Skip to main content

Walter Lucius, Kort verhaal

Page 1

EXCLUSIEF KORT VERHAAL


Prelude ‘De stad en het vuur.’

Raylan Chapelle - Saigon 1963

Een enkele nacht in Saigon kende net zoveel leven als een compleet kerkhof.

Zodra

de

avondklok

inging,

raakten

alle

straten

uitgestorven. Dan reden er enkel patrouillerende jeeps met militaire politie rond. Ze hadden de opdracht te schieten op alles wat zich tussen middernacht en vijf uur ’s ochtends buiten bewoog. Een enkel schot in een verder doodstille Saigon-nacht klonk al angstaanjagender dan een regen van Vietcong-mortieren, die neerkwam op het American Special Forces Camp in de A Shau vallei, waar ik net op reportage was geweest. Ik had de afgelopen week weer te veel jongens in lijkzakken zien verdwijnen, maar dankzij een fles armagnac en een handvol downers was het me gelukt om vannacht de klok rond te slapen. Het gezoem van mijn telefoon maakte daar een einde aan. Verdoofd luisterde ik naar de stem van Hoang Dang, mijn fixer. ‘Raylan, are you okay?’ ‘Jezus, Hoang. Waarom zou ik dat niet zijn?’ ‘Charlie heeft vannacht de Banque de l’Indochine geraakt.’ Mijn appartement op de Ton That Dam Road in het eerste district lag tegenover het grote koloniale bankgebouw. Ik richtte me op. Mijn hele vloer lag vol glasscherven. Door het verbrijzelde raam zag ik het enorme gat in de voorgevel van het gebouw aan de overkant. Ik had dwars door de Noord-Vietnamese voltreffer heen

1


geslapen. Hoang klonk gejaagd. ‘Big thing about to happen today.’ ‘Nog meer ellende? Waar dan?’ ‘Op het Lam Son-plein, tegenover het Continental.’ ‘Wat is het?’ ‘Can’t tell. You must come and see.’ ‘Wanneer? ‘Come now!’ Ik keek op mijn horloge. Tien over acht. Ik gooide de telefoon neer, sprong uit bed, trok dezelfde kleren aan die ik al de hele week in A Shau had gedragen, gespte mijn laarzen vast, slikte aspirines en uppers door met lauw water uit mijn veldfles, stopte blocnote, pen en perskaart in mijn schoudertas en rende de trappen af. Toen ik buiten kwam vloog een compleet konvooi van Huey helikopters, die troepen naar een nieuwe frontlijn ergens in het binnenland bracht, laag over. De hele stad leek te schudden. Een groepje jongens rende joelend langs me heen, hun armen aan weerskanten uitgestrekt als vliegtuigvleugels. In de chaos van voorbijdenderende jeeps, pick-ups, brommers, scooters en fietsers kon ik geen enkele taxi ontdekken. Een paar meter verderop zat een jongetje in een gestreepte blouse, met een veel te grote Australische legerhoed op z’n bol, fietsen te repareren. Hij had een lekke band met een plakker in een klem gezet en een omgekeerde zuiger van een brommer erbovenop geplaatst waar hij benzine in goot. Met een enorme grijns stak hij die benzine aan, zodat de plakker vast zou schroeien op de binnenband.

2


Ik had geen tijd om op het eindresultaat te wachten, haalde een bundeltje dollars tevoorschijn, drukte die in zijn hand, greep de dichtstbijzijnde

fiets

en

dook

de

Ton That Dam

op

in noordwestelijke richting. Langs de kant van de weg hielden handelaars sloffen Pall Mall-sigaretten, flessen whisky en Coca Colablikjes

omhoog.

Waarschijnlijk

allemaal

gejat

uit

de

havencontainers van het Amerikaanse leger. Buiten adem stak ik rechtsaf de Huynh Thuc Khang in. Bij het oversteken van de overvolle Nguyen Hue-boulevard kwam ik erachter dat de remmen weliswaar een teringherrie maakten als ik er in kneep, maar dat ze weigerden te doen waarvoor ze bedoeld waren. Ik slalomde langs het luid toeterende verkeer en draaide linksaf de ventweg in, direct op het stadhuis af. Een jonge Vietnamees met een half verminkt gezicht stak plotseling op krukken de weg over. Waarschijnlijk slachtoffer van napalm, BZ7 gas, of chemische regens, weet ik veel, maar ik zag hem te laat. Ik gooide mijn stuur om, knalde tegen de stoep en vloog over het stuur het trottoir op. Duizelig stond ik op, betastte mijn hoofd en zag het bloed op mijn handen. Ik rook de stank van opgehoopt vuilnis, hoorde het gelach van een groepje Amerikaanse GI’s vanaf een terras en het gesis waarmee de band van mijn

voorwiel leegliep. Geen tijd te verliezen. De fiets laten liggen. Le Loi inrennen. Rennen nu. Rennen. Zo’n vijf minuten later stond ik uit te hijgen bij de hoek van het Continental, mezelf afvragend wat voor ‘big thing’ Hoang Dang in godsnaam voor mij in gedachten had. Het Continental Palace was

3


een verzamelplek van journalisten. Newsweek en Time Magazine hadden hun bureaus op de tweede verdieping van het hotel. Als je publiciteit zocht, was je er juist hier zeker van dat je uitgebreide mediabelangstelling zou hebben. Behalve op dit tijdstip. Een beetje journalist was nog volop zijn roes aan het uitslapen. Ik ontdekte Hoang aan de andere kant van de kruising op het terras van The Southern Cross-bar. ‘Just in time,’ zei hij met een strak gezicht toen hij naar me toe kwam gerend. ‘For what Hoang?’ In de verte hoorde ik het chanten van een grote groep boeddhistische monniken die vanaf de Nguyen Hue-Boulevard in de richting van het Lam Son-plein kwam aan gelopen. Hoang keek me aan met die ondoorgrondelijke Aziatische blik. ‘Just wait and see.’ Stapvoets voor de processiestoet uit reed een grijsblauwe Simca. Precies in het midden van de kruising hield die stil. Twee jonge monniken hielpen een oudere monnik de wagen uit. Op hetzelfde moment vormden de honderden andere monniken een cirkel waarmee ze het kruispunt volledig afzetten. De oude monnik liep naar het midden waar voor hem een kussen was neergelegd. De weeïge geur van wierook dreef in walmen over het kruispunt. De monnik nam de lotushouding op het kussen aan. Het was zo stil dat ik hem kon horen chanten: Keer terug naar de eeuwige aarde, Boeddha. De eeuwige aarde was voor elke Vietnamees een cruciaal onderdeel in de cyclus van leven en dood. De aarde was zijn laatste

4


verblijfplaats. Die gaf hem voedsel. Zijn voorouders lagen in die aarde. In die eeuwige aarde lag zijn identiteit, zijn geschiedenis. De Vietnamese ziel huisde in die aarde. Ik had het onheilspellende voorgevoel dat de oude monnik daadwerkelijk op het punt stond terug te keren naar de eeuwige aarde. Hoe dat zou gebeuren werd me duidelijk toen de twee jonge monniken een volle jerrycan met benzine over hem uitgoten. Ik wilde voorkomen wat er daarna zou gebeuren, maar Hoang deed iets wat hij nog nooit eerder had gedaan. Hij ging onverzettelijk voor mij staan en keek me recht in de ogen. ‘No disrespect. Make notes.’ Maar ik hoefde geen aantekeningen te maken want wat zich voor mijn ogen afspeelde zou ik nooit meer kunnen vergeten. Terwijl een politiewagen door een kordon van monniken werd gestopt haalde de oude monnik een luciferdoosje onder zijn oranje kleed tevoorschijn. Een jonge westerse vrouw met een Leicafototoestel in haar hand maakte zich los uit de massa en kwam vlak voor hem staan. De monnik streek een lucifer af en liet die in zijn schoot vallen.

___________

5


DEEL 1


DEEL 2


VERWACHT: SEPTEMBER 2019


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Walter Lucius, Kort verhaal by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu