gevoel voor rechtvaardigheid bezaten, zouden ze ervoor zorgen dat het recht zou zegevieren. Die gedachte hield me op de been, zelfs toen Beuker zijn stukje opvoerde en met zijn knuppel tegen de tralies van onze cellen sloeg, genietend van de manier waarop we ineenkrompen bij het geluid. Ondertussen riep hij zijn stomme bijnamen voor ons, namen die waren blijven kleven als mest onder een schoenzool, zodat iedereen,
•
11 •
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 12
behalve Grim en ik, ze ook voor elkaar gebruikte. Hij tuurde naar binnen om zich ervan te vergewissen dat we er allemaal bang en verslagen genoeg uitzagen naar zijn zin. ‘Druiloor!’ Hij ramde met de knuppel tegen Grims tralies. ‘Hou op met dat achterlijke gezever!’ Achter in zijn cel was Grim een donkere bult tegen de muur, het hoofd gebogen over opgetrokken knieën, de handen over de oren, nog steeds brabbelend. Het grappige was dat Grim hem met zijn blote handen zou kunnen doden zonder dat het hem één druppel zweet zou kosten als Beuker de celdeur ook maar op een kiertje zou openen. Ik had hem ’s nachts gezien, zichzelf optrekkend aan de tralies, of op zijn handen staand, om zijn kracht te behouden, alsof hij de volgende ochtend reuzen moest vermoorden. De bewaker draaide zich naar mij toe. ‘Slet!’ Klúnk! Had ik de kracht maar om doodstil te blijven staan toen de knuppel de tralies vlak bij mijn hoofd raakte, maar de driehonderdvijig en nog wat dagen hadden hun tol geëist, en ik kon niet voorkomen dat ik ineenkromp. Beuker liep niet zoals gewoonlijk door naar de volgende celdeur. Hij bleef aan de andere kant van mijn tralies staan en keek me met tot spleetjes samengeknepen ogen aan. Het varken. ‘Ik moet je iets vertellen, Slet.’ Hij had zijn stem gedempt tot vertrouwelijk gemompel; ik kreeg er de koude rillingen van. Beuker hield ervan om spelletjes te spelen. Hij pestte de mannen altijd met kletspraat over berichten van thuis, of met tips over mogelijkheden om te ontsnappen. Hij was een leugenaar. Dat waren ze allemaal. ‘Iets waar je niet blij mee zult zijn,’ zei hij. ‘Als ik er niet blij mee zal zijn, waarom zou ik het dan willen horen?’ ‘O, dit wil je vast wel horen.’ Hij bracht zijn gezicht tot vlak bij de tralies, zo dichtbij dat ik zijn stinkende adem kon ruiken. Niet dat het veel verschil maakte; het stonk hier overal naar ongewassen lichamen, overstromende emmers met pis en poep, en pure wanhoop. ‘Het gaat over morgen.’ ‘Als je hier bent om me te vertellen dat de midzomerhoorzitting morgen plaatsvindt, doe dan geen moeite. Ik wacht al op deze dag sinds ze me in deze gore zwijnenstal gooiden.’ ‘Nou,’ zei Beuker op een toon die me nog minder beviel dan de vo-
•
12 •
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 13
rige. ‘Daar gaat het nu juist om.’ Wat, zo begreep ik, precies het tegenovergestelde betekende. ‘Wat bedoel je?’ ‘Heb ik je interesse gewekt?’ ‘Wat bedoel je met “daar gaat het nu juist om”?’ ‘Wat geef je me als ik het je vertel?’ ‘Dit,’ zei ik, en ik spuugde in zijn gezicht. Hij had erom gevraagd. ‘Getver!’ Hij veegde met zijn mouw over zijn wang. ‘Vuile rothoer!’ Vuil, dat klopte; dat andere niet. Ik had mezelf hierbinnen nooit vrijwillig gegeven, en ik had er nog nooit voor betaald gekregen. De bewakers hadden het er die eerste dagen flink van genomen, toen ik nog fris was; toen ik er nog uitzag en nog rook als een vrouw. Nu vielen ze me niet meer lastig. Ze waren geen van allen zo wanhopig dat ze zich wilden vergrijpen aan het stinkende, magere, met luizen overdekte schepsel dat ik was geworden. Wat betekende dat ik Beuker niets te bieden had in ruil voor welke informatie dan ook. ‘Dat is de laatste keer dat je naar me hebt gespuugd, Slet!’ siste Beuker. ‘Dat klopt, want morgen ben ik hier weg.’ Hij glimlachte, maar zijn ogen bleven kil. ‘Hm-mm.’ De manier waarop hij het zei, suggereerde dat ik het mis had. Maar dat was niet zo. Ik had gehoord dat mijn naam op de lijst stond. In de wet stond dat een hoofdman gevangenen niet langer dan een jaar mocht vasthouden zonder hun zaak te laten voorkomen. En nu alle hoofdmannen van Laigin hier waren, zou zelfs die scho van een Mathuin, die de titel van hoofdman niet verdiende, zich aan de regels moeten houden. ‘Je bent hier morgen inderdaad weg,’ zei Beuker. ‘Maar niet zoals jij denkt.’ O, hij genoot hiervan, wat het ook was. Mijn mond werd droog. In de cel tegenover de mijne was Grim stil geworden. Ik zag hem niet meer; Beukers grote gestalte stond in de weg. Ik dwong mezelf rustig te blijven. Ik zou hem niet de voldoening geven me te horen smeken. ‘Je hebt Mathuin blijkbaar behoorlijk tegen je in het harnas gejaagd,’ zei hij. ‘Wat heb je gedaan om hem zo kwaad te maken?’ Omdat hij waarschijnlijk besee dat hij toch geen antwoord zou krijgen, ging Beuker meteen door. ‘Ik heb toevallig een gesprek opgevangen. Iemand wil je uit de weg hebben, nog vóór de hoorzitting begint.’ ‘Uit de weg?’
•
13
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 14
‘Iemand wil er zeker van zijn dat je zaak nooit voorkomt. Je wordt morgenochtend vroeg uit de weg geruimd. Snel, stil en voorgoed. Je naam wordt van de lijst geschrapt. Hee geen zin om de hoofdmannen hiermee lastig te vallen.’ Hij staarde me door de tralies aan om te kijken of ik zou gaan huilen, zou instorten of zou gaan schreeuwen van woede. ‘Waarom vertel je me dit?’ Een leugen. Een truc. Hij zat er vol mee. Ik probeerde mijn hart te dwingen tot rust te komen, maar het sprong alle kanten op, als een dier in een val. ‘Had je het liever pas geweten als ik je hier morgenochtend vroeg naar buiten sleur en iemand je een onaangename verrassing bezorgt? Een mes in je hart, een paar duimen tegen je keel?’ ‘Je liegt.’ ‘Zeg je gebedjes maar, Slet.’ Hij begon langs de andere cellen te lopen met zijn knuppel. ‘Sukkel!’ Klúnk! ‘Wurger!’ Klúnk! ‘Kikkerdril!’ Klúnk! Aan de andere kant van de gang stond Grim nu vóór in zijn cel, met zijn grote handen om de tralies geklemd. ‘Waar kijk je naar?’ snauwde ik, en ik draaide me om voordat mijn gezicht iets kon verraden. De driehonderdvijig en nog wat streepjes staarden me spottend aan vanaf de muur. Ze vertegenwoordigden uiteindelijk dus toch niet het aellen naar vrijheid en gerechtigheid, maar naar een snel en gewelddadig einde. Want diep in mijn hart wist ik dat het waar moest zijn. Beuker had niet zoveel verbeeldingskracht om zoiets voor de lol te verzinnen. ‘Lady?’ ‘Hou je mond, Grim! Ik wil die vervloekte stem van je nooit meer horen!’ Ik liet me op de van insecten vergeven stromatras neerzakken. Zelfs deze vlooien zouden langer leven dan ik. Ik wilde dat ik dat grappig kon vinden. Maar in plaats daarvan bouwde de angst zich steeds meer op, alsof de zwerm kruipende insecten in me zat, zich vermenigvuldigde en zich tot in elk hoekje van mijn lichaam verspreidde tot ik op knappen stond. Hoe kon dit? Ik had het hier maar om één reden volgehouden. Ik had al die pokkedagen en die verdomde, door ongedierte geteisterde nachten doorstaan, ik had het waanzinnige gebrabbel van Grim aangehoord, ik had genoeg gezien en gehoord om de rest van mijn leven nachtmerries te hebben. En ik was blijven leven. Ik had me aan één ding vastgeklampt: de wetenschap dat ooit de dag
•
14
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 15
zou aanbreken waarop ik zou worden gehoord. Midzomer. De hoorzitting. Verdomme! Ik had het allemaal voor die dag gedaan, voor die ene dag! Dat konden ze me niet afnemen! De kruipende dingen binnen in me barstten allemaal tegelijk naar buiten. Vanaf een afstand, alsof ik uit mijn lichaam was getreden, keek ik toe terwijl ik voorwerpen door de cel smeet, hoorde ik hoe ik raasde en tierde, voelde ik hoe ik met mijn hoofd tegen de muur sloeg, met mijn schouder tegen de tralies ramde, aan mijn haren trok en mijn mond uitrekte tot een groot, lelijk gat van haat. Ik voelde de tranen, het snot en het bloed over mijn gezicht lopen, voelde het vuil, de schaamte en de nutteloosheid van dat alles, en begreep, uiteindelijk, wat zovelen hier ertoe dreef om zichzelf te snijden en te verminken en er uiteindelijk een eind aan te maken. ‘Beuker, smerige leugenaar die je bent!’ schreeuwde ik. ‘Je lult uit je nek! Het is niet waar, dat kan niet! Kom terug en zeg het nog een keer, toe dan, als je dur! Schurige hond! Vuile scho!’ Het werkte aanstekelijk, dit soort dingen. Al snel stond iedereen in zijn cel mee te brullen. De ene hel schreeuwde tegen Beuker en de andere bewakers om de oneerlijkheid van hun bestaan kenbaar te maken, de rest schold mij de huid vol omdat ik ze had gestoord, hoewel er hier weinig te storen viel. Gebonk en gekletter maakten duidelijk dat ik niet de enige was die met dingen smeet. Al die tijd stond Grim achter zijn tralies stil en zwijgend naar me te kijken. ‘Wat sta je naar me te staren, halve zool?’ Ik veegde met een mouw over mijn gezicht. ‘Heb je me niet gehoord? Bemoei je met je eigen zaken!’ Hij trok zich terug tot achter in zijn cel, niet omdat ik hem uitschold, maar omdat de deur aan het eind van de gang weer werd opengesmeten en er bewakers doorheen kwamen rennen. Dat gebeurde altijd wanneer we luidruchtig werden: dan gooiden ze emmers met koud water naar binnen om ons stil te krijgen. Als dat niet werkte, sleurden ze iemand zijn cel uit om een voorbeeld te stellen, en deze keer zou ik diegene zijn. Niet dat een pak slaag enig verschil zou maken. Niet als Beuker de waarheid had verteld. Ik kreeg een emmer vol drek over me heen. Er klonk wat gevloek van de anderen, maar iedereen hield op met schreeuwen om erger te voorkomen. De bewakers verdwenen met hun lege emmers en daar
•
15
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 16
stond ik, druipend, stinkend, bont en blauw en bloedend door mijn eigen schuld, terwijl de zoemende insecten van mijn woede nog steeds in me rondzwermden. Het was een puinhoop in mijn cel, en met die vervloekte Grim op slechts een paar passen afstand was er geen plek om me te verschuilen. Geen plek om me als een balletje op te krullen, de dekens over mijn hoofd te trekken en te huilen. Geen plek om uiting te geven aan het gruwelijke besef dat ik de volgende ochtend dood zou gaan, en dat Mathuin in leven zou blijven en zou doorgaan met wat hij altijd deed, vrij om de families van andere mensen aan te doen wat hij de mijne had aangedaan. Ik zou doodgaan zonder mijn dierbaren te hebben gewroken. Ik kroop over de grond en zocht tussen de voorwerpen die ik door de cel had gesmeten tot mijn vingers zich om de roestige spijker sloten. De streepjes op de muur bespotten me, bestempelden me tot een leugenaar. Ik haatte het verhaal dat ze vertegenwoordigden. Ik walgde van de mislukkeling die ze van mij maakten. Zwak. Meelijwekkend. Een verbreker van beloen. Een verliezer. Met de spijker in mijn vuist geklemd kraste ik ertussen, eromheen, eroverheen, zodat de keurige groepjes van vijf ‒ vier verticale streepjes, met elkaar verbonden door één horizontale ‒ een chaos van gekrabbel werden. Wat had het voor zin om hoop te houden als iemand die altijd weer van je weggriste? Wat had het vertellen van de waarheid voor zin als niemand wilde luisteren? Wat had het voor zin om door te gaan als het niemand iets kon schelen of je bleef leven of doodging? Ik wachtte op de dood. Dacht na over hoe vreemd de menselijke aard was. Alle paden waren versperd, alle deuren gesloten. Er was geen ontsnappen aan wat me te wachten stond. En toch, toen de bewaker die bekendstond als Kleintje – een reus van een vent – het dikke, grijze slootwater uitdeelde dat hier voor eten doorging, pakte ik mijn kom aan en at. We hadden altijd honger. Een paar mannen vingen soms een rat en vraten die rauw op. Daar had ik me nooit aan durven wagen, hoewel Wurger, in de cel naast de mijne, me wel eens een stuk had aangeboden. In het begin praatten we veel over eten. Dan stelden we ons voor wat onze eerste maaltijd zou zijn als ze ons vrij zouden laten. Verse vis, gebakken boven een kampvuur. Pap met schapenvet. Geroosterde eend met walnotenvulling. Stamppot van wortel en pastinaak met boter. Voor mij was het een homp brood met kaas of een
•
16
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 17
sappige appel. Als ik aan die eerste hap dacht, kneep mijn maag samen, en mijn hart ook. Maar toen raakte ik murw en verslagen, als een oude matras waarvan de vulling is vergaan, en kon het me niets meer schelen. Hetzelfde gold voor de anderen. We waren dankbaar voor het slootwater, en dankbaar dat Kleintje zijn knuppel niet over de tralies liet ratelen en niet tegen ons schreeuwde. Dus at ik, ook al keek ik de dood in de ogen. Aan de andere kant van de gang zat Grim op zijn brits zijn portie op te eten terwijl hij probeerde me in de gaten te houden en tegelijkertijd mijn blik te ontwijken. De lange dag ging voorbij als altijd. Grim mompelde zo nu en dan wat in zichzelf waar geen touw aan vast te knopen was. Kikkerdril citeerde zijn lijst van alle mensen die hem onrecht hadden aangedaan, en voegde eraan toe wat hij van plan was met ze te doen als hij hier eenmaal uit was. Het was een lange lijst die we allemaal bijna uit ons hoofd kenden, want hij somde hem elke dag op. De anderen waren stil, hoewel Sukkel op een gegeven moment aan me vroeg of het wel goed met me ging, waarop ik snauwde: ‘Wat denk je?’ op een toon die duidelijk maakte dat ik daar geen antwoord op wilde geven. Ik ging op de grond zitten en probeerde de houding uit die Grim het prettigst leek te vinden bij een dreiging: hoofd op je knieën, armen om je benen, ogen stijf dichtgeknepen. De dag voordat je doodging, was de langste, langzaamste dag ooit. Een dag die meer tijd bood dan je ooit had gewild om na te denken over alles wat je verkeerd had begrepen, alle kansen die je had gemist, alle fouten die je had gemaakt. Een dag die lang genoeg was om zelfs de hoopvolste persoon ervan te overtuigen dat alles zinloos was. Als dit... Als dat... Als ik mijn kans maar had gekregen, mijn ene kans om te worden gehoord. Een nieuwe ronde slootwater maakte duidelijk dat het bijna bedtijd was; aan de ramen was dat niet te zien, daar zaten altijd de luiken voor. Het was lang geleden dat ze ons voor het laatst naar buiten op de binnenhof hadden gelaten. Misschien wisten Mathuins mannen niet dat mensen konden doodgaan aan gebrek aan zonlicht. Ons enige licht kwam van een lantaarn aan het eind van de gang. De litanie van Kikkerdril vertraagde en hield toen helemaal op omdat hij in slaap viel. ‘Hé, Slet!’ riep Wurger. ‘Het zal hier niet hetzelfde zijn zonder jou!’ ‘Onze lieflijke Lady,’ voegde Sukkel eraan toe, grotendeels spottend en een heel klein beetje ernstig. ‘We zullen je missen.’
•
17
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 18
‘Laat je niet zonder te vechten door dat ongedierte meenemen, Slet,’ klonk de stem van Kwijler verderop in de gang. ‘Verzet je met hand en tand.’ ‘Als ik je advies wil,’ zei ik, ‘vraag ik daar wel om.’ ‘Maak ons wakker wanneer ze je komen halen,’ zei Wurger. ‘Dan geven we je een gepast afscheid dat wel een emmer of twee vol drek waard is.’ Grim zei niets. Hij zat daar maar vanaf de overkant naar me te staren, een grote, lompe man met een smerige haardos, een borstelige baard en droevige ogen. ‘Hou op met naar me te kijken,’ mompelde ik, en ik vroeg me af hoe ik de nacht moest doorkomen zonder net zo gek te worden als Kikkerdril. Als ik niets aan de situatie kon veranderen, waarom gonsde het in mijn geest dan van de nare herinneringen, van alle slechte dingen die er waren gebeurd en die ik niet had kunnen rechtzetten. Waarom brandde de verbittering, de behoee aan wraak, nog in me, diep vanbinnen, als alle hoop was vervlogen? Uiteindelijk sliepen ze allemaal; allemaal, behalve Grim en ik. De lantaarn brandde op een laag pitje. Weldra zou de duisternis om ons heen vallen. ‘Lady?’ ‘Wat?’ ‘Misschien kun je...’ ‘Misschien kan ik wat? Door stenen muren vliegen? De bewakers betoveren met mijn vrouwelijke charmes en op wonderbaarlijke wijze ontsnappen? Met een toverstokje zwaaien en ze allemaal in padden veranderen?’ Stilte. ‘Ik kan hier niets aan veranderen, Grim. Ik zou willen dat ik een magische spreuk kende om alles recht te zetten. Om slechte mensen te straffen en goede mensen te belonen. Om ervoor te zorgen dat de onschuldigen worden beschermd en de schuldigen worden veroordeeld. Maar zo werkt het niet.’ Ik keek door de tralies naar zijn voorovergebogen gestalte op de brits. ‘Ik hoop dat je het overlee,’ zei ik, en ik besee dat ik het meende. ‘Ik hoop dat je niet te lang hoe te wachten op... op wat er komen gaat.’ Ik beloofde mezelf dat ik sterk zou zijn wanneer het einde kwam. Geen gesmeek, geen tranen, geen gejammer om genade. Die voldoening zou ik ze niet geven. ‘Je moet proberen te slapen,’ zei ik. •
18 •
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 19
Weer een stilte. Toen zei Grim: ‘Ik blijf liever wakker, als je het goed vindt.’ ‘Wat jij wilt.’ De tijd verstreek. Als ik ook maar een schilfertje geloof had gehad in goden van welke godsdienst dan ook, zou ik tot hen hebben gebeden om de woorden van Beuker tot leugens te maken, of, als dat niet kon, te vragen of ze iemand anders de kans wilden geven om te doen waar ik door mijn dood niet toe in staat zou zijn. Mijn eigen zogenaamde misdaad en de drang om mijn onschuld te bewijzen, deden er niet toe. Mathuin moest ter verantwoording worden geroepen. Hij moest worden tegengehouden. Hij moest boeten. Maar ik geloofde niet in goden, niet meer, en er was niemand anders. Als ik stierf, zou mijn wraak met mij sterven. Er was geen gerechtigheid in de wereld. Misschien kon ik de roestige spijker gebruiken om mijn polsen door te snijden. Beter zelf een eind aan mijn leven maken dan me door Beuker of een van de anderen te laten afslachten als een varken voor de dis. Deze manier zou waardiger zijn. Maar nee, de spijker was bot geworden door mijn wilde gekras en zou mijn huid niet eens doorboren. Ik overwoog even om hem in mijn oog te steken. Maar dat zou niet dodelijk genoeg zijn, en ik betwijfelde bovendien of ik de moed ervoor had. Ik zou met mijn hoofd tegen de tralies kunnen rammen, harder dan zo-even, maar ik zou mezelf waarschijnlijk alleen maar bewusteloos slaan en net op tijd wakker worden voor dat mes waar Beuker het over had gehad. Mezelf ophangen duurde te lang. Tegen de tijd dat ik mijn rok aan repen had gescheurd, een strop had gemaakt en het voor elkaar had gekregen om die hoog genoeg vast te maken, zou Grim al zoveel kabaal hebben gemaakt dat de bewaker die aan de andere kant van de gang zat te slapen erop af zou komen. Wat belachelijk was als je er goed over nadacht; zoveel moeite doen om te voorkomen dat iemand zichzelf van het leven beroo, om haar die taak vervolgens binnen, wat was het, een uur of zes uit handen te nemen. ‘Hoelang denk je dat het nog duurt voordat de zon opkomt?’ mompelde ik. ‘Nog wel even.’ Grims stem klonk ook gedempt, om de anderen niet wakker te maken. Slaap was hierbinnen een kostbaar goed dat niet licht mocht worden opgevat. Hij mompelde nog iets. ‘Wat?’
•
19
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 20
‘Ik zou jouw plaats innemen als ik kon.’ Ik had nooit verwacht dat die grote vent me voor verrassingen zou kunnen stellen, maar hij deed het toch. ‘Dat is belachelijk,’ zei ik. ‘Natuurlijk zou je dat niet doen. Alle mannen zijn leugenaars, en jij bent geen haar beter dan al die anderen.’ Er volgde een korte stilte. Na een tijdje zei hij: ‘Ik zou het wel doen, Lady. Jouw leven is iets waard; het mijne zal nooit veel voorstellen.’ ‘Onzin. Mijn leven, het leven dat ik had, is weg. Zelfs als ik hier nu kon weglopen, als een vrij mens, dan nog zou het weg zijn. Ik wilde maar één ding: gerechtigheid.’ Klonk goed, maar was niet de volledige waarheid. ‘Twee dingen: gerechtigheid en wraak. Ik vind het niet zo erg om dood te gaan. Mijn leven stelt minder voor dan jij denkt. Maar ik vind het wel erg om dood te gaan terwijl die man ongestra blij. Dat vervult me met woede.’ ‘Heer Mathuin?’ Grims stem was nu niet meer dan een fluistering, en op dat moment flakkerde de lantaarn en doofde, zodat we plotseling in duisternis gehuld waren. ‘Nog één dag. Was dat te veel gevraagd, één rottige dag?’ Deze keer bleef het zo lang stil dat ik me afvroeg of hij in slaap was gevallen. Maar toen klonk zijn stem weer. ‘Hoe kan ik...’ Een lange stilte. ‘Ik weet niet hoe ik...’ ‘Hoe je wat?’ Geen antwoord. ‘Je weet niet hoe je wat, Grim?’ ‘Niets. Vergeet het maar.’ De nacht sleepte zich voort, en het was stil in de cellen. Was het bijna ochtend daarbuiten of verbeeldde ik me dat maar? Op een gegeven ogenblik begon ik te beven, en ik merkte dat ik er niet meer mee kon stoppen, zelfs niet toen ik me met mijn deken om me heen gewikkeld opkrulde op mijn brits, als een larve in een armetierige cocon. Het beven kwam van diep vanbinnen, alsof er vorst in mijn botten kroop. Mijn tanden klapperden; mijn gewrichten deden pijn als die van een oude vrouw. Mijn goede voornemen om dapper en met opgeheven hoofd te wachten totdat ze zouden doen wat het dan ook was wat ze met me van plan waren, werd weggevaagd door mijn vervloekte, trillende lichaam. Misschien viel echte angst, doodsangst, niet te verbergen, zelfs niet door de beste huichelaar van heel Erin. ‘Hé, Grim!’ Ik perste de woorden naar buiten. ‘Praat eens over iets warms, alsjeblie?’
•
20
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 21
‘Grote wollen deken,’ zei Grim zonder aarzelen. ‘Vuurrood van kleur. Van top tot teen om je heen gewikkeld, alleen je gezicht is nog te zien. Hoog oplaaiend vuur, gooi er een paar dennenappels op voor de geur. Een kom gerstebouillon. Warm kruidenbier. Sla je handen om de beker, voel de warmte in je botten.’ Een korte stilte. ‘Beter?’ Zijn stem klonk vreemd. ‘Ja,’ loog ik. ‘Ga door.’ ‘Buiten,’ zei Grim. ‘Groot veld met rijpe, gouden gersthalmen, de zon schijnt erop, gele bloemen in het gras. Je loopt naar de beek om wat rond te spartelen, het water is als een warm bad. Eenden met jonkies zwemmen langs. Een hond rent voorbij. Hemel zo blauw als... als...’ ‘Vergeet-me-nietjes,’ zei ik. ‘Grim, gaat het wel?’ ‘Ja, hoor,’ mompelde hij. ‘Ik heb geen woorden meer.’ Plotseling gerammel aan de deur aan het eind van de gang. Als ik het eerder koud had gehad, dan was ik nu als bevroren. Ze waren hier, kwamen me nu al halen. ‘Maak de anderen wakker. Dat hebben ze gezegd.’ ‘Nee, Grim. Laat ze slapen.’ De deur ging zacht krakend open, alsof iemand probeerde zo min mogelijk lawaai te maken. Het licht dat naar binnen kwam, was geen daglicht, maar het schijnsel van een lantaarn. Het was dus nog steeds nacht. Ze beroofden me niet alleen van midzomerdag en de hoorzitting, maar ook van de halve nacht ervoor. Typisch iets voor dit pishok en de gore schoen die hier werkten en voor mensen moesten doorgaan. Beuker stond bij de tralies. Ik stond met de deken om me heen bij mijn bed en probeerde adem te halen. ‘Je hebt bezoek.’ ‘Wat?’ Hoeveel stomme trucjes wilde hij nog met me uithalen voordat dit allemaal voorbij was? ‘Bezoek. Maak jezelf toonbaar, en snel een beetje.’ Ik droomde zeker. Niemand hier kreeg bezoek, en ik al helemaal niet. Wie zou er moeten komen? Tenzij het Mathuin was die zich wilde verkneukelen, maar dat zou hij vast niet doen op een tijdstip waarop fatsoenlijke mensen diep in slaap waren. Beuker ontgrendelde de deur van mijn cel en gooide hem open. ‘Opschieten,’ zei hij. ‘Ik heb niet de hele nacht de tijd.’
•
21
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 22
Een leugen. Dat moest wel. De enige reden waarom ze me hieruit lieten, was om me te kunnen doden zonder dat iemand erachter zou kunnen komen, dat wil zeggen iemand die ertoe deed. Dat zou ’s nachts makkelijker zijn. Dan konden ze me netjes in een of ander hoekje begraven voordat de zon er zelfs maar over dacht om op te komen. ‘Beuker,’ zei Grim op een toon die ik niet eerder van hem had gehoord en die me een koude rilling bezorgde. ‘Je staat boven aan mijn lijst. Als ik hieruit kom, zal ik je weten te vinden, dat zweer ik. Voordat ik klaar met je ben, zul je uit zulke kleine stukjes bestaan dat niemand zal weten dat je ooit een mens bent geweest.’ ‘Ha!’ zei Beuker spottend. ‘Als je hieruit komt? Als dat al ooit gebeurt, zul je een oude man zijn, Druiloor, een seniele oude man die in zijn baard kwijlt.’ ‘Hou je bek!’ mompelde een slaperige stem uit een van de cellen verderop. Beuker greep me bij mijn arm en sleurde me mijn cel uit en de gang door, met deken en al. Er zat niemand bij de bewakerspost en de deur stond op een kier. We gingen naar buiten. De openlucht in, onder de nachtelijke hemel. ‘Schiet op,’ zei Beuker. Ik ving een glimp op van de maan en de sterren terwijl hij me over de binnenhof sleepte. De weidse ruimte maakte me duizelig. Ik zoog een teug lucht naar binnen, maar het enige wat ik rook, was mijn eigen vuile lichaam. Geen glimp van de andere bewakers; geen teken van een beul. Misschien had Beuker een verzoek ingediend om dit persoonlijk te mogen aandelen. Hij duwde me voor zich uit, een bijgebouwtje binnen – ik zag plotseling een beeld voor me van mezelf, opgehesen aan een touw als een varken voor de slachtbank – en toen was daar het felle licht van twee lampen. Ik zag een man achter een tafeltje naar me kijken en besee met een schok dat Beuker wellicht de waarheid had verteld. ‘Dank je,’ zei de man terwijl hij opstond. ‘Laat ons nu alleen.’ ‘Die vrouw is door en door verdorven,’ protesteerde Beuker. ‘Het is niet veilig...’ ‘Ik sta erop.’ ‘Tegen de regels,’ mopperde Beuker. De man – langbenig en gekleed in een fraaie cape – had plotseling een rinkelende buidel in zijn hand. Hij telde wat munten uit. ‘Ik be-
•
22
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 23
twijfel of ik enig gevaar loop,’ zei hij, ‘maar het staat je vrij om vlak achter de deur te wachten. Ik roep je wel wanneer we hier klaar zijn.’ De buidel werd weggestopt, nog steeds rinkelend, en Beuker liep naar buiten en deed de deur achter zich dicht. ‘Ga zitten, alsjeblie,’ zei mijn bezoeker alsof we een paar edellieden waren die elkaar ontmoetten voor een gemoedelijk onderonsje. Ik ging op een bankje zitten, nog steeds bibberend. De man ging tegenover me zitten en schoof de kap van zijn cape naar achteren. Het was een beeldschone man, bijna zeker een elf of een half-elf. Ik had genoeg lieden van zijn soort gezien, in mijn oude leven van lang geleden, om de kenmerken te herkennen: de ver uiteen staande ogen, het brede voorhoofd, de trotse, bijna gebeeldhouwde gelaatstrekken. Zijn houding verried een zekere hooghartigheid, maar dan zonder de arrogantie van mannen zoals Mathuin van Laois. Terwijl ik tegenover hem aan de tafel zat, was ik me pijnlijk bewust van mijn met luizen overdekte, smerige lichaam in de gerafelde vodden die voor kleren moesten doorgaan. Wat deed dat prachtige schepsel hier in Morrigans naam? Ik kon me niet voorstellen dat hij mijn beul was. ‘Je herkent me niet, hè?’ vroeg hij, en hij trok zijn wenkbrauwen op alsof het een soort grapje tussen ons tweetjes was. Weer iemand die spelletjes wilde spelen. Ik had hem nog nooit van mijn leven gezien. ‘Ik ken u niet en ik weet niet waarom u hier bent.’ Na twee tellen, omdat hij me geen Slet had genoemd, voegde ik eraan toe: ‘Heer.’ De vreemdeling bestudeerde me even. Ik zorgde ervoor dat ik hem recht in de ogen keek. Dat ik er armoedig, afzichtelijk, haveloos en smerig uitzag, was niet mijn schuld. Ik verdomde het om deze plek met hangende schouders te verlaten, hoe verslagen ik me ook voelde. ‘Je zaak zou vandaag voorkomen, nietwaar?’ Ik knikte schokkerig. Zou. Hij wist het dus. ‘De bewaker hee me verteld dat de plannen gewijzigd waren.’ ‘Hee hij je het nieuwe plan verteld?’ ‘Een snelle en heimelijke executie bij zonsopkomst. Geen proces, geen hoorzitting, geen zaak.’ Wat ging hem dit aan? ‘Gaat u me nog vertellen wie u bent?’ flapte ik er uit. ‘Hee Mathuin u gestuurd?’ Niet waarschijnlijk. Waarom zou een voorname elf als boodschapper optreden voor een menselijke leider? ‘Ik heb een voorstel,’ zei de man. ‘Als je me eerder vertrouwt wanneer
•
23
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 24
je een naam weet, zal ik je die geven. Ik ben Conmael.’ Het betekende geen moer. Ik kon me met de beste wil van de wereld niet voorstellen waarom het deze man ook maar iets kon schelen wat er met mij gebeurde. En dacht hij nou dat ik mijn naam zou noemen? Ik had er een gehad toen ze me opsloten, en daarvoor een andere, maar ik was niet van plan een van beide aan een volslagen vreemde te vertellen. ‘Wat voor voorstel?’ Onder deze omstandigheden zou slechts één voorstel interessant zijn, en dat was het voorstel waarin ik de zonsopkomst zou overleven en voor de raad zou verschijnen, zoals de bedoeling was geweest. Hoe deze Conmael zoiets zou kunnen bewerkstelligen, en waarom hij die moeite zou nemen, was me een raadsel. Leugens, allemaal leugens – wat kon dit anders zijn? ‘Ik ben al die spelletjes beu,’ zei ik. ‘Ik heb de laatste tijd nog maar weinig geduld.’ Conmael glimlachte. Hij vouwde zijn handen voor zich op tafel. Zijn vingers waren lang en sierlijk, en hij droeg diverse ringen. ‘Het is geen spelletje,’ zei hij. ‘En ook geen onvoorwaardelijk aanbod van vrijheid. Maar je zult deze plek veilig kunnen verlaten en niet meer voor je leven hoeven te vrezen, mits je instemt met mijn voorwaarden.’ Ondanks alles maakte mijn hart een sprongetje bij het woord ‘vrijheid’. Ik onderdrukte dat opgetogen gevoel onmiddellijk. Hij wilde iets van me, dat kon niet anders. Ik kon niet bedenken wat dat zou moeten zijn, aangezien ik helemaal niets te bieden had. Dit was allemaal uiterst verdacht. Misschien verruilde ik mijn huidige hel op aarde wel voor iets nog ergers. Maar je zou wel blijven leven, zei een stemmetje binnen in me. ‘Voorwaarden? Welke voorwaarden?’ ‘Je had een roeping voordat het noodlot je trof. Een beroep, een doel in het leven. Klopt dat?’ Als hij dacht dat ik over vroeger zou gaan praten, had hij het mis. Dat was verleden tijd, voorbij, vergeten. Het enige wat was overgebleven, waren Mathuin en wraak. ‘Je hebt bepaalde vaardigheden die je in staat stellen in je levensonderhoud te voorzien en goed werk te verrichten voor de gemeenschap.’ ‘Had. Niet hebt. Die tijd is voorbij. Die vrouw is verdwenen.’ ‘Als je nu, op dit moment, vrij zou zijn, wat zou je dan doen?’ ‘Waarom zou ik u dat vertellen? U kunt iedereen zijn. Misschien bent u wel in dienst van Mathuin.’ ‘Ik ben bij niemand in dienst. Geef alsjeblie antwoord op mijn vraag.’
•
24
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 25
‘Ik zou doen wat ik dacht dat ik zou gaan doen totdat de bewaker zo vriendelijk was me het nieuws van mijn ophanden zijnde executie mee te delen. Ik zou voor de midzomerraad verschijnen. Uitleggen waarom ze me hebben opgesloten. Vertellen wat Mathuin doet. Het verhaal vertellen van de jonge vrouw die zwanger werd van zijn kind toen hij haar onder dwang nam, en dat haar echtgenoot haar verliet toen hij daarachter kwam, en dat ze mij vroeg haar te helpen zich van het kind te ontdoen. Dat ik me publiekelijk tegen Mathuin heb uitgesproken en erachter kwam dat er nog tien andere vrouwen waren die hij op dezelfde manier had behandeld. Dat hij me achter slot en grendel hee gezet omdat ik zijn naam door het slijk heb gehaald.’ Mathuin moest ter verantwoording worden geroepen voor zijn daden, dat leed geen twijfel. Maar het waren niet die misdaden die in me brandden en om wraak schreeuwden. Het was een veel ouder kwaad, maar daarover zou ik hem niet vertellen. Toen de hoofdman van Laois me gevangennam, wist hij niet wie ik was. Ik was van plan geweest het hem te vertellen zodra ik voor de raad stond. ‘Ik wil dat zijn ware aard bekend wordt gemaakt. Ik wil dat hij gestra wordt. Mathuin is niet geschikt als hoofdman.’ ‘En daarna?’ ‘Wat bedoelt u?’ ‘Wat ga je doen nadat je de hoofdman van Laois aan de schandpaal hebt genageld en hij uit zijn positie is ontheven?’ ‘Spot niet met me!’ ‘Geef alsjeblie antwoord op de vraag. De zon komt zo op.’ ‘Daarna niets. Het enige wat belangrijk is, is...’ ‘Wraak?’ Conmaels stem klonk heel zacht. ‘Dit gaat niet alleen maar om opkomen voor die vrouwen, of wel soms? Het gaat om meer, veel meer. Het is een brandende behoee om persoonlijk leed te wreken. Oud zeer.’ Ik staarde naar hem, en hij staarde terug, met ogen zo blauw als diep water, en volmaakte gelaatstrekken die niets verrieden. ‘Hoe weet u dat allemaal? Wie bent u?’ ‘Een vriend. Iemand die liever niet ziet dat je je eigen graf graa.’ ‘Mijn éígen graf? Mathuin is degene die mijn graf graa.’ ‘Als je wilt dat ik je help, moet je je behoee aan wraak aan de kant zetten.’ ‘Dan is het antwoord “nee”.’ Als ik geen eind aan Mathuins verdor-
•
25
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 26
ven praktijken kon maken, dan was alles verder zinloos. Conmael zweeg even. Toen zei hij: ‘Het leven is een waardevol geschenk. Het lijkt erop dat je weinig waarde aan het jouwe hecht. Denk eens na wat je met deze kans zou kunnen doen. Je zou mensen kunnen helpen. Hen bevrijden van pijn en leed. Je zou je eigen wonden kunnen genezen.’ ‘Ik ben niet uit op persoonlijke verlossing. Ik wil gerechtigheid. Ik wil dat die man zijn misdaden bekent en ervoor boet.’ ‘Als je mijn aanbod afslaat, ben jij degene die zult boeten.’ ‘Wat wilt u van me?’ Mijn boosheid dreigde de overhand te krijgen. ‘Kom ter zake!’ ‘Aha, dus je wilt naar mijn voorwaarden luisteren?’ ‘Het zou dom zijn om dat niet te doen.’ Door hem zijn voorwaarden te laten uitleggen, wat ze ook waren, zou ik in ieder geval nog wat langer buiten mijn cel blijven. Was dat het eerste spoortje daglicht dat ik door de kieren rond de deur zag sijpelen? ‘Goed dan. Ik bied je een kans om hier veilig weg te komen voordat ze je komen halen. Je moet het district verlaten en naar het noorden reizen, naar Dalriada. Je zult onderweg hulp krijgen, en als je daar aankomt, zal er een plek zijn waar je kunt verblijven. Daarna zul je de kost moeten verdienen met wat je vroeger deed. Er is altijd behoee aan ervaren genezers.’ ‘Naar het noorden. Wanneer?’ ‘Nu meteen.’ Toen ik wilde protesteren en wilde zeggen dat ik nergens heen kon gaan omdat ik voor de raad moest verschijnen, gebaarde Conmael dat ik mijn mond moest houden. ‘Er zijn drie voorwaarden waarmee je moet instemmen voordat ik je deze kans bied. Ten eerste, de enorme gave die je bezit, mag je alleen gebruiken om goed te doen. Je mag je niet door verbittering of boosheid laten verleiden om de duistere paden van je ambacht te betreden. Ten tweede, als iemand je om hulp vraagt, bied je die vrijwillig aan. Ik bedoel niet alleen diegenen die met hun kwalen naar je toe komen, maar iedereen die je om hulp vraagt.’ ‘En ten derde?’ Het kwam bij me op dat ik net zo goed zou kunnen liegen als ieder ander. Wat lette me om nu toe te stemmen, en zodra ik vrij was te doen wat ik zelf wilde? Ik zou de zonsopkomst kunnen overleven en ervoor kunnen zorgen dat Mathuin tegen zonsondergang te gronde was gericht. Mijn hart begon sneller te slaan.
•
26
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 27
‘Ten derde zul je geen wraak zoeken. Je moet in Dalriada blijven, uit de buurt van Mathuin van Laois.’ Onmogelijk. Maar ik onderdrukte de weigering die over mijn lippen dreigde te rollen. ‘Is er een termijn aan dit belachelijke voorstel verbonden?’ Conmael schonk me een kille glimlach. ‘Zeven jaar,’ zei hij. ‘Dat is de termijn voor alle drie de voorwaarden.’ Ik deed mijn mond open om ‘ja’ te zeggen, maar hij was me voor. ‘Ik denk dat je wel weet wat ik ben. Hoewel je me niet altijd zult zien, hou ik je in de gaten. Je zult de voorwaarden niet kunnen overtreden zonder dat ik het te weten kom. Elke keer dat je dat doet, wordt er een extra jaar aan die zeven toegevoegd.’ ‘Wát?’ Bij de vloek van Morrigan, ik zou al moeite met zeven dagen hebben, laat staan zeven jaar! Weglopen en Mathuin achterlaten zonder dat zijn misdaden werden bestra of zelfs maar bekend werden gemaakt? Erin toestemmen om elk verzoek om hulp in te willigen? Wat het gebruiken van mijn gave om goed te doen betrof, al het goede was al lang geleden uit me geslagen. Mijn geest was net zo besmet en smerig als mijn stinkende, door ongedierte geteisterde lichaam. Aan de andere kant, wat maakte het uit of ik me de rest van mijn leven aan zijn stomme plan moest houden als ik er eerst voor kon zorgen dat Mathuin zijn verdiende loon kreeg? ‘Mathuin hee misdaden begaan,’ zei Conmael. ‘Hij is ook een machtige hoofdman die de steun van veel andere leiders geniet. Jij bent een gevangene, zonder familie, zonder middelen, zonder huis om naartoe te gaan en zonder vrienden om je bij te staan. Zelfs al zou je voor de raad je beschuldigingen uiten ten overstaan van alle hoofdmannen, wie zou jouw woord dan boven dat van Mathuin stellen? Het enige wat je zou bewerkstelligen, is je eigen ondergang. Laten we dus bepalen hoe vaak je de regels mag overtreden. Vijf keer lijkt me redelijk.’ ‘Want anders?’ ‘Dan zul je merken dat je hier weer bent, vuil, uitgeput, verslagen, en dat de beul op je deur klopt. En deze keer zal er geen uitstel zijn.’ Mijn mond viel open. ‘Bedoelt u dat u de tijd terug kunt draaien?’ Hij was een elf, dat leed geen enkele twijfel, en elfen bezaten krachtige magie. Dat had ik zelf gezien, lang geleden. Maar dit... Die vent moest gestoord zijn.
•
27
•
13883/1602-v8_Dromerspoel 14-3-16 15:58 Pagina 28
Conmaels blik was ijzig. ‘Als je nu probeert wraak te nemen, zul je zeker falen. Je bent niet gek; in je hart weet je dat dat de simpele waarheid is. Oefen geduld en bewaar je zeleheersing gedurende de periode die ik heb vastgesteld, misschien heb je dan later nog een kleine kans van slagen. Mijn voorstel is je enige manier voorwaarts. Het zou een vergissing zijn om te geloven dat ik niet alles kan, of zal, doen wat ik tegen je heb gezegd.’ ‘U stelt voor dat ik úw gevangene word in plaats van die van Mathuin.’ Conmael stond op. ‘Die opmerking getuigt van halsstarrig onbegrip van mijn voorstel. Ik dacht dat ik heel duidelijk was geweest. Ik bied je een plek om te wonen, veiligheid, een kans om goed te doen. Ik geef je de mogelijkheid je leven opnieuw op te bouwen. Je moet het toch met me eens zijn dat dat tot nu toe niet bepaald een rijk en prettig leven is geweest.’ Ik kon geen woord over mijn lippen krijgen. Conmael liep naar de deur. De zon kwam bijna op. Hij legde zijn hand op de klink. ‘Wacht!’ Mijn mond was droog. ‘Als ik hiermee instem en me aan de voorwaarden hou, wat gebeurt er dan na zeven jaar?’ Hij draaide zijn hoofd naar me toe. Zijn gezicht stond ernstig. ‘Dan ben je weer je eigen baas en vrij om je eigen keuzes te maken.’ Hij deed de deur open, en daar stond Beuker op hem te wachten. ‘We zijn hier klaar,’ zei Conmael, en voordat ik nog een woord kon zeggen, was hij langs de bewaker gestapt en uit het zicht verdwenen. ‘Wacht!’ riep ik. ‘Ja! Ik zeg ja!’ Ik rende naar de deur en botste tegen de onverzettelijke gestalte van Beuker op. Maar er kwam geen antwoord, alleen de galmende roep van een vogel die boven mijn hoofd voorbijvloog: Dwaas! Dwaas! Conmael was nergens te bekennen.
•
28
•