Skip to main content

IJshart leesfragment

Page 1

lied Ze hadden nooit de sneeuw in mogen gaan. ‘De sneeuw verbergt de dood,’ zeiden de Firanen altijd, een van de vele opwekkende gezegdes die ze hun kinderen bijbrachten zodra die oud genoeg waren om te leren. En terecht. De sneeuwvlakte was levensgevaarlijk. Maar de bal lag zó dichtbij. Tergend dichtbij, en toch had hij net zo goed miljoenen kilometers verder weg kunnen zijn. Daar lag hij, een donkere vlek tegen de eindeloze witte vlakte. De vier kinderen keken er zwijgend naar. Ze verroerden geen vin. Dat durfden ze niet. Ze waren allemaal gespannen, klaar om

7


bij het minste of geringste geluid weg te rennen. Ash, de kleinste van hen, stopte rillend zijn handen onder zijn oksels om zo veel mogelijk warmte uit zijn vachten te halen. Zijn adem kwam als een witte wolk naar buiten. Naast hem haalde zijn vriend Flint zijn neus op en veegde het snot af met zijn mouw. Flint had altijd een snotneus. Het was bijna alsof hij niet gewend was aan de kou, wat eigenlijk vreemd was, want niemand kon zich herinneren dat het ooit warm was geweest. ‘We kunnen hem gewoon pakken,’ zei hij, terwijl hij zijn neus weer ophaalde. ‘Zo ver is het niet.’ Dat was ook zo. Maar toch verroerde niemand zich. ‘Haal jij hem maar,’ zei Sjijn tegen Flint. Haar piekerige donkere haar was met een leren haarband boven haar voorhoofd geduwd, waardoor ze altijd boos leek te kijken. ‘Wát? Echt niet! Reinder heeft hem daarnaartoe geschopt: laat hem de bal maar halen!’ ‘Ash trapte hem te hard naar me toe! Dat doet hij altijd – hij is heel veel ballen kwijtgeraakt toen hij nog bij ons woonde,’ zei Reinder, wiens bolle wangen ruw waren van de kou. ‘Ja, dat was ook zo toen hij bij ons woonde,’ zei Sjijn. ‘Oké, oké! Ik trap te hard. Nou weet ik het wel!’ zei Ash. ‘Trouwens, het is jóúw stomme bal,’ zei Reinder tegen Flint.

8


‘Precies! Het is míjn bal en ik wil hem terug!’ antwoordde Flint vinnig. ‘Jij hebt thuis toch nog een bal, Flint?’ zei Ash om te proberen een eind te maken aan de ruzie. ‘Waarom gaan we daar niet mee spelen? We zijn al te dicht bij de sneeuwvlakte, we mogen hier niet eens zijn…’ Hij stond nu te beven als een rietje, en niet alleen vanwege de kou. Hij keek naar hun vesting hoog boven hen, veilig genesteld op een hoge rotswand. Van deze afstand leek die zelfs nog kleiner dan anders, afgesloten en alleen te midden van de eindeloze witte omgeving. Ash wilde niets liever dan de verhoogde houten wenteltrap weer op rennen en door de poort naar binnen gaan, waar hij veilig was. ‘Ash heeft gelijk. Er zijn Lotanen gezien, Loerders nog wel. Ik heb geen zin om het ontbijtje van zo’n stomme Loerder te worden…’ zei Sjijn. ‘Het is zó gebeurd!’ zei Flint bits. Maar toch verroerde niemand zich. Er gleed een wolk voor de ochtendzon die schaduwen over de sneeuwvlakte wierp. Het werd kouder. Stiller. Er was geen geluid te horen. Niets, behalve het fluisteren van de wind en af en toe het gesnuif van Flint. De ijskoude bries prikte in Ash’ gezicht. ‘Jongens…’ zei hij. ‘goed dan! Ik haal hem wel! Jeetje, wat zijn jullie een stelletje lafbekken!’ zei Reinder. ‘Hou de wacht. Als

9


10 0


de volwassenen het zien, vermoorden ze me.’ ‘Daar maak ik me geen zorgen over…’ mompelde Ash. Hij keek uit over de sneeuw en zag alleen glinsterend wit. Het leek niet mogelijk dat daar iets onder verborgen zat. Maar daar waren Loerders het beste in… op de loer liggen. Reinder strekte zijn armen en wreef in zijn handen; hij bereidde zich voor op de tocht naar de bal. Die lag waarschijnlijk tweehonderd stappen hiervandaan. Dat was ver. Ver genoeg om er de bibbers van te krijgen. Na enig aarzelen zette Reinder eindelijk de eerste behoedzame stap van het houten platform in de sneeuw. Hij verstijfde. De andere kinderen hielden hun adem in. Er gebeurde niets. De kinderen slaakten een zucht van opluchting. Zo geruisloos en snel als hij kon, draafde Reinder naar de bal. Zijn laarzen van elanderbont maakten een zacht pff pff pff pff-geluid in de sneeuw. Hij was nu nog ongeveer honderd stappen van de bal. Vijftig. Twintig. Ash durfde amper te kijken, maar het lukte hem ook niet om dat niet te doen. Ondanks de kou liep het angstzweet hem over de rug. Tien stappen. Vijf stappen.

11


Eén. ‘Ik heb hem!’ Reinder tilde de bal omhoog, maar sloeg toen snel een hand voor zijn mond, geschrokken door zijn eigen harde stem. ‘Breng hem terug!’ fluisterde Flint zo hard als hij durfde. Reinder knikte en zette het op een lopen. ‘Hij gaat het halen!’ zei Sjijn. Ash lachte opgelucht. Maar toen: FWOEM! Sneeuw spoot de lucht in als water uit een geiser. De kinderen deinsden achteruit, terwijl ijskoude natte sneeuw op hen neer spetterde. Uit een spleet in de sneeuw verrezen drie grote gedaantes. ‘Loerders,’ zei Ash met verstikte stem. De wezens waren glibberig en kronkelig, en langer dan twee mensen op elkaar. Ze hadden zes ijswitte ogen die niet helemaal tegelijk knipperden en openstaande kaken gevuld met vlijmscherpe hoektanden en een slijmerige tong. Ondanks hun lompe manier van lopen, bewogen ze afgrijselijk snel, zó snel dat het lastig was om te zien waar hun stekelige kammen, graaiende

12


klauwen en zwiepende staarten zich bevonden. In Ash’ ogen was het gewoon een wriemelende angstaanjagende massa. ‘Ze hebben hem de pas afgesneden!’ schreeuwde Sjijn. Ze had gelijk. De Loerders blokkeerden de weg terug naar de vesting en stoven hongerig op Reinder af. Die was verstijfd van angst blijven staan. ‘We moeten het de grote mensen vertellen!’ schreeuwde Ash. Die moeite had hij zich kunnen besparen: een uitkijk op de wachttoren boven had de commotie al gezien. ‘ loerders !’ bulderde hij. ‘jagers, naar de kantelen!’ Ondertussen waren de Loerders bijna bij Reinder, die alleen maar doodsbang stond te jammeren.

13 3


‘rennen, Reinder!’ gilde Ash uit volle borst. Reinder leek wakker te schrikken. Hij liet de bal vallen, zette het op een lopen en deed zijn uiterste best de naderende Loerders te omzeilen. Opeens zwol er een hongerig, bloeddorstig geluid aan dat galmde over de vlakte. Het was het lied van de Loerders. Weerzinwekkende, gierende uithalen doorboorden Ash’ oren. Bij het horen van de hatelijke emoties van de Lotanen keerde zijn maag zich om. Dit was een strijdlied. MENS. GRIJPEN. VERMOORDEN. Ash en de andere kinderen grepen hun hoofd vast tegen het gekrijs, hoewel Ash wist dat hij de enige was

14


die kon verstaan wat ze zongen. Net zoals hij de enige was die de lucht rond de Loerders zag flakkeren met een bloedrood waas van kronkelige tentakels die zich net zo venijnig als de monsters zelf uitstrekten naar Reinder. Op de kantelen slingerden Firajagers met katapulten stenen naar de beesten, maar die ketsten af op hun slijmerige vel en richtten weinig schade aan. Logge harpoenlanceerders werden ook afgevuurd, maar de beesten waren te dicht bij de muur en de gigantische harpoenen vlogen hun doel ver voorbij. Een van de Loerders was nu bijna bij Reinder, hij sperde zijn kaken

15 5


open… maar voordat hij hem kon verzwelgen, sprong er een andere Loerder voor hem. Die wilde koste wat kost als eerste bij het hapje zijn. In een golf van sneeuw vielen ze verstrikt in elkaar op de grond. Reinder gebruikte die kans om eromheen te spurten. Hij ging recht op het houten platform af, waar de andere kinderen panisch stonden te wachten. ‘kom op, reinder!’ schreeuwde Ash. Reinder rende zo snel als zijn beentjes hem dragen konden. De monsters raakten eindelijk uit de knoop en sisten gefrustreerd naar elkaar, voordat ze de achtervolging weer inzetten. Reinder was bijna bij het platform, maar de Loerders zaten hem op de hielen. ‘Ze… Ze komen deze kant op!’ zei Flint. ‘Zo graag wil ik mijn bal nou ook weer niet!’ Hij draaide zich om en liep de trap op, op de voet gevolgd door Sjijn. Ash bleef echter staan en wachtte met een uitgestrekte arm op Reinder. Die was eindelijk bij het platform en greep Ash’ hand vast. Ash trok hem omhoog en schreeuwde: ‘snel, snel!’ Samen renden ze de gammele trap op die naar de dorpspoort leidde. Maar ze waren pas een paar treden hoger toen een Loerder tegen de houten staanders aan beukte die de trap overeind hielden. Het hout verbrijzelde. De trap kraakte vervaarlijk en helde naar de sneeuw. ‘Doorlopen!’ gilde Ash. De twee jongens probeerden boven te komen voordat de trap omviel, maar ze waren

16


te traag. De treden schudden en slingerden onder hen en toen verloor Reinder zijn evenwicht en gleed naar de wachtende kaken van de Loerders beneden. JAGEN. DOODMAKEN. OPETEN. ‘help me!’ schreeuwde Reinder. Ash wist niet wat hij moest doen. Reinder had zich nog net kunnen vastgrijpen aan de rand van een tree, maar om hen heen stortte de trap in. De poort was nog ver weg. De jagers stroomden erdoorheen, maar die zouden niet op tijd zijn om te kunnen helpen. Ash’ hoofd tolde en bij het zien van de kronkelende Loerders beneden keerde zijn maag zich om.

17 7


Ash was wanhopig. Maar hij voelde vanbinnen ook een overweldigende drang opborrelen, iets wat al zolang hij zich kon herinneren aan hem had getrokken. De drang om te zingen. Dat zou gestoord, absurd en zelfs gráppig geleken hebben als hij niet zo dicht bij een stel vraatzuchtige beesten was geweest. Maar het voelde ook heel natuurlijk. Hij kon niet uitleggen waarom, maar diep vanbinnen wist hij zeker dat hij hier een eind aan kon maken door tegen de Loerders te zingen, iets te doen om hun afschuwelijke lied te bestrijden. Hij zag geen andere uitweg. Ik kan het beter niet doen, dacht hij. Ze zouden hem vast verbannen. Al die verschrikkelijke geruchten… zouden dan waar blijken te zijn. Hij zou laten zien dat hij echt het monster was waar de Firanen al zo lang bang voor waren. Nee. Ik kan het niet, dacht hij. Ik doe het niet. Ik ben normaal! Krakend en kreunend trokken de treden hem dichter naar de gapende, happende muilen beneden. Ash zette zijn tanden op elkaar en nam een besluit. Hij opende zijn mond… … maar hoorde toen een afschuwelijk geluid. Een van de Loerders richtte zich krijsend van de pijn op: uit een van zijn ogen stak een pijl. De wezens draaiden zich met een ruk om naar hun aanvallers en Ash volgde hun blik.

18


Een jachtgezelschap was teruggekeerd uit de wildernis en door de sneeuw naar de kinderen gerend. Vooraan stond Ash’ hoeder, de machtige yetikrijger Tobu. Hij had zijn boog gespannen en pakte al een nieuwe pijl uit zijn koker. Toen hij dichterbij kwam, wierp hij Ash een angstaanjagende blik toe – bijna alsof hij op de een of andere manier had aangevoeld dat Ash op het punt had gestaan te gaan zingen. De moed zonk Ash in de schoenen. Weer iets waardoor ik in de problemen kom, dacht hij. ‘deze kant op!’ riepen de jagers. Ze zwaaiden met hun handen, joelden en maakten zo veel mogelijk herrie om de Loerders af te leiden. ‘kom maar op, rotbeesten!’ De Loerders brulden en scharrelden naar hen toe, maar de jagers stoven alle kanten op, zodat de uitzinnige Loerders niet wisten wie ze moesten volgen. Bijna meteen boorde een grote harpoen zich in de flank van een van de beesten en pinde hem met een zwaar donk op de grond. Na het slaken van een laatste bloedstollende kreet bleef hij verlamd liggen. Blauw levensvocht omwikkelde zijn hele lijf, als vorst die een plas bevriest, en binnen de kortste keren was het beest veranderd in glinsterend ijs. Het was dood. De overgebleven Loerders beseften in welk gevaar ze verkeerden en doken weg onder de sneeuw. Hun prooi waren ze vergeten. Ash merkte dat alles stil werd, afgezien van het geluid

19


van het jachtgezelschap dat zich naar Reinder en hem toe haastte. Dat was het laatste wat hij zag voor zijn hoofd het hout raakte en alles zwart werd.


een ruw ontwaken Liedwever. Die naam was als een beschuldiging door Ash’ hoofd geflitst op het moment dat hij het bewustzijn had verloren, en nu kreeg hij die er niet meer uit, terwijl hij er zich vaag bewust van was dat iemand – ongetwijfeld Tobu – hem behoedzaam naar huis droeg. Het woord was als een schaduw die hem overal volgde. En Ash wist niet eens wat het betekende. Hij wist alleen dat het slecht nieuws was. Eerlijk gezegd was Tobu slechts de laatste in een lange rij onwillige hoeders die de taak hadden gekregen om voor Ash te zorgen sinds zijn ouders waren verdwenen. Zijn ouders waren Baanbrekers geweest, een feit dat Ash zowel met trots als met droefenis vervulde. Baanbrekers waren onbevreesde handelaars en tevens

24


de laatste hoop van de menselijken, een laatste poging om de verspreide vestingen te verbinden tot een soort verenigde beschaving. Niet lang na zijn geboorte waren Ash’ ouders vertrokken aan boord van hun slee de Pionier, zoals ze al zo vaak hadden gedaan. Het was de laatste keer dat de Firanen hen zagen en vanaf die tijd werd Ash verzorgd door de vesting. Vóór Tobu had hij bij Sjar en haar gezin gewoond en dat was allemaal best goed gegaan. Tot hij was gaan zingen. Liedwever… Ash wist dat hij dat niet had moeten doen. De Firanen waren zo bang voor zingen – of voor Liedwevers, wat dat dan ook waren – dat muziek verboden was in de vesting. En er gingen al geruchten over wie Ash was, wát hij was. Maar hij had het toch gedaan. Hoewel het maar een onschuldig slaapliedje was geweest – het slaapliedje dat zijn ouders altijd voor hem zongen voor ze vertrokken. Hoe Ash ook zijn best deed, hij kon het niet laten dat te zingen. Hij voelde de drang zo vaak dat hij zelden besefte dat hij het deed. Ash zong het om troost uit te putten, om het gevoel te krijgen dat zijn ouders in de buurt waren. Het was tenslotte het enige wat hij nog van hen had. Hij neuriede het zachtjes als hij op kille ochtenden zijn vachten en pelscape aantrok. Hij zong het binnensmonds als hij leerde jagen en les had in boogschieten en jagersgebarentaal – hoewel hij zijn handen voor zijn mond

25


sloeg als hij merkte dat de andere bewoners hem woest aankeken. Hij liet de weinige woorden die hij kende ’s nachts door zijn hoofd rollen, een warme deken van herinnering om de slaap te kunnen vatten. Het was onschuldig. Het was onschadelijk. Maar dat excuus was niet goed genoeg. Althans niet voor zijn hoeder Sjar, die Ash meteen uit zijn bed had gehaald en in het holst van de nacht met hem naar het huis van ouderman Kindil was gegaan. ‘Hij lag te zingen!’ had ze met een angstige stem gefluisterd. ‘N-niet waar!’ had Ash met een heel klein stemmetje gepiept. Dat was een leugen, maar hij had niets anders kunnen bedenken. ‘Ik kan het niet, ouderman!’ had Sjar gezegd. ‘Ik moet ook aan mijn eigen kinderen denken. Het risico is te groot. Mijn huis is geen plek voor een…’ Sjars ogen schoten van links naar rechts, alsof ze bang was het te zeggen… ‘een Liedwever.’ Ash’ nekharen waren rechtop gaan staan. Weer die naam. Hij had naast zijn hoeder voor de grote houten deuren van het huis van de ouderman gestaan. Warm, uitnodigend licht was door de opening waarin de ouderman stond

26


naar buiten gestroomd, maar hij had hen niet naar binnen gevraagd. ‘Ik ben geen lafaard,’ was Sjar verdergegaan, hoewel ze er absoluut bang uit had gezien. ‘Maar ik ben ook niet gek. De Lotaanse aanvallen worden erger. Met elke verstrijkende winter worden ze vijandiger en we verliezen veel van onze mensen. Je kunt jezelf tegenwoordig amper horen denken met dat zingen van hen – en de jongen zingt ook steeds vaker, net als zij! De Lotanen haten ons en ze zullen de jongen gebruiken om kwaad te doen, let op mijn woorden. Het spijt me, maar hij kan niet bij ons blijven.’ Ouderman Kindil, de grote, indrukwekkende strijdleider van de Firanen, had een diepe zucht geslaakt. Hij zag er moe uit. Hoewel zijn schouders zo breed waren als een slee, zaten er al wat grijze haren in zijn gevlochten baard en doorkruisten rimpels zijn

27


vele littekens. Zijn wijze uitstraling werd slechts ten dele tenietgedaan door de grote pluizige pantoffels die hij droeg. Ash had het gevoel gehad dat zijn hart pijnlijk werd samengeknepen. Het werd steeds moeilijker om de tranen tegen te houden. Wéér doorgeschoven… Bij het zien van de uitdrukking op zijn gezicht had Sjar troostend haar hand uitgestoken, zoals ze altijd deed. Maar na enige aarzeling had ze die weer teruggetrokken. ‘Het spijt me, Ash. Echt waar.’ Kindil had peinzend op zijn hoofd gekrabd. ‘Hoewel hij de Firaanse wet heeft overtreden, kan ik me niet voorstellen dat het meer is geweest dan een of ander zelfverzonnen kinderversje.’ Ash had hoopvol opgekeken naar de ouderman, maar zag aan diens blik dat hij nog lang niet uit de penarie was. ‘Ik kan jou duidelijk niet overhalen om voor de jongen te zorgen, hoezeer me dat ook aan het hart gaat. Maar het is de plicht van de Firanen om dat te doen. Als jij het kind niet onder je hoede wilt nemen, moeten we daar iemand anders voor zoeken.’ Ash’ gezicht was rood geworden van schaamte. Hij wist dat de ouderman bijna geen keuze meer had. Hij had naar de stille, verlaten nederzetting om zich heen gestaard. Passerende Baanbrekers beschouwden het als een kleine vesting vergeleken met die verder in het zuiden. Dat mocht dan zo zijn, maar Fira was de enige vesting die hij kende. Hij bestond uit een stuk of vijftig

28


stenen onderkomens die het centrale huis van ouderman als een beschermende elanderkudde omringden. Alles lag genesteld achter hoge stenen muren op een met sneeuw bedekte rotswand die de vesting boven de gevaarlijke sneeuwvlakte beneden verhief. Hoge wachttorens op elke hoek waren door bruggen van steen of ijs verbonden met de muren: stoïcijnse schildwachten tegen de verborgen vijand die hen allemaal bedreigde. Er bevonden zich ook een looierij en een sleewerf (die vaak leeg was) in de vesting, maar dat was het wel zo’n beetje. Iedereen kende iedereen en ze deden wat ze konden om elkaar te helpen. Dat moest wel als je praktisch boven op elkaar woonde en afgesneden was van alle anderen in de bekende wereld. Opeens zag Ash dichtbij een reusachtig figuur lopen die een groot elanderkarkas op zijn schouders droeg alsof het een zak roodpeen was. De gestalte had een sneeuwwitte vacht, een lange staart en was gehuld in een sierlijke wapenrusting. Op zijn gespierde rug hing een speer. Het was Tobu, de mysterieuze yetibuitenstaander. Het enige wat Ash over hem wist, was dat hij jaren geleden verbannen was uit het land van de yeti in het Wereldgraatgebergte en al voor Ash’ geboorte was toegelaten tot de Firavesting. Yeti werden zelden buiten hun eigen land gezien en met recht gerespecteerd als machtige krijgers. Zelfs ouderman Kindil moest naar hem opkijken, terwijl die toch veruit de grootste man in de vesting was.

29


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
IJshart leesfragment by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu