Skip to main content

Leesfragment 'Vaders erf' van Jan W. Klijn

Page 1

D

Jan W. Klijn had van jongs af aan al de behoefte om verhalen te schrijven. Inmiddels verschenen van zijn hand in de Citerreeks onder andere Onrecht in de Alblasserwaard, Volhouder en Trots en trouw.

ISBN 978 90 2054 090 1 NUR 344

9 789020 540932 w w w.c i ter r eek s .nl

Vaders erf

e familie Eijkelenboom bewoont al jarenlang een boerderij in de Alblasserwaard. Boer Arie runt in de jaren zestig met veel plezier een boerderij. Maar zijn leven kent ook veel tegenslagen, zowel privé als in het boerenbedrijf. Maar één gevoel blijft recht overeind staan bij Arie: de trots van het boer-zijn en zijn liefde voor het boerenvak. Dit gevoel stopt gelukkig niet bij Aries generatie. In Vaders erf beschrijft Jan W. Klijn de ontwikkelingen van het boerenleven vanaf de periode 1960 tot heden: van de tijd van melkbussen vervoeren met paard en wagen tot het runnen van een modern boerenbedrijf.

Jan W. Klijn

Een ode aan alle boeren en hun noeste arbeid

Jan W. Klijn

Vaders erf Over een boerenfamilie vol liefde, standvastigheid en de moed om door te gaan

Roman


Vaders erf


Van Jan W. Klijn verschenen eerder in de Citerreeks o.a.

Onrecht in de Alblasserwaard Moord in de Alblasserwaard Volhouder Op eigen grond Trots en trouw Overheidsdienaren Dorp in verzet (bevat Oorlogstijd langs de Lek en Overwinning) Nieuwe wegen


Jan W. Klijn

Vaders erf

CITER

REEKS


isbn 9789020540901 isbn e-book 9789020540918 isbn grote letter 9789020540925 nur 344 © 2021 Citerreeks Postbus 13288, 3507 LG Utrecht Omslagontwerp Liesbeth Thomas, t4design www.janwklijn.nl www.citerreeks.nl Deze roman berust op waargebeurde feiten. De dialogen en een aantal gebeurtenissen zijn – met instemming van de betrokken personen – bedacht en aangevuld door de auteur. Om privacyredenen zijn sommige personen niet bij naam genoemd. Alle rechten voorbehouden Uitgeverij Zomer & Keuning vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze om te gaan met natuurlijke bronnen. Voor de papieren editie van deze uitgave is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan zeker is dat de productie niet heeft geleid tot bosvernietiging.


Inleiding

In deze voor boeren hectische tijd is het niet verkeerd over het dagelijks leven van een boer te schrijven. Dat het in dit boek een Alblasserwaardse boer betreft zal u als lezer van mijn hersenspinsels niet verbazen. U kent intussen mijn grote liefde voor onze streek, waarin boeren al eeuwenlang een hoofdrol spelen. In 2021 is dat niet anders. Wat zeg ik? Meer dan ooit spelen ze een hoofdrol. Gedurende de intensieve speurtocht naar de waarheid van het moment ben ik me dat nog weer meer bewust geworden. Jan Eijkelenboom (1964) speelt in het navolgende verhaal een hoofdrol. Zijn familie ken ik van jongs af aan. Opa Jan Korevaar, van zijn moeders kant, was mijn oom. Diens vrouw, oma Korevaar, Neeltje, derhalve mijn tante. Opa Eijkelenboom, van zijn vaders kant, kocht in de jaren zestig van de vorige eeuw wekelijks bij mij op de markt pakjes roomboter. Ik zie zijn pinkelende ogen achter de dikke brillenglazen nog voor me. Ook zij komen zijdelings voor in het verhaal. Echter, de hoofdmoot is de ontwikkeling van het boerenleven gedurende de jaren 1960 tot 2021. Fictie en werkelijkheid lopen soms door elkaar. Onvermijdelijk bij het schrijven van een roman over die tijd. Maar weet dat de grote lijn klopt. Zo ging het, is het gegaan en gaat het nog. In de tijdsperiode van ruwweg 1950 tot 1970 vond de ruilverkaveling plaats, met daaraan gekoppeld de Landinrichtingswet.

5


Voor veel boeren een zeer ingrijpende gebeurtenis. Lang niet alle boeren deden daar in eerste instantie aan mee. Voorzichtigheidshalve lieten ze zich voorlichten, maar daar bleef het bij. Arie Eijkelenboom, vader van Jan, deed wel mee. Hij was een van de eersten die van de Kerkweg in Neder-Hardinxveld met heel zijn hebben en houwen midden in de polder van Giessenburg belandde, op een gloednieuwe boerderij. Van onder andere Evert Bieshaar (1945) vernam ik veel feiten over die periode. Ook hij was een van de eerste boeren die van de ruilverkaveling durfde te profiteren. Met zijn vader, die destijds nog boerde. ‘Ja, want het was een hele stap hoor Jan,’ vertelde hij met een lach op zijn gebruinde gezicht. ‘Echt, je stak je nek uit zonder de afloop te weten,’ besluit hij opgewekt. Hij geniet met zijn vrouw van een mild voorjaarszonnetje bij hun fraaie bungalow langs de Lek, aan de Gorzen in Groot-Ammers. Hij is al vele jaren herenboer, zat jarenlang in het bestuur van melkgigant Campina. Vanuit Graafland, Groot-Ammers verkaste hij in 1972 naar de gloednieuwe boerderij met opstallen aan de Peppelweg, een slordige kilometer zuidelijker. Sindsdien is er veel gebeurd bij de boeren. Ook tante Corrie (1942), een jongere zus van zijn vader Arie (1934), vertelde me veel over de oude tijd. Maar ook van daarna. Ze wist veel van zaken die zich in het verleden afgespeeld hadden. Scherp, en soms met een zekere humor schetste ze dingen. Zij werd geen boerin, het leven leidde haar op andere wegen, maar wel had het boerenleven haar hart. Als tiener haalde ze jarenlang melkmonsters op bij boeren. Mede daardoor ontwikkelde ze liefde en begrip voor het boerenvak. Ze volgde dan ook het wel en wee van haar ouderlijke stee met argusogen. De verzuchting tijdens ons gesprek in haar woning, ‘ach Jan het leven viel niet

6


altijd mee’, geeft aan dat ook zij het nodige heeft meegemaakt. Ieder mensenleven kan een lezenswaardig boek opleveren! Jan Eijkelenboom was oktober 2019 met zijn trekker op het Malieveld in Den Haag. Voor hem minder ver dan voor Friezen en Groningers, maar gezien het drukke leven van een boer toch tijdrovend. Feitelijk te veel tijdrovend, want het boerenleven kent geen lege tijden; veeboeren werken keihard. Zitten iedere dag, dus zeven dagen in de week boordevol bezigheden die nu eenmaal gebeuren moeten. Immers, de schoorsteen moet roken, de koeien twee keer per dag verlost worden van hun melk die de uiers zwaar maken. Dat het vee op Gods dag ook moet eten en drinken moge duidelijk zijn. Maar verder worden in de Waard op zondag de werkzaamheden beperkt tot een minimum. Veel leesplezier, Jan W. Klijn

7


1

Arie Eijkelenboom, de vader van Jan wordt geboren als boerenzoon in Neder-Hardinxveld. Giessendam was in die tijd nog een aparte gemeente. Boeren en hoepelmakers vormden de hoofdmoot van bewoners in Giessendam. Maatschappelijk stonden de boeren toch wel een paar stapjes boven de hoepelmakers. Maar beide groepen waren harde werkers, leefden vredig naast elkaar. Arie kwam op 24 juli 1935 ter wereld op een boerderij gelokaliseerd aan de smalle Kerkweg. Hemelsbreed nauwelijks tweehonderd meter verwijderd van Giessendam. Voor de Tweede Wereldoorlog was de naam van het wegje nog Achterdijk. Na de samenvoeging van Hardinxveld met Giessendam werd het Kerkweg. Achter de boerderij ligt De Wiel, een nostalgisch watertje met globaal de vorm en afmeting van een voetbalveld. Aan de westzijde op de oever van De Wiel zijn huizen gebouwd. De bewoners hebben een prachtig uitzicht over het watertje, en met de hengel zijn er prima vismogelijkheden. Eenden, meerkoeten, waterkipjes, futen, zwanen, ganzen, zij bemannen De Wiel met hun typische zwemgedrag en geluiden. Onder het wateroppervlak bevinden zich brasems, reusachtige karpers, witvissen, snoeken, stekelbaarsjes, zeelten en zelfs palingen. Iets oostelijker van de boerderij loopt langs De Wiel een voetpaadje, Het Laantje. Daarop lopend krijg je een fraai beeld van de omgeving, waarbij de slanke kerktoren van de Hervormde Kerk prominent aanwezig is. Links van Het Laantje staat vredig een nostalgisch, prachtig

9


theehuis, omringd door hoge laurier- en populierenbomen. Alles harmonieert wonderwel, maar een veeboerderij zou je er nu bepaald niet zoeken. De stee ligt schuin tegenover de Hervormde Kerk, dicht bij de Peulenstraat, de belangrijkste winkelstraat in de jaren vijftig. Tussen De Wiel en de boerderij ligt een smalle strook grond met de mesthoop en een groentetuin, waar ook een klein hoekje voor bloemen is vrijgemaakt. Al met al een onlogische plek voor zo’n forse veeboerderij, zomaar voor het oog neergekwakt tussen burgerhuizen aan een smal wegje. Toch is het realiteit dat hij er staat, vierkant en onbewogen. Via de Kerkweg en de Peulenstraat moet het vee naar de weilanden worden gebracht, en in het najaar weer terug naar de stal. Telkens weer een hele gebeurtenis door de wat vreemde ligging van de stee. Het is op een zonnige voorjaarsdag half april, tien uur in de morgen als het spektakel opnieuw plaatsvindt. Een stoet zwartbonte koeien als blikvanger. Voorop rijdt een paardenwagen met ratelende wielen, gemend door de boer zelf. Kort erachter volgt een viertal koeien, de halsters gekoppeld aan de paardenwagen. Eigen volk en enkele hulpen begeleiden de overige koebeesten die daar weer achter lopen. Koeien zijn kuddedieren, ze volgen min of meer probleemloos de voorste soortgenoten. Toch blijft het deksels goed opletten voor de begeleiders. Als de koeien schrikken kunnen ze rare sprongen maken. Je schrap zetten om de boosdoener in toom te houden is het enige wat je kunt doen. Strepen koeienvlaaien geven aan welke weg ze aflegden, ook zie je zo nu en dan een ris donkergroene, ronde paardendrollen op de straatkeien liggen. Niemand die zich daar druk over maakt; de bewoners van het dorp weten niet beter. Groenteboeren, bakkers, melkboeren, stoffenhandelaren, pannen- en pottenverkopers rijden met paardenwagen. Honden voor

10


en onder de kar zijn sinds 1940 verboden. Op een enkele oudere negotieman na die nog ontheffing heeft, zie je die niet meer op de openbare weg. De kooplui bezoeken met paardenwagen een aantal keer per week of maand hun klanten, dus Jan Publiek in dorpen en steden is dierlijke uitwerpselen op straat wel gewend. Dus het is zaak de runderen goed in toom te houden, ze zijn sterk en als ze ontsnappen is het bar lastig ze weer te vangen. Door die wetenschap wordt er secuur met het vee omgesprongen, geen onnodige risico’s genomen. Ze gaan in colonne over het sluisje, langs de kaarsrechte grenspaal, de afscheiding tussen Neder-Hardinxveld en Giessendam. Bij hotel De Zwaan gaat de karavaan rechtsaf, vanaf dan bewegen ze zich onrustig voort tot aan de spoorwegovergang. Die kruisen ze en slaan vervolgens linksaf. Na zo’n vierhonderd meter, evenwijdig met de spoorlijn lopend, zijn ze op de plaats van bestemming aangekomen. De koeien moeten daar rechts van de weg het lokkende, groene weiland in. Ze gaan door het openstaande witgele houten hek, dat van geschilde slieten is gemaakt. Eenmaal in de grasmassa, waartussen witte en gele bloemen staan, vieren de koebeesten hun vrijlating. Met uitbundige, grillige, dolle sprongen, waarbij grote koeienlijven door de lucht zweven, hun zware uiers heen en weer zwiepen, maken ze sier. Rennen, schijnbaar ongecontroleerde zijwaartse bewegingen, door de inspanningen krampachtige geluiden tevoorschijn toverend. Uit een kale knotwilg, ze zijn in de winter juist van hun takken ontdaan, vliegt een broedende eend verschrikt op. Sporen van eendenpluis verraden dat er een nest moet zitten. Bijna allemaal van dezelfde lengte staan de knotwilgen als stille schildwachten langs de sloot, de een wat meer gebogen dan de ander. Driftig kwakend belandt de eend een stukje verder in het water, waar ook de woerd zwemt. In de kanten van de sloot staan diepgele dotters met hun groene glanzende bladeren. Blauwe vergeet-me-nietjes ernaast, klein en

11


teer ogend. De koeien zijn zichtbaar blij dat ze de schemerige stal hebben mogen verlaten. Dat ze in de herfst bij heftige regenbuien droefgeestig dicht tegen elkaar aan met hun kop naar beneden, en met hun konten naar de neerkletsende koude regenstralen staan, gaat hun bevattingsvermogen te boven. Na krap tien minuten zijn ze uitgeraasd en lopen ze eendrachtig bij en naast elkaar, gulzig het glanzende, groene gras oppeuzelend. Even schrikken ze op, een trein rijdt langzaam voorbij en stopt bij het station dat honderd meter verderop ligt. Maar uit hun dak gaan ze niet meer, het verse gras is te verrukkelijk. Over het dichtgemaakte hek leunend kijkt boer Eijkelenboom met zijn hulpen het drukke gedoe van de koebeesten nog even aan. Als ze tot rust zijn gekomen gaat ieder tevreden zijns weegs. De klus is weer geklaard, tot de herfst speelt dat gedoe niet meer. Hun eerstvolgende taak wordt thuis stront boenen. Vuil, resten hooi en stro wordt zorgvuldig uit de lege stal verwijderd. De smerige wanden worden gereinigd en wit gemaakt. Werkzaamheden die wettelijk zijn voorgeschreven als de koeien weer in de wei lopen. Ook de stalraampjes worden zorgvuldig schoongemaakt. Het vuil eraf, de spinnenwebben verwijderd. Dit alles gebeurt om besmettingen te voorkomen. Met man en macht, allen die in het boerengezin beschikbaar zijn, wordt de bewerkelijke en noodzakelijke klus eendrachtig geklaard. De gehele zomer is de stalruimte dan ook proper en schoon. Totdat laat in het jaar de koeien weer naar stal gebracht worden, en de cyclus opnieuw in werking treedt. Zo gaat het jaar in jaar uit, eeuw in eeuw uit. Er is niets nieuws onder de zon, zegt het Woord. De boer draait gewillig mee in de maalstroom van het leven! Voor het oog gemakkelijk meebewegend in wat hij op zijn weg tegenkomt. Totdat iets hem te gortig wordt, men te ver gaat. Dan ontpopt hij zich als een niet te onderschatten tegenstander die linksom of rechtsom zijn recht ziet te halen. Je kunt hem dan beter niet als tegenstander hebben!

12


Boer Eijkelenboom is goed voor zijn vee. De koeien hadden de rit naar het weiland afgelegd, toen een paar dagen erna het weer plotseling omsloeg. En niet zomaar even, neen, het leek wel of de herfst was aangebroken. Het ontaardde in een zeer natte, stormachtige herfst. De koeien stonden in het drassige weiland droefgeestig bij elkaar, koppen voorover, starend naar het water waarin de onophoudelijke neerplenzende regendruppels grote bellen veroorzaakten. En dat nota bene op Koninginnedag, 30 april. Het weiland was doorweekt. Iedere koeienpootstap maakte een onwenselijk putje. ‘We gaan ze terughalen jongens,’ zei pa Eijkelenboom resoluut aan tafel. ‘Dit is geen doen voor die dieren. Straks krijgen ze nog kopziekte ook. Vrouw, lezen doe ik vanavond wel.’ Zijn ogen fonkelen achter de dikke brillenglazen. Ja, als pa zo kijkt en spreekt helpt er geen moedertje lief aan. Hij is vriendelijk, meegaand, maar kan ook zeer beslist zijn. De tegenspraak is dan ook maar zwakjes. ‘Weet je het wel zeker man? Zou je dat nu wel doen? Het is vandaag nog Koninginnedag ook,’ tracht moe Eijkelenboom hem te temperen. ‘Je bent al kletsnat geregend vanmorgen met het melken. Het stort weer.’ Langs de ramen loopt het regenwater in stromen naar beneden. ‘Blijf jij maar thuis vrouw. Arie, ga jij vast hooi afgooien. Dan hebben die dieren eten als ze weer op stal staan. Het is gemakkelijk, iedereen is thuis vandaag. Corrie, loop jij naar buurman Kroon? Vraag of hij en zijn zoon tijd hebben. En ga erna naar buurman Boerman. Als die ook samen komen hebben we genoeg hulp. Zeg maar dat ze een vergoeding krijgen, dan komen ze wel.’ ‘Ik ga ook mee hoor pa,’ roept Corrie, terwijl ze in haar klompen schiet. Pa glimlacht, natuurlijk mag zijn oogappeltje mee. Op zondag kruipt ze ook al onder een koe, melkt dapper mee.

13


Moeder schudt haar hoofd, maar laat het daarbij, ze weet dat haar protest kansloos zou zijn. ‘Piet, Henk, jullie ook mee,’ commandeert pa. Ook zij zijn thuis op deze nationale feestdag. Enthousiast zijn ze niet, het boeren kan hen gestolen worden. Ze kijken donker, maar hijsen zich zonder commentaar in hun regenkleding. ‘Als we snel vertrekken zijn we om een uur of twaalf weer thuis. We nemen de trekker, ik rijd zelf. Halsters, touwen liggen in de buitenschuur. Haal die eerst Arie, dat hooi kan ook als we terug zijn,’ corrigeert pa zichzelf. Arie heeft zo zijn bedenkingen, het weer kan omslaan, maar ook hij zegt niets. Corrie is twaalf, zeven jaar jonger dan Arie, ze kijkt tegen hem op als haar grote broer, rent op haar spillebenen naar de overzijde van de Kerkweg. En jawel hoor, vier buren, Kroon en Boerman, komen direct met haar mee. Arie, hij is nog wel jong maar boer in hart en nieren, vindt het een spannend gebeuren. Dit maakte hij nog niet eerder mee in zijn jonge boerenleven. Binnen tien minuten rijden ze op weg naar het weiland. Drie zitten er op de tractor, zes rijden er mee op de platte bandenwagen. Alle negen dragen ze regenkleding, de boeren lopen op klompen, de anderen hebben halflange laarzen aan. Met een reep veekoek worden de koeien, die in een groep bijeen staan, gelokt. Het lijkt alsof ze het begrijpen wat er gaat gebeuren, ze zijn opmerkelijk meegaand, laten zich gemakkelijk het halster omdoen. In een stoet rijden en lopen ze huiswaarts. De koebeesten volgen gewillig, het is alsof ze de stal ruiken. Net over het spoor horen ze de fanfare klinken. Ondanks de regen, die voor het moment beduidend minder is, de lucht zit nog wel potdicht, is er toch nog een behoorlijk aantal personen op de been. Vlaggen wapperen, iedereen heeft oranje op. Zij zijn de echte oranjefanaten. De burgemeester heeft een paar woorden gesproken, vaderlandse liederen zijn er gezongen voor het gemeentehuis. Nu trekt de fanfare in vol ornaat het Wilhelmus

14


spelend naar de Peulenstraat. Halverwege staat daar Ne Bo, het verenigingsgebouw, waar warme koffie met speculaas de muzikanten wacht. En zo kan het gebeuren dat een koeienkaravaan van twintig stuks pal achter de muziek aanloopt. Verbaasd wordt het vreemde schouwspel door Jan Publiek aangezien. Is dit de verrassing van het gemeentebestuur voor Koninginnedag? De koeien zijn toch nog maar net een week terug naar het weiland gebracht? ‘Dat is die boer van de Kerkweg,’ wordt er onderling gepraat met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Dan zal hij voor deze vertoning wel een vergoeding krijgen van de gemeente.’ ‘Denk je?’ ‘Zeker te weten, een boer en een zog hebben nooit genog, dat weet je toch? En wij betalen het hoor.’ ‘Wij?’ ‘Ja, natuurlijk slimmerik, dat gaat van ons belastinggeld hoor. Wie denk je anders dat de vergoeding betaalt?’ ‘Nu je het zegt Marius…’ De spreker wordt met respect aangekeken. Die Van der Wiel kun je om een boodschap sturen, dat merk je nu weer eens. ‘Een heer en een beer lusten nog meer,’ doet een derde toeschouwer guitig een duit in het zakje. ‘Die fanfarelui hebben geluk dat ze vooroplopen,’ zegt een mager scharminkel met hoge stem. ‘Waarom Gertie,’ vragen de anderen verbaasd? ‘Anders trapten ze in de koeienstront,’ lacht het roodharige jong. Grijnzend kijken de anderen elkaar aan. Zo van, dat joch kun je de ruimte geven. De verslaggever van de plaatselijke weekcourant vermeldt het gerucht in het nummer van die week, er zou aan de boer betaald zijn. Navraag heeft hij niet gedaan, ook hij ziet het gemakshalve als een aardige publieksvriendelijke stunt van het gemeentebestuur. Hij schrijft zo geloofwaardig dat er zelfs in de gemeente-

15


raad vragen over worden gesteld. De wethouder, een zwaarlijvige SGP’er praat zich de blaren op zijn tong om het te ontkrachten. ‘Ik heb het toch zelf in de krant gelezen?’ repliceert fel het PvdA gemeenteraadslid met een frettengezicht. ‘De kranten brengen leugens in het land hoor mijnheer Slop,’ merkt de burgemeester ten slotte snedig op. Als voorzitter maakt hij abrupt een eind aan het gekissebis. Immers, hij weet dat het nonsens is. Daarmee bloedt het dood. Het is halfeen als de beesten weer veilig op stal staan. Later hoort Eijkelenboom dat er inderdaad boeren zijn van wie de koeien last van kopziekte hadden. Dus hij had het gevaar wel degelijk goed ingeschat. Maar het blijft een gebeurtenis die als anekdote altijd in de familie zal blijven rondzingen; hun veestapel die begeleid door fanfaremuziek op Koninginnedag naar de stal werd gebracht. Twee weken later speelt zich weer het omgekeerde verhaal af. Opnieuw beleven de koeien na de looppartij vanuit de stal naar het weiland het plezier van het verse gras. In de wei melken vergt meer tijd dan dat het vee op stal staat. Niet erg, want melk gewonnen uit vers gras is kwalitatief het beste. En na het kalven, in die tijd van februari tot april, geven de koeien maandenlang ook nog eens de hoogste opbrengst in liters. En de boer wordt door de melkfabriek per liter betaald, nietwaar? Boer Eijkelenboom moet met paardenwagen van de Kerkweg naar het weiland waar de koeien lopen. De nog lege melkbussen rammelen op de kar. Het hoefbeslag en zijn stem klinken luid tegen de straatklinkers, tussen de huizen. ‘Vooruit, vooruit,’ roept hij, zijn paard aanzettend tot meer spoed. De leren leidsels kletsen op het brede achterwerk van de viervoeter. Even versnelt het paard om dan weer terug te vallen in zijn normale gangetje. Steeds weer klinkt de luidkeels geroepen aansporing, tot ze bij

16


het weiland zijn. Het hek wordt opengezet, de paardenkar naar binnen gereden. Achter hen wordt het hek onmiddellijk gesloten. Het paard krijgt gedurende de melktijd een voederzak om zijn nek gehangen, bij sommige boeren mag het vrij rondlopen. Dat betekent meer werk; het paard moet dan uit- en later weer ingespannen worden. Boer Eijkelenboom kiest daarom altijd voor de voederzak. Hij lokt de koe naar zich toe met in zijn uitgestoken hand een reep veekoek, waar het beest gek op is. De koe strekt zijn nek. Gretig neemt ze met haar brede mond, met daarin de grote, ruw aanvoelende tong, de koek in ontvangst. De boer duikt onder de koe, zittend op een houten melkblok. Hij bindt met een sterk gevlochten strotouw de achterpoten bij elkaar, en probeert de lange staart gelijk mee vast te snoeren. Dat is om klappen te voorkomen. Dikwijls zitten de kwasten van de staarten vol opgedroogde stront. Een klap op je hoofd of oren, meestal bedoeld om hinderlijke vliegen weg te jagen, kan hard aankomen. Kort streelt de boer routinematig met zijn eeltige handen de uier van de koe om haar te laten wennen. Zijn hoofd met de pet drukt tegen het warme koeienlijf aan. Hij maakt met een vochtige doek de uier en de spenen zorgvuldig schoon. Dan beginnen zijn sterke knuisten de vier spenen, twee voor twee, leeg te knijpen. Het witte vocht komt in de wat schuinstaande roestvrijstalen emmer terecht, die geklemd zit tussen de knieën van de boer. De lauwe melkstralen maken een zingend geluid, spoedig vormt zich een schuimlaagje. Zijn klompen staan stevig op de zachte grasondergrond. Hij melkt net zo lang totdat de uier vrijwel leeg is. Trekt de vier spenen nog even na om ook het laatste restje eruit te peuren. Dan wordt het touw om de achterpoten losgemaakt en herkrijgt de koe haar vrijheid. Via een teems met daarin een fijnmazig filter van papier om vuil te weren, wordt de emmer met lauwe melk leeggegoten in de melkbus. De boer grijpt een nieuwe reep veekoek en lokt de volgende koe,

17


die meestal dichtbij staat. Onder de koeien heerst een bepaalde rangorde, die ze zelf in de gaten houden. Op deze manier melkt hij er in zijn eentje maximaal zes in een uur. Twee keer per dag tweeëntwintig koeien melken is dan ook een tijdrovende klus. Na het melken rijdt de boer, met soms ook de boerin of zoon Arie naast zich, de weg terug naar de boerderij aan de Kerkweg. De volle melkbussen met het nummer van de betreffende boer erop worden thuis aan de weg gezet. Het kostbare witte vocht vormt het hoofdinkomen van de veeboer. Twee keer per dag worden de melkbussen opgehaald door de melkrijder. Hij smijt ze een voor een routinematig in de open bak van de vrachtwagen. Herhaalt dat ook bij andere boeren. Als hij de boeren heeft afgewerkt brengt hij zijn vracht naar de melkfabriek. Daar worden per boer de geleverde liters nauwkeurig genoteerd, maar ook het vetpercentage. Die twee bij elkaar bepalen de prijs. Een propere boer vangt iets meer per liter dan een boer die minder krap kijkt. Daarmee tracht de directie van de melkfabriek de hygiëne te bevorderen. Juist voor de kaasproductie is dat heel belangrijk. Niet schone melk kan afwijkingen van de geproduceerde kaas veroorzaken. Tikkers, veroorzaakt door een soort gistingsproces, scheuren, afwijkende smaak, allemaal dingen die de prijs voor kaas nadelig beïnvloeden. Maar datzelfde geldt ook bij pasteurisatie van de melk. Daarom worden boeren beloond voor secuur werken. Uiteindelijk wordt het witte goud in flessen of kartonnen pakken gedaan voor de verkoop in de supermarkt. Het inleveren van de melk gebeurt in Bleskensgraaf, maar ook Peursem behoort tot de mogelijkheden. Het is zwaar werk om de gevulde bussen op de auto te slingeren, dertig liter als hij vol is, plus het gewicht van de bus zelf. Lege bussen met hetzelfde nummer erop zet de melkrijder ervoor op de plaats waar hij de volle oplaadde. Op zondag haalt de melkrijder in de winter geen melk op. In de zomer een keer per dag. Zelfs in de calvinistische

18


Alblasserwaard is dat heel normaal. Melkopbrengst is er in de winter wel, de koeien moeten gewoon gemolken worden, ook op Gods dag. De melkbussen worden de nacht over in een gemetselde wel gezet, gevuld met koelwater, om de houdbaarheid niet in gevaar te brengen. Op maandag heeft de gespierde melkrijder dan ook extra vracht te vervoeren. Maar het vee verkassen van en naar de stal is altijd een heel gedoe. Opa en oma Eijkelenboom weten niet beter, ze boeren aan de Kerkweg best naar hun zin. Met tweeëntwintig Friese Holsteiners is Eijkelenboom een flinke boer. Ze kunnen goed rondkomen van de melkopbrengst. En dan is daar ook nog de kalverenverkoop. Sommige kuusjes (vrouwtjeskalfjes) houden ze zelf als fokvee, de stiertjes worden na een week of drie via een veekoper verkocht. Het aan huis verkochte witte goud levert een paar centen meer op per liter. Dat is een taak die moeder Eijkelenboom graag en secuur doet. Meestal komt de klant tussen zes en zeven uur in de avond. Een volle melkbus staat gereed. De klant wil een kan of kom van drie liter? Boerin Eijkelenboom schept drie keer met de literkan, na de laatste doet ze er een klein scheutje melk bij, want exact vol is de literkan nooit. Ieder het zijne nietwaar? Het aantal liters wordt bijgehouden, een keer per week wordt contant afgerekend. Soms hoor je van boeren die de volle melk aanlengen met water voor particulieren. Maar dat proef je, het witte vocht wordt wateriger. Meestal duurt dat misbruik dan ook niet lang. Verontwaardigd wijst de benadeelde op het bekende spreekwoord: ‘ieder het zijne en de kwaaie niemendal!’ En de Tien Geboden uit het Woord zijn ook bij eenieder bekend, dus geen uitvlucht kan de dader baten. Hoogstwaarschijnlijk hoort hij of zij ook wekelijks Gods wetten in de kerk voorlezen. Niemand is in staat ze te houden, maar je best ervoor doen is ieders dure plicht. Daar mag je, nee moet je op gewezen worden. An-

19


derzijds, ‘wie zonder zonde is werpe de eerste steen’. Ook dat is een waarheid als een koe, om maar in boerentermen te blijven! Maar rommelen met de melk is uit den boze. Natuurlijk leeft het boerengezin zuinig, dat zit er van nature ingebakken. Moeder Eijkelenboom is een lange, opgewekte vrouw met een bril en lang haar. Zij weet buitengewoon verstandig met geld om te gaan. Haar man heeft daarin het volste vertrouwen. Dat geeft hem een rustig gevoel. Neen, ze hebben het goed en zijn tevreden. Het echtpaar is gezegend met vijf kinderen. Arie, geboren op 24 juli 1935, is de oudste. Na hem volgt een meisje, Corrie. Dan twee keer een zoon, Henk en Piet, om af te sluiten met een meisje, Truus. Met totaal zeven personen blijkt het boerengezin compleet te zijn. Ze weten niet beter dan dat het dagelijks leven gepaard gaat met werken en zorg voor vee. Dag en nacht vraagt de veestapel aandacht. Er is altijd wat te doen. Als vanzelfsprekend wordt het hele gezin al op zeer jonge leeftijd daarbij ingeschakeld. ‘Arie, breng deze aardappelschillen even naar de koeien. Corrie, kijk of er eieren zijn. Voorzichtig dat je ze niet breekt,’ commandeert moeder Eijkelenboom, terwijl ze het vlees voor het avondeten bereidt in de keuken. Bekwaam hanteert ze het grote mes waarmee ze lappen varkensvlees aan stukken snijdt. Tegenspraak van haar kroost klinkt zelden, het werk moet nu eenmaal gebeuren. Dat wordt er spelenderwijs bij hun kinderen ingehamerd. In goede harmonie groeien ze op, geliefd door vader en moeder Eijkelenboom. Ze zijn trots op hun nageslacht. Al jong laat Arie zien voor boer te zijn geboren. Dit in tegenstelling tot zijn twee jongere broers, die weinig enthousiasme tonen. Maar Arie wel, tot grote vreugde van zijn ouders. Melken, met het paard omgaan, een fraaie bruine merrie met hoge flanken, het vee ver-

20


zorgen, maar vooral ook koeien op waarde beoordelen, het heeft allemaal zijn interesse. Immers, dit zijn hoofdtaken van een goede veeboer. Dat heeft hij al snel door. Als er gehandeld wordt staat hij als een wijsneusje bijna bovenop de twee mannen. Met spanning volgt hij de altijd voor het oog en oor heftige prijsdiscussie. In zijn blauw ketelpakje, zich parmantig op klompjes voortbewegend, oogt hij als een miniatuurboertje. Gespannen, zijn blauwe oogjes knipperen nauwelijks, volgt hij de onderhandelingen. Pa Eijkelenboom wil een zo hoog mogelijke prijs, de veehandelaar een zo laag mogelijke. Dat is natuurlijk heel zwartwit gezegd, maar daar komt het feitelijk wel op neer. Het is winter, ze staan in de schemerige stal. Buiten ligt sneeuw, het is voor de boeren een betrekkelijk rustige tijd. Ook het melken is minder, een aantal koeien staat droog*. Een al wat oudere koe, hij kalft niet meer en de melkopbrengst loopt behoorlijk terug, wordt verkocht. Dit dier is het voorwerp van de prijsdiscussie. Steunende koeien, gekluisterd tussen twee palen, slaan lodderig uit hun grote ogen kijkend het luidruchtige schouwspel gade. Aan de lage zoldering hangen glanzende druppels, veroorzaakt door hun adem. Beide mannen weten dat ze tot elkaar veroordeeld zijn, ze willen eruit komen. Al zijn er opkopers genoeg, pa Eijkelenboom heeft zo zijn voorkeuren. Een vertrouwde veehandelaar is voor een boer goud waard, redeneert hij sinds jaar en dag. Die ruil je niet zomaar in. Hij wil een vertrouwensband opbouwen, daar kom je het verst mee. Als het handengeklets klinkt voelt kleine Arie de spanning toenemen. De mannen zijn zo’n beetje even lang en staan als kemphanen tegenover elkaar. Ze kijken elkaar serieus in de ogen. ‘Twintig guldens erbij en je bent koopman…’ klets, zegt de boer. *

Droogstaan: de koe is drachtig. Ze gaat in de periode tot aan het kalven, ongeveer twee maanden, steeds minder melk geven.

21


‘Tien guldentjes kan je krijgen,’ klets, zegt de veekoopman na even nadenken. ‘Kijk eens wat een mooi beest man. Vooruit dan maar, samen delen, vijftien gulden erbij en je hebt geluk,’ klets, reageert de boer resoluut. De koopman voelt haarfijn aan, de grens is bereikt. Hij draaide zich al een keer quasi verontwaardigd weg van de boer. Hij pakt de boer zijn hand, klets, ‘oké, geluk Eijkelenboom. Bedankt man,’ sluit hij diplomatiek af. ‘Ga je mee Gart, dan gaan we bij moeder de vrouw een bakje koffie doen,’ antwoordt de boer ontspannen, opgelucht dat de onderhandeling achter de rug is. Hij is niet ontevreden, kreeg bijna de prijs die hij in zijn hoofd had. Achter elkaar, Arie als laatste, lopen ze naar de ruime woonkeuken. De deur piept, een stuk ijzer aan een katrol zorgt ervoor dat hij vanzelf dichtvalt. Koffiegeur komt hen tegemoet. ‘En? Ben je eruit gekomen?’ vraagt moeder opgewekt. Ze weet het antwoord al, maar wil blijk geven van haar belangstelling. ‘Ja hoor, maar hij is een harde noot om te kraken, vrouw Eijkelenboom,’ zegt de veehandelaar. Hij bestudeert zijn bijna tot beurs geslagen handpalm. ‘Hij heeft niet alleen eelt op zijn ziel, maar ook op zijn knuisten,’ besluit hij met een lach. ‘Die ziel bedoel ik niet letterlijk hoor,’ zwakt hij snel af. Hij weet, dit echtpaar zit iedere zondag trouw twee keer onder het Woord in de Hervormde Kerk tegenover de boerderij. Zelf neemt hij het niet zo nauw, maar je kunt over zielenzaken in de Waard beter geen grapjes maken. En ja, even ziet hij de gezichten betrekken als ze zijn opmerking horen. Maar dan haakt de boerin in. ‘Vertel me wat nieuws Gart,’ zegt ze haar echtgenoot liefdevol aankijkend. ‘Hij is nog nooit anders geweest.’ Pa’s gezicht straalt voldoening uit, een compliment van zijn

22


vrouw vindt hij nog steeds aangenaam. ‘Wanneer haal je de koe op Gart?’ blijft hij bij de les. ‘Dinsdagnacht vier uur?’ ‘Mij best, ik zal zorgen dat alles gereed is. Rijd gelijk het pad op tot aan de hooideur. Daar sta ik dan met Berta gereed.’ ‘Doe ik.’ De veehandelaar haalt zijn donkerbruine portefeuille uit de zak van zijn openhangende, lange grijze jas en noemt het overeengekomen aankoopbedrag. De boer knikt instemmend. Dan legt de veekoopman hardop tellend de briefjes van tien, vijfentwintig en een honderdje voor zich op tafel. Pa Eijkelenboom kijkt toe, telt geluidloos mee, zijn dunne lippen bewegen. ‘Bedankt Gart,’ zegt hij beleefd. ’Moeder berg jij het geld weg?’ Hij schuift het stapeltje bankbiljetten over tafel naar haar toe. ‘Dank je wel man’. Ze loopt ermee naar de voorkamer en legt het geld zorgvuldig weg in een lade van het donkerbruine, reusachtige kabinet. De mannen slurpen intussen aan de hete koffie, de snee koek erbij met smaak verorberend. Arie krijgt warme chocolademelk, ook hij smult van de koek. Hij volgde de onderhandelingen en luisterde aandachtig naar de wederzijdse schijnbaar luchtige opmerkingen. Zijn scherpe ogen ontging niets, ook hoorde hij ieder woord. Hij leert snel, ontwikkelt zich tot een echte boer. Nog nadenkend over het aanen verkoopverhaal van Berta gaat hij terug naar de stal. Klautert via de trap in de halfvolle hooitil. De winter is bijna voorbij, er is een flinke bres geslagen in de hooivoorraad. Dat is normaal, hoewel iedere rechtgeaarde boer toch nog graag een laag hooi overhoudt als de koeien naar buiten gaan. Hij ziet dit als noodvoorraad. Hij grijpt een hooivork en gooit alvast een lading hooi door het gapende gat naar beneden. Over een halfuur is het voertijd. Hier helpt hij vader mee. Daarna springt hij pardoes door het hooigat naar beneden, belandt veilig op de dikke laag hooi. De koeien rukken ongeduldig aan de touwen waarmee ze

23


zijn vastgemaakt. Het geurende hooi lonkt. ‘Even geduld hoor,’ mompelt Arie, ‘pa komt zo. Dan krijgen jullie je voer.’ Mest uit de grup wegscheppen en in een houten kruiwagen naar de mesthoop rijden doet hij ook. Een inspannende bezigheid. ‘Jongen, doe die kruiwagen niet te vol,’ waarschuwt zijn bezorgde vader, ‘dat is nog te zwaar voor je. Loop maar een keer meer.’ Arie geeft geen antwoord, met een rood gezicht duwt hij de halfgevulde kruiwagen over het modderige paadje naar de mesthoop, die tegen De Wiel aanligt. Daar aangekomen rijdt hij met een vaartje de smalle plank op. Zo hoog mogelijk, dan kiepert hij zijn stinkende vracht zijwaarts op de grote hoop. Op een drafje terug voor de volgende vracht. Later zal de mest over de weilanden verspreid worden. Bruin trekt dan de met mest geladen wipkar, stortkar wordt hij ook wel genoemd, naar het weiland. Dat is een lompe houten kar op twee grote wielen. Daar aangekomen laat de boer de kar achterover kantelen, en wordt de sterk riekende inhoud op een hoop gestort. Soms maakt hij meerdere hopen. Hij rijdt dan iedere keer een stukje verder en kantelt opnieuw de kar, net zolang totdat hij leeg is. Later zal de mest met de hand over het land verspreid worden. Arbeidsintensief werk, maar wel heel goed voor de grasgroei. De gier uit de giertank wordt apart over de weilanden verspreid. Een aan stank zich ver verspreidende bezigheid. Maar ook daar zijn dorpelingen aan gewend, hoewel men vies kijkend de neuzen ophaalt. Kunstmest wordt nog niet zoveel gebruikt, maar is wel in opkomst. Jonge Arie kruipt ook onder de koe om te melken, al snel gaat ook dat hem goed af. Hoewel zijn kleine handen nog niet voldoende krachtig zijn om soepel te melken. Driftig doet hij wat hij kan, vader melkt nog even na. Om hun paard in te spannen is hij te klein, wel kent hij de handelingen hoe dat te doen. En

24


hij is goede maatjes met het paard. Kortom, hij is pas negen, bijna tien, maar geniet al volop van het boerenleven. Hij vindt het niet meer dan vanzelfsprekend dat dit zijn toekomst wordt. Zijn ouders bezien zijn vlijtige, maar nog meer gretige aanpak met buitengewoon veel genoegen aan. En dat hij bar eigenwijs kan zijn, anderen zeggen dat soms tegen hen, dat klopt. Maar ach, er moet wat bij zitten nietwaar? Een waardige opvolger heeft een eigen mening! Daar heb je in het harde leven meer gemak van dan last. Zeker als zelfstandige boer, zo redeneren ze nuchter, zich niets van de praatjes aantrekkend! De landbouwschool doorloopt hij gemakkelijk. Dagelijks door weer en wind op de fiets heen en weer naar Ottoland. Hij fietst naar de spoorlijn, kruist die, rijdt dan door Binnendams, om via de Damseweg de school te bereiken. Het is per dag bij elkaar zo’n slordige twintig kilometer. Een gezonde bezigheid voor geest en lichaam. Hij zet er altijd de vaart in, maakt er een sport van in zo kort mogelijke tijd de afstand te overbruggen. Daarbij in de zomer toch van tijd tot tijd een blik zijwaarts werpend op het talrijke vee dat in de weilanden loopt. Regelmatig roept hij een luide groet naar een boer die aan het werk is en die hij kent, en steekt zijn hand op. Het fietsen maakt niet alleen zijn longen maar ook zijn lange benen sterk. Op school beoordeelt hij kritisch de leerstof, niet aarzelend zijn mening te geven als hij het ergens niet mee eens is. Niet alleen wordt hij dan belangstellend aangehoord door de leraar, maar ook door klasgenoten. Soms slaat hij met zijn opmerking de plank mis, dat is dan snel uitgelegd en opgehelderd. Maar dikwijls heeft hij gelijk of minimaal voor een deel. Bijvoorbeeld de discussie over het met de hand melken of via een melkmachine, die in opkomst is. Ook dat is een onderwerp dat ieders belangstelling heeft. ‘Natuurlijk is zo’n

25


melkmachine de toekomst mijnheer, dat snap ik ook wel. Maar met de hand melken is secuurder, je merkt dan sneller of er iets aan de uier mankeert.’ Kaarsrecht staat hij voor de leraar, hij is uitgegroeid tot een slanke jongeman met heel lichtblond haar. Klasgenoten luisteren gespannen mee. Ze weten waar het over gaat, ook onder elkaar is het een geliefd onderwerp. Arie kijkt de leraar strak aan, een al wat oudere man met kort grijs haar en door de bank genomen betrekkelijk mild in zijn oordelen. Hij is dan ook best geliefd bij de leerlingen. ‘Dat kan dan zo zijn Arie, maar richt jij je nu maar op de melkmachine. Dat is voor jullie de toekomst. Geloof me, een goede boer merkt het dan ook als er wat met de koe aan de hand is.’ ‘Dat kan best waar zijn,’ geeft Arie schoorvoetend toe, ‘toch blijf ik erbij dat je met zo’n apparaat eerder wat over het hoofd ziet dan dat je met de hand melkt.’ ‘Misschien klopt dat, maar zeker een boer als jij ziet een probleem best op tijd hoor Arie. Ook als je werkt met zo’n apparaat. Daar ben ik van overtuigd,’ sluit de leraar slim af. En hij slaat de spijker op zijn kop, Arie is eergevoelig. Met een grijns op zijn gezicht kijkt hij het kringetje rond. Zeggen doet hij niets, ze begrepen zijn punt wel. Zijn gretigheid naar kennis op het boerengebied maakt dat hij zich ontpopt tot een hele goede leerling waar de leraren plezier in hebben. Immers, daar doen ze het allemaal voor, leerlingen afleveren die later geslaagde boeren zullen zijn. Boeren zijn een heel belangrijke beroepstak voor het Koninkrijk der Nederlanden. Dikwijls worden ze onderschat, maar ze gaan zwijgend, koppig en halsstarrig hun gang. Laten zich niet snel van de wijs brengen. Liefde voor het vak is wat hen drijft. De lessen zijn zo ingedeeld dat de boerenzonen rond vier uur thuis kunnen zijn. Ook zij kunnen dan hun aandeel in het dagelijkse boerenwerk leveren. Dat is in veel gevallen niet alleen nodig,

26


maar het gros van de leerlingen wil dat ook zo. Hun toekomst is boer zijn. De mix theorie en praktijk werkt buitengewoon goed. Met een fraaie cijferlijst sluit Arie de opleiding af. Hij is voor zijn gevoel gereed voor de toekomst. En dan worden de voorbereidingen getroffen dat Arie zelfstandig boer kan worden. Een grote stap voor het hele gezin. Die wordt dan ook door het ouderechtpaar niet licht opgevat. Ze beleggen thuis een familiebijeenkomst, waarbij ze de toekomstplannen aan hun kinderen toelichten. Maar het blijkt mee te vallen, geen van de broers en zussen toont interesse in de boerderij, dat wordt al snel duidelijk. Het maakt de overname een stuk gemakkelijker. Immers, financieel moet het voor Arie wel te behappen zijn. Als pa dit punt bedaard maar oplettend naar voren brengt, ziet hij alleen instemmend geknik. ‘Jullie aandeel zal minder zijn, maar je loopt ook geen risico’s. Arie wel,’ legt de oude boer zijn kroost uit. ‘Geen probleem hoor pa en ma,’ zegt Corrie, ook namens de rest. ’We snappen dat Arie de kans moet krijgen zelfstandig boer te worden. We gunnen het je hoor broertje,’ zegt ze plagend. ‘Je hebt er hard genoeg voor gewerkt.’ Arie heeft een hoogrode kleur, voor hem is het een spannende bijeenkomst, waar veel van af hangt. Zijn stem is onvast als hij hen bedankt. ‘Pa en moe worden nu eenmaal ouder dus er zal een keer wat moeten gebeuren. En dan is dit de beste oplossing,’ zo is aller mening. Ze gunnen het hun joviale broer, die als oudste er ook als eerste voor in aanmerking komt. Dat is eeuwenlang al regel bij de boeren in de Alblasserwaard. Uitzonderingen zijn er zelden. Het boerenechtpaar is opgelucht en dankbaar. ‘Als jullie het daarmee eens zijn laten we ons testament zo opzetten dat Arie de boerderij met alles erop en eraan over kan nemen,’ zegt de oude Eijkelenboom tevreden. ‘Bedankt namens ons beiden,’ sluit hij af. En zo maken ze een afspraak bij de notaris in Molenaarsgraaf.

27


Arie is vijfentwintig als hij zelfstandig boer wordt. Het is aan het eind van de jaren vijftig van de vorige eeuw. De overdracht wordt via een notariële akte beschreven zodat er ook later geen problemen ontstaan. Vertrouwen moet en mag er zijn, dit soort ingrijpende zaken zwart op wit vastleggen is niet meer dan je werk goed doen. Met nog meer enthousiasme dan voorheen stort hij zich na de overname op het boerenleven, met de vaste wil dromen waar te maken.

28


D

Jan W. Klijn had van jongs af aan al de behoefte om verhalen te schrijven. Inmiddels verschenen van zijn hand in de Citerreeks onder andere Onrecht in de Alblasserwaard, Volhouder en Trots en trouw.

ISBN 978 90 2054 090 1 NUR 344

9 789020 540932 w w w.c i ter r eek s .nl

Vaders erf

e familie Eijkelenboom bewoont al jarenlang een boerderij in de Alblasserwaard. Boer Arie runt in de jaren zestig met veel plezier een boerderij. Maar zijn leven kent ook veel tegenslagen, zowel privé als in het boerenbedrijf. Maar één gevoel blijft recht overeind staan bij Arie: de trots van het boer-zijn en zijn liefde voor het boerenvak. Dit gevoel stopt gelukkig niet bij Aries generatie. In Vaders erf beschrijft Jan W. Klijn de ontwikkelingen van het boerenleven vanaf de periode 1960 tot heden: van de tijd van melkbussen vervoeren met paard en wagen tot het runnen van een modern boerenbedrijf.

Jan W. Klijn

Een ode aan alle boeren en hun noeste arbeid

Jan W. Klijn

Vaders erf Over een boerenfamilie vol liefde, standvastigheid en de moed om door te gaan

Roman


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook