Skip to main content

leesfragment Noah - Mark Morris

Page 1

het boek bij de film

DE OPDRACHT VAN EEN MAN OM DE MENSHEID TE REDDEN

Als hij een visioen krijgt over een vloed die wordt gestuurd om al het leven op aarde te vernietigen, weet Noah wat hem te doen staat. Samen met zijn familie moet hij van alle levende wezens er twee redden. Hij moet een ark bouwen.

TM & ©2014 Paramount Pictures. Alle rechten voorbehouden.

ISBN 978 90 435 2342 4

het boek bij de film

Noah moet het hoofd bieden aan tal van gevaren die dreigen hem te doen falen en de wereld te verwoesten, en tegelijkertijd zijn eigen worstelingen overwinnen om zijn missie te laten slagen. Dit is het epische verhaal over de poging van één man om het leven op aarde te behouden voor een nieuwe wereld.

Een roman van

Mark Morris Gebaseerd op het filmscenario van 9 789043

523424

Darren Aronofsky

en

Ari Handel

NUR 302 www.kok.nl NOAH TOTcor.indd 1

19-03-2014 10:38:55


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 3

<E IFD8E M8E

&8IB &FII@J <98J<<I; FG ?<K ] CDJ:<E8I@F M8E

8II<E IFEF=JBP <E I@ !8E;<C

? <K 9F<B 9@A ;< =@CD


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 4

Noah Het boek bij de film Uitgeverij Kok – Utrecht, 2014 Postbus 13288, 3507 LG Utrecht www.kok.nl Oorspronkelijk verschenen bij Titan Publishing Group Ltd., Londen, United Kingdom. NOAH TM & © 2014 Paramount Pictures Vertaling Ernst Bergboer Omslagontwerp Mark Hesseling Opmaak binnenwerk ZetSpiegel, Best ISBN 978 90 435 2342 4 ISBN e-book 978 90 435 2343 1 NUR 302 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise, without the prior written permission of the publisher.


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 5

1

De eeuwenoude stenen tempel staat boven op een heuvel, beschenen door de sterren, geteisterd door de wind. Ernaast brandt een vuurtje waaraan een dertienjarige jongen, een lange, slungelige gestalte met donker haar, zich zit te warmen. Hij kijkt aandachtig naar de man van middelbare leeftijd die aan de rand van de lichtkring staat. De man draagt een eenvoudig linnen kleed; de zachte vuurgloed kleurt zijn baard oranje, transformeert zijn trekken tot een masker van brons, zij het een masker dat wijsheid en vriendelijkheid uitstraalt. Naast hen op de grond staat een houten kist. De man is Lamech, de knaap Noach, zijn zoon. Lamech heeft er al een tijdje op gezinspeeld dat Noach binnenkort oud genoeg is om zijn geboorterecht op te eisen en het lijkt erop dat het nu zover is. Noach is nerveus, dat zal hij niet ontkennen, maar ook opgewonden. Hij vertrouwt zijn vader. Hij heeft hem lief. En hij heeft een blind vertrouwen in het oordeel van de man, zoals dat voor zo veel jongens geldt. Wat zijn vader beslist is juist, wat hij zegt is waar en het is ondenkbaar dat hij zich door iets of iemand zou laten gezeggen of klein zou laten krijgen. Hij luistert zo ingespannen naar de woorden van zijn vader dat hij amper reageert wanneer een hevige windvlaag het vuur aanzet tot een woest vlammenspel en een handvol stof in zijn gezicht jaagt. Schaduwen dansen als geesten op de muur van de tempel. De cadans in Lamechs stem verandert geen moment. Zijn spreken is vriendelijk en zacht, zijn stem is diep en rijk en 5


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 6

heeft gezag; het is de stem van een man die vrede heeft met zichzelf en weet waar hij voor staat. ‘En dit zijn de nakomelingen van Adam, wier zegen ook op ons overgaat,’ zegt hij. ‘Adam kreeg Set, Set kreeg Enos, Enos kreeg Kenan en Kenan kreeg Mahalalel…’ Noach werpt steels een blik op de houten kist. Het ding is verweerd en beschadigd, de hoeken afgesleten door de tijd, maar hij weet dat het een belangrijk voorwerp is en dat het betoog van zijn vader uit zal draaien op die kist. Op zijn tijd. Lamech buigt voorover en neemt de kist van de grond, zonder zijn verhaal te onderbreken. ‘Zo werd die zegen van geslacht tot geslacht doorgegeven, tot aan ons,’ besluit hij. ‘Eerst aan mijn vader, Metuselach, toen aan mij.’ Met een bijna eerbiedig gebaar licht hij het deksel van de kist en tuurt naar de inhoud. In zijn diepbruine ogen flakkert een licht en Noach meent zelfs iets van euforie te zien. Lamech reikt in de kist en haalt er behoedzaam iets glinsterends uit dat kennelijk vrij kwetsbaar is. Even meent Noach dat het een langwerpig voorwerp is, gemaakt van een materiaal dat hem niet bekend voorkomt; iets dat nog wel de glans van ooit bezit, maar door de tijd is aangetast en verweerd. Maar dan, wanneer Lamech de kist wegzet, begint hij het voorwerp langzaam rond zijn arm te wikkelen en ziet Noach dat het helemaal geen voorwerp is. Het is de huid van een slang. Gefascineerd kijkt hij toe. De slangenhuid begint helderder te glanzen, alsof het reageert op de levensklop in Lamechs vlees. Het lijkt of het zich eigenmachtig, in golvende bewegingen, verder rond de arm van Lamech wikkelt. Het begint te pulseren en gloeien van leven, alsof het warmte en kracht uit Lamech haalt, stralend en oogverblindend mooi. Noach wordt bang. Hij kijkt naar het gelaat van zijn vader, 6


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 7

ziet de rust in diens ogen, de glimlach rond de lippen. Dat stelt hem gerust. Lamech strekt zijn arm uit, de hand waar zich die huid omheen gewikkeld heeft. ‘Vandaag gaat dat geboorterecht over op jou, mijn zoon.’ Noach komt langzaam uit zijn kleermakerszit en gaat staan. Hij weet niet goed of hij de hand van zijn vader moet pakken of wachten op nadere instructies. Hij kijkt zijn vader verwachtingsvol aan, ontmoet diens blik op het moment dat Lamech zijn hand uitsteekt en wijst, de vinger amper tien centimeter van Noachs voorhoofd. ‘De Schepper schiep Adam naar Zijn beeld en gaf hem de wereld in handen,’ zegt hij. ‘Dit is het pad dat wij volgen, Noach. Nu is het aan jou, nu is het jouw verantwoordelijkheid. Wandel rechtvaardig, wandel met de Schepper naast je.’ Noachs blik wordt naar het puntje van zijn vaders wijsvinger getrokken. De reptielenhuid begint met snelle, zoekende bewegingen de afstand te overbruggen, als de flitsende tong van een levende slang. Hij zet zich schrap, klemt zijn kiezen op elkaar en vraagt zich af hoe die levende huid zal aanvoelen op zijn vlees. Plotseling horen ze rumoer. Niet de wind, dit keer, maar het roepen en schreeuwen van mannen; harde, boze stemmen. Noach werpt een snelle blik op zijn vader, leest ontsteltenis in zijn ogen. ‘Mannen,’ zegt Lamech. ‘Verstop je!’ Noach heeft geen aansporing nodig. Hij rent weg, klimt razendsnel tot halverwege een helling en duikt weg achter een rotsformatie. Hij hurkt in de schaduwen en ziet vanachter de rotsen op de heuveltop een troep mijnwerkers verschijnen. Hun huid is grauw, hun kleren zijn gescheurd en vuil. Acht krijgers in volle wapenrusting flankeren hen. Achter de naderende kerels rijzen in de verte de slanke, spi7


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 8

raalvormige wolkenkrabbers van de stad op. Daartussen schoorstenen die vuur en rook braken, verstikkend en giftig. De leider van de krijgers is een reus, in elk geval in Noachs ogen. Hij beent met grote, arrogante passen naderbij, enorm en monsterlijk, zijn gespierde torso nog indrukwekkender door het gebutste borstkuras dat hij draagt. Zijn armen en benen, vol littekens en onder de modder, hebben iets weg van boomstronken. Hij heeft een ruige bos lang haar, een woeste baard en wrede, grove trekken. Noach staart naar hem en voelt fascinatie en afschuw tegelijk. De kerel heeft een grote haakneus, door littekenweefsel doorkliefde wangen en staalharde, grijze ogen: koud en wreed en trots. De man keurt Lamech geen blik waardig en ramt met geweld iets de bodem in: een grondboor, ziet Noach, een stuk gereedschap in de vorm van een kurkentrekker. Wanneer de kerel het ding een eind de aarde in heeft geboord, rukt hij het met een plotselinge draai weer omhoog. Hij bestudeert de kluit die hij omhoog heeft getrokken, grijnst dan en toont het aan het groepje geharde mijnwerkers en soldaten achter hem, dat verwachtingsvol staat toe te kijken. ‘Puur sochar,’ zegt hij. De troep knikt en mompelt instemmend. Noach monstert hun gezichten en huivert. Hij bespeurt geen greintje vriendelijkheid of medelijden, bij geen van hen. Hoe angstaanjagend de indringers ook zijn, Noach ziet dat zijn vader onbevreesd en woedend op hen af stapt. ‘Wie zijn jullie?’ wil hij weten. De reus draait zich om en neemt Lamech met een soort van lome nieuwsgierigheid op, alsof hij weinig meer is dan een kind dat hem ongevraagd komt lastigvallen. ‘Ik ben Tubal-Kaïn,’ bast hij. ‘Maar wat gaat jou dat aan, oude man?’ Noach kent die naam, of in elk geval iets van de herkomst 8


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 9

ervan. Hij heeft het verhaal van zijn vader gehoord: Kaïn, die uit jaloezie en hebzucht zijn broer Abel doodsloeg. ‘Dit is het land van de Schepper,’ begint Lamech, als antwoord op de vraag van de krijger. ‘Niet–’ Verder komt hij niet. Tubal-Kaïn mept hem met de rug van zijn beslagen handschoen in het gezicht, een bijna achteloze handeling is het. Terwijl het bloed uit zijn gespleten lip spat tuimelt Lamech achterwaarts, en valt onder het hoongelach van Tubal-Kaïns reisgezellen ruggelings in het stof. ‘De Schepper?’ sneert Tubal-Kaïn. ‘Mijn mijnen raken uitgeput, mijn stad verpaupert en heeft voedsel nodig… en wat heeft die fijne Schepper van jou gedaan? Hij heeft ons vervloekt, dat heeft ’ie. Wij moeten vechten om te overleven. Ik mag barsten als dat niet precies is wat ik doe.’ Dan ziet hij de glimmende slangenhuid die zich rond Lamechs arm gewikkeld heeft. Zijn ogen beginnen te glinsteren. ‘En ik mag barsten als ik niet neem wat ik wil.’ Hij valt op een knie naast Lamech neer, pint de oude man met een hand tegen de grond en wikkelt met de andere de huid van zijn arm. Op het moment dat het contact met Lamechs vlees verbroken wordt, verliest de slangenhuid alle luister. Hij wordt weer dor en dood, niets dan een reep verschrompeld en oud reptielenleer, dat eruit ziet of het verkruimelen zal op het moment dat je er te ruw mee omspringt. Het lijkt Tubal-Kaïn geen moer te kunnen schelen. Hij lacht en drapeert de huid achteloos om zijn schouders; de prijs van een overwinnaar, oorlogsbuit. ‘Dit reliek behoort nu toe aan Kaïns bloedlijn,’ buldert hij. ‘De bloedlijn van Set eindigt hier!’ Noach ziet hoe zijn vader zich wankel op zijn knieën werkt. ‘Moge Hij je genadig zijn, Tubal-Kaïn…’ zegt Lamech, die zijn hand naar de reusachtige krijger uitstrekt, als was het om de man te zegenen. 9


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 10

Tubal-Kaïns gezicht wordt duister. Minachtend spuwt hij op Lamech. ‘Dat heb ik niet nodig.’ Dan, zonder de geringste aarzeling, grist de reus een bijl uit zijn gordel, zwaait die met een grote boog door de lucht en ramt hem in Lamechs schedel. Had hij in kunnen ademen, dan had hij geschreeuwd. Noachs lijf begint onbeheersbaar te rillen van afschuw, haat, verbijstering. Hij kan alleen maar wezenloos toekijken hoe Tubal-Kaïn het lichaam van zijn vader opzij schopt en brult: ‘Dit land is van ons! Kom op, graven jullie!’ Noach, geschokt tot in zijn merg, staart naar het levenloze lichaam. Even hoopt hij nog dat zijn vader alleen maar gewond is, maar die hoop vervliegt sneller dan hij opkwam. Lamechs schedel is verbrijzeld en zijn ogen staren blind voor zich uit. Tubal-Kaïn veegt met een geringschattende blik het bloed van zijn bijl af aan Lamechs linnen kleed en bergt het wapen weer op. Hij grijnst naar zijn mannen. Dan komt Noach met knikkende knieën overeind, draait zich om en begint te rennen, zo stil als hij kan. Hij zorgt ervoor dat hij de oeroude tempel tussen hem en de moordenaars van zijn vader houdt. Hij vindt het verschrikkelijk dat hij geen gelegenheid heeft om zijn vader te begraven, een kus op zijn voorhoofd te drukken, zijn ogen te sluiten of een gebed voor hem uit te spreken. Lamech zal het wel begrijpen. Hij rent. Rent. Pas wanneer hij een heuvel is afgedaald en een tweede heeft beklommen, houdt hij zijn pas in. Daar, omringd door de diepe stilte van de nacht, draait hij zich om en kijkt naar wat hij achter zich laat. Het is een beeld dat zijn vader verafschuwde. De stad, gebouwd op de hebzucht en het onrecht van haar inwoners; de ontzagwekkende schoorstenen die rook en vuur spuwen en de hemel in een onheilspellende gloed zetten. Noach is dakloos nu, en wees. Hij valt op zijn knieën en huilt. 10


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 11

De Schepper zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. Hij kreeg er spijt van dat hij mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst. Genesis 5:5-6


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 13

2

De aarde is grijs en droog. Stofwolken filteren het licht van de rode, laaghangende zon. In de wijde omtrek is alles verdord en dood, op hier en daar een plukje kleurloze sprieten na, die worstelen om overeind te blijven in de windvlagen die over de vlakte gieren. De eentonigheid wordt alleen onderbroken door rotspartijen die hier en daar wat kloven en valleien vormen, als ongelijkmatige puisten in het eindeloze landschap; aan de verre horizon schemert het wazige silhouet van een bergketen. Nergens een teken van leven. Niets beweegt zich. Of toch? Zelfs een roofvogel die zich op de thermiek naar de wolken heeft laten voeren, had zich een eind moeten laten vallen om tussen de gekartelde, zwarte rotsen op de bodem van de diepste kloof de suggestie van beweging waar te kunnen nemen. Een man en twee knapen schrapen met botte messen mos en kruiden van de rotsen en verzamelen hun oogst in buidels die op hun heupen hangen. Hun kleding is volstrekt kleurloos en bedekt met een dikke laag stof; ze gaan op in de rotsformatie. Het stof heeft zich diep in hun poriĂŤn vastgezet, al heeft de huid van de man na jarenlange blootstelling aan de elementen en de soms genadeloos brandende zon een diepere tint en een leerachtige structuur. De man en de jongens werken onvermoeibaar door, maar op het moment dat de man opkijkt omdat naast hem een regendruppel op de grond uiteenspat, is te zien dat zijn gezicht is getekend door een zwaar en uitputtend bestaan. In iets meer dan een kwarteeuw is de slungelige knaap met 13


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 14

de grote ogen die Noach eens was, uitgegroeid tot een man die het gewicht van de wereld torst. Hij kijkt omhoog en fronst. De hemel boven hem is weliswaar grijs en grauw, maar er is geen wolkje te bekennen. Hij staart naar de plek waar de druppel gevallen is, op nog geen handbreedte van zijn voet, maar de dorre aarde heeft het luttele beetje vocht in een oogwenk geabsorbeerd en niets dan een minuscuul kratertje gelaten. Noach keert zich naar de jongen die het dichtst bij hem staat, de oudste. Hij heeft heel donker haar, bijna zwart. Net als zijn moeder. ‘Sem?’ roept hij. De knaap kijkt op. ‘Ja, pap?’ ‘Heb jij druppels gevoeld?’ Sem tuurt naar de hemel, zoals Noach deed, en schudt zijn hoofd. ‘Nee.’ Noach fronst opnieuw. Sem, negen jaar oud, lenig en lang voor zijn leeftijd, buigt zich weer over de rotsen. Noach wendt zich tot zijn jongere zoon, Cham, en wil hem dezelfde vraag stellen maar ziet dan dat hij net een kleine, witte bloem in zijn buidel wil leggen. ‘Cham!’ Het klinkt iets te streng, misschien. De jongen verstijft. Hij is smalletjes, anders dan zijn broer, en heeft ingevallen wangen door gebrek aan voedsel. Hij kijkt ondeugend op. ‘Wat doe je?’ wil Noach weten. Cham opent zijn hand en toont zijn vader een kleine, witte bloem. ‘Hij is zo mooi.’ Noach zucht en plukt de bloem van Chams handpalm. De blaadjes zijn verbleekt en verfomfaaid, maar vergeleken met het schrale, stoffige kruid dat hier overwegend groeit, is het van ongekende schoonheid. Hij kijkt naar de plek waar Cham aan het werk was en ziet meerdere plukjes van dezelfde bloemen 14


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 15

staan, die zich uit alle macht lijken vast te klampen aan scheurtjes in de rotsen. ‘Zie je die andere bloemen?’ zegt hij. ‘Hoe die zich vasthouden aan de rotsen? Daar horen ze. Ze hebben een functie, weet je. Ze ontkiemen en bloeien, de wind verspreidt hun zaden en er komen meer en meer bloemen bij. Wij verzamelen wat we nodig hebben, maar niet meer dan dat. Begrijp je?’ Cham knikt. ‘Ja, pap.’ Noach glimlacht en woelt door zijn haar. ‘Goed zo, jongen.’ Cham huppelt vrolijk weg. Noach kijkt hem na, maar de glimlach die rond zijn lippen speelt vervaagt al te snel. Hij kijkt nog eens naar de lucht, slaakt een diepe zucht en zet zich weer aan het werk. Precies op dat moment valt er opnieuw een druppel uit de hemel, ogenschijnlijk uit het niets, vlak voor zijn voeten. Dit keer wordt het vocht niet meteen opgenomen door de dorre aarde, maar er ontspruit een bloem, identiek aan het exemplaar dat Cham net plukte. Noach staart ernaar, kijkt dan naar zijn zonen. Die hebben niets gezien. Hij doet zijn mond open, wil iets zeggen, maar voordat hij een geluid uit kan brengen, hoort hij nagels schrapen op de rotsbodem en verschijnt er een beest vanachter een uitstekende rotspunt, een dertigtal stappen links van hem. Noach springt tussen het dier en de jongens in, het mes in de aanslag. Een magere hond is het, met een lange neus en vel dat in losse plooien over zijn botten hangt. Zijn ogen staan wild, hij hijgt, op zijn kaken trillen schuimvlokken. Ondanks het weerzinwekkende uiterlijk komt het beest abrupt en in een wolk van stof tot stilstand op het moment dat het de man ziet. Noach klemt zijn vingers stevig om het heft, maar steekt bezwerend zijn vrije hand op om de hond gerust te stellen. Hij kent deze soort. Het zijn wilde, maar over het algemeen timide 15


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 16

beesten die alleen aanvallen als ze gek van honger zijn. Getemd zijn het prima huisdieren, zelfs. Loyaal en intelligent. Meestal zwerven ze rond in troepen, maar deze lijkt solitair te leven. Noach kan uitstekend overweg met dieren. Ze reageren op hem. Maar dit beest is heel nerveus en te bang om zich door zijn zachte stem alleen te laten kalmeren. Noach heeft amper een paar woorden gezegd of het beest keert hem zijn staart toe en duikt snel een nauwe spleet tussen twee rotsen in. Pas op het moment dat het dier zich omdraait, ziet Noach waarom het zo bang is. Uit een bloedende wond op zijn flank, ter hoogte van zijn schouder, steekt het afgebroken handvat van een speer. Snel draait Noach zich om naar zijn zoons. ‘Sem!’ brult hij. ‘Mensen!’ Sem begrijpt het en bedenkt zich geen moment. Hij grijpt zijn jongere broer bij een arm, duikt met hem een nis in de rotswand in en slaat zijn grijze mantel over hun hoofden. De jongens blijven doodstil zitten, bedekt met de lap stof in precies dezelfde kleur als het landschap. Noach grijnst, bitter en tevreden tegelijk. Hij heeft zijn zoons goed getraind. De camouflage is volmaakt; zij zijn opgegaan in de omgeving, één geworden met de verspreid liggende rotsblokken. Noach werpt een snelle blik naar de spleet van waaruit de hond opdook en gaat het gewonde dier dan achterna. Hij is een geoefend jager, volmaakt aangepast aan zijn omgeving, en het kost hem geen enkele moeite om het spoor van het beest te volgen. Zijn bewegingen zijn zo snel en zeker dat hij weinig meer is dan een vage schim, de donkere mantel wapperend in zijn kielzog. Hij springt over kloven, wipt langs brokken rots, glijdt natuurlijk gevormde tunnels door alsof hij de wind zelf is. Na een tijdje hoort hij het dier, ergens voor zich. Het haalt moeizaam adem, de verwonding hindert hem in zijn gang. 16


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 17

Dan loopt hij een in de bergen uitgesleten geul binnen die hij kent en die steeds nauwer wordt en dan doodloopt. De rotswand aan het eind is ruw genoeg om tegenop te klauteren, zeker voor een dier, maar ook voor een mens, mits die fit genoeg is, maar te oordelen naar de geluiden die de hond maakt en het spoor van bloed dat achterblijft op de stoffige grond, vermoedt Noach dat het beest daartoe niet meer in staat zal zijn. Hij vertraagt zijn pas tot die van een wandelaar en loopt geruisloos op de bal van zijn voeten verder. De hond kan geen kant uit en zal in paniek zijn, wat hem des te gevaarlijker maakt. Hij rondt de laatste bocht en bukt zich om minder bedreigend te zijn, een minder voor de hand liggend doelwit ook. Hij gluurt de schaduwrijke rotskloof in. De hond hinkt onrustig en jankend van pijn heen en weer voor de rotswand die de nauwe kloof afsluit. Hij zoekt wanhopig en vergeefs naar een uitweg, een ontsnappingsmogelijkheid. Noachs gezicht betrekt als hij ziet hoe het beest zijn wijkende krachten verzamelt, een sprong naar de wand waagt in een dappere poging eroverheen te klauteren, maar jankend van pijn terugvalt. Noach schuifelt snel dieper de kloof in. Het mes aan zijn riem blijft in de schede, maar hij zorgt er wel voor dat hij geen enkel geluid maakt. Pas als hij op minder dan vijf passen van de hond vandaan is, ruikt of voelt het beest zijn aanwezigheid en draait zich razendsnel om. Het beest krult zijn lippen, ontbloot grommend zijn tanden, spant de spieren onder het dunne vel. Noach heft zijn handen, de palmen naar voren, om te laten zien dat hij geen wapens draagt en niets kwaads in de zin heeft. Hij is niet van plan om het doodsbange beest nog angstiger te maken. Puttend uit zijn laatste reserves neemt de hond een sprong en hapt toe. Noach weet het dier nipt te ontwijken en hoort 17


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 18

de kaken op elkaar klappen met niets dan lucht ertussen. Het beest draait naar links, zet zich af om opnieuw aan te vallen, maar glijdt weg. Noach heeft het dier nu pal naast zich, zo dichtbij dat hij het grijpen kan. Hij slingert een arm om zijn kop, grijpt met zijn hand de snuit van het beest en drukt de kaken ferm maar voorzichtig op elkaar. De andere arm slaat hij om het lijf en hij trekt de hond stijf tegen zich aan. De hond raakt in paniek en kronkelt en wringt als een dolleman om los te komen, maar Noach houdt hem stevig vast. Hij ruikt het bloed, de ranzige geur van angst, voelt de hitte die afstraalt van het trillende lijf. Achter uit de keel van het dier komen diepe, kreunende, klagende geluiden. ‘Rustig, rustig,’ fluistert hij, terwijl hij zich op zijn knieën laat zakken. Langzaam begint de hond wat te kalmeren. Het hijgen wordt minder. Beetje bij beetje laat Noach zijn greep op het beest verslappen. Wanneer hij de kaken loslaat, begint de hond aarzelend zijn hand te likken. ‘Braaf,’ zegt hij. ‘Goed zo, jongen. Laat me nu eens naar die wond kijken.’ ‘Die buit is voor ons!’ Het klinkt achter hem. Een ruwe stem, met een zwaar accent. Noach legt de kop van de hond zachtjes neer, gaat staan en draait zich om. Hij houdt zijn lijf ontspannen. Tussen de wanden van de nauwe kloof staat een stroper, een landloper die de woestijn afschuimt op zoek naar alles wat eetbaar of bruikbaar is. Hij is smerig en ziet er verlopen uit. In een benig gezicht, zo mager als een doodshoofd, staan koolzwarte, glinsterende ogen. Zijn vuile kleren zijn weinig meer dan een paar ruw aan elkaar gezette dierenvellen. Hij grijnst en laat een rij tot punten gevijlde tanden zien. In de ene hand heeft hij een handgemaakt en met bloed bevlekt kromzwaard, in de andere een grote, geslepen steen. Boven hem worden wolkjes stof opgeworpen. Noach kijkt op. Op de rots achter de eerste man doemen nog twee stropers 18


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 19

op, even haveloos, hun silhouetten scherp omlijnd tegen de grijze lucht. De linker draagt een lange speer, de ander zwaait lichtjes met een ruw gesmeed zwaard, dat er evengoed dodelijk genoeg uitziet. De laatste grijnslacht als een maniak vanachter een dikke, zwarte baard vol aangekoekt vuil. Langzaam en omzichtig bewegend laat Noach de hond los en gaat wijdbeens voor het dier staan. De drie stropers komen dichterbij. De leider loopt langzaam op Noach af, zijn twee kameraden dalen als krabben af van de rotswand. Noach kijkt schattend toe, weegt zijn kansen en de situatie. Achter hem duikt de hond angstig in elkaar, krabbelt met zijn nagels op de rotsen, alsof hij er elk moment vandoor kan gaan. Noach sust hem met een enkel woord en een handgebaar. ‘Lazer op! Dan breng je het er levend af… misschien,’ zegt de leider van het groepje. De man met de speer in zijn handen lacht honend. Noach richt zich in zijn volle lengte op en kijkt de kerel aan. Zijn zwijgzaamheid, de intensiteit van zijn blik, de rijzige gestalte: iets in zijn verschijning maakt dat de laatste lach stokt. De voorman van de stropers opent opnieuw zijn mond. Hij heeft een raspend stemgeluid dat ergens diep uit zijn ingewanden lijkt te komen en spreekt met een zwaar, slepend accent. ‘Je hebt geen idee hoelang wij al niet gegeten hebben.Wanneer wij voor het laatst zelfs maar een dier hebben gezien.’ Hij grijnst zijn gepunte tanden bloot, zijn ogen glimmen. ‘We lusten jou ook wel.’ De kerel met de speer hinnikt opnieuw, luider dit keer, alsof dit het grappigste is wat hij ooit gehoord heeft. Noach geeft geen krimp en blijft kaarsrecht staan. Achter hem hijgt de hond, uitgeput. Verder blijft het een tijdlang doodstil. Noach houdt zijn blik op de leider gericht, ogenschijnlijk onbewogen. Ten slotte wipt de man zijn kop omhoog. ‘Nou?’ 19


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 20

Noach houdt zijn blik vast en schudt zijn hoofd, een minieme beweging, zonder een woord te zeggen. Er verschijnt een nijdige trek op het gezicht van de opperstroper. De kerel rolt even met zijn hoofd en recht zijn schouders. Hij heft het zwaard een tikje hoger en zet wankelend een stap naar voren. ‘Nee?’ blaft hij. ‘Je lazert niet op? We moeten je afmaken, dus?’ Noach zegt nog altijd niets. Zijn ijzige houding begint de stropers op de zenuwen te werken en te irriteren. Ondanks hun wapens en het feit dat zij hun prooi van drie kanten aan kunnen vallen, werpen ze elkaar nerveuze blikken toe, alsof ze niet goed weten wat ze moeten doen. Bang om zijn gezicht te verliezen, misschien, zet de leider van het zootje nog een stap naar voren. ‘Waarom zeg je niks?’ Hij spuugt als hij schreeuwt: ‘Heb jij je tong verloren, of zo?’ Opnieuw schudt Noach heel even met zijn hoofd. Het is de enige beweging die Noach maakt, heel efficiënt en het wekt de indruk dat hij zijn energie bewaart, zich klaarmaakt voor actie. De stroper likt zijn lippen. Hij laat de hand waarin hij het zwaard geklemd houdt wat zakken. Noach spant zijn spieren. Is dat een afleidingsmanoeuvre? Of begint de lust tot vechten hem werkelijk te vergaan? De stropers hebben honger, dat is duidelijk. En er is zo weinig te vangen dat Noach zich niet kan voorstellen dat de kerels deze kans op een maaltijd zo gemakkelijk zullen laten schieten. Maar het kan zijn dat het gebrek aan voedsel hen heeft verzwakt en dat ze de moed niet hebben om het werkelijk tot een gevecht te laten komen. Misschien dat ze, als hij nog even zo blijft staan– Maar dan liggen de kaarten opeens volkomen anders. Het kan zijn dat hij aanvoelt dat de dreiging die van de jagers uitgaat aan het wegebben is, misschien dat hij gebruikmaakt 20


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 21

van de paar momenten rust, maar opeens springt de gewonde hond overeind, spurt langs de benen van Noach en gaat er als een haas vandoor. Hij rent recht op de leider van de stropers af, die even verbouwereerd, gealarmeerd zelfs, stokstijf blijft staan. Op het moment dat het lijkt of het beest hem aan wil vliegen, verandert het van richting, duikt om de kerel heen en schiet in de richting van de opening in de rotsen, waar de kloof een bocht maakt. In een reflex draait de stroper zich om en slingert zijn steen in de richting van het vluchtende dier. Noach hoort de hond huilen van pijn, maar kan niet zien waar het projectiel hem geraakt heeft. De twee andere stropers zien dat Noach even is afgeleid door wat er met de hond gebeurt en vallen aan. Met een bloeddorstige kreet springen de kerels met geheven wapens op Noach af. Noach reageert bliksemsnel. Zijn lichaam komt in actie alsof een strakgespannen veer wordt losgelaten. Hij wipt het mes uit zijn riem, duikt onder de klungelig gestoken speer door van de stroper die hem eerder uitgelachen heeft, springt op de man af en snijdt hem in ĂŠĂŠn haal de keel door. De man tuimelt rochelend voorover, bloed spuit in een boog uit zijn nek. Noach tolt om zijn as, grijpt de speer van de man voor die uit zijn vingers glipt. In de draai ziet hij de leider van de bende op zich af komen, de gepunte tanden ontbloot en het kromzwaard boven zijn hoofd geheven. Maar voordat hij dat zwaard in een dodelijke zwaai omlaag kan brengen, draait Noach andermaal om zijn as, strekt zijn been achterwaarts, schopt de man vol tegen het been en verbrijzelt zijn knie. Dan blijft alleen de stroper met de baard nog over. Uit zijn ooghoek ziet Noach het zwaard van de man al op hem af komen, de slag is gericht op zijn hoofd. Hij werpt zich achterwaarts en het lemmet suist op minder dan een handbreedte 21


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 22

voor zijn gezicht door de lucht. De slag in de lucht brengt de man uit evenwicht en hij tuimelt voorover. Noach zet een pas opzij, zodat hij recht tegenover de man staat, en heft de speer. De ogen van de stroper worden groot, maar hij is niet meer in staat om het voorwaartse moment te keren en stort recht in de speerpunt, die moeiteloos door het met dierenvellen beklede vlees zijn buik binnendringt. De man met de baard rukt in zijn zijwaartse val de speer uit Noachs handen. Er druppelt bloed uit zijn mond en hij ligt een moment kronkelend op de grond, zijn benen hevig spartelend alsof hij probeert nog aan zijn lot te ontkomen. Dan wordt hij stil, de handen nog om de speer gekneld die uit zijn hevig bloedende maag steekt. Zijn lichaam glijdt opzij en ontspant. Noach trekt de speer terug en kijkt naar de drie gevallen mannen. Hij hijgt een beetje. Dan heft hij zijn hoofd en tuurt achter hen, in de richting waar hij de hond het laatst gezien heeft. Zijn gezicht betrekt. Het beest krabbelt als aangeschoten wild naar de spleet in de rotsen, sleept zichzelf met zijn voorpoten voort, een dik, donker spoor van bloed achterlatend. Uit de manier waarop de achterpoten levenloos achter hem aanslepen wordt duidelijk dat de steen van de stroper hem zwaar verwond heeft. Noach loopt snel op de hond af en knielt voor hem neer. Hij mompelt een paar troostende woorden en reikt langzaam naar de snuit van het beest. De hond snuffelt aan zijn vingers, begint die dan te likken. Noach streelt hem zachtjes mompelend over zijn kop, strijkt zijn borstelige vacht glad, biedt troost. Maar hij weet dat het dier ten dode opgeschreven is. Hij moet hem uit zijn lijden verlossen. De hond sluit zijn ogen. Noach blijft met een hand de kop van de hond strelen, maakt met de andere het mes los van zijn 22


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 23

riem en zet de punt vlak boven twee lappen vel, pal onder de schedelbasis. ‘Het spijt me, vriend,’ mompelt hij. Dan, met een snelle en weloverwogen stoot, maakt hij een einde aan het leven van de hond. Het dier huivert een keer en is dan stil. Noach staat met een bezwaard gemoed op en steekt het mes terug in de schede. Hij staat op het punt om weg te gaan, als hij gejammer hoort.Twee stropers zijn dood, maar de derde, de leider, beweegt. Hij probeert zich op de richten en schreeuwt van pijn wanneer de botten van zijn verbrijzelde knie tegen elkaar schuren. De man voelt dat Noach nog in de buurt moet zijn, misschien hoopt hij het alleen maar, en begint om hulp te roepen. Even overweegt Noach om de man aan zijn lot over te laten, maar dan loopt hij met een grimmige uitdrukking op zijn gezicht op het geluid af. De ogen van de man, bijna dichtgeknepen van pijn, draaien zijn kant op. Hij beweegt zijn lippen. ‘Alsjeblieft,’ fluistert hij. ‘Heb medelijden.’ ‘Zoals jij voor dat arme dier had, bedoel je?’ bast Noach. De stroper kijkt hem niet begrijpend en onverschillig aan. ‘Dat was maar een beest.’ ‘Net als jij,’ zegt Noach. ‘De mens moet eten,’ fluistert de stroper. Noachs gezicht betrekt. ‘De mens heeft een keus. De schepping vernietigen of onderhouden en er in vrede en harmonie mee leven.’ De stroper fronst zijn wenkbrauwen. Dat is een manier van denken die hem duidelijk de pet te boven gaat. Hij gooit het over een andere boeg en begint te frunniken onder de lagen dierenhuid waarmee hij zijn lijf heeft getooid. Hij haalt een klein foedraal tevoorschijn dat met een leren veter is dichtgemaakt. Hij maakt het open en houdt het op de kop. 23


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 24

Er rolt een aantal kleine, witgele steentjes over de stoffige grond. Het lijkt of ze het licht rondom zich absorberen en beginnen te stralen, of onder de harde buitenkant een eigen mysterieus innerlijk licht pulseert. Noach herkent het spul. Dit is sochar, een zeldzame en kostbare stof. Er wordt beweerd dat de wachters ervan gemaakt waren, voordat ze uit de hemel vielen. Er wordt gezegd dat het de bron van licht was in de mensenwereld, voordat de Schepper hun de zon gaf. ‘Neem het,’ zegt de stroper, gluiperig opkijkend naar Noach. ‘Toe, neem het. Allemaal.’ Noach staart de stroper aan. Zijn blik is hard. ‘Alsjeblieft,’ smeekt de man. ‘Alsjeblieft. Wat wil je nog meer?’ Noach kijkt naar het geknakte lijf van de hond, de achterpoten verbrijzeld, bloedend aan zijn flank op de plaats waar de speer zich in zijn vlees heeft geboord. Hij keert zich naar de man en neemt het mes uit de schede. ‘Wat ik wil?’ mompelt hij. ‘Ik wil maar één ding: gerechtigheid.’

Y Cham helpt zijn vader de dode hond in een eenvoudige lijkwade te wikkelen, gemaakt van het kleed dat Noach droeg om hem te beschermen tegen de zandstormen die de vlakte regelmatig teisteren. Ze klimmen naar de top van de hoogste richel, zodat het kadaver zich zo dicht mogelijk bij de Schepper bevindt. Noach steekt het vuur aan door een stukje sochar vlak op de rotsen te leggen en er met het heft van zijn mes bovenop te slaan. De vonken doen het vuur ontbranden. Het is laat in de middag en het koelt al af wanneer Noach de provisorische lijkwade optilt en naar het vuur draagt. Met een bijna tedere beweging legt hij het vermorzelde dier in de 24


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 25

vlammen. Ze stappen achteruit en kijken toe hoe het vlam vat. Cham haalt zijn neus op vanwege de doordringende geur van de rook die zijn kant uit slaat. Ze zijn een tijdlang stil, tot Cham zijn mond opendoet. ‘Pap?’ ‘Ja, zoon?’ Noach kijkt de kleine jongen aan. Cham houdt zijn hoofd een tikje scheef, een frons op het voorhoofd. ‘Waarom hebben die mannen de hond doodgemaakt?’ ‘Om hem op te eten,’ antwoordt Sem. ‘Op te eten?’ Cham lijkt geschokt en in de war. Zoiets barbaars gaat zijn bevattingsvermogen te boven. ‘Waarom dat?’ ‘Zij denken dat ze daar sterker van worden,’ zegt Noach. Cham snuift nieuwsgierig de geur van het brandende vlees op. ‘Is dat echt zo?’ wil hij weten. Noach kijkt nijdig. ‘Ze vergeten dat kracht van de Schepper komt.’ ‘Gaan er nog meer mensen komen?’ Sem kijkt zijn vader vragend aan. Noach tuurt vanaf de richel naar de vallei aan hun voeten, de vlakte over, tot aan de horizon. Hij wijst. ‘Kijk daar, Sem. Wat zie je?’ Sem knijpt zijn ogen samen. Het stof prikt in zijn ogen. In de verte ziet hij vreemde spiraalvormige structuren die naar de hemel reiken, sporen van zwarte rook. ‘Ik zie… bergen?’ Hij weet het niet zeker. ‘Bergen die vuur spuwen?’ Noach lacht grimmig. ‘Dat zijn geen bergen. Dat zijn gebouwen, door mensenhanden gemaakt.’ Sems mond valt open. ‘Maar het zijn er zoveel!’ ‘Dat is een stad,’ zegt Noach. ‘Leven mensen in een stad?’ vraagt Cham, angstig. ‘Zoals de mensen die die hond wilden doodmaken en opeten?’ Noach knikt. ‘Ja. Er zijn veel mensen, heel veel. Het zal niet lang meer duren of ze zijn overal.’ 25


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 26

Cham spert zijn ogen open. De gedachte maakt hem bang. ‘Wat moeten we dan doen, pap?’ vraagt Sem. Noach zucht. Zijn blik volgt de kringelende rookpluimen die opstijgen naar de zwijgende hemel. Dan mompelt hij: ‘We moeten bidden.’ Zonder nog een woord draait hij zich om en begint aan de afdaling. Sem volgt hem. Cham blijft nog een moment met angst en ontzag in zijn ogen naar de stad in de verte staan staren. ‘Heel veel mensen,’ mompelt hij. Hij werpt een blik op het geblakerde karkas van de hond in het vuur, dat venijnig sist en knarst omdat het lichaamsvet ontbrandt. Hij huivert. Dan draait ook hij zich om en snelt zijn vader en broer achterna.

Y Een wazige, bloedrode zon verdwijnt langzaam achter een slapende vulkaan in de verte. Noach en zijn zonen lopen op twee kleine, koepelvormige tenten af die pal naast een brandend vuur staan. Boven het vuur pruttelt een ketel van zwart metaal van waaruit een heerlijke geur over de vlakte in hun richting drijft. Cham begint te rennen, ondanks de vermoeidheid die hij voelt. De met woestijnstof bedekte tenten hebben dezelfde grauwe tint als heel de omgeving en zouden, zonder de gloed van het vuur, voor het blote oog nauwelijks zichtbaar zijn geweest. De vlammen zijn een baken in de schemer, een teken van hun aanwezigheid. Het kamp ligt heel beschut, toch is Noach niet gerust. De stad breidt steeds verder uit en komt snel dichterbij. Te dichtbij. ‘Mama, mama!’ Op het moment dat Cham het kampement in stuift, wordt de flap van de grootste tent opzijgeschoven en 26


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 27

stapt een vrouw de lichtkring van het vuur binnen. Ze draagt een pasgeboren baby op haar arm. Cham slaat zijn armen om haar heen en drukt zijn hoofd tegen haar buik; zij glimlacht en woelt met een hand door zijn haar. De vrouw is rond de dertig, vermoeid en mager en getekend door een hard bestaan, maar evengoed adembenemend mooi. Haar helderblauwe ogen lijken op die van een kat; haar lange, zwarte haren glanzen als de vleugels van een raaf. Noach loopt op zijn vrouw, Naäma, toe en zoent haar. Dan plant hij zijn lippen op het hoofdje van de pasgeborene. ‘Jullie zijn lang weggebleven,’ zegt Naäma. ‘Ik begon me al ongerust te maken.’ ‘We hadden wat oponthoud,’ mompelt Noach. Cham, die zich nog steeds aan zijn moeder vastklampt, kijkt met glimmende ogen naar haar op en zegt in één adem: ‘Er waren mannen. Die hebben een hond doodgemaakt. Ze wilden hem opeten!’ ‘Mannen?’ Naäma kijkt haar man bezorgd aan. Noach gebaart naar de grote tent. ‘De jongens hebben honger. Kom, laten we naar binnen gaan. Dan vertel ik je zo het hele verhaal wel.’

Y Alles is stil. Binnen in de tent brandt nog een enkele kaars. De jongens slapen diep, aan hun ademhaling te horen. Naäma voedt Jafet, die gulzig aan haar borst zuigt. Noach zit met een grimmige uitdrukking op zijn matras naar haar te kijken. Ze glimlacht naar hem, maar krijgt er weinig meer dan een lichte beweging van zijn lippen voor terug. Wanneer Jafet verzadigd is, legt ze hem in zijn wieg, kruipt naast haar man en slaat haar armen om hem heen. Ze kijken beiden op wanneer Cham kreunt en in zijn slaap begint te woelen. Een nare droom. 27


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 28

‘Hoe ging het met hem vandaag? Met die jagers, bedoel ik?’ Noach schokschoudert. ‘Een beetje te nieuwsgierig, vond ik.’ ‘Hij moest het een keer zien.’ Noach blijft een moment zwijgen en zegt dan: ‘Ik heb nog iets anders gezien. Er bloeide zomaar een bloem op, vanuit het niets.’ Naäma kijkt hem vragend aan, legt dan haar slanke hand in zijn nek en begint hem zacht door zijn haar te strelen. ‘Rust,’ zegt ze zacht. Noach zucht. Hij kijkt de tent rond, werpt een rusteloze blik op de slapende jongens en zegt bitter: ‘Zij verdienen beter dan dit.’ Naäma leunt tegen haar man aan, kust zijn stoppelige wang en knijpt in zijn ruwe hand, vol kleine littekens. ‘Je bent een goede vader, Noach,’ zegt ze, zo warm dat het hem een glimlach ontlokt. ‘Ik doe mijn best,’ zegt hij. ‘Maar wat kan ik uitrichten in een wereld die zo verdorven is?’ Ze kust hem opnieuw, neemt zijn gezicht in haar handen, keert hem naar zich toe en drukt haar lippen op de zijne. Dan legt ze een vlakke hand op zijn borst en duwt hem zachtjes naar het matras. ‘Je moet gaan slapen, nu. Vat moed, morgen is er weer een nieuwe dag.’ Ze blaast de kaars uit en gaat naast hem liggen. Naäma valt snel in slaap, maar Noach blijft nog een lange tijd liggen staren in de duisternis.

28


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 29

3

Noach loopt op het gewonde dier af. Het ademt snel en oppervlakkig, de ogen rollen in hun kassen. Het sleept zich voort met zijn voorpoten en het laat een spoor van zwart bloed achter zich. Ook het bloed dat uit de wond in zijn flank sijpelt is zwart. Noach knielt naast het beest neer en praat zacht; hij weet dat het dier geen enkele kans meer maakt. Hij streelt zijn kop. Vastbesloten om het dier uit zijn lijden te verlossen, haalt hij het mes uit de schede, plaatst het lemmet aan de basis van de schedel en drijft het snel tussen twee huidplooien omhoog, het brein in. In een oogwenk verpulvert de hond tot stof dat hem als zand door de handen glipt, als de tijd. Verward staat hij op. Hij kijkt om zich heen en ziet dat hij zich niet langer in de vallei bevindt, maar midden in een verdorde, zwartgeblakerde en eindeloze vlakte staat. Hij is moederziel alleen. Er is geen teken van leven te bekennen. Hier is niets dan alleen een verschroeid, ijl zwijgen. Hij wil schreeuwen. Maar hij is bang dat er geen geluid uit zijn keel komt, als hij het zou proberen. Hij voelt paniek. Hij weet met stellige zekerheid dat dit doodse land, de stilte waarin het is gehuld, niets meer is dan de voorbode van wat komen gaat. Straks zal de Schepper het licht doven en dan zal de mens niet meer bestaan. Noach zelf is de laatst levende, de enige getuige van de val van de schepping. Hij wil om genade smeken, maar een deel van hem stemt met de Schepper in; hij weet dat het mensdom door en door verdorven is, het oordeel rechtvaardig. Dan valt er een druppel regen. Noach ziet het niet, maar hoort het. 29


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 30

Een enkele druppel is het, die neerslaat op de geblakerde bodem. Hij kijkt naar de grond en ziet een glinsterend spatje vocht, heel even, voordat het door de barre aarde wordt verzwolgen en er alleen een nauwelijks waarneembaar kratertje achterblijft. Een druppel, meer niet, maar het komt Noach als een wonder voor. Hij kijkt omhoog, naar een wolkeloze, loodgrijze hemel. Dan laat hij zijn blik weer zakken. De horizon breidt zich eindeloos naar alle kanten uit. De aarde is platgeslagen, doods en grauw, waar hij ook kijkt. Hij keert zich noordwaarts, westwaarts, naar het zuiden… Dan kijkt hij richting het oosten en ziet een eenzame berg die naar de hemel reikt, een enorme opgerichte rots. Het is alsof de Schepper omlaag gereikt en het rotsmassief uit de dode aarde getrokken heeft, zoals een mens rivierklei vormgeeft. Noach weet welke berg dit is; hij herkent hem in een oogopslag. Er vormt zich een woord in zijn brein, op zijn tong. ‘Grootvader.’ Noach zet een pas richting de berg maar voelt meteen dat er iets niet in de haak is. Hij kijkt omlaag; de grond is doorweekt. Hij tilt een voet op en ziet tot zijn verbazing dat hij blootsvoets op de aarde staat. Met stomheid geslagen ziet hij dat de aarde die aan zijn voeten kleeft niet zwart, maar helder rood is. Hij kijkt nog eens om zich heen en ineens is het of hij de wereld met andere ogen ziet. De aarde is niet doordrenkt van regen, maar van bloed. Het bloed van mensen. Angst en paniek grijpen hem naar de keel. Hij voelt iets achter zich, iets van enorme omvang dat met een verschrikkelijke vaart op hem af komt en hem onder de voet dreigt te lopen. Hij draait zich vliegensvlug om zijn as. Plotseling gebeurt er iets wat niet kan: hij wordt… Verzwolgen door water. Hij ziet het naakte, spierwitte lichaam van een mens voorbij drijven; met open mond en open ogen, haar dat als zeewier deint op het getij. Hij spert zijn ogen wijd open, voelt doodsangst, deinst terug, wringt 30


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 31

zijn lijf, dat veel te traag beweegt, weg van het lijk. Hij spartelt wild met zijn voeten, voelt dan ineens iets hards. Een rif, onder water. Een scherp gekarteld bouwwerk van rots en koraal dat als een enorme bergkam oprijst van de bodem van de zee. Hij zet zijn voeten erbovenop en merkt dat hij aan de rand van een gigantische afgrond staat. Hij kijkt omlaag en ziet wat de voltallige mensheid moet zijn rottend in de diepte liggen. Miljoenen en miljoenen lijken, opeengepakt op de zeebodem zover het oog kan reiken. Het biedt een walgelijke aanblik, angstaanjagender en afschuwelijker dan een mens zich voorstellen kan. Noach schreeuwt. Hij stoot een wolk van luchtbellen uit die hem het zicht ontnemen. Geluid maken kan hij niet, maar hij schreeuwt en schreeuwt en blijft schreeuwen. De opwaarts kringelende bellenstroom schuift als een gordijn voor de verschrikkelijke aanblik voor hem. Het is of zijn zintuigen verdoofd raken en hij wegglijdt in een wolk van duisternis. Hij voelt een hand aan zijn arm trekken, dan een aan zijn been. Handen tasten naar hem, grijpen hem vast, en ook al bevindt hij zich onder water en kan hij niets meer zien, hij voelt dat dit koude handen zijn, handen waarin geen leven is, de handen van de dood. Hij is de enige mens die is overgebleven en de doden zijn afgunstig. Ze trekken hem naar zich toe, willen dat hij een van hen zal worden. Hij worstelt en hij verzet zich, maar steeds meer handen klampen zich aan hem vast. Hij voelt dat het leven uit hem geknepen wordt…

Y Noach komt met een schok overeind. Het is aardedonker. Hij schreeuwt nog steeds. Hij voelt nog steeds de klauwende handen van de dood en probeert zich los te wringen, maar dan dringt het tot hem door dat deze handen warm zijn, dat het handen zijn die hem strelen en troosten. Hij hoort de stem van Naäma. Die klinkt bang. ‘Noach?’ 31


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 32

Hij kalmeert, zijn ademhaling wordt langzaam gelijkmatiger, het zweet op zijn lichaam koelt hem af. Aan de andere kant van de tent slapen de jongens rustig verder, zich nergens van bewust, hun ademhaling kalm en diep. Ook de baby, nog dronken van de melk van zijn moeder, is niet wakker geworden van de uitbarsting. ‘Was het een droom?’ vraagt Naäma zacht. ‘Meer dan een droom,’ antwoordt Noach ademloos. De duisternis in de tent en de hitte van hun ineengestrengelde lichamen in de afgesloten ruimte benauwen hem ineens. Zwijgend staat hij op en gaat naar buiten. De frisse wind die zijn klamme huid streelt, voelt als balsem. Hij rekt zich uit, kijkt op naar de met sterren bezaaide hemel boven hem. De maan hult de wereld in een zilveren licht. Achter zich hoort hij canvas klapperen; de flap voor de ingang van de tent wordt opzijgeschoven en valt weer op zijn plaats. Naäma’s gang is zo geruisloos als die van een bergkat. Dan voelt hij hoe zijn vrouw zich tegen zijn rug vlijt en haar armen om zijn lichaam slaat. Ze legt een hand op zijn maag, de andere op zijn hart, alsof ze de snelle hartslag tot bedaren wil brengen. Zo blijven ze zwijgend een paar minuten staan. Naäma gunt haar man de tijd die hij nodig heeft om zijn gedachten en gevoelens op een rij te zetten. Na een hele tijd begint Noach op zachte toon te praten. ‘Hij spreekt tegen me.’ Naäma drukt een kus op zijn rug. ‘Wie?’ Als Noach geen antwoord geeft, vraagt ze: ‘De Schepper?’ Hij blijft stil maar zijn zwijgen spreekt boekdelen voor Naäma. Haar echtgenoot is een man van diepe overpeinzingen en weinig woorden, maar Naäma kent hem zo goed dat ze zijn gedachten bijna lezen kan; ze hoeft alleen maar naar zijn ogen te kijken, naar zijn gezicht, zijn houding. 32


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 33

‘Hij spreekt met je zoals Hij dat met je vader deed,’ vervolgt ze zacht. ‘Met je grootvader. Wat zegt Hij dan?’ Ze voelt dat Noach de spieren in zijn rug spant, alsof hij zich schrap zet. ‘Ik weet het niet zeker. Het kan toch niet waar zijn, maar…’ ‘Maar wat?’ Ditmaal verraadt zijn zwijgen geen gedachte maar gaat er een dreiging vanuit. Ze voelt angst, alsof de kilte van de grond diep doordringt in haar botten. ‘Noach,’ zegt ze, scherper nu. ‘Wat heb je gezien?’ Hij slaakt een diepe zucht. Wanneer hij zijn mond opendoet, lijken zijn woorden een verschrikkelijk gewicht te torsen. ‘Hij gaat de wereld vernietigen.’

33


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 34

4

Noach rolt de matrassen op en bindt ze stevig vast met touw, terwijl Naäma de meest noodzakelijke levensbenodigdheden verzamelt en in canvas zakken stouwt: kleding, voedsel, water, dekens voor de baby. Buiten vouwen de jongens een van de kleinere tenten op, die Noach altijd meeneemt als er in de directe omgeving weinig voedsel te vinden is en hij gedwongen wordt om het verder weg te gaan zoeken. Ze lachen onbekommerd en maken er een spelletje van.Toen Noach aankondigde dat ze met het hele gezin op reis zouden gaan, stelden ze geen vragen. Hun vaders woord is wet. Naäma werpt een blik door de opening van de tent om er zeker van te zijn dat de jongens hun tijd niet verlummelen en keert zich dan naar haar man. Noach heeft het gesprek van gisternacht afgekapt en gezegd dat ze alle twee moesten zien dat ze in elk geval nog een paar uur slaap zouden krijgen, omdat ze hun energie de volgende dag wel nodig zouden hebben. Er staat hun het nodige te doen, had hij eraan toegevoegd. ‘Hoe moet dat dan met ons?’ vraagt ze nu. ‘Met de jongens? Het kan toch niet zo zijn dat Hij ons allemaal ombrengt? Dat is… nou ja, dat zou niet eerlijk zijn.’ Noach knikt kort. Hij kijkt bezorgd. ‘Dat ben ik met je eens.’ Ze zucht. ‘Wil je mij vertellen waarom we op reis gaan? Ik volg je tot het einde der aarde, als het moet. Dat weet je. Maar ik vind het wel fijn om te weten waar het voor dient.’ Noach glimlacht en staakt een moment waar hij mee bezig 34


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 35

is. ‘Ik geloof dat ons iets te doen staat, dat we een opdracht hebben. Dat is waarom Hij spreekt. Ik denk dat mijn grootvader weet wat die opdracht is. In mijn droom zag ik zijn land, zijn thuis. We gaan hem opzoeken.’ Dat verrast Naäma. Ze heeft van alles en nog wat bedacht, maar dit niet. ‘Hoe weet je dat hij nog leeft?’ ‘Dat weet ik niet,’ geeft Noach toe. Ze haalt diep en langzaam adem en veegt zweet en stof van haar voorhoofd. Haar blikken dwalen naar haar zoons, ze staart een tijdje naar de horizon achter hen en zegt dan op een toon waaruit meer hoop dan ernst spreekt: ‘We kunnen de jongens ook ergens naartoe brengen, ergens waar het veilig is.’ Noach schudt zijn hoofd. ‘Het zal nergens veilig zijn. We hadden al weg moeten zijn.’ ‘Het is een gevaarlijke reis,’ zegt Naäma. ‘We moeten vlak langs de steden.’ ‘We mijden contact,’ zegt Noach koppig. Naäma trekt haar wenkbrauwen op. ‘Dat wordt lastig.’ ‘We hebben geen keus. De tijd van vluchten en ons schuilhouden is voorbij. We moeten gaan waar Hij ons leidt.’

Y De rest van de dag trekt het gezin de vlakte over, Noach voorop. Ieder van hen draagt een canvas ransel met een opgerold veldbed erbovenop, die met riemen rond hun middel en schouders is vastgemaakt. Naäma draagt het lichtste pakket, maar alleen omdat de baby, Jafet, in een draagdoek tegen haar borst hangt, beschut tegen de bijtende wind en verstikkende stofwolken die zo nu en dan over hen heen razen. Ze stoppen zo weinig mogelijk en spreken weinig. Hier en daar houdt Noach even halt om wortels, knollen, kruiden en eetbare planten te verzamelen die hij tus35


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 36

sen de rotsen of in de dorre aarde tegenkomt. Hij stopt ze in de buidel die hij op zijn heup draagt. Halverwege de middag heeft het gezin de rand bereikt van wat ooit een bloeiend woud is geweest dat barstte van planten en dieren. Er steekt een gemene, koude wind op, terwijl zij zich een weg banen tussen de zwarte stronken die nog altijd in de leeggeplunderde aarde staan. Na veertien uren lopen, wanneer de lucht donker wordt en de maan glinsterend aan de horizon verschijnt, zetten ze ergens een kamp op. Na채ma voedt de baby, terwijl Noach een eenvoudige maar stevige stoofschotel van groenten en kruiden bereidt. De jongens helpen hem. Ze eten zonder veel te zeggen, daar zijn ze veel te moe voor. Na de maaltijd rollen ze hun veldbedden uit op een vlak stuk grond, gaan liggen en vallen in een diepe slaap. De volgende dag trekken ze door een bergachtig gebied, terrein dat zich maar moeilijk laat bedwingen. Ze zweten als otters onder de zware ransels; hun ruggen worden kletsnat. Rond het middaguur, wanneer de bleke zon hoog aan de hemel staat, komen ze bij een verlaten mijn. Vlak bij de ingang van de mijn doorsnijdt een diep litteken het aardoppervlak, de eerste van een hele serie groeven die diep in de rotsen zijn gehouwen om mineralen en kostbare metalen te kunnen delven. Noach stuit op een grote poel giftige vloeistof, een mengsel van bijtende stoffen dat zo agressief is dat het gesteenten aantast. Mijnwerkers gebruiken het om nog dieper door te kunnen dringen in de bergen en ze op die manier helemaal kaal te plukken. In de poel ligt een dood hert, bedekt met een laag onnatuurlijk, oranje slijm. De blubber heeft op verschillende plekken gaten in het vlees gebrand, zwerende kraters van rottend, weggevreten vlees. Dichte zwermen zwartblauwe vliegen dansen rond het karkas en de stank is zo overweldigend dat ook Noach, die gewend is aan de geur 36


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 37

van de dood, de halsdoek die hij omheeft als bescherming tegen het stof voor zijn mond slaat. Verbitterd staart hij naar het magnifieke, dode dier. In zijn binnenste welt een boosheid op die als een scherpe steen blijft liggen op de bodem van zijn maag. De hebzucht van de mens heeft grote delen van wat eens vruchtbaar land was veranderd in giftige vlakten waar dood en verderf heersen. Dit hert is daar maar een heel klein voorbeeld van, een symbool voor een vernietiging die oneindig veel groter is. Noach voelt iets langs zijn benen strijken. Hij kijkt. Cham banjert onbekommerd langs hem heen, bijna alsof hij aan het slaapwandelen is. Hij lijkt op weg naar de poel, zijn ogen opengesperd, in de ban van de aanblik van het dode hert. ‘Cham!’ bast Noach. De jongen schrikt, stopt dan en draait zijn hoofd om. ‘Ja, pap?’ ‘Die poel is levensgevaarlijk. Als je met die vloeistof in aanraking komt, ben je er geweest.’ ‘Ik ging het heus niet aanraken, hoor,’ zegt Cham. Het gezin loopt verder. Noach, die zoals steeds voorop loopt, wijst hen op meer poelen met die giftige substantie. Tegen het eind van de middag zien ze enorme, halfvergane pijpen die verstrooid, hier en daar in groepjes, in het landschap staan. Cham kijkt er verwonderd naar, maar de grimmige uitdrukking op het gezicht van zijn vader weerhoudt hem ervan om ernaar te vragen. Niet veel later krijgt hij zijn antwoord toch. Het groepje beklimt een met puin bezaaide heuvel en ziet op de top aangekomen een berg opdoemen waarvan de hele flank is weggeblazen, uiteengereten tot niets meer dan een diepe krater en een onwaarschijnlijke hoeveelheid gruis en stenen. Daartussen, goeddeels door een waas van rook aan het oog onttrokken, staat een grote, donkere, smeulende vorm en een verzameling hutten of gebouwtjes. 37


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 38

Ze blijven een tijdlang staan, verbijsterd door dit nieuwe, weerzinwekkende bewijs van hoe diep de mensheid is gezonken en tot welke destructie dat heeft geleid. Sem is de eerste die weer iets zegt. ‘Is dat een socharmijn?’ Noach knikt. Zijn stem klinkt zo dor en doods als het landschap zelf. ‘Ja. Dat was het. Totdat er hier voor hen niets meer te halen viel.’ ‘Gaan we eromheen?’ zegt Naäma. Noach denkt daar even over na. Aan weerszijden van de gewezen mijn bevinden zich diepe kloven. Dat betekent dat zowel de klim als de afdaling aan beide kanten verraderlijk zal zijn. Hijzelf durft het wel aan, maar hij wil de levens van zijn vrouw en kinderen niet op het spel zetten. Hij schudt zijn hoofd. ‘Nee,’ zegt hij langzaam. ‘Laat de jongens het maar zien. Laat ze maar zien wat er van de mensheid geworden is.’ Hij leidt zijn gezin de met steenslag bedekte helling af, over een soort van pad dat tussen de gekartelde rotsblokken voert. Nu ze dichter bij de smeulende puinhopen komen, zien ze wat de vreemde vorm in het midden is: een verzameling gammele wagens; een stuk of zes, misschien meer, maar dat is moeilijk precies vast te stellen omdat ze vernield, opgestapeld en in brand gestoken zijn. De rook die uit de puinhopen opstijgt drijft hun kant uit en brandt in hun longen. Ze proesten het uit. Dan zien ze de lichamen. Ze liggen verspreid rondom de opgestapelde wrakken, de overblijfselen van een verpauperde gemeenschap van ondervoede mannen, vrouwen en kinderen, stuk voor stuk neergesabeld of met bijlen doodgeslagen; alsof ook zij niet meer zijn dan de weggeslingerde stukken rots en steen. Al op deze afstand zien ze dat het verzamelaars geweest zijn, die een schamel bestaan bij elkaar scharrelden van wat anderen weggooien 38


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 39

en zich een tijdje in leven hielden met wat de mijnwerkers hier achtergelaten hebben. Noach rukt zich los van het afschuwelijke tafereel en draait zich om. In Naäma’s lichte ogen staat afschuw te lezen. Ze staart naar de lijken, haar gelaat wit als porselein, de slanke vingers van een hand tegen haar lippen gedrukt. Sem en Cham zijn zo geschokt dat ze als verlamd zijn blijven staan. Chams mond hangt open, een uitdrukking van ongeloof op zijn gezicht. Naäma haalt bevend en diep adem en laat haar hand zakken. ‘Volgens mij hebben we wel genoeg gezien.’ Noach knikt en trekt Cham tegen zich aan, waarbij hij met zijn hand de ogen van de jongen half bedekt. ‘Zijn ze allemaal dood?’ vraagt Cham met een klein stemmetje. ‘Daar lijkt het wel op,’ antwoordt Naäma. ‘Dit waren verzamelaars. Die ruimen op wat anderen achterlaten.’ ‘En weer iemand anders heeft hen opgeruimd,’ bromt Noach grimmig. Plotseling klinkt er van ergens tussen de ravage een enkel, woordeloos geluid; een kreun van pijn. Noach is meteen op zijn hoede. ‘Bij elkaar blijven,’ beveelt hij. Dan gaat hij tussen de rotzooi op zoek, zijn voeten krakend over de verkoolde houtresten. Maar het is Sem die haar het eerst ziet. ‘Pap! Mam! Hier!’ roept hij. Hij begint stukken zwartgeblakerd hout en puin weg te trekken van een berg troep tussen twee verwoeste gebouwtjes en baant zich een weg naar een meisje van een jaar of acht, dat tussen de resten ligt van wat haar huis geweest zal zijn. Naäma staat in een mum van tijd naast hem. Ze knielt naast het lichaam van het meisje en voelt een steek in haar borst. De oogleden van het meisje trillen onregelmatig. Ze zweeft op het randje van bewusteloosheid en uit haar keel welt zo nu en dan een zwak, klagend gemurmel op. Haar lijfje zit onder 39


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 40

het vuil en het bloed en het is moeilijk te zien hoe ernstig haar verwondingen zijn. Naäma begint haar heel voorzichtig te onderzoeken en licht behoedzaam een gescheurde lap kleding van haar romp. Ze wordt koud. Het meisje heeft een ernstige en diepe buikwond; ze is neergesabeld en haar onderbuik is van het ene tot het andere heupbeen opengehaald. Het is dat ze op haar rug ligt, anders waren haar ingewanden door de snede naar buiten gekomen. Het meisje heeft heel veel bloed verloren en voelt ijzig koud. ‘Zal ze het halen, mam?’ vraagt Sem. ‘Dat weet ik niet,’ antwoordt Naäma. ‘Maar we gaan doen wat we kunnen.’ Dat het meisje deze wond te boven zal komen, lijkt haar niet erg waarschijnlijk. Het kind ligt op het randje van de dood; de kans dat ze de afgrond in kiept is veel groter dan dat ze blijft liggen, laat staan dat ze weer op zou krabbelen. Maar ze geeft Jafet aan Sem, opent haar ransel, haalt naald en draad, water, geneeskrachtige kruiden en zelfgemaakte verbandmiddelen tevoorschijn en gaat aan de slag. Noach en de jongens kijken voor wat een eeuwigheid lijkt te duren ademloos toe. Ze maakt de wond schoon, naait hem dicht, dekt hem af met een papje van kruiden en zet de zaak stevig vast met verband. Zo nu en dan kijkt ze onderwijl even naar het gezicht van het meisje. Haar huid is asgrijs, de lippen bijna volmaakt blauw; koud zweet maakt dat haar lokken als wormen over het voorhoofd en de wangen kronkelen. Evengoed is het een prachtig kind met een opvallende beenderstructuur en tere trekken. Wanneer Naäma bijna klaar is en het verband met een paar laatste knopen zekert, knippert het meisje een paar keer met haar ogen. Grote kijkers staren verwonderd omhoog. ‘Ben jij een engel?’ fluistert ze. 40


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 41

Naäma glimlacht. ‘Nee, een vriendin. Hoe heet jij?’ Het meisje kijkt haar alleen maar aan. Haar pupillen rollen omhoog, alsof ze haar bewustzijn weer verliest, maar dan komt ze met een schok toch weer terug. ‘Maak je maar niet druk,’ zegt Naäma zacht. ‘Je bent veilig, nu.’ Teder strijkt ze de vochtige slierten uit het gezicht van het meiske. Het kind deinst onwillekeurig terug en slaakt een kreet van pijn; zelfs die lichte beweging is te veel. Er verschijnen bloedvlekken op het verband. Naäma sust haar en gebaart dat ze stil moet blijven liggen. ‘Ila,’ fluistert het meisje. ‘Ik heet Ila.’ ‘Ila,’ herhaalt Naäma met een glimlach. ‘Dat is een prachtige naam. Ila, dit is Noach, mijn man. Hij gaat je zo dragen. Is dat goed?’ Ila werpt een scheve blik op Noach en knikt. ‘En dit is Sem.’ Naäma keert zich naar haar oudste zoon, die naast haar op zijn hurken zit. ‘Hij zal je hand vasthouden en je niet meer loslaten.’ Sem glimlacht naar het meisje en zij glimlacht zwak terug. Naäma staat op en maakt ruimte voor Noach, die op zijn hurken zakt, twee armen onder het lichaam van het meisje steekt en haar behoedzaam optilt. Hij doet het zo voorzichtig mogelijk, maar ze schreeuwt evengoed van pijn. Sem knijpt in haar hand. Zij knijpt terug en kijkt hem even met een vertrokken gezicht dankbaar aan. Plotseling horen ze nijdige kreten, ergens achter hen. Cham wijst. ‘Pap! Kijk!’ Over de rand van de met puin bezaaide krater achter hen komt een groep mannen geklauterd; het zijn er zeker veertig. Noach ziet in een oogopslag dat het om plunderaars gaat, mogelijk dezelfde die de groep verzamelaars die zich hier gevestigd had, heeft weggevaagd. Al vanaf grote afstand is te zien dat het een ongeorganiseerde troep nietsontziende barbaren is. Maar 41


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 42

ook dat ze ten einde raad zijn. Dat, en hun aantal, maakt hen levensgevaarlijk. Dit soort bendes zijn er veel. Ze schuimen het land af, roven en plunderen alles wat los en vast zit, waar en wanneer ze de kans maar krijgen, en houden zich op die manier in leven. Daarbij gaan ze als beesten tekeer. Waar zij zijn geweest, is doorgaans niemand meer in leven. Niet omdat doden altijd noodzakelijk is – meestal niet – maar voor dit soort plunderaars is dat ook niet relevant. ‘De heuvel op!’ schreeuwt Noach. ‘Ren!’ Hij neemt de leiding en klimt, zo snel als hij met Ila in zijn armen durft, omhoog. Het lijf van het meisje bonst op en neer en ze kreunt van pijn, maar ze houdt haar ogen stijf dicht. Sem en Cham, bevrijd van hun last, rennen voor hem uit. Naäma roept hun na dat ze voorzichtig moeten zijn. Zij rent naast Noach, klemt Jafet stevig tegen zich aan om te voorkomen dat hij op het ritme van haar stappen te hard op en neer stuitert. Ze hijgt. ‘Die blijven we nooit voor.’ ‘We moeten het toch proberen. We hebben weinig keus.’ Ze bereiken de heuveltop en beginnen aan de afdaling. Voor het eerst, terwijl hij het meisje stevig in zijn armen houdt, vraagt hij zich af of hij zich niet heeft vergist. Heeft hij de boodschap van de Schepper dan toch verkeerd begrepen? Heeft hij zijn gezin onnodig in gevaar gebracht? Gaan ze zo aan hun eind komen, afgeslacht op een naamloze heuvel om een paar spullen die alles bij elkaar de moeite nauwelijks waard zijn? Het lijkt zo nutteloos, tegelijkertijd is het de cynische bevestiging van zijn gelijk dat de mensheid onvoorstelbaar diep gezonken is. Hij werpt een snelle blik over zijn schouder. De mannen lopen op hen in. Het is een kwestie van een paar minuten voordat zijn gezin wordt ingehaald en afgeslacht. Hij weet dat hun achtervolgers geen genade zullen kennen. Hij kan alleen maar hopen dat hun een snelle dood wacht. Als hij weer voor zich kijkt, ziet hij dat Cham en Sem zijn blijven staan. 42


Noah 1-288_Opmaak 1 19-03-14 10:34 Pagina 43

Wat zijn zij aan het doen? Hebben ze, hoe jong ze ook zijn, in de gaten hoe zinloos het is om te blijven rennen? ‘Sem! Cham!’ brult hij. ‘Ren. Ren!’ Dan ziet hij waarom ze stilstaan en waar ze naar kijken. Er is een paal in de grond gestoken, onder een hoek, waaraan een skelet bungelt. De schedel is ingeslagen, de ribben gebroken. Het is niet het enige skelet. Lang niet.Voor hen, op een onderlinge afstand van een pas of twintig, hangen er veel meer: skeletten aan een scheef in de aarde gestoken paal. Ontelbaar veel, sommige al heel erg oud; in onafzienbare rijen, zover hun ogen kunnen zien.

43


het boek bij de film

DE OPDRACHT VAN EEN MAN OM DE MENSHEID TE REDDEN

Als hij een visioen krijgt over een vloed die wordt gestuurd om al het leven op aarde te vernietigen, weet Noah wat hem te doen staat. Samen met zijn familie moet hij van alle levende wezens er twee redden. Hij moet een ark bouwen.

TM & ©2014 Paramount Pictures. Alle rechten voorbehouden.

ISBN 978 90 435 2342 4

het boek bij de film

Noah moet het hoofd bieden aan tal van gevaren die dreigen hem te doen falen en de wereld te verwoesten, en tegelijkertijd zijn eigen worstelingen overwinnen om zijn missie te laten slagen. Dit is het epische verhaal over de poging van één man om het leven op aarde te behouden voor een nieuwe wereld.

Een roman van

Mark Morris Gebaseerd op het filmscenario van 9 789043

523424

Darren Aronofsky

en

Ari Handel

NUR 302 www.kok.nl NOAH TOTcor.indd 1

19-03-2014 10:38:55


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
leesfragment Noah - Mark Morris by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu