Skip to main content

Leesfragment 'Uit bloed en as' van Jennifer L. Armentrout

Page 1

omslag buiten

BLOOD AND ASHSERIE 1

POPPY HEEFT NOOIT ZEGGENSCHAP GEHAD OVER HAAR EIGEN LEVEN Als Maagd van het koninkrijk Solis leeft ze alleen: ze mag nooit worden aangeraakt, niemand mag haar gezicht zien, ze mag geen vrienden hebben en ze mag nooit alleen het kasteel verlaten. Poppy wordt continu herinnerd aan haar plicht aan de goden en de hele toekomst van Solis rust op haar schouders.

NO PRESSURE. Dan ontmoet ze Hawke, een wachter die ervoor moet zorgen dat Poppy haar plichten zal volbrengen, én iemand die haar hoofd en hart totaal op hol brengt. Hij laat haar twijfelen aan alles waar ze ooit zo zeker van was. Maar als een gevallen koninkrijk plotseling opstaat en terug wil nemen waar het recht op denkt te hebben, gaat dat niet zonder geweld. Poppy moet in actie komen, nu haar ooit zo veilige wereld langzaam afbrokkelt.

Jennifer L. Armentrout is een internationale bestsellerauteur van fantasyen New Adult-boeken. Er zijn al meer dan 150.000 van haar Nederlandse uitgaven verkocht! Haar Blood & Ash-serie is dé sexy en verslavende fantasyhitserie en de vertaalrechten zijn al aan meer dan tien landen verkocht. In 2020 won Armentrout met From Blood and Ash de Goodreads Choice Award voor Best Romance.

ISBN 978 90 2054 396 4 NUR 334/340

9 789020 543964

w w w. z o m e r e n ke u n i n g. n l


omslag binnen


Uit bloed en as


Eerder verschenen van Jennifer L. Armentrout bij Uitgeverij Zomer & Keuning:

Harbinger-serie: Storm and Fury Rage and Ruin Dark Elements-serie: Bitterzoet Witheet Steenkoud Ademloos Origin-serie: The Darkest Star The Burning Shadow The Brightest Night Lux-serie: Shadows Obsidian Onyx Opal Origin Opposition

Wacht op mij-serie: Wacht op mij Ga voor mij Blijf bij mij Val voor mij Kies voor mij Vertrouw op mij Droom van mij Als morgen niet bestaat Het probleem met voor altijd Een tweede kans


Jennifer L. Armentrout

Uit bloed en as blood and ash-serie deel 1

Vertaling Jeannet Dekker

Uitgeverij Zomer & Keuning


isbn 9789020543964 isbn e-book 9789020543971 nur 334/340 Copyright Nederlandse vertaling © 2021 Uitgeverij Zomer & Keuning Postbus 13288, 3507 LG Utrecht Copyright © 2020 Jennifer L. Armentrout Oorspronkelijk gepubliceerd in het Engels onder de titel From Blood and Ash door Blue Box Press, een imprint van Evil Eye Concepts, Inc., USA. Deze uitgave kwam tot stand dankzij bemiddeling van Mo Literary Services te Amsterdam. Vertaling Jeannet Dekker Omslagontwerp Hang Le Omslagontwerp Nederlandse editie t4design, Liesbeth Thomas Fanart Juliet BxRomance www.zomerenkeuning.nl www.jenniferlarmentrout.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch, door geluidsopname- of weergaveapparatuur, of op enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the prior written permission of the publisher. Uitgeverij Zomer & Keuning vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Voor de papieren editie van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid.


Voor jou, de lezer


1 ‘Ze hebben Finley vanavond vlak buiten het Bloedwoud aangetroffen. Dood.’ Ik keek op van mijn kaarten, naar de drie mannen die aan de andere kant van de tafel met het vuurrode blad zaten. Deze plek had ik met opzet uitgekozen. Ik had namelijk niets bij hen gevoeld toen ik eerder vanavond tussen de tafels door was gelopen. Geen pijn, lichamelijk noch geestelijk. Normaal gesproken hoefde ik niet diep te graven om te kunnen vaststellen of iemand pijn leed. Dat deed ik niet graag zonder reden, dat voelde opdringerig, maar op drukke plekken kon ik niet altijd voorkomen dat ik iets opving. Er was altijd wel iemand bij wie de wonden zo diep en de pijnen zo rauw waren dat ze bijna tastbaar leken. Daar hoefde ik niet eens mijn zintuigen voor open te zetten. Zulke mensen kon ik niet zomaar negeren, want ze dompelden alles om hen heen onder in hun ellende. Ik moest hun pijn negeren, meer niet. Met geen woord mocht ik reppen over de gave die de goden me hadden geschonken, en ik mocht ook niet doen wat mijn gevoelens me ingaven. Al hield ik me niet altijd aan wat ik wel en niet mocht doen. Dat was vanavond wel duidelijk. Toen ik mijn zintuigen had uitgestoken om degenen met het meeste verdriet te kunnen vermijden had ik van deze mannen niets opgevangen, en dat was gezien hun werk nogal verbazingwekkend. Ze waren wachters van de Hoogte, de bergachtige muur die was opgetrokken uit kalksteen en ijzer, afkomstig uit de Elysese Toppen. Sinds het einde van de Oorlog van de Twee Koningen, vier eeuwen geleden, werd het grootste deel van Masadonië omringd door de Hoogte. Elke stad in het koninkrijk Solis had zo’n muur, maar dorpen, buitenposten, boerengemeenschappen en andere schaars bevolkte plaatsen 7


moesten het met een lagere variant doen. Wachters zagen en deden genoeg wat hevige pijn kon veroorzaken en hun verwondingen gingen vaak verder dan een opengehaalde huid en gekneusde botten. Deze mannen hadden vanavond hun smart thuisgelaten, en hun uniform en harnas ook. Ze droegen wijdvallende hemden en hertsleren broeken. Toch wist ik dat ze, ook als ze geen dienst hadden, altijd op hun hoede waren voor de gevreesde nevel en voor de gruwelen die daarin werden meegevoerd, en voor degenen die het koninkrijk geen toekomst gunden. Deze mannen waren nog altijd tot de tanden gewapend. Net als ik. Onder de plooien van mijn mantel droeg ik een lang dun hemd, en daaronder rustte het koele gevest van een dolk die mijn huid nooit echt wist te verwarmen in de schede op mijn dij. Ik had de dolk op mijn zestiende verjaardag cadeau gekregen, en hoewel het niet het enige en ook niet het dodelijkste wapen was dat ik bezat, was het wel mijn favoriet. Het gevest was gemaakt van het bot van een allang uitgestorven wulf, een schepsel dat geen mens of een dier was geweest, maar allebei. Het lemmet was vervaardigd uit bloedsteen dat net zo lang was geslepen totdat het dodelijk was. Ik deed vanavond weliswaar dingen die heel erg roekeloos, volkomen ongepast en ten strengste verboden waren, maar ik was niet zo stom om de Rode Parel binnen te gaan zonder een wapen dat me kon beschermen en de bereidheid om dat te gebruiken. ‘Dood?’ zei de andere wachter, een jongere man met bruin haar en een zacht gezicht. Ik meende dat hij Airrick heette. Hij kon niet veel ouder zijn dan ik met mijn achttien jaar. ‘Het was nog erger dan dood. Al het bloed was uit zijn lijf gelopen en het leek alsof de honden aan zijn vlees hadden geknaagd voordat ze hem in stukken hadden gescheurd.’ Mijn zicht werd wazig, waardoor ik mijn kaarten niet langer goed kon zien, en in mijn buik leek zich ijs af te zetten. Zoiets deden wilde honden niet. Om nog maar te zwijgen over het feit dat er geen wilde honden te vinden waren in de buurt van het Bloedwoud, de enige plek ter wereld waar bomen bloedden en de bladeren en stammen dieprood kleurden. Er gingen geruchten over andere dieren, bijzonder 8


grote knaagdieren en aaseters die zich tegoed deden aan de lijken van degenen die te lang in het woud hadden getreuzeld. ‘En je weet wat dat betekent,’ vervolgde Airrick. ‘Ze zijn in de buurt. Een aanval -’ ‘Ik denk niet dat we dit gesprek nu moeten voeren,’ onderbrak een oudere wachter hem. Ik wist wie hij was. Phillips Rathi. Hij hield al jaren de wacht op de Hoogte en dat was een zeldzaamheid, want wachters werden doorgaans niet oud. Hij knikte in mijn richting. ‘Je bevindt je in het gezelschap van een edelvrouw.’ Een edelvrouw? Alleen de verhevenen werden zo genoemd, maar ook ik was iemand die niet in een gelegenheid als de Rode Parel mocht komen. Als ik werd ontdekt, dan zat ik... Dan zat ik pas echt in ongekende problemen en kon ik een zware straf tegemoetzien. Een straf die Dorian Teerman, de hertog van Masadonië, maar al te graag wilde uitdelen. En waarbij zijn naaste vertrouweling, heer Brandole Mazeen, maar al te graag aanwezig wilde zijn. Zenuwachtig keek ik in de richting van de wachter met zijn donkere huid. Phillips kon onmogelijk weten wie ik was. De bovenste helft van mijn gezicht ging schuil achter een wit oogmasker dat ik lang geleden in de Koninginnetuin had gevonden, waar iemand het blijkbaar had weggegooid, en de rest van me zat verborgen onder een effen lichtblauwe mantel die ik, eh, had geleend van Britta, een van de bedienden in het slot die ik toevallig met iemand over de Rode Parel had horen praten. Hopelijk ontdekte Britta niet dat haar mantel zoek was voordat ik die morgenochtend kon terugleggen. Masker of niet, ik kon het aantal inwoners van Masadonië dat ooit mijn gezicht had gezien op de vingers van één hand tellen en geen van hen was hier vanavond te vinden. Als de Maagd, de Uitverkorene, droeg ik doorgaans een sluier die al mijn haar en bijna mijn hele gezicht bedekte, op mijn lippen en kaken na. Het leek me stug dat Phillips me aan alleen die lichaamsdelen kon herkennen, en als dat het geval was geweest, dan hadden ze hier nu niet gezeten. Dan hadden ze me, weliswaar zachtzinnig, teruggesleept naar mijn voogden, de hertog en hertogin van Masadonië. 9


Er was geen reden tot paniek. Ik probeerde de spieren in mijn schouders en mijn nek te ontspannen en glimlachte. ‘Ik ben geen edelvrouw. U bent vrij om te spreken over wat u maar wilt.’ ‘Dat kan wel zijn, maar een minder morbide onderwerp zou welkom zijn,’ antwoordde Phillips met een nadrukkelijke blik op de andere twee wachters. Airrick keek mijn kant op. ‘Mijn verontschuldigingen.’ ‘Die aanvaard ik, maar ze zijn overbodig.’ De derde wachter liet zijn kin zakken en herhaalde, terwijl hij strak naar zijn kaarten keek, de woorden van zijn kompaan. Zijn wangen waren roze aangelopen en dat vond ik wel aandoenlijk. De wachters die de Hoogte moesten bewaken werden onderworpen aan een meedogenloze scholing, zodat er geen wapen of vechttechniek nog geheimen voor hen had. Degenen die hun eerste uitstapje buiten de Hoogte overleefden, hadden bij hun terugkomst bloed vergoten en de dood in de ogen gekeken. En toch moest deze man blozen. Ik schraapte mijn keel en wilde dolgraag vragen wie deze Finley was, of hij een wachter van de Hoogte was geweest of een jager. Jagers vormden een afdeling van het leger die de communicatie tussen de steden verzorgde en reizigers en goederen begeleidde, en ze brachten de helft van het jaar buiten de bescherming van de Hoogte door. Het was verreweg het gevaarlijkste beroep van allemaal, dus ze reisden nooit alleen. Een deel van hen keerde nimmer terug naar huis. Helaas waren de weinigen die wel terugkeerden daarna nooit meer dezelfde. Ze keerden terug met op hun hielen een dood die ongebreideld om zich heen greep. Ze waren vervloekt. Omdat ik begreep dat Phillips elke poging tot gesprek hierover in de kiem zou smoren slikte ik de vragen in die op het puntje van mijn tong dansten. Als Finley in gezelschap van anderen was geweest die waren verwond door hetgeen wat hem had gedood, dan kwam ik daar wel op een andere manier achter. Hopelijk niet door kreten van doodsangst. Het volk van Masadonië wist niet precies hoeveel mannen er ver10


vloekt van buiten de Hoogte terugkeerden. Ze zagen af en toe een handjevol en wisten niet hoe het echt zat. Als dat wel zo was geweest, hadden angst en paniek ongetwijfeld om zich heen gegrepen, maar tot nu toe had het volk geen flauw vermoeden van de gruwelen buiten de Hoogte. Mijn broer Ian en ik hadden dat wel. Daarom deed ik mijn best om, toen er aan tafel weer over alledaagsere onderwerpen werd gesproken, het ijs te laten ontdooien dat me vanbinnen leek te vullen. Talloze levens waren gegeven en genomen tijdens pogingen om degenen binnen de Hoogte te beschermen, maar die pogingen mislukten steeds vaker. Niet alleen hier, maar in het hele koninkrijk Solis. De dood... De dood vond altijd een manier om binnen te komen. Houd op, zei ik tegen mezelf toen mijn ongemak steeds verder toenam. Het ging vanavond niet om al die dingen die ik wist en die ik beter niet had kunnen weten. Vanavond ging het om leven, om... niet de hele avond wakker liggen en de slaap niet kunnen vatten, eenzaam en alleen, met het gevoel dat ik geen enkele controle had. Dat ik geen idee had wie ik was, alleen wat ik was. Er werden opnieuw slechte kaarten rondgedeeld. Ik had vaak genoeg met Ian zitten kaarten om te weten dat ik de kans op winst voorgoed had verspeeld. Ik zei dat ik me uit het spel terugtrok en stond op. De wachters knikten naar me en wensten me nog een goede avond. Terwijl ik tussen de tafels door liep, pakte ik het glas champagne aan dat een van de bedienden me met een gehandschoende hand aanbood en probeerde ik opnieuw die opwinding te voelen die eerder vanavond, toen ik door de straten hiernaartoe was gedraafd, door me heen had gegonsd. Ik keek de gelagkamer rond, zonder me met iets of iemand te bemoeien, en probeerde mijn zintuigen in toom te houden. Ik hoefde niemand aan te raken om te weten hoe ze eraan toe waren, zelfs niet degenen die niet met hun pijn te koop liepen. Ik hoefde alleen maar naar iemand te kijken en me te concentreren. Iemands uiterlijk veranderde niet door innerlijke pijn, ook niet als ik diegene aandachtig bestudeerde. Ik voelde simpelweg hun smart. 11


Lichamelijke pijn voelde bijna altijd warm aan, maar pijn die je niet kon zien? Die was bijna altijd koud. Ik schrok op uit mijn gedachten toen ik liederlijk geschreeuw en gefluit hoorde. Op de rand van de tafel naast die waarvan ik net was opgestaan zat een vrouw in het rood. Ze droeg een japon gemaakt van rood satijn en rode tule die net tot haar dijen reikte. Een van de mannen klemde zijn vuist rond het doorschijnende rokje. Met een schalkse lach sloeg ze zijn hand weg, om vervolgens op haar rug te gaan liggen, met haar lichaam uitdagend gekromd. Haar dikke blonde krullen bedekten vergeten munten en fiches. ‘Wie wil mij vanavond winnen?’ vroeg ze met diepe, rokerige stem, terwijl ze met haar handen over de taille van haar versierde korset streek. ‘Ik kan jullie verzekeren, heren, dat jullie van mij langer plezier hebben dan van een pot goud.’ ‘En als we nu twee winnaars hebben?’ vroeg een van de mannen. Aan de fraaie snit van zijn jas was te zien dat hij hoogstwaarschijnlijk een geslaagde koopman of een ander soort zakenman was. ‘Dan zal de avond voor mij des te genoeglijker zijn.’ Ze liet haar ene hand over haar buik zakken en stak hem tussen haar... Snel, met verhitte wangen, wendde ik mijn blik af. Ik nam nog een slok van het bruisende drankje en keek naar de indrukwekkende kroonluchter van rood goud. Het ging de Rode Parel blijkbaar voor de wind, de eigenaren moesten de juiste mensen kennen. Elektriciteit was duur en werd streng gerantsoeneerd door het koninklijk hof. Ik vroeg me af of de eigenaren misschien bepaalde gasten ontvingen die hun recht gaven op een dergelijke luxe. Onder de kroonluchter was een ander kaartspel bezig. Ook hier zaten vrouwen, met hun haar opgestoken in kunstige wrongen die met kristallen waren versierd, gehuld in kleding die een stuk minder uitdagend was dan die van de vrouwen die hier werkten. Ze droegen japonnen in felle kleuren als paars en knalgeel of juist in bescheiden tinten als lichtblauw en het lila van seringen. Ik mocht, zowel op mijn eigen kamer als tijdens mijn zeldzame uitstapjes buiten de muren, uitsluitend wit dragen, dus ik was uitermate geboeid door al die manieren waarop de kleur van een stof de teint 12


of haarkleur van de draagster kon benadrukken. Ik vermoedde dat ik meestal op een spook leek als ik in het wit door de gangen van slot Teerman dwaalde. Ook deze vrouwen droegen oogmaskers die hun halve gezicht bedekten en hun ware uiterlijk verborgen hielden. Ik vroeg me af wie sommige van hen waren. Dappere echtgenotes die iets te vaak alleen waren gelaten? Jonge vrouwen die nog niet getrouwd waren? Weduwes? Bedienden die in de stad werkten en een avondje uit waren? Zaten er tussen de gemaskerde vrouwen aan de tafel en verderop in de drukte ook aanstaanden? Kwamen die hier om dezelfde redenen als ik? Uit verveling? Nieuwsgierigheid? Eenzaamheid? Als dat zo was, dan leken we meer op elkaar dan ik had gedacht, ook al waren de aanstaanden tweede dochters en zonen, met hun dertiende verjaardag tijdens de jaarlijkse rite aan het koninklijke hof geschonken. En ik... ik was Penellaphe van slot Teerman, uit het geslacht Balfour, de lieveling van de koningin. Ik was dé Maagd. Uitverkoren. En over nog geen jaar, op mijn negentiende verjaardag, zou ik, net als alle andere aanstaanden, verheven worden. Onze Verheffing zou anders zijn, maar het moest de grootste worden sinds de zegen van de goden na het einde van de Oorlog tussen de Twee Koningen. Als zij werden betrapt, kon hun niet veel gebeuren, maar ik zou het ongenoegen van de hertog moeten verduren. Ik perste mijn lippen opeen toen ik een zaadje woede wortel voelde schieten, vermengd met een kleverig restje walging en schaamte. De hertog was een plaag. Zijn handen dwaalden te vaak te ver af en zijn verlangen om straf uit te delen was onnatuurlijk. Maar aan hem wilde ik nu ook niet denken. En ik wilde me evenmin zorgen maken over een eventuele straf. Als ik dat ging doen, kon ik net zo goed teruggaan naar mijn kamer. Ik maakte mijn blik los van de tafel en zag dat er lachende vrouwen in de Parel zaten die geen maskers droegen en geen moeite deden om hun identiteit verborgen te houden. Ze zaten met wachters en kooplieden aan tafel, stonden in donkere nissen en spraken met gemaskerde 13


vrouwen, mannen en bedienden van de Rode Parel. Ze schaamden zich niet en waren niet bang om te worden gezien. Wie ze ook waren, ze hadden een vrijheid waarnaar ik hevig verlangde. Een onafhankelijkheid waarvan ik vanavond kon genieten, want nu ik gemaskerd en vermomd was, wisten alleen de goden dat ik hier was. En wat de goden betreft had ik lang geleden al besloten dat ik betere dingen te doen had dan me afvragen of zij me in de gaten hielden. Als ze dat deden, dan hadden ze me al veel eerder ter verantwoording kunnen roepen vanwege alle overtredingen die ik had begaan. Vanavond kon ik zijn wie ik maar wilde. Die vrijheid steeg me meer naar het hoofd dan ik had verwacht. Het was nog bedwelmender dan de onrijpe zaden van de slaapbol die door sommigen werden gerookt. Vanavond was ik niet de Maagd. Ik was niet Penellaphe. Ik was simpelweg Poppy, een bijnaam die ik mijn moeder lang geleden had horen gebruiken en waarmee alleen mijn broer Ian en een handjevol anderen me aanspraken. Als Poppy hoefde ik me niet aan strenge regels te houden of aan andermans verwachtingen te voldoen. Als Poppy lag er geen Verheffing in het verschiet die sneller dichterbij kwam dan me lief was. Ik kende geen angst, geen verleden en geen toekomst. Vanavond kon ik eindelijk leven, al was het maar voor een paar uur, en zoveel mogelijk ervaringen opdoen voordat ik weer terug moest keren naar de hoofdstad, naar de koningin. Voordat ik aan de goden werd geschonken. Er danste een rilling over mijn rug, een teken van onzekerheid vermengd met een scheutje wanhoop. Die gevoelens drukte ik meteen de kop in, daar weigerde ik aan toe te geven. Het was zinloos om te piekeren over wat ging komen en waaraan ik niets kon veranderen. Bovendien was Ian twee jaar geleden verheven en was hij, als ik moest afgaan op de brieven die ik elke maand van hem ontving, nog altijd dezelfde. Het enige verschil was dat hij me niet langer verhalen vertelde met zijn stem, maar met woorden. Afgelopen maand nog had hij geschreven over twee kinderen, broer en zus, die naar de bodem van de Stroudzee waren gezwommen om vriendschap te sluiten met het watervolk. 14


Glimlachend bracht ik het glas naar mijn lippen. Ik had geen idee waar hij zulke ideeën vandaan haalde, want voor zover ik wist, was het niet mogelijk om naar de bodem van de Stroudzee te zwemmen en bestond er geen watervolk. Kort na zijn Verheffing was hij, op bevel van de koningin en de koning, in het huwelijk getreden met edelvrouwe Claudeya. Ian repte met geen woord over zijn echtgenote. Was hij wel gelukkig getrouwd? Mijn glimlach verdween en mijn blik dwaalde af naar mijn bruisende, lichtroze drankje. Dat wist ik niet zeker. Ze hadden elkaar voor hun huwelijk amper gekend, maar hoelang moest je iemand kennen om te weten of je de rest van je leven met diegene wilde delen? En de verhevenen leefden heel, heel erg lang. Het kostte me nog altijd moeite om Ian als een verhevene te beschouwen. Hij was geen tweede zoon, maar omdat ik de Maagd was, had de koningin de goden gevraagd om bij wijze van uitzondering van de natuurlijke orde af te wijken, en zij hadden hem toegestaan om te worden verheven. Ik moest er niet aan denken om te moeten doen wat Ian had gedaan, met een vreemde trouwen, een verhevene die schoonheid belangrijker vond dan wat dan ook, want schoonheid werd beschouwd als een geschenk van de goden. En hoewel ik de Maagd en de Uitverkorene was, zou ik nooit als mooi worden beschouwd. Als ik de hertog mocht geloven was ik dat beslist niet. Ik was een verschrikking. Zonder het te beseffen reikte ik met mijn vingers naar het kriebelende kant aan de linkerkant van mijn masker, maar zodra ik dat doorhad, trok ik met een ruk mijn hand terug. Een man die ik herkende als een wachter stond op van een tafel en wendde zich tot een vrouw die net zo’n wit masker droeg als ik. Hij stak zijn hand naar haar uit en sprak haar aan, zo zacht dat ik het niet kon verstaan, en ze antwoordde met een knikje en een glimlach voordat ze haar hand in de zijne legde. Toen ze opstond, viel de stof van haar seringkleurige rok als water rond haar benen. Hij voerde haar mee naar de enige twee deuren die gasten mochten gebruiken, aan de uiteinden van de onderling verbonden zalen. De rechterdeur leidde naar buiten. 15


De linker leidde naar boven, naar besloten vertrekken waar volgens Britta van alles en nog wat plaatsvond. De wachter nam de gemaskerde vrouw mee naar de linkerdeur. Hij had haar gevraagd. Ze had ja gezegd. Wat ze boven ook gingen doen, het was iets waarmee ze allebei instemden en waarvoor ze hadden gekozen, of het nu een paar uur of een heel leven duurde. Lang nadat de deur achter hen was dichtgevallen zat ik er nog naar te kijken. Was dat de andere reden voor mijn komst geweest? Wilde ik... plezier beleven met iemand die ik zelf had uitgekozen? Als ik dat wilde, dan kon ik dat doen. Ik had gesprekken afgeluisterd van aanstaande dames die niet kuis hoefden te leven. Volgens hen waren er heel veel dingen die een vrouw genot konden schenken zonder dat ze haar puurheid hoefde te verliezen. Haar puurheid? Ik voelde een afkeer van dat woord, van de wereld aan betekenis erachter. Alsof mijn maagdelijkheid mijn goedheid bepaalde, mijn onschuld, en of de aanwezigheid of juist het ontbreken ervan veel belangrijker was dan de talloze andere keuzes die ik elke dag weer maakte. Ik vroeg me zelfs weleens af wat de goden zouden doen als ik niet als maagd naar hen toe werd gezonden. Zouden ze alle andere dingen die ik wel en niet had gedaan simpelweg terzijde schuiven, alleen maar omdat ik geen maagd meer was? Dat wist ik niet zeker, maar ik hoopte maar van niet. Niet omdat ik van plan was om deze of volgende week of wanneer dan ook het bed met iemand te delen, maar omdat ik die keuze zelf wilde kunnen maken. Al wist ik niet goed hoe ik zou reageren als ik ooit in een dergelijke situatie belandde. Er waren vast genoeg gegadigden om de dingen te doen waarover ik de aanstaanden had horen praten en die hier in de Rode Parel plaatsvonden. Er steeg een nerveus gefladder op in mijn borst en ik dwong mezelf om nog een slokje te nemen. De zoete bubbels prikten in mijn keel en maakten mijn plotseling droge mond iets minder droog. Eerlijk gezegd was vanavond een spontane beslissing geweest. Meestal kon ik de slaap pas vatten als de zon alweer bijna opkwam, en als het zover was, wenste ik vaak dat het niet zo was. Alleen al deze 16


week was ik drie keer wakker geschrokken uit een nachtmerrie, met oren die suisden van mijn eigen angstkreten. En als die nachtmerries kwamen, vaak achter elkaar, dan leken ze een voorbode van onheil. Ze voelden als een waarschuwing, alsof ik niet alleen instinctief pijn, maar ook ongeluk kon voelen. Ik ademde beverig in en keek om naar de tafel waar ik eerder naar had staan kijken. De vrouw in het rood lag niet langer op haar rug, maar zat nu op de schoot van de koopman die had gevraagd wat er ging gebeuren als er twee winnaars waren. Hij keek ingespannen naar zijn kaarten, maar zijn hand rustte op de plek waar haar hand eerder op weg naartoe was geweest, tussen haar dijen. O, o. Ik beet op mijn lip en wendde me af voordat mijn hele gezicht vlam kon vatten. Ik liep verder naar de volgende open ruimte achter een lage muur, waar ook een spel in volle gang was. Hier zaten nog meer wachters, van wie ik sommige zelfs herkende als leden van de Koninklijke Garde. Zij waren soldaten, net als de mannen die de Hoogte bewaakten, maar hun taak was het beschermen van de verhevenen. De verhevenen hadden daarnaast ook persoonlijke lijfwachten, want pogingen om hen voor losgeld te ontvoeren waren geen zeldzaamheid. Die liepen vaak goed af, maar er was soms ook sprake van andere vormen van geweld, die veel kwaadaardiger waren. Ik bleef staan naast een kamerplant met kleine rode knopjes, want ik wist niet goed wat ik nu moest doen. Ik kon aan een ander kaartspel deelnemen of een gesprek beginnen met een van de vele gasten die rond de tafels stonden, maar ik was niet goed in luchtige gesprekken met onbekenden. Ik twijfelde er niet aan dat ik een rare opmerking zou maken of een vraag zou stellen die weinig bijdroeg. Misschien kon ik maar beter teruggaan naar mijn kamer. Het was al laat en... Een ongewoon gevoel maakte zich van me meester. Het begon als een getintel in mijn nek en werd met de seconde sterker. Het voelde... Het voelde alsof er iemand naar me keek. Ik keek om me heen, maar er was niemand die aandacht voor mij had. Toch moest er, als ik af moest gaan op dat krachtige gevoel, iemand vlak bij me staan. Onrust welde in me op. Ik wilde me net omdraaien naar de ingang toen de zachte, langgerekte klanken van een 17


snaarinstrument mijn aandacht trokken. Ik keek naar links van me, waar het geluid vandaan kwam, en zag doorzichtige, bloedrode gordijnen die zachtjes heen en weer deinden door de bewegingen van de langslopende gasten. Ik bleef staan luisteren naar de melodie die aanzwol en weer afzwakte en al snel gezelschap kreeg van het zware geluid van een trommel. Ik vergat dat er iemand naar me keek. Ik vergat heel veel. De muziek was... Zoiets had ik nog nooit gehoord. Dit geluid was diep en zwaar. Eerst langzaam, toen sneller. Het klonk sensueel. Wat had Britta ook alweer gezegd over het dansen in de Rode Parel? Ze had haar stem laten zakken toen ze een ander dienstmeisje erover had verteld, dat met een geschokt gezicht op haar woorden had gereageerd. Ik liep naar de gordijnen en wilde ze net uit elkaar trekken... ‘Je kunt daar beter niet naar binnen gaan.’ Geschrokken draaide ik me om. Er stond een vrouw achter me, een van de vrouwen die in de Rode Parel werkte. Dat wist ik zodra ik haar zag. Niet omdat ze toen ik binnen was gekomen in de armen van een koopman had gelegen, maar omdat ze beeldschoon was. Ze had diepzwarte, dikke krullen en een donkerbruine huid. Haar rode japon was mouwloos en laag uitgesneden en de stof kleefde als water aan haar lijf. ‘Pardon?’ Ik wist niet goed wat ik anders moest zeggen en liet mijn hand zakken. ‘Waarom niet? Ze zijn alleen maar aan het dansen.’ ‘Alleen maar aan het dansen?’ Ze keek over mijn schouder naar de gordijnen. ‘Sommigen beweren dat dansen is als de liefde bedrijven.’ ‘Dat... Dat heb ik nog niet eerder gehoord.’ Langzaam keek ik achter me. Door de gordijnen heen zag ik de vormen van lichamen die bewogen op de maat van de muziek, betoverend en vol souplesse. Sommigen dansten alleen, waardoor ze duidelijk te onderscheiden waren, maar anderen... Ik hapte naar adem en keek weer naar de vrouw die voor me stond. Rond haar roodgeverfde lippen verscheen een lachje. ‘Je bent hier nog nooit eerder geweest, hè?’ Ik deed mijn mond open om dat te ontkennen, maar ik voelde nu al dat er op elk zichtbaar deel van mijn gezicht een blos verscheen. Die sprak boekdelen. ‘Is het zo duidelijk?’ 18


Ze lachte, een geluid dat diep uit haar keel kwam. ‘Voor de meesten niet, maar voor mij wel. Ik heb je hier nog niet eerder gezien.’ ‘Onthoud je iedere gast die hier komt?’ vroeg ik. Er was een ongewone, begrijpende glans in haar ogen te zien, waarvan de kleur een mengeling van goud en bruin was. Ze waren niet lichtbruin, daarvoor was het goud veel te fel en te warm. Ze deden me denken aan een ander die ogen met de kleur van donker goud had. ‘Ik vergeet nooit een gezicht, ook niet als het half verborgen is, en jouw gezicht is nieuw voor me. Dit is je eerste keer.’ Ik had geen idee wat ik daarop moest antwoorden. ‘En het is ook de eerste keer voor de Rode Parel.’ Ze boog zich naar me toe en vervolgde nog zachter: ‘Nog nooit eerder heeft de Maagd ons pand betreden.’ Er ging zo’n schok door me heen dat ik het glibberige champagneglas bijna fijnkneep. ‘Ik begrijp niet wat je bedoelt. Ik ben een tweede dochter –’ ‘Dat wel, maar je bent anders dan de andere tweede dochters,’ viel ze me in de rede. ‘Maar geen zorgen, je hoeft nergens bang voor te zijn. Ik zal je geheim bewaren.’ Ik staarde haar minstens een minuut lang aan voordat ik mijn tong weer kon bewegen. ‘Stel dat je gelijk hebt, waarom zou je dat dan bewaren?’ ‘Waarom niet?’ luidde haar wedervraag. ‘Wat levert het me op als ik het aan iemand vertel?’ ‘Je kunt de gunsten van de hertog en de hertogin verdienen.’ Mijn hart bonsde. Haar glimlach verdween en haar blik werd hard. ‘Ik heb geen behoefte aan de gunsten van een verhevene.’ De manier waarop ze dat zei, wekte bijna de indruk dat ze over een mesthoop sprak. Ik wilde haar geloven, maar er was niemand in het hele rijk die de kans op de dankbaarheid van een verhevene aan hun neus voorbij zou laten gaan. Tenzij... Tenzij ze koningin Ileana en Koning Jalara niet als de rechtmatige, ware heersers erkenden. Tenzij ze aanhangers waren van degene die zich prins Casteel en de ware erfgenaam van het rijk noemde. Alleen was hij geen prins en ook geen erfgenaam. Hij was niets meer 19


dan een overblijfsel van Atlantië, het corrupte en verdorven koninkrijk dat aan het einde van de Oorlog van de Twee Koningen was gevallen. Een monster dat dood en verderf had gezaaid, de belichaming van het ware kwaad. Hij was de Duistere. En toch waren er mensen die hem en zijn aanspraak op de troon steunden. Afvalligen die deel hadden genomen aan de rellen en verantwoordelijk waren voor de verdwijningen van talloze verhevenen. In het verleden hadden de afvalligen alleen door kleine samenkomsten en demonstraties voor onrust gezorgd, maar zelfs dat was zelden voorgekomen. Wie ervan werd verdacht een afvallige te zijn, kon namelijk op zware straffen rekenen. De rechtszaken tegen hen verdienden die naam niet, tweede kansen bestonden niet. En ook geen langdurige opsluiting. De dood was snel en definitief. De laatste tijd was er echter het een en ander veranderd. Velen geloofden dat afvalligen achter de geheimzinnige sterfgevallen onder vooraanstaande leden van de Koninklijke Garde zaten. In de hoofdstad Carsodonië waren er een aantal om onverklaarbare redenen van de Hoogte gevallen. In Pensdurth, een kustplaatsje aan de Stroudzee, in de buurt van de hoofdstad, waren twee soldaten dood gevonden met een pijl in het achterhoofd. Andere wachters waren simpelweg in een van de kleine dorpjes spoorloos verdwenen, zonder dat iemand ooit nog iets van hen had vernomen. Nog maar een paar maanden geleden was een gewelddadige opstand in Drievliet, een levendige handelsstad voorbij het Bloedwoud, in bloedvergieten geëindigd. Huize Goudkroon, het verblijf van de adel in Drievliet, was in brand gestoken en volledig in de as gelegd, en hetzelfde gold voor de tempels. Hertog Everton en talloze bedienden en wachters waren bij de brand omgekomen, maar de hertogin van Drievliet was door een wonder aan de dood ontsnapt. De afvalligen waren niet alleen maar Atlantiërs die zich tussen de inwoners van Solis verborgen hielden. Sommige volgelingen van de Duistere hadden geen druppel Atlantiaans bloed. Ik stelde mijn blik scherp op de beeldschone vrouw. Was zij een afvallige? Ik kon me niet voorstellen dat iemand het gevallen koninkrijk wilde steunen, al was hun leven nog zo zwaar en waren ze nog zo on20


gelukkig. De Atlantiërs en de Duistere waren immers verantwoordelijk voor de nevel en het kwaad dat daarin woekerde. Datzelfde kwaad had waarschijnlijk een einde gemaakt aan het leven van Finley en van talloze anderen, mijn moeder en vader inbegrepen, en ik werd gekweld door herinneringen aan de verschrikkingen die in die nevel huisden. Voor nu onderdrukte ik mijn verdenkingen en stelde ik me open voor mogelijke pijnen die in haar huisden, voor smart die verderging dan lichamelijk ongemak en die werd veroorzaakt door bitterheid of verlies. Het soort pijn dat mensen ertoe aanzette om vreselijke dingen te doen in de hoop dat ze hem konden verzachten. Ze straalde helemaal niets uit. Maar dat betekende nog niet dat ze geen afvallige was. De vrouw hield haar hoofd scheef. ‘Zoals ik al zei, van mij heb je niks te vrezen. Hij is een ander verhaal.’ ‘Hij?’ herhaalde ik. Ze stapte opzij toen de deur van de Rode Parel openging en een vlaag koude lucht de komst van nog meer gasten aankondigde. Er liep een man naar binnen, gevolgd door een oudere man met lichtblond haar en een verweerd, zongebruind gezicht. Ik sperde mijn ogen open van puur ongeloof. Vikter Wardwell. Wat moest hij in de Rode Parel? Opeens dacht ik aan de vrouwen met de korte japonnen en deels ontblote borsten en aan de reden waarom ik hier was. Mijn ogen werden nog groter. Goden nog aan toe. Ik wilde niet langer denken aan de reden voor zijn bezoek. Vikter was een ervaren lid van de Koninklijke Garde, een man die al ruim veertig levensjaren telde, maar voor mij was hij meer dan dat. De dolk die ik rond mijn dij had gebonden had ik van hem gekregen. Hij was degene die met de gewoonten had gebroken en me niet alleen had geleerd hoe ik dat wapen moest gebruiken, maar ook hoe ik een zwaard moest hanteren, hoe ik ongezien een doel met een pijl kon raken en zelfs hoe ik zonder wapen een man die twee keer zo groot was als ik kon uitschakelen. Vikter was als een vader voor me. Hij was ook al sinds mijn aankomst in Masadonië mijn persoonlijke 21


lijfwacht. Hij was niet de enige die over me waakte, die taak deelde hij met Rylan Keal, de opvolger van Hannes, die iets minder dan een jaar geleden in zijn slaap was overleden. Dat was een onverwacht verlies geweest, want Hannes was nog maar begin dertig en in de bloei van zijn leven geweest. Volgens de genezers was hij overleden aan een onbekende aandoening aan het hart. Toch was het moeilijk voor te stellen dat iemand gezond en wel in slaap kon vallen om vervolgens nooit meer wakker te worden. Rylan wist dat ik met een dolk kon omgaan, maar niet hoe bedreven ik met andere wapens was, en ook niet waar Vikter en ik naartoe gingen als we het slot verlieten, wat vaak genoeg gebeurde. Rylan was een vriendelijke jongeman die zich niet snel druk maakte, maar met hem had ik lang niet zo’n hechte band als met Vikter. Als Rylan hier naar binnen was gelopen had ik gemakkelijk weg kunnen glippen. ‘Verdomme,’ vloekte ik. Ik draaide me half om en trok de kap van mijn mantel over mijn hoofd. Mijn haar had de vrij opvallende kleur van rood koper, maar zelfs met bedekt haar en een masker zou Vikter me herkennen. Hij had het soort zesde zintuig dat je doorgaans alleen bij ouders aantrof, waardoor ze wisten dat hun kroost niet veel goeds in de zin had. Ik keek weer om. Tot mijn ongenoegen was hij aan een van de tafels met zicht op de deur gaan zitten. De enige uitgang. De goden hadden een hekel aan me. Dat hadden ze echt, want ik twijfelde er niet aan dat Vikter me zou zien. Hij zou me niet aangeven, maar ik kroop liever weg in een gat vol spinnen en kakkerlakken dan dat ik aan hém moest uitleggen wat ik in de Rode Parel deed. En er zouden hele preken volgen. Niet de strenge woorden en straffen die de hertog zo graag uitdeelde, maar van die verwijten die onderhuids kropen en waardoor je je dagenlang beroerd voelde. Vooral omdat je was betrapt bij iets waarvoor je straf verdiende. En eerlijk gezegd wilde ik niet zien wat voor gezicht Vikter trok wanneer hij ontdekte dat ik hier was. Ik waagde het nog een keer om zijn kant op te kijken en... O goden, nu knielde er een vrouw naast hem neer die een hand op zijn been legde. 22


Ik moest mijn ogen uitspoelen. ‘Dat is Sariah,’ legde de vrouw uit. ‘Zodra hij naar binnen stapt, komt zij naar hem toe. Ik vermoed dat ze een zwak voor hem heeft.’ Langzaam draaide ik mijn hoofd om naar de vrouw naast me. ‘Komt hij hier vaak?’ Haar ene mondhoek ging omhoog. ‘Vaak genoeg om te weten wat er achter het rode gordijn gebeurt en -’ ‘Zo is het wel genoeg,’ viel ik haar in de rede. Nu moest ik mijn hele hoofd uitspoelen. ‘Meer hoef ik niet te horen.’ Ze lachte zacht. ‘Je ziet eruit als iemand die dringend behoefte heeft aan een schuilplaats. En ja, dat zie ik in de Rode Parel maar al te vaak.’ Bedreven pakte ze het glas uit mijn hand. ‘Boven is een aantal kamers momenteel onbezet. Neem de zesde deur aan je linkerhand. Daar kun je je verstoppen. Ik kom je halen zodra de kust veilig is.’ Ik keek haar achterdochtig aan, maar verzette me niet toen ze me bij de arm pakte en meevoerde naar de linkerdeur. ‘Waarom help je me?’ Ze deed de deur open. ‘Omdat iedereen moet kunnen leven, al is het maar voor een paar uur.’ Mijn mond viel open nu ik haar min of meer hetzelfde hoorde zeggen als ik eerder had gedacht. Verbijsterd bleef ik staan. Ze knipoogde naar me en deed de deur dicht. Het kon geen toeval zijn dat ze had ontdekt wie ik was. En dat ze had herhaald wat ik eerder had gedacht? Dat was al helemaal niet te geloven. Er ontsnapte me een bars lachje. Misschien was de vrouw een afvallige, of gewoon iemand die niet veel van verhevenen moest hebben. Of een zieneres. Daar waren er volgens mij niet veel meer van. En ik kon nog steeds niet geloven dat Vikter hier was, dat hij hier zo vaak kwam dat een van de dames in het rood op hem gesteld was geraakt. Al wist ik niet waarom dat me zo verbaasde. Het was de leden van de Koninklijke Garde niet verboden om genot te zoeken of zelfs te trouwen. Velen waren behoorlijk losbandig omdat hun veel te korte levens vol gevaar waren. Alleen had Vikter een echtgenote gehad die lang voordat ik hem had leren kennen samen met hun kind in het kraambed was gestorven. Hij hield nog steeds net zoveel van zijn Camilia als toen ze nog leefde. Maar wat hier te vinden was had niets met liefde te maken. En ieder23


een was weleens eenzaam, zelfs als hun hart toebehoorde aan iemand die niet langer bij hen kon zijn. Dat stemde me een beetje droevig, en ik slaakte een diepe zucht toen ik me omdraaide naar het krappe trappenhuis dat door olielampen aan de muur werd verlicht. ‘Waar ben ik in verzeild geraakt?’ Dat wisten alleen de goden en nu kon ik niet meer terug. Toen ik de trap naar de eerste verdieping op liep, hield ik mijn hand onder mijn mantel, vlak bij het gevest van mijn dolk. De overloop boven was breder dan het trappenhuis en opvallend stil. Ik wist niet wat ik had verwacht, maar ik had op z’n minst op allerlei geluiden gerekend. Hoofdschuddend telde ik het aantal deuren aan mijn linkerhand, totdat ik voor de zesde stond. Ik voelde aan de deurknop. Hij zat niet op slot. Ik begon de deur open te duwen, maar toen twijfelde ik. Waar was ik mee bezig? Er kon wel van alles en iedereen achter deze deur zitten. Die vrouw beneden... De deur naast me zwaaide open en de lach van een man schalde door het trappenhuis. Geschrokken stapte ik achteruit de kamer in en deed ik de deur achter me dicht. Met bonzend hart keek ik om me heen. Hier hingen geen lampen, er stond alleen een kandelaar met meerdere kaarsen op de schoorsteenmantel. Voor de lege haard stond een bankje. Ik hoefde niet eens om me heen te kijken om te weten dat het enige andere meubelstuk in deze kamer een bed was. Ik ademde diep in en rook de geur van de kaarsen. Kaneel? Maar er was nog iets anders, een geur die me deed denken aan pittige specerijen en dennenbomen. Aarzelend draaide ik me om. Opeens sloeg iemand een arm rond mijn middel en werd ik tegen een erg hard en erg mannelijk lichaam aan gedrukt. ‘Dit,’ fluisterde een zware stem, ‘had ik niet verwacht.’

24


omslag binnen


omslag buiten

BLOOD AND ASHSERIE 1

POPPY HEEFT NOOIT ZEGGENSCHAP GEHAD OVER HAAR EIGEN LEVEN Als Maagd van het koninkrijk Solis leeft ze alleen: ze mag nooit worden aangeraakt, niemand mag haar gezicht zien, ze mag geen vrienden hebben en ze mag nooit alleen het kasteel verlaten. Poppy wordt continu herinnerd aan haar plicht aan de goden en de hele toekomst van Solis rust op haar schouders.

NO PRESSURE. Dan ontmoet ze Hawke, een wachter die ervoor moet zorgen dat Poppy haar plichten zal volbrengen, én iemand die haar hoofd en hart totaal op hol brengt. Hij laat haar twijfelen aan alles waar ze ooit zo zeker van was. Maar als een gevallen koninkrijk plotseling opstaat en terug wil nemen waar het recht op denkt te hebben, gaat dat niet zonder geweld. Poppy moet in actie komen, nu haar ooit zo veilige wereld langzaam afbrokkelt.

Jennifer L. Armentrout is een internationale bestsellerauteur van fantasyen New Adult-boeken. Er zijn al meer dan 150.000 van haar Nederlandse uitgaven verkocht! Haar Blood & Ash-serie is dé sexy en verslavende fantasyhitserie en de vertaalrechten zijn al aan meer dan tien landen verkocht. In 2020 won Armentrout met From Blood and Ash de Goodreads Choice Award voor Best Romance.

ISBN 978 90 2054 396 4 NUR 334/340

9 789020 543964

w w w. z o m e r e n ke u n i n g. n l


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Leesfragment 'Uit bloed en as' van Jennifer L. Armentrout by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu