[p3, titelpagina, opmaken naar titelbestand, volgt]
INKTGENOOTSCHAP 1 Kristen Perrin
Enna tegen het Inktgenootschap
tegen het Inktgenootschap Kristen Perrin
Hoofdstu k 1
D
it verhaal gaat over schrijven in boeken. Het is geen verhaal over mensen die boeken schrijven; daar bestaan er al best veel van, en als je wilt, kan ik je laten zien op welke plank ze
bij ons te vinden zijn. Biografieën: rechterkant van de winkel, achter de smeedijzeren wenteltrap die leidt naar de knusse tussenverdieping met de kinderboekenafdeling. De eerste keer dat ik hem zag, stond hij over een zeldzame eerste druk van Dickens’ Grote verwachtingen gebogen die meer waard was dan de auto van mijn moeder, en krabbelde hij iets in het boek. Het was pas tien uur, maar er waren die ochtend al allerlei idiote dingen gebeurd. Het was de dag waarop ik van mam voor het eerst de winkeltelefoon mocht aannemen, maar toen het zover was, had ik mezelf ermee in mijn gezicht geslagen. Ter verdediging: het
5
is een groot, ouderwets stuk schroot en de hoorn weegt meer dan ik. De telefoon staat naast de vintage kassa als een iets eenvoudiger neefje. Het was ook de dag waarop iemand een halve bagel naar mijn hoofd had gesmeten terwijl ik voorlas uit Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft tijdens onze wekelijkse kindervoorleesochtend. Mam geeft me zakgeld in ruil voor klusjes, zoals boeken terugzetten op de plank en de voorleesochtend verzorgen. Ze zegt dat kinderen zich meer op hun gemak voelen bij iemand van twaalf dan bij een volwassene. Ik antwoordde dat die halve bagel het tegendeel had bewezen. En het was ook een van de dagen waarop mijn oma een bezoekje had gebracht aan de winkel. Toen ze aankwam, kreeg ik de neiging om de telefoonhoorn weer van de haak te nemen. Met een beetje mazzel zou ik mezelf er voor de tweede keer mee in mijn gezicht slaan. Ik was diep verzonken in het nieuwste boek van Renée Romanov. Als je eenmaal aan een van haar boeken begint, ben je ongemerkt zo een paar uur verder. Ze schrijft misdaadromans die zich afspelen in Londen tijdens de Tweede Wereldoorlog, met in de hoofdrol een zeventienjarige verpleegster in opleiding die eigenlijk spion is. Toen ik opkeek en oma’s gezicht tegen de groezelige winkelruit gedrukt zag, liet ik bijna gillend het boek uit mijn handen vallen. Oma kan als geen ander stilletjes uit het niets opduiken. Vergelijk het maar met zo’n spannende scène in een horrorfilm, waarin de hoofdpersoon zijn rug naar een perfect opgeruimde kamer toekeert, zich na een paar tellen weer omdraait en ziet dat alles overhoop is gegooid. Het helpt niet dat ze er nou niet echt uitziet als zo’n schattig oud vrouwtje. Ze heeft brede schouders en een grijze paardenstaart.
6
Losse slierten vettig haar vallen rond haar gezicht. Ik ben stapelgek op oma. Zonder mitsen en maren. Ze heeft een miljoen eigenschappen die andere mensen niet leuk vinden aan haar, en daardoor voelt ze voor mij zo vertrouwd. Ze schreeuwt en vloekt en heeft een hekel aan dingen die er niet toe doen, zoals de automatische omroepstem in de metro, of kleine plastic ketchupzakjes. Mijn vrienden schamen zich voor hun familieleden, maar wat oma ook zegt of doet, ik zal me nooit voor haar schamen. Ik vind dat er veel mis is met mij, maar het gemak waarmee ik van haar hou, hoort daar niet bij. Toch krijg ik van haar af en toe de neiging om mezelf in mijn gezicht te slaan met de telefoonhoorn. Misschien zag ik daarom de vreemdeling met die idiote ganzenveer pas toen het al te laat was. Misschien kreeg ik een steek in mijn stomme, overbezorgde hart door het boze geschreeuw van oma buiten op de stoep, en had ik daardoor niet door wat er recht onder mijn neus gebeurde. Toen oma binnenkwam was ze praktisch aan het jammeren, en ik wachtte op het nieuws dat de wereld op het punt stond te vergaan. ‘Wat is er vandaag aan de hand, oma?’ vroeg ik bedaard, terwijl ik met een stapel magazines naar de tijdschriftencarrousel bij de deur liep om ze in de rekjes te steken. Ik zou mam om een paar pond kunnen vragen voor dit klusje, maar eigenlijk vind ik niets leuker dan doen alsof dit mijn boekwinkel is en alsof ik bepaal wat hier allemaal gebeurt. Met de komst van een groepje nieuwe klanten dreef de geur van de drukke straat in Camden naar binnen. Het was eind juli en er heerste een hittegolf. Hoewel het nog ochtend was, was het al drukkend warm in de winkel. Het rook er naar oude restjes kebab. Dat kwam waarschijnlijk doordat mijn moeder zich had verstopt in onze kleine voorraadruimte om te ontbijten met oude restjes kebab.
7
‘Oma?’ Ik trok een wenkbrauw op en wachtte af wat het probleem was. Zou het dit keer om klittenband gaan dat te veel kriebelde, of was het iets onheilspellenders, zoals zeevruchten? ‘De kleur rood.’ Haar hese stem trilde. Dat stemgeluid is het resultaat van jarenlang roken. ‘Ik zie te veel rood. Nog even, en het is overal.’ ‘Niet weer de ketchupzakjes,’ zei ik, terwijl ik haar elleboog vastpakte en haar met zachte dwang naar de enige stoel in onze winkel dirigeerde. Het is een leunstoel uit de jaren zestig in terracottakleur en ze streek erin neer alsof het haar troon was, en zij de koningin van alle rare ideeën die beter voorgoed vergeten kunnen worden. ‘Het zijn niet alleen de ketchupzakjes, Enna!’ zei ze, terwijl ze overeind schoot en aan mijn arm schudde. ‘Die waren normaal nooit rood! Wit, ze waren altijd wit. Met een klein plaatje van een rode tomaat erop.’ Ze hield haar wijsvinger en duim een klein stukje uit elkaar voor mijn neus, alsof er elk moment een piepklein tomaatje zou kunnen verschijnen. ‘We hebben het hier al over gehad. De ketchupfabrikant heeft waarschijnlijk gewoon de verpakking veranderd.’ ‘Nee, dat is niet waar! De kétchup heeft de verpakking veranderd.’ ‘Ik weet vrij zeker dat ketchup niet zo krachtig is, oma. Zelfs niet als-ie is gebeten door een enorm verwarde, radioactieve spin.’ ‘Let maar op, binnenkort is alles rood, veel te rood… Waarom niet blauw? Grijs is mooi…’ Ze ging mompelend tegen zichzelf verder en schudde haar hoofd alsof kleuren je reinste schande waren. Ik zette de tijdschriften in het rek en hield haar intussen met een half oog in de gaten. Ze gedraagt zich standaard een beetje maf, maar dit was anders dan haar gebruikelijke gekkigheid. Mam zat nog
8
steeds met haar ontzettend ongezonde ontbijt in de voorraadruimte te doen alsof ze met de boekhouding bezig was. Maar ze zou oma direct te hulp snellen als ik haar zou roepen. ‘Oma, kunnen we de ketchupzakjes alsjeblieft opbergen in de map “dingen waaraan je je sinds kort ergert”? Bij al die andere dingen die altijd alleen jou lijken op te vallen?’ Ze wierp me een doordringende, geïrriteerde blik toe, maar liet zich toen weer in de leunstoel zakken. ‘Kijk.’ Ik haalde een stripboek uit het stapeltje tijdschriften onder mijn arm. ‘Deze is ertussen beland…’ Ik wapperde ermee en liet het album voor haar neus op en neer dansen alsof het leefde en dolgraag gelezen wilde worden. ‘Je bent gek op Batman.’ ‘Ooo, ik ben inderdaad gek op Batman,’ zei ze langzaam, en ze nam het stripboek aan. Ze leek nog steeds een beetje geërgerd, maar ik zag dat gevoel bij haar wegebben zodra ze werd opgeslokt door het verhaal. Af en toe trok er een zweem van plezier over haar gezicht, alsof ze zich iets herinnerde. Ik glimlachte en ging verder met de tijdschriften. Op dat moment zag ik de hoge hoed van donkergroene zijde op de grond liggen. Hij zag er sjofel uit, alsof hij uit een boek van Charles Dickens afkomstig was. Niet dat ik er daar ooit een van heb gelezen. Ik heb wel een keer door Oliver Twist gebladerd, maar toen ontdekte ik dat er pas na driehonderd bladzijden iets gebeurt. Daar ben ik te ongeduldig voor. Al op de eerste pagina van Renée Romanovs boek waarin ik nu bezig ben, word je met een moord om de oren geslagen, en voordat je het weet, ben je vijftig bladzijden en zo’n twaalf plotwendingen verder. Maar als je opgroeit in een boekwinkel ga je sommige dingen toch met een dickensiaanse bril bekijken.
9
In eerste instantie besteedde ik geen aandacht aan de hoed. Niemand zou raar opkijken als een hipster in Camden zoiets zou dragen. Maar toen er een donkergroene ganzenveer op heuphoogte achter een kast vandaan piepte en ik vreemde krassende geluiden hoorde terwijl de veer in hetzelfde tempo heen en weer zwiepte, legde ik de tijdschriften neer en stapte ik op de hoed af. Er stak een klein wit kaartje uit de hoedband, net zoals bij die Gekke Hoedenmaker uit Alice in Wonderland. Ik zou er zo aan voorbijgelopen zijn als mijn oog niet ergens op gevallen was. Het kaartje was beschreven met sierlijke smaragdgroene krulletters, die haast hypnotiserend glinsterden in het licht. Ik weet niet waarom, maar ik stak mijn hand uit en plukte het kaartje uit de hoed. Daarna gluurde ik om de hoek van de boekenkast. Ik propte het kaartje in de achterzak van mijn broek, maar net op dat moment liep er een andere klant langs. Het was een roodharig meisje van mijn leeftijd met een spottende grijns op haar gezicht. Gelukkig had ze niets door, en ze liep me voorbij. Het voelde ongemakkelijk dat ik het kaartje gepakt had, maar om een of andere reden wilde ik het niet terugstoppen. Ik was nog zo’n twee stappen verwijderd van de ganzenveer, maar ineens werd mijn aandacht getrokken door de weerkaatsing van het licht op de vitrine met onze zeldzame edities. Ik draaide me om, en mijn mond viel wagenwijd open toen ik ontdekte dat iemand de vitrine van het slot had gehaald en had geopend. Ik draaide me met een ruk terug en zag eindelijk de eigenaar van de hoge hoed: een slungelige man die ineengedoken als een razende in de door ons gekoesterde eerste druk van Grote verwachtingen zat te schrijven. Het boek waarvan ik zeker wist dat er een prijskaartje van tweeduizend pond aan hing, omdat het een heel zeldzame uitgave was.
10
Maar de man was zo’n excentrieke verschijning dat ik heel even geen woord kon uitbrengen, stomweg met knipperende ogen bleef staan en hem in me opnam, terwijl ik me afvroeg of hij wel echt was. Op de grond bij zijn voeten stond een inktpot van geblazen glas (ik had dat soort inktpotten wel eens op de markt in Portobello Road gezien, waar mam de telefoon en de antieke kassa vandaan had). Mijn blik werd er meteen naartoe gezogen door de verbluffende smaragdgroene gloed die ervan afstraalde. Dezelfde gloed als op het kaartje in mijn broekzak, waardoor ik even dacht dat hier misschien tóch een radioactieve spin rondliep. Zijn pen was fantastisch. De luxe stalen punt gaf licht door de inkt. Zelfs de kleinste bewegingen lieten de veer alle kanten op zwiepen. Hij zag me niet meteen staan en hij bleef maar schrijven. Krasserdekras. Ik kon het honderdvijftig jaar oude papier zowat horen gillen. De man leek ongeveer net zo oud als mam, maar door zijn verweerde gezicht was het moeilijk te zeggen. Zijn tweedelige pak paste bij de versleten groene hoed, en zijn lange zwarte haar zat bijeengebonden in een keurige paardenstaart; niet te vergelijken met de slordige chaos van oma’s wilde haren. Het rationele deel van mijn brein kwam op dat moment eindelijk in actie, en ik besefte dat ik zwaar in de problemen zou raken als ik mam niet
onmiddellijk
zou waar-
schuwen dat er een vreemde man in onze boeken aan het schrijven was. Bovendien zou het ontzettend dom zijn om deze persoon aan te spreken: iedereen met een greintje gezond verstand kon zien dat hij er volslagen gestoord uitzag. Ik deed voorzichtig een stap achteruit om mam te halen. In Camden lopen aardig wat mafketels rond zonder kwade bedoelingen, maar ik had geen zin om erop te gokken dat deze knakker
11
onschuldig was. Op mijn tenen sloop ik ontzettend onhandig achteruit, maar er kraakte een vloerplank en hij keek me een fractie van een seconde aan. Heel even was er een emotie op zijn gezicht te lezen, en toen glimlachte hij naar me alsof hij me kende, hoewel ik zeker wist dat ik hem nog nooit gezien had. Toen bukte hij zich met een zwierig gebaar om zijn inktpot te pakken en tegelijkertijd de ganzenveer in zijn jaszak te stoppen. Hij deed een stap naar voren, terwijl hij het boek nog steeds in zijn hand had. Al mijn instincten schreeuwden op dat moment:
rennen!
Maar
het leek wel zo’n stomme droom waarin je denkt: Hé benen, laten we als een gek wegrennen hier! Terwijl je benen zoiets hebben van: Rennen, wat is dat? Dus ik bleef als een halvegare staan. Terwijl hij langs me probeerde te schuifelen, struikelde hij half, en hij stak zijn hand uit naar de dichtstbijzijnde boekenkast om zichzelf op te vangen. Maar in plaats daarvan landde zijn hand op mijn schouder. En toen werd het allemaal pas écht raar. Ik voelde een schok door mijn lijf gaan. Een fractie van een seconde werd alles om me heen groen. Daarna voelde ik me… verrassend oké. Toch had ik de neiging om rond te kijken of ik niet ergens een radioactieve spin zag lopen. Als deze vent er eentje op me had losgelaten, had hij het verkeerde meisje uitgekozen om tot superheld te maken. Toen liet hij het boek vallen, griste zijn hoed van de grond en ging er als een haas vandoor. ‘Hé!’ riep ik, maar oma was als enige overgebleven in de winkel. Ze was nog steeds diep verzonken in haar Batman-stripboek. Pas toen ik de zware winkeldeur opentrok, keek ze eindelijk op.
12
‘Waar ga je naartoe?’ vroeg ze fronsend. ‘Eh… Heb je trek?’ antwoordde ik iets te snel. Ik stond half in de deuropening, maar met mijn gedachten was ik allang buiten. ‘Dan haal ik gauw twee smoothies voor ons.’ En weg was ik. Ik weet niet wat me bezielde om achter de man aan te gaan. (En hallo, benen? Nu ineens besluiten jullie wél mee te werken? Om naar die gestoorde man tóé te rennen, in plaats van wég van hem?) Het was de klassieke fout. Maar ergens had ik het idee dat ik hem gewoon een stukje zou volgen, op afstand. Zodra we de politie hadden gebeld, zou ik ze tenminste wat informatie kunnen geven over zijn vluchtroute. In de verte zag ik een donkergroene hoge hoed boven de hoofden op en neer deinen en ik baande me een weg tussen de paspoppen door die op de hoek van de straat stonden. De leren jacks met studs die ze droegen, waren in de aanbieding: twee voor twintig pond. Blijkbaar heeft iedereen twee leren jacks met studs nodig. Ik probeerde mijn maffe gedachten te negeren en me te concentreren op de hoed, die langzaam kleiner werd. De grote menigte in de winkelstraat bestond vooral uit shoppend publiek en toeristen. Mensen bleven staan neuzen in de kledingrekken die de winkeleigenaars buiten hadden gezet om hen naar binnen te lokken. Ik gleed tussen de groepjes door met de souplesse van iemand die al haar hele leven lang door deze straten rende. Ik zag de hoge hoed links afslaan bij de winkel met die reusachtige glittergympen aan de gevel. Hij liep langs het fietsenrek dat altijd volhangt met fietsframes waarvan de wielen gejat zijn. Toen ik langs Uri’s winkel rende, zwaaide ik haastig naar haar. Ze was de tafel met oude theepotten die voor haar kringloopwinkel stond, opnieuw aan het indelen. Ik had ontelbaar veel middagen
13
in Uri’s rommelhok gespeeld terwijl mam aan het werk was in de boekwinkel. Niet veel kinderen kunnen zeggen dat ze van hun oppas verkleedpartijtjes mochten houden met de hele voorraad van een kringloopwinkel. Ik ben recordhouder ‘meeste verenboa’s dragen zonder te struikelen’ – niemand heeft ooit mijn record van zeventien boa’s verbeterd. Uri kwam niet verder dan tien stuks voordat haar benen erin verstrikt raakten, en zelfs mijn beste vriendin Delia kon me niet verslaan, terwijl zij de lichaamsbouw van een gazelle heeft. Ik hield mijn blik strak op de hoed gericht terwijl ik langs het neonbord van de tattooshop rende. Het reusachtige knipperende hart met een zwaard erdoorheen zoemde in de etalage, en ik kreeg er energie van. Van wie die hoge hoed ook was, hij bevond zich op mijn terrein. Niemand is mij hier te snel af. Maar zodra ik de hoek omsloeg en de taxistandplaats naderde, vermoedde ik dat de vreemde man elk moment door een wachtende taxi opgeslokt kon worden. De taxistandplaats was vol: de identieke auto’s stonden werkeloos op een rij te wachten, klaar voor een nieuwe klant. Er hing een wolk van uitlaatgassen omheen, die dikker leek dan normaal. De lucht had de kleur van olijven en maakte me misselijk. Ik bleef staan toen de groene hoge hoed wegdook in de eerste taxi in de rij. Alleen keek ik nu niet meer naar de man, maar naar de taxi. De vorm van de auto, met zijn zachte rondingen, was hetzelfde als altijd, een soort imitatie van de klassieke taxi’s die hier in de jaren vijftig van de vorige eeuw rondreden. Toen ik vanochtend met mam naar de winkel liep, waren er meerdere taxi’s langsgereden en ik wist – iedereen wist – dat taxi’s zwart zijn. Altijd al. Wanneer ze op een rij staan te wachten op passagiers, lijken het net paraderende, glanzend zwarte torren.
14
Maar nu waren ze rood. Ik liet mijn blik van de rij geparkeerde taxi’s naar de straten om me heen glijden en zag nog een Londense taxi, en nog een. Elke taxi die ik voorbij zag komen was knal- en knalrood.
15
www.uitgeverijdefontein.nl Oorspronkelijke titel: Attie and the World Breakers © 2022 Kristen Perrin Voor deze uitgave: © 2022 Uitgeverij De Fontein, Utrecht Vertaling: Anne Douqué Omslagaf beelding: Shutterstock / Pixelsquid Omslagontwerp: Splendid Grafisch Ontwerp Grafische verzorging: Jasmijn de Boer Uitgeverij De Fontein vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van het papieren boek van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. isbn nur
978 90 261 5552 9 (isbn e-book 978 90 261 5553 6) 283, 284