HARBI NGER- SERIE
#1
Trinity is de laatste van haar soort en ze heeft een bijzondere gave: ze kan communiceren met geesten. Ze leeft al jaren op een geheime locatie, binnen een ommuurde vesting, bewaakt door de Wachters. Zij doen er alles aan om Trinity te beschermen tegen de demonen. Als de demonen namelijk ooit ontdekken wat haar kracht is, zullen ze Trinity vermoorden en haar krachten claimen. Op een dag arriveren Wachters van een andere clan met het nieuws dat er buiten de muur iets leeft dat zowel demonen als Wachters vermoordt. De clans moeten samenwerken en ook Trinity kan zich niet langer verstoppen. Dan ontmoet ze Zayne: een Wachter van een andere clan en de meest vervelende én interessante persoon ooit. Trinity moet hem leren vertrouwen, maar Zayne heeft geheimen die haar leven nog meer op z’n kop zullen zetten.
Jennifer L. Armentrout heeft meerdere internationale bestsellers op haar naam staan, zowel met haar fantasy- als New Adult-boeken. Er zijn inmiddels al meer dan 150.000 exemplaren van haar Nederlandse boeken verkocht! Storm and Fury is het eerste deel van haar spannende Harbinger-serie, de spin-off van de populaire Dark Elements-serie.
ISBN 978 90 2053 840 3 NUR 285/340
9 789020 538403 w w w.z om er enk euni ng.nl
sTORM AND JENNIFERL . FURy ARMENTROUT
Trinity’s veilige wereld stort compleet in
De spannende spin-off van de enorm verslavende Dark Elements-serie
JENNIFER L . ARMENTROUT
sTORM AND
FURy HARBI NGER- SERIE
#1
Storm and Fury
Eerder verschenen van Jennifer L. Armentrout bij Uitgeverij Zomer & Keuning: Dark Elements-serie: Bitterzoet Witheet Steenkoud Ademloos Origin-serie: The Darkest Star The Burning Shadow The Brightest Night Lux-serie: Shadows Obsidian Onyx Opal Origin Opposition
Wacht op mij-serie: Wacht op mij Ga voor mij Blijf bij mij Val voor mij Kies voor mij Vertrouw op mij Droom van mij Als morgen niet bestaat Het probleem met voor altijd Een tweede kans
Jennifer L. Armentrout
Storm and Fury Harbinger-serie deel 1
Vertaling Jeannet Dekker
Uitgeverij Zomer & Keuning
isbn 9789020538403 isbn e-book 9789020538410 isbn audioboek 9789020538427 nur 285/340 Copyright Nederlandse vertaling © 2021 Uitgeverij Zomer & Keuning Postbus 13288, 3507 LG Utrecht Copyright © 2019 Jennifer L. Armentrout Oorspronkelijk gepubliceerd in het Engels onder de titel Storm and Fury door Harlequin Books S.A. Deze uitgave kwam tot stand dankzij bemiddeling van Marianne Schönbach Literary Agency BV te Amsterdam. Vertaling Jeannet Dekker Omslagontwerp t4design, Liesbeth Thomas www.zomerenkeuning.nl www.jenniferlarmentrout.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch, door geluidsopname- of weergaveapparatuur, of op enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the prior written permission of the publisher. Uitgeverij Zomer & Keuning vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Voor de papieren editie van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid.
Voor jou, lezer, en voor de sterren die ik nog steeds kan zien.
Hoofdstuk 1
‘Eén zoen?’ Vervuld van spanning rukte ik mijn blik los van de tv en keek ik Clay Armstrong aan. Het duurde even voordat mijn wazige zicht scherper werd en de losse delen van zijn gezicht een samenhangend geheel vormden. Clay was een paar maanden ouder dan ik en zag er ontzettend leuk uit. Hij had lichtbruin haar dat altijd over zijn voorhoofd viel en waar ik dolgraag mijn vingers doorheen wilde halen. Al moest ik eerlijk bekennen dat ik nog nooit een Wachter had gezien die niet aantrekkelijk was, maar na al die jaren had ik nog steeds niet de mentale energie om uit te zoeken hoe het nu zat met hun verschillende gedaantes, die van Wachter en hun menselijke vorm. Clay en ik zaten naast elkaar op de bank in de woonkamer van zijn ouders. Er was verder niemand thuis en ik had geen idee welke keuzes in mijn leven ertoe hadden geleid dat ik hier naast hem zat, dij aan dij. Zoals alle Wachters was hij veel groter dan ik, hoewel ik met mijn één meter zeventig niet echt klein was voor een meisje. Clay deed altijd vriendelijker tegen me dan de meeste andere Wachters en flirtte soms zelfs een beetje met me. Dat vond ik prettig; hij gaf me de aandacht die anderen vaak wel kregen, maar ik nooit. Mijn vriendin Jada en natuurlijk Misha waren de enigen onder de Wachters die oog voor me hadden, maar zij wilden niet met me zoenen. Clay deed altijd aardig en gaf me zelfs een complimentje wan7
neer ik wist dat ik er als een voddenbaal bij liep. In de afgelopen paar weken was hij me steeds vaker komen opzoeken. Dat vond ik fijn. En daar was helemaal niets mis mee. Dus toen hij naar me toe kwam bij de kuil, die in feite niet meer was dan een grote vuurplaats waar de jongere Wachters ’s avonds graag bij elkaar kwamen, en vroeg of ik met hem mee naar huis ging om samen een filmpje te kijken, hoefde hij dat geen tweede keer te vragen. Nu wilde Clay me zoenen. En ik wilde gezoend worden. ‘Trinity?’ zei hij. Ik schrok toen ik zijn vingers opeens heel dicht bij mijn gezicht zag. Hij pakte een pluk haar die langs mijn wang was gevallen en stopte die achter mijn oor. Zijn hand bleef even rusten. ‘Je doet het weer.’ ‘Wat doe ik weer?’ ‘Je in jezelf terugtrekken,’ zei hij. Dat was waar, dat deed ik wel vaker. ‘Waar zat je?’ Ik glimlachte. ‘Nergens. Ik ben hier.’ Die hemelsblauwe Wachtersogen keken me aandachtig aan. ‘Mooi.’ Mijn glimlach werd breder. ‘Eén zoen?’ vroeg hij weer. De spanning in me nam toe en ik ademde langzaam uit. ‘Eén zoen.’ Hij boog zich glimlachend naar me toe en hield zijn hoofd scheef, zodat onze monden recht tegenover elkaar waren. Mijn lippen gingen verwachtingsvol uiteen. Ik was al eerder gezoend. Eén keer. Of nou ja, toen was ik de zoener geweest. Toen ik zestien was, had ik Misha gezoend en hij had mijn kus beantwoord, maar 8
dat had raar gevoeld. Hij was als een broer voor me en zo’n leven zagen we geen van beiden zitten. Bovendien hoorden Misha en ik dat soort dingen niet te doen omdat hij was wat hij was. En omdat ik was wat ik was. Clays lippen kwamen neer op die van mij. Ze waren warm en... droog. Dat verbaasde me. Ik had verwacht dat ze, ik weet het niet, natter zouden zijn. Maar het was... fijn, zeker toen de druk van de kus toenam en hij met zijn lippen die van mij verder uit elkaar duwde. Opeens werd het meer. Zijn mond bewoog tegen de mijne en ik zoende hem terug. Ik wilde hem niet tegenhouden toen hij zijn hand van mijn hals over mijn rug naar mijn heup bewoog en hem daar liet rusten, want dat voelde ook fijn. En ik verzette me niet toen hij me naar beneden trok. Ik legde mijn handen op zijn schouders toen hij zich over me heen boog en zijn gewicht op zijn ene arm liet rusten om te voorkomen dat hij me zou pletten. Wachters hadden een hoge lichaamstemperatuur, hoger dan die van mensen en hoger dan die van mij, maar hij leek nog veel warmer, alsof de vlammen hem uitsloegen. En ik voelde me een beetje... lauw. We bleven zoenen, en al snel waren de zoenen niet meer droog. Zijn onderlichaam tegen het mijne voelde ook fijn, zeker toen hij begon te bewegen in een geheimzinnig ritme dat meer leek te moeten zijn, dat meer leek te kunnen worden. Als ik dat wilde. En dat was... fijn. Het voelde net zo fijn als toen hij op weg naar zijn huis mijn hand had vastgehouden. Net zo fijn als toen hij een kaars had aangestoken die naar watermeloen en limonade rook. Dat had iets romantisch. En het was ook fijn dat hij zijn vingers strekte en weer kromde rond mijn heup. Daar kreeg ik het warm van, en hoewel ik niet meteen de kleren van onze lijven wilde rukken om 9
er vol in te gaan, was het wel... Het was erg fijn. En toen stak hij zijn hand onder mijn shirt en legde die op mijn borst. Wacht eens even. Ik stak mijn hand uit, greep de zijne vast en maakte mijn mond van hem los. ‘Ho.’ ‘Wat?’ Hij had nog steeds zijn ogen dicht. Zijn hand rustte op mijn borst en zijn heupen bleven bewegen. ‘Alleen een zoen, zei ik,’ bracht ik hem in herinnering. Ik trok aan zijn hand. ‘Dit is meer.’ ‘Vind je het dan niet leuk?’ Vond ik dat? Ik had het fijn gevonden, maar ‘had’ was hier het sleutelwoord. ‘Nee, nu niet meer.’ Ik wist niet dat je ‘nu niet meer’ ook kon opvatten als ‘zoen me nog een keer’, maar Clay blijkbaar wel. Hij drukte zijn mond weer op die van mij en nu was het niet langer fijn. Deze zoen was bijna pijnlijk. Ergernis vlamde in me op als een lucifer die werd afgestreken. Ik pakte zijn arm steviger vast en trok die onder mijn shirt vandaan. Nadat ik de zoen had verbroken, duwde ik tegen zijn borst en keek ik boos naar hem op. ‘Ga van me af.’ ‘Daar heb ik helemaal geen zin in,’ zei hij mopperend. Hij deed het toch, maar het ging me niet snel genoeg. Daarom duwde ik hem vol kracht van me af. De bank was zo smal dat hij van de zitting op de vloer viel, en wel met zo’n harde bons dat de tv ervan rammelde en de kaarsvlam flakkerde. ‘Wat ís dit?’ wilde Clay weten. Hij ging rechtop zitten en leek niet te kunnen geloven dat ik hem had geduwd. ‘Ik zei toch dat ik het niet leuk meer vond?’ Ik zwaaide mijn benen van de bank en stond op. ‘En toch ging je door.’ Clay keek verbaasd knipperend naar me op. Het leek alsof hij me niet eens had gehoord. ‘Je hebt me van de bank geduwd.’ 10
‘Ja, omdat je een viezerik bent.’ Ik stapte over zijn benen heen en liep langs het raam naar de deur. Hij krabbelde snel overeind. ‘O ja? Waarom smeekte je dan of ik je wilde zoenen?’ ‘Wát? Oké, dat is dus fake nieuws,’ snauwde ik. ‘Ik heb niet gesmeekt. Je vroeg of je me mocht zoenen en toen zei ik “Eén zoen”. Ga nu niet de waarheid verdraaien.’ ‘Krijg toch wat. Weet je, ik vond het niet eens de moeite.’ Ik rolde met mijn ogen en draaide me om naar de deur. ‘Zo voelde het anders wel.’ ‘Alleen maar omdat je de enige vrouw bent die niet verwacht dat ik met haar ga paren.’ ‘Paren’, dat betekende in Wachterstaal veel meer dan het met elkaar doen, dat woord stond voor trouwen en een hele sloot Wachterskindertjes baren. Ik voelde me meteen heel erg beledigd. Niet alleen omdat het superverkeerd was van hem om zoiets te zeggen, maar ook omdat het me aan de harde werkelijkheid herinnerde. Hier woonde niemand met wie ik een serieuze relatie kon aanknopen. Wachters en mensen, dat ging niet samen. Wachters gingen niet eens samen met mijn soort. ‘Ik weet zeker dat ik niet de enige vrouw hier ben die niet met jou wil paren, eikel.’ Clay bewoog snel als een Wachter. Zo stond hij nog naast de bank, één tel later stond hij naast mij. ‘Je hoeft geen –’ ‘Let op je woorden, makker.’ Mijn ergernis dreigde om te slaan in woede, maar ik wist dat ik kalm moest blijven. Als ik woedend werd, konden er namelijk vervelende dingen gebeuren. Vervelende dingen die meestal nogal bloederig eindigden. Er trilde een spiertje in zijn kaak. Hij haalde diep adem en kreeg zijn knappe gezicht toen weer in de plooi. ‘Weet je, laten we gewoon opnieuw beginnen.’ Zijn hand, die buiten mijn blik11
veld bewoog, kwam op mijn schouder neer en ik schrok van het onverwachte contact. Dat had hij beter niet kunnen doen. Ik hield er niet van als iemand me liet schrikken. Ik greep zijn arm vast. ‘Kun je me laten weten hoe pijnlijk het is als je de grond raakt?’ ‘Wat?’ Clays mond viel een stukje open. ‘Je gaat namelijk erg hard neerkomen.’ Ik draaide aan zijn arm. Heel even zag ik een geschokte uitdrukking over zijn gezicht schieten. Hij was nog in opleiding, nog niet zo’n volleerde strijder als Wachters in de ogen van de wereld waren, en daarom snapte hij niet hoe ik zo snel de overhand had kunnen krijgen. En toen dacht hij helemaal niks meer. Ik draaide hem om en verplaatste mijn gewicht naar mijn rechterbeen, zodat ik hem met mijn linkerbeen een trap kon geven. Zonder hem los te laten plantte ik mijn voet midden in zijn rug om vervolgens voldaan te blijven wachten totdat hij in elkaar zou zakken. Alleen gebeurde dat niet. Wat er wel gebeurde, was dat Clay door de kamer vloog en het raam raakte, waarvan het glas in stukken uit elkaar spatte. Hij zeilde door de opening in de ruit naar buiten, de tuin in. Toen ik hem op de grond hoorde ploffen, leek dat net een aardbevinkje. ‘Oeps,’ fluisterde ik. Ik drukte mijn handen tegen mijn wangen en bleef zeker een halve minuut zo staan voordat ik naar de voordeur draafde. ‘O, nee. Nee, nee.’ Gelukkig brandde de lamp op de veranda en kon ik duidelijk zien waar Clay was geland. Midden in een rozenstruik. ‘O jee.’ Ik rende het trapje af en op hetzelfde moment rolde Clay kermend vanuit de struik op zijn zij. Hij leefde dus nog. Dat was een goed teken. 12
‘Wat ís dit in godsnaam?’ Geschrokken van dat geluid keek ik op. Zijn stem herkende ik het eerst. Misha. Hij stapte vanuit de schaduwen in de kring van licht op de veranda en stond voor mij te ver weg om hem duidelijk te kunnen zien, maar ik wist zo ook wel wat voor gezicht hij trok: een mengeling van teleurstelling en ongeloof. Misha wendde zich af van Clay, die nog steeds op de grond lag, en keek naar mij, naar het raam en toen weer naar mij. ‘Wil ik wel weten wat er aan de hand is?’ Ik was absoluut niet verbaasd om Misha hier te zien, want ik had kunnen weten dat het slechts een kwestie van tijd was voordat hij zou ontdekken dat ik van de kuil was weggeglipt en hier was. We waren samen opgegroeid en hadden zodra we konden lopen dezelfde opleiding gekregen. Hij was er voor me geweest toen ik voor de eerste keer mijn knie had opengehaald bij een vergeefse poging om hem bij te houden, waardoor hij dubbel had gelegen van het lachen. En hij was er ook voor me geweest toen mijn leven voor het eerst in het honderd was gelopen. Misha was van een schattig roodharig kereltje vol sproeten uitgegroeid tot een behoorlijk leuke jongen. Op mijn zestiende was ik een uur of twee verliefd op hem geweest en had ik hem dus gezoend. Mijn verliefdheden waren wel vaker van erg korte duur. Misha was echter meer dan mijn handlanger of mijn beste vriend op de hele wereld. Hij was mijn beschermer, al sinds mijn vroegste jeugd met mij verbonden, en die band was intens. Intens als in: als ik doodging, ging hij dat ook, maar als hij als eerste zou sterven, dan werd de band verbroken en nam een andere Wachter zijn plaats in. Dat had me altijd vrij oneerlijk geleken, maar de band was niet helemaal eenzijdig. Wat in mij zat, wat ik was, dreef ook hem voort, en zijn krachten als Wachter maakten ruimschoots goed wat ik door mijn menselijke deel tekortkwam. 13
In zekere zin vormden we ieder een kant van dezelfde munt en ik had vast een of andere hemelse regel geschonden toen ik hem zoende. Volgens mijn vader dienden beschermers en beschermelingen zich ver te houden van ondeugende, opwindende zaken. Dat had iets met de band te maken, maar ik wist niet hoe dat precies zat. Toen ik mijn vader daarnaar had gevraagd, had hij me misprijzend aangekeken, alsof ik hem had gevraagd waar kindjes vandaan kwamen. Dat deed niets af aan de ergernis die ik nu voelde. ‘Ik heb alles onder controle.’ Ik wees naar Clay, die kreunend op de grond lag. Op zijn gezicht waren donkere puntjes te zien. Doorns? Dat hoopte ik maar. ‘Dat zie je toch?’ ‘Is dit jouw werk?’ Misha staarde me aan. ‘Ja?’ Ik sloeg mijn armen over elkaar en Clay krabbelde moeizaam overeind. ‘En ik voel me echt niet schuldig. Hij snapt niet wat “één zoen” betekent.’ Misha wendde zich tot Clay. ‘Is dat zo?’ ‘Ja,’ antwoordde ik. Misha gromde binnensmonds en beende naar Clay toe, die inmiddels op zijn knieën was gaan zitten. Hij kreeg hulp: Misha pakte hem bij de kraag van zijn shirt, tilde hem op en draaide hem om, zodat ze elkaar recht konden aankijken. Toen liet Misha de kleinere Wachter los en zette Clay struikelend een stap naar achteren. ‘Ze zei dus nee en jij luisterde niet?’ wilde Misha weten. Clay keek op. ‘Ze meende het niet...’ Misha trok vliegensvlug zijn arm terug en haalde uit. Zijn vuist belandde midden in het onnozele gezicht van Clay, die voor de tweede keer die avond onderuitging. Ik lachte smalend. ‘Dat meende ik ook niet.’ Misha hurkte neer. ‘Als iemand nee zegt, menen ze dat.’ 14
‘Verdomme,’ zei Clay jammerend. Hij legde zijn hand tegen zijn gezicht. ‘Volgens mij heb je mijn neus gebroken.’ ‘Kan me niks schelen.’ ‘Jezus.’ Clay wilde opstaan, maar viel achterover op zijn kont. ‘Bied Trinity je excuses aan,’ droeg Misha hem op. ‘Het zal wel.’ Clay krabbelde overeind, wendde zich tot mij en zei met gedempte stem: ‘Het spijt me, Trinity.’ Ik stak mijn middelvinger naar hem op. Misha was nog niet klaar. ‘Je spreekt haar nooit meer aan. Je kijkt niet meer naar haar, je ademt niet eens haar kant op. Als je dat wel doet, gooi ík je opnieuw door een raam en dan loopt het heel wat slechter af.’ Clay liet zijn hand zakken en ik zag het donkere bloed over zijn gezicht stromen. ‘Jij hebt me niet door een raam –’ ‘Je snapt het blijkbaar niet,’ zei Misha met een grom. ‘Ik heb je door een raam gesmeten en een volgende keer doe ik nog veel ergere dingen. Duidelijk?’ ‘Ja.’ Clay veegde zijn mond af. ‘Duidelijk.’ ‘En nu opdonderen.’ Clay rende naar binnen en smeet de deur dicht. ‘En jij gaat terug naar huis,’ zei Misha bars. Hij pakte mijn hand en leidde me door de tuin de schaduwen in. Ik liet hem zijn gang gaan, want eenmaal buiten de kring van licht zag ik geen hand voor ogen. ‘Thierry moet dit weten,’ zei ik zodra we op het trottoir liepen dat helemaal terug naar het grote huis voerde. ‘Ja, dit ga ik beslist tegen Thierry zeggen. Hij moet dit weten, Clay heeft veel meer verdiend dan een flink pak slaag.’ ‘Vind ik ook.’ Het liefste wil ik nu terug naar het huis lopen en Clay weer door een raam trappen, maar ik kon dit beter aan Thierry overlaten, ook al betekende dat een bijzonder gênant gesprek met de man die als een tweede vader voor me was. 15
Thierry was degene die hier iets aan moest doen. Hij was hier de clanleider en baas van de vesting, maar daarnaast was hij ook een hertog, een positie die hem het gezag gaf over de andere clans en de talloze buitenposten in de Mid-Atlantische staten en het stroomgebied van de Ohio. Hij was verantwoordelijk voor het opleiden van nieuwe strijders en moest ervoor zorgen dat de Wachters een veilig en relatief verborgen leven konden leiden. Hij kon ervoor zorgen dat Clay dit nooit, maar dan ook nooit meer zou doen. Toen we ver genoeg van Clays huis waren, bleef Misha staan. ‘We moeten praten.’ Ik slaakte een zucht. ‘Ik heb nu echt geen zin in een preek. Ik snap dat je het goed bedoelt, maar –’ ‘Hoe heb je hem uit dat raam gesmeten?’ viel hij me in de rede. Een beetje ontstemd keek ik naar hem op, maar zijn gezicht was verborgen in de schaduwen. ‘Ik heb hem een duw gegeven en toen... heb ik hem een trap gegeven.’ Hij liet mijn hand los en legde zijn hand op mijn schouder. ‘Hoe heb je hem uit het raam kunnen trappen, Trinity?’ ‘Gewoon, ik tilde mijn been op, zoals me is geleerd –’ ‘Doe niet zo bijdehand. Dat bedoelde ik niet,’ viel hij me in de rede. ‘Je wordt sterker. Stukken sterker.’ De rilling die over mijn rug liep, danste verder over de rest van mijn huid. Ik werd inderdaad sterker, maar ik had verwacht dat we dat allebei zouden worden, elk jaar een beetje meer, totdat... Totdat... wat? Om de een of andere reden had ik altijd gedacht dat er iets zou veranderen zodra ik achttien was geworden, maar mijn verjaardag was nu een maand geleden en we zaten nog steeds hier, goed verstopt, te wachten op het moment waarop mijn vader me zou oproepen om te gaan vechten. Ik had niet echt een leven. 16
Misha ook niet. De overbekende ontevredenheid daalde als een veel te zware deken op me neer, maar ik drukte dat gevoel de kop in. Daar mocht ik nu niet aan denken. Misha had gelijk, ik won al een tijdje aan kracht. En aan snelheid, maar tot nu toe had ik me tijdens de training met Misha in weten te houden. Vanavond had ik heel even mijn zelfbeheersing verloren. Het had veel erger kunnen zijn. ‘Ik wilde Clay niet echt het raam uit schoppen, maar ik ben wel blij dat ik het heb gedaan.’ Ik richtte mijn blik op mijn donkere trui. ‘Hij... schrok best wel van mijn kracht.’ ‘Dat is logisch, Trin, want bijna iedereen hier denkt dat je een gewoon mens bent.’ Maar dat was ik niet. Ik was ook geen halve Wachter. Wachters waren echte superhelden die op de slechteriken joegen. Superhelden in de vorm van waterspuwers, om precies te zijn. Zo’n tien geleden had de wereldbevolking nog gedacht dat de stenen beelden van monsterlijke beesten die overal de gevels van kerken en dergelijke sierden niet meer waren dan architectonische versieringen. En toen hadden die beelden de mensheid hun ware aard getoond en bleken het echte levende wezens te zijn. Toen de eerste schok was weggeëbd begrepen de mensen dat Wachters simpelweg een van de vele soorten op aarde waren en werden ze geaccepteerd. In elk geval door het merendeel van die mensen. Je had helaas ook van die fanatiekelingen als de Kerk van Gods Kinderen, die geloofden dat de Wachters het einde der tijden of iets vergelijkbaar achterlijks inluidden, maar de meeste mensen vonden de Wachters wel oké. Als Wachters een mens betrapten bij het plegen van een misdrijf waren ze niet te beroerd om politie en justitie een handje te helpen, maar ze waren vooral 17
bezig met het opsporen van grotere slechteriken. Demonen. De doorsnee mens had geen idee dat demonen echt bestonden, hoe ze eruitzagen en welke soorten je allemaal had. Sterker nog, mensen hadden geen flauw vermoeden dat demonen zo goed voor mensen konden doorgaan dat sommigen zelfs de politiek in waren gegaan en nu posities met de nodige macht en invloed bekleedden. Voor de meeste mensen waren demonen wezens uit Bijbelse mythen. Een of andere hemelse regel bepaalde namelijk dat de mensheid wat demonen betreft in het duister diende te tasten en vooral niet het naadje van de kous mocht weten. Blind geloven, dat was het devies. Mensen dienden uit zichzelf in God en in de hemel te geloven, en niet uit angst voor een bovennatuurlijke macht. Als de mens ooit zou ontdekken dat de hel echt bestond, dan zou het heel snel bergafwaarts gaan, ook met de Wachters. Wachters dienden demonen op te sporen en de mensheid tegen hen te beschermen, zodat de mensen in zalige onwetendheid en met hun vrije wil verder konden leven en zo. Zo was het ons in elk geval verteld en dat geloofden we. Op jongere leeftijd had ik het nog niet zo goed begrepen. Als mensen wisten dat demonen echt waren, zo redeneerde ik, dan konden ze zichzelf beschermen. Dan zouden ze ook snappen dat bijvoorbeeld een moord op een medemens een enkele reis naar de hel betekende, zonder kans op restitutie, en dan zouden ze zich misschien eindelijk fatsoenlijk gedragen. Al hadden ze dan waarschijnlijk geen vrije wil meer. Thierry had me een keer uitgelegd dat de mensheid altijd in staat moest zijn om uit vrije wil te handelen, zonder angst voor de consequenties. Strijders leerden tijdens hun opleiding de steden van de mensen te beschermen en tegen het uitdijende aantal demonen te vechten, maar de Wachters van de Potomac Highlands, de streek die de 18
voorouderlijke machtszetel vormde van de clans uit de Mid-Atlantische staten en het stroomgebied van de Ohio, hadden daarnaast nog een belangrijke taak. Ze hielden mij verborgen. De meeste Wachters die in onze vesting leefden, hadden daar geen flauw idee van. Clay en zijn stomme slordige haar ook niet. Hij wist niet eens dat ik spoken en geesten kon zien, en ja, er is een groot verschil tussen die twee. Degenen die de waarheid kenden waren op de vingers van één hand te tellen. Misha. Thierry en zijn echtgenoot Matthew. Jada. Meer niet. En daar zou nooit verandering in komen. De meeste Wachters dachten dat ik een mensenweesje was dat Thierry en Matthew uit medelijden hadden opgenomen, maar ik was veel meer dan alleen maar een mens. Mijn menselijke kant had ik van mijn moeder. Ik zag haar bij elke blik die ik in de spiegel wierp. Ik had mijn donkere haar en bruine ogen van haar geërfd en mijn lichtgetinte huid was aan haar Siciliaanse voorouders te danken. Ik had ook haar gezicht. Grote ogen. Misschien iets te groot, want ik kon zonder al te veel inspanning de indruk wekken dat ze uitpuilden. Ik had haar hoge jukbeenderen en haar kleine neus die bij het puntje een tikje opzij wees. Mijn brede, expressieve mond kwam ook van haar. Dat waren niet de enige dingen die ze me had gegeven. Ik had ook de slechte genen van haar kant van de familie geërfd. Mijn niet-menselijke kant... Tja, ik leek dus totaal niet op mijn vader. ‘Een mens is niet in staat om een Wachter alle hoeken van de kamer te laten zien.’ Misha zei wat ik allang wist. ‘Ik wil niet beweren dat je dit niet had moeten doen, maar je moet wel voorzichtig zijn, Trin.’ ‘Dat weet ik.’ ‘Is dat zo?’ vroeg hij zacht. 19
Mijn adem stokte toen ik mijn ogen dichtdeed. Ik wist het, ik wist het maar al te goed. Clay had dit verdiend, en nog veel meer, maar ik moest voorzichtig zijn. Omdat Clay zich vast niet alleen tegenover mij zo brutaal gedroeg, moest Thierry dit weten, maar Thierry had al zoveel op zijn bordje. Sinds de leider van de clan in Washington D.C. afgelopen januari was omgekomen, was de situatie hier nogal gespannen. Er waren de nodige besprekingen achter gesloten deuren, meer dan gewoonlijk, en ik had Thierry toevallig horen zeggen – of ja, ik had hem afgeluisterd – dat het aantal aanvallen was toegenomen. Niet alleen op buitenposten, maar ook op Wachtersvestingen zoals de onze. En dat was zeldzaam. Nog maar een paar weken geleden waren demonen onze muren erg dicht genaderd. Die nacht... Die nacht was geen pretje geweest. ‘Denk je dat Clay er iets over gaat zeggen?’ vroeg ik. ‘Als hij ook maar een greintje verstand in zijn kop heeft, dan houdt hij zijn mond.’ Misha sloeg een arm rond mijn schouders en trok me naar voren, waardoor ik tegen zijn borst botste. ‘Hij durft waarschijnlijk niks te zeggen.’ ‘Hij is te bang voor mij,’ zei ik lachend. Ik had gedacht dat Misha daar wel om moest lachen, maar nee. Ik voelde dat hij zijn kin op mijn hoofd liet rusten. Pas na een tijdje zei hij weer iets. ‘De meeste Wachters hier hebben geen flauw idee wat ze verborgen houden. Ze mogen niet weten wat jij bent.’ Dat wist ik al, dat had ik altijd al geweten. ‘Ze mogen het nooit te weten komen.’ Happend naar adem schrok ik wakker en schoot ik overeind in mijn bed. Er stonden demonen voor de muren. 20
Normaal gesproken gingen er sirenes af wanneer demonen de muren naderden, zodat de bewoners zichzelf in veiligheid konden brengen, maar de vesting was stil als het graf. Toch wist ik dat er demonen in de buurt waren. Dat vertelde mijn inwendige demonenradar me. Het zwakke licht van de sterren die op mijn plafond waren geplakt vervaagde toen ik de lamp op mijn nachtkastje aandeed en snel mijn bed uit stapte. Ik trok een zwarte trainingsbroek en een mouwloos hemdje aan omdat het niet bepaald een verstandig idee was om op onderzoek uit te gaan in een onderbroek met de tekst lekker rollebollen op de achterkant. Het was waarschijnlijk sowieso niet verstandig om op onderzoek uit te gaan, in wat voor kleren dan ook, maar ik gaf mezelf niet de tijd om daarover na te denken. Ik deed snel mijn sneakers aan, griste mijn ijzeren dolken van mijn ladekast en stapte de felverlichte gang in. Alle lichtknopjes in huis zaten aan de linkerkant, voor het geval ik ’s nachts trek kreeg in iets lekkers. Niemand wilde dat ik struikelde omdat ik geen diepte kon zien en mijn nek brak als ik van de trap rolde. Daarom was dit huis net een vuurtoren. Ik wilde niet eens denken aan hoe hoog de stroomrekening was. Het koele metaal van de dolken warmde op door mijn hand toen ik snel van de tweede verdieping naar de begane grond liep. Ik wilde beneden zijn voordat een zeker iemand, en wel mijn altijd aanwezige schaduw, erachter kwam dat ik wakker was en hier rondliep. Misha zou niet goed worden als hij me nu betrapte, zeker na alles wat er gisteravond met Clay was gebeurd. Voor Thierry gold hetzelfde. Maar dit was de tweede keer binnen een maand dat demonen zich in de buurt van de muren waagden en ik had de vorige 21
keer wel gedaan wat er van me werd verwacht. Ik had me netjes schuilgehouden achter de versterkte muren van Thierry’s huis, bewaakt door Misha en een hele clan Wachters die bereid waren hun leven voor me te geven, ook al hadden ze geen idee voor wie ze dat deden. Die nacht waren er twee Wachters gestorven, aan stukken gescheurd door de messcherpe klauwen van een demon met een hoge rang. Ze waren zo wreed uit elkaar gerukt dat er amper iets over was om te begraven en al helemaal niks om aan hun dierbaren te laten zien. Dat mocht geen tweede keer gebeuren. Als ik deed wat me werd verteld, wat er van me werd verwacht, dan betaalde er altijd een ander de prijs voor mijn nietsdoen. Voor mijn veiligheid. Dat had zelfs mijn moeder gedaan. Ik glipte door de achterdeur naar buiten. Het was begin juni, maar de berglucht was koel. Op een drafje liep ik naar het linkerdeel van de muur, want dat werd minder streng bewaakt dan de voorkant. Al snel liet ik het zwakke schijnsel van de straatlantaarns op zonne-energie achter me en bereikte ik open terrein dat onder een deken van volledige duisternis lag. Mijn ogen pasten zich niet aan. Dat gebeurde nooit in het donker, maar ik kende dit pad als mijn broekzak omdat ik in de loop der jaren vrijwel iedere centimeter van onze minstens tien vierkante kilometer grote vesting had verkend. Ik had geen ogen nodig om tussen de bomen door mijn weg te vinden. Ik ging steeds sneller lopen en de wind blies mijn lange donkere haar uit mijn gezicht. Toen ik langs het laatste bosje stokoude iepen liep, wist ik, hoewel ik geen hand voor ogen zag, precies hoeveel meter me nog van de muur scheidde. Vijftien. De muur rees onvoorstelbaar steil op, even hoog als een gebouw 22
van vijf verdiepingen. Toen ik voor de eerste keer had geprobeerd om erop te springen, was ik tegen de zijkant gesmakt als een insect tegen een voorruit. Dat had pijn gedaan. Ik had wel een stuk of twintig pogingen nodig gehad voordat ik eroverheen had kunnen springen, en minstens dubbel zoveel voordat ik dat meerdere keren achter elkaar had gekund. Ik zette me schrap en voelde een vlaag van kracht en energie in me opwellen. Nadat ik mijn dolken in mijn ene hand had genomen bracht ik mezelf in beweging door pompende bewegingen met mijn armen te maken. Op een meter of zes van de muur zette ik af en toen sprong ik. Het was net vliegen. De lucht suisde, ik woog niets en om me heen zag ik alleen het donker en de zwak fonkelende sterren. Een paar kostbare seconden lang was ik vrij. En toen smakte ik vlak onder de bovenrand tegen de muur. Ik stak mijn hand uit naar de gladde betonnen rand en wist die vast te grijpen voordat ik naar beneden kon glijden. Mijn armspieren schreeuwden het uit van pijn toen ik daar een paar hachelijke momenten lang bleef hangen, maar ik wist mezelf boven op de muur te hijsen. Hijgend schudde ik met mijn linkerarm om de pijn te verdrijven. Toen nam ik in elke hand een dolk en spitste ik mijn oren. Misschien kon ik ergens in het donker een geluid horen dat verraadde waar alles zich afspeelde. Daar. Ik draaide mijn hoofd naar rechts. Bij de ingang waren lage mannenstemmen te horen. Wachters. Hun uiterst scherpe zintuigen moesten hen op de aanwezigheid van demonen wijzen, maar ze wisten nog van niets. Ik had simpelweg betere zintuigen en ik wist dat het een kwestie van minuten was voordat de Wachters 23
zouden merken dat er demonen in de buurt waren. Ik kon kiezen. Ik kon alarm slaan, dan zouden de Wachters de beboste heuvels rondom de vesting uitkammen. De kans was groot dat er onder hen dan gewonden of misschien wel doden zouden vallen, maar alarm slaan was wat Thierry van me verlangde en wat Misha me had geleerd. Tot nu toe had ik dat ook telkens gedaan, maar hoewel de situatie elke keer anders was geweest, was het altijd op dezelfde manier geëindigd. Deze keer kon ik voor een andere afloop zorgen. Ik kon met de demonen afrekenen voordat ze in de gaten kregen wie ze voor zich hadden. Ik had mijn besluit al genomen toen ik het huis had verlaten. Als ik nu van de muur op de grond sprong, dan zou ik dat, zo hadden ervaringen uit het verleden duidelijk gemaakt, met een paar gebroken botten bekopen, en daarom liep ik heel voorzichtig over de rand naar links. Ik wist dat er vlakbij een boom stond, ook al kon ik hem niet zien. Na een meter of vijf bleef ik staan. Ik haalde diep adem en hurkte neer na een schietgebedje. Toen spande ik mijn beenspieren en klemde ik mijn handen stevig rond mijn dolken. Een. Twee. Drie. Ik sprong de diepte in, met mijn dolken ver boven mijn hoofd en mijn knieën opgetrokken tegen mijn buik. De blaadjes van de boom raakten me als een zachte fluistering. Ik strekte mijn benen uit en stak de dolken uit naar de boom. De vlijmscherpe punten haakten in de bast en reten die open toen ik verder langs de stam naar beneden gleed. Ik kwam pas tot stilstand toen ik een dikke tak onder mijn voeten voelde. Met een diepe zucht trok ik de dolken los. Ik zakte door mijn knieën en zocht op de tast, met mijn ogen dicht, mijn weg. Puur op instinct. Ik sprong van de tak naar beneden en kwam op mijn 24
hurken neer. Heel even bleef ik doodstil zitten, toen kwam ik overeind. Ik sloeg rechtsaf, dieper het bos in, en liet me leiden door de steeds zwaardere druk die ik in mijn nek voelde. Een meter of dertig verder bleef ik staan op een open plek naast een smalle beek die fonkelde in het zilveren licht van de maan. De geur van vruchtbare aarde drong in mijn neus. Ik keek om me heen. Mijn hart ging sneller kloppen toen die zware druk afzakte naar mijn schouders. Ik ontspande en spande mijn vingers rond de heften van de dolken en keek aandachtig naar de schaduwen rondom de bomen. Die leken te bewegen onder mijn turende blik, als een hart dat klopte. Ik wilde het liefst naar voren stormen, maar ik wist dat ik niet op mijn ogen kon vertrouwen. Ik bleef doodstil staan en wachtte af... Krak. Achter me kraakte een takje. Ik draaide me met een ruk om, hief de dolk op en liet mijn arm zakken. ‘Jezus,’ zei een grommende stem. Toen voelde ik een stevige, warme hand rond mijn pols. ‘Je had me bijna onthoofd, Trin.’ Misha. Ik kneep mijn ogen samen, maar ik kon hem in het donker niet onderscheiden. ‘Wat doe jij hier?’ ‘Dat kan ik jou net zo goed vragen.’ Hij bleef mijn arm vasthouden. De lucht om ons heen trilde. Misha boog zich voorover, maar ik zag alleen de stralende, felblauwe ogen van een Wachter. ‘Wat moet jij in het holst van de nacht met je dolken buiten de muren?’ Het had geen zin om te liegen. ‘Er zijn demonen in de buurt.’ ‘Wat? Ik voel niks.’ ‘Dat betekent niet dat ze er niet zijn. Ik voel hun aanwezigheid.’ Ik probeerde mijn arm los te trekken en hij liet dat toe. ‘Jij voelt hen misschien niet, maar ze zijn dichtbij.’ Misha zweeg even. ‘Des te meer reden voor jou om binnen te 25
blijven.’ Hij klonk kwaad. ‘Je hoort beter te weten, Trin.’ Ik kreeg de kriebels van pure ergernis en wendde me van hem af. Nogal zinloos staarde ik het donker in, alsof mijn ogen op magische wijze zouden gaan werken als ik maar genoeg mijn best deed. ‘Daar heb ik dus genoeg van, Misha. Als ik beter weet, vallen er doden.’ ‘Als je beter weet, dan blijf je leven. Dat is het enige wat telt.’ ‘Dat slaat nergens op. Dat mag niet het enige zijn.’ Ik stond bijna te stampvoeten, maar wist me in te houden. ‘En je weet dat ik kan vechten. Beter dan jullie.’ ‘Wees niet te zelfverzekerd, Trin,’ antwoordde hij op gortdroge toon. Daar ging ik niet op in. ‘Er is iets aan de hand, Misha. Dit is de tweede keer in een maand dat er demonen de muren naderen. Hoeveel vestingen zijn er in het afgelopen halfjaar aangevallen? Ik ben opgehouden met tellen toen het er meer dan tien waren, maar je hoeft geen genie te zijn om te snappen dat de aanvallen steeds dichter in de buurt plaatsvinden. En elke keer dat ze door de muren van andere vestingen heen wisten te breken werd duidelijk dat ze naar iets op zoek waren. Ze kammen alles uit.’ ‘Hoe weet jij dat nou? Heb je Thierry weer zitten afluisteren?’ Ik wierp hem een snelle lach toe. ‘Het doet er niet toe hoe ik dat weet. Er is iets aan de hand, Misha, dat weet jij net zo goed. Demonen vallen vaker kleinere vestingen in steden aan, maar ze zijn gewoonlijk slim genoeg om hier weg te blijven. En toch hebben ze vestingen als deze aangevallen.’ Weer viel hij even stil. ‘Denk je dat... ze van jouw bestaan weten? Dat ze naar je op zoek zijn?’ vroeg hij. Er danste een rillinkje over mijn rug. ‘Dat kan niet,’ ging hij verder. ‘Ze kunnen onmogelijk weten dat je bestaat.’ Nu welde er een ongemakkelijk gevoel in me op. ‘Niets is on26
mogelijk. Daar ben ik het levende bewijs van,’ bracht ik hem in herinnering. ‘En wederom: als het waar is wat je zegt, dan is buiten de muren wel de laatste plek waar je moet zijn.’ Ik rolde met mijn ogen. ‘Dat zag ik,’ snauwde hij. ‘Dat kan niet.’ Ik keek over mijn schouder, min of meer zijn kant op. ‘Je staat achter me.’ ‘Zei jij net niet dat niets onmogelijk is?’ ‘Het zal wel,’ mompelde ik. Misha zuchtte zo luid dat het een wonder was dat de blaadjes er niet van ritselden. ‘Als je vader zou weten dat je hier bent...’ Ik maakte een geluid als een knorrend biggetje. ‘Alsof die zich interesseert voor wat ik doe.’ ‘Dat is zo en dat weet je,’ zei Misha. ‘Misschien houdt hij ons nu wel in de gaten. Wie weet heeft hij je gisteren met Clay gezien...’ ‘Bah, dat soort dingen moet je niet zeggen.’ ‘Ik wil alleen maar...’ Hij zweeg. Nu voelde Misha het ook. Dat wist ik omdat hij binnensmonds vloekte en omdat de druk in mijn nek plaatsmaakte voor scherpe steken die afzakten naar de plek tussen mijn schouderbladen. De demonen waren hier. ‘Als ik zeg dat je terug moet naar de muur, doe je dat dan?’ wilde Misha weten. Hij stapte het maanlicht in. Het zilverkleurige schijnsel speelde over zijn huid, die grijs was als leisteen, en over zijn vleugels. De twee hoorns achter op zijn hoofd duwden zijn rode krullen uit elkaar. Ik grinnikte. ‘Wat denk je zelf?’ Misha slaakte een zucht. ‘Probeer in leven te blijven, want ik wil nog niet dood.’ ‘Probeer jij liever in leven te blijven,’ snauwde ik terug. Ik keek 27
naar de schaduwen. Het werden er steeds meer. ‘Want ik wil echt geen band hoeven aangaan met een of andere vreemde.’ ‘Ja, dat zou echt balen voor je zijn,’ mompelde hij. Hij zette zijn benen iets uit elkaar en rechtte zijn schouders. ‘Ondertussen ben ik dan gewoon dood.’ ‘Tja, als je dood bent, kan het je toch niks meer schelen,’ redeneerde ik. ‘Want dan ben je dus de pijp uit –’ Misha stak een grote klauw op om me tot stilte te manen. ‘Hoor je dat?’ Eerst hoorde ik alleen de verre kreet van een vogel. Of misschien was het een chupacabra. Onze vesting lag in de bergen van West Virginia en hier kon je van alles verwachten. Maar toen hoorde ik het: het geruis van struikgewas, het kraken van brekende takken, gevolgd door klikkende, klepperende geluiden. Het kippenvel verscheen op mijn armen. Volgens mij was dat geen chupacabra. De schijnwerpers boven op de muren sprongen aan en dompelden het bos in een fel, blauwwit licht. Dat betekende dat de Wachters op de muren nu ook voelden dat er demonen in de buurt waren. En de kans was groot dat ik hierbuiten werd betrapt en heel, heel erg in de problemen kwam. Nou ja, het was nu toch al te laat. Het geritsel werd luider. De schaduwen tussen de bomen leken van vorm te veranderen en groter te worden. Ik spande elke spier in mijn lichaam, en toen opeens verschenen ze. Ze schoten tevoorschijn uit het struikgewas en renden de open plek op. Met tientallen tegelijk. Woestelingen.
28
HARBI NGER- SERIE
#1
Trinity is de laatste van haar soort en ze heeft een bijzondere gave: ze kan communiceren met geesten. Ze leeft al jaren op een geheime locatie, binnen een ommuurde vesting, bewaakt door de Wachters. Zij doen er alles aan om Trinity te beschermen tegen de demonen. Als de demonen namelijk ooit ontdekken wat haar kracht is, zullen ze Trinity vermoorden en haar krachten claimen. Op een dag arriveren Wachters van een andere clan met het nieuws dat er buiten de muur iets leeft dat zowel demonen als Wachters vermoordt. De clans moeten samenwerken en ook Trinity kan zich niet langer verstoppen. Dan ontmoet ze Zayne: een Wachter van een andere clan en de meest vervelende én interessante persoon ooit. Trinity moet hem leren vertrouwen, maar Zayne heeft geheimen die haar leven nog meer op z’n kop zullen zetten.
Jennifer L. Armentrout heeft meerdere internationale bestsellers op haar naam staan, zowel met haar fantasy- als New Adult-boeken. Er zijn inmiddels al meer dan 150.000 exemplaren van haar Nederlandse boeken verkocht! Storm and Fury is het eerste deel van haar spannende Harbinger-serie, de spin-off van de populaire Dark Elements-serie.
ISBN 978 90 2053 840 3 NUR 285/340
9 789020 538403 w w w.z om er enk euni ng.nl
sTORM AND JENNIFERL . FURy ARMENTROUT
Trinity’s veilige wereld stort compleet in
De spannende spin-off van de enorm verslavende Dark Elements-serie
JENNIFER L . ARMENTROUT
sTORM AND
FURy HARBI NGER- SERIE
#1