Skip to main content

Inkijkexemplaar 'De ijskinderen' - M.G. Leonard

Page 1

M .G . L E O N A R D Geïllustreerd door Penny Neville-Lee


1 DE IJSJONGEN

E

r was eens een warme winter waarin in de eerste duisternis van december een jongen in de rozentuin van de stad werd gevonden. Hij had een donkerblauwe pyjama met sterren aan. De bleke huid van zijn gezicht was blauw en besprenkeld met sneeuwkristallen. Elke lok van zijn dunne blonde haar was een bleke ijspegel. Zijn ogen waren dicht, zijn gezichtsuitdrukking vredig. Zijn voeten zaten vast in een voetstuk van ijs. De jongen zag eruit als een standbeeld. Hij was stijf bevroren. ‘Hoe kan dit?’ De politieagent keek vol afgrijzen naar de levenloze figuur en dacht aan haar eigen kinderen, die ingestopt in bed lagen. ‘Mijn chef zegt dat er een halfuur geleden een vijf jaar oude jongen als vermist

7


is opgegeven die overeenkomt met zijn omschrijving. Hij heet Finn Albeda.’ Zonder haar blik los te maken van het gezicht van de jongen deed ze haar pet af en haalde nerveus haar vingers door haar haar. ‘Dokter, zijn ouders zijn hierheen onderweg. Wat moet ik tegen ze zeggen?’ ‘De waarheid.’ De dokter was in de dikke wollen jas gehuld die hij altijd aanhad wanneer hij diep in de nacht werd opgeroepen. Hij deed een stap bij de bevroren jongen vandaan. ‘U kunt ze vertellen dat hij leeft. Ik hoor zijn hartslag met mijn stethoscoop. Die gaat heel langzaam, maar hij leeft.’ Hij schudde zijn hoofd en in zijn melancholieke stem klonk iets van verwondering. ‘In al mijn jaren heb ik nooit zoiets meegemaakt.’ Bij het geluid van voetstappen draaiden ze zich allebei om. Meneer en mevrouw Albeda renden de rozentuin in. Ze hadden de hand vast van een elfjarig meisje met een ernstig gezicht, felle hazelnootbruine ogen en kort

8


bruin haar. Ze had een winterjas aan over haar nachtpon en droeg rubberlaarzen zonder sokken. Haar broer zo zien raakte Bianca heftig, sloeg de lucht uit haar lichaam. Hij was zo stil, zo blauw. Omkranst door twinkelende sterren en gevangen in het licht van de volle maan zag hij er vreemd mooi uit. Ze liet de hand van haar moeder los. ‘Is hij dood?’ fluisterde ze, steeds banger. ‘Rustig maar, geen reden voor paniek,’ zei de dokter. Maar Bianca moest denken aan de ruzie die ze met Finn had gehad voordat ze gingen slapen. Hij wilde haar het boek niet laten zien dat hij uit de bibliotheek had geleend en zij was kwaad geworden, had hem het irritantste broertje in de hele wereld genoemd. Finn was gaan huilen en toen was ze pas echt boos geworden, had gezegd dat hij zich gedroeg als een baby en dat ze liever een zusje had gehad. Nu bleven haar wrede woorden en zijn tranen maar rondspoken in haar hoofd. Was het haar schuld dat hij was weggelopen? ‘Wie heeft dit gedaan?’ vroeg Bianca’s vader boos. ‘Vertel me onmiddellijk wie mijn zoon dit heeft aangedaan!’ ‘Dat weten we niet, meneer.’ De politieagent pakte haar opschrijfboekje. ‘Het enige wat we weten is dat iemand met de naam Jack de Winter een avondwandelingetje door het park maakte en uw zoon zo aantrof.’ Ze gebaarde. ‘Hij gaf het door aan een van de agenten met nachtdienst.’ ‘We hebben hem zoals altijd naar bed gebracht, met

9


een boek…’ De stem van Bianca’s moeder was hoog en aarzelend terwijl ze Finns ijskoude arm aanraakte. ‘Maar toen zag ik dat zijn slaapkamerdeur openstond. Dat zijn bed leeg was!’ Ze klemde haar lippen op elkaar, probeerde niet te huilen, en veegde een pluk van haar kastanjebruine haar achter haar oor. ‘Hij is nog maar vijf.’ ‘Hoe is Finn hier gekomen? Zo… hier, in het park?’ vroeg haar vader aan de politieagent. Hij had moeite om te begrijpen wat er was gebeurd. Hij was een praktische man, iemand die problemen oploste, maar je kon een probleem niet oplossen als je niet wist wat het probleem was. En het viel Bianca voor het eerst op dat hij rimpels op zijn voorhoofd had en er oud uitzag. ‘Dat weten we niet, meneer. Zoiets als dit is nooit eerder gebeurd. Het is heel… vreemd.’ De politieagent haalde verontschuldigend haar schouders op. ‘De dokter zegt dat zijn hart nog klopt.’ ‘Hij leeft?’ In de stem van Bianca’s vader weergalmde een trillende toon van hoop, en ze keken allemaal naar de dokter. ‘Eh… ja,’ zei de dokter, maar hij klonk voorzichtig. ‘Hij heeft een hartslag.’ ‘Dan moeten we hem bevrijden!’ Bianca’s vader deed zijn jas uit, gaf hem aan haar moeder en gebaarde dat ze die om Finn heen moest slaan. ‘Moeten we hem opwarmen?’ ‘O… eh… bij ernstige gevallen van vrieswonden moet je oppassen voor schade aan spieren en botten. Hoe-

10


wel ik dit er niet uit vind zien als vrieswonden. Eh…’ De dokter streelde over zijn kin. ‘Het is een hoogst ongebruikelijk geval. Tot we weten wat dit precies heeft veroorzaakt, denk ik niet dat het een goed idee is om te proberen uw zoon te verplaatsen. We willen hem niet… per ongeluk iets aandoen.’ ‘Bevroren dingen kunnen versplinteren,’ zei de politieagent, en Bianca’s moeder hapte vol afgrijzen naar adem. ‘Denk even na voordat u wat zegt,’ snauwde haar vader. Hij sloeg een arm om haar moeder, die haar hoofd had gebogen en ingezakte schouders had. ‘Neem me niet kwalijk. Dat was onattent van me. Wat ik bedoelde was…’ ‘Ik weet wat u bedoelde,’ zei Bianca’s moeder snikkend. Bianca liep bij haar ouders vandaan en pakte de ijzige hand van haar broer. Hij was steenkoud. Door het voetstuk stond hij een halve meter hoger, dus hij was langer dan zij. Ze keek op naar zijn gezicht, en moest denken aan een week geleden, toen ze hem na zijn bad achterna had gejaagd de trap op,

11


alsof ze een hongerig monster was dat hem wilde opeten. Hoe warm en roze hij was geweest toen ze samen lachend op het tapijt in zijn slaapkamer waren gevallen. ‘Ik wil niet echt een zusje, Finn,’ fluisterde ze met pijn in haar hart. ‘Het was gemeen van me dat ik dat zei. Het spijt me. Echt waar. Je bent geen baby. Je bent de beste broer van de wereld.’ Stilte. ‘Wat moeten we doen?’ vroeg haar vader, die wanhopig en machteloos klonk. ‘Vertel het ons. Alstublieft.’ ‘Dit is een unieke situatie.’ De politieagent schudde haar hoofd. ‘Er was drie jaar geleden een meisje dat door het ijs was gezakt in de botenvijver, maar dit… dit is anders.’ ‘Iemand heeft dit gedaan,’ zei Bianca, en de volwassenen draaiden hun hoofd. De politieagent knipperde, leek verrast, alsof ze was vergeten dat Bianca er was. ‘Finn heeft zichzelf niet bevroren. Iemand heeft hem bevroren!’ Ze keek rond in de rozentuin. Die zag er ’s nachts anders uit. Minder vriendelijk. ‘Waarom bent u niet op zoek naar sporen?’ Bianca zag een paar nieuwsgierige mensen door een opening in de heg naar haar broer staren. Een stel dat tegen elkaar leunde zag eruit alsof ze na een avondje uit op weg naar huis waren. Erachter stond een enorme man in een lange zwarte jas, met een donkere bril en een hoge hoed. Hij keek naar haar. Ze keek kwaad terug en verschoof haar boze blik vervolgens naar de agent. ‘U zou mensen moeten ondervragen, naar aan-

12


wijzingen moeten zoeken en naar sporen moeten speuren! Wat er met Finn is gebeurd is een misdaad. Wat zei die meneer De Winter? Hebt u hem gearresteerd?’ ‘Een wandeling maken of iets melden is geen misdaad.’ De politieagent schudde haar hoofd. Het kwam bij Bianca op dat het misschien ook geen misdaad was dat Finn bevroren was. Kon iets een misdaad zijn als het nooit eerder was gebeurd? ‘Maak je geen zorgen om je broertje.’ De mond van de politieagent vormde een gemaakte glimlach. Die herkende Bianca als de glimlach van volwassenen die wilden dat kinderen ophielden met vervelende vragen stellen. ‘We doen voor hem wat we kunnen.’ Bianca keek haar woedend aan. Als de politie geen onderzoek ging instellen zoals het hoorde, zou ze het zelf wel doen. Op haar hurken bewoog ze zorgvuldig om het voetstuk van ijs heen, bestudeerde het. Het was doorzichtig, en dankzij de volle maan zag ze er geplet gras onder. ‘Oké, het ijs is niet uit de grond gekomen om je te grijpen, zoals een venusvliegenval,’ mompelde Bianca tegen Finn. ‘Anders had er geen gras onder gelegen.’ Verspreid om de onderkant van het voetstuk lagen grote hagelstenen. Bianca pakte er een op, rolde hem tussen haar duim en wijsvinger. Het weer was al weken vochtig en warm. Er was nog niet eens nachtvorst geweest. Waar waren de hagelstenen en het ijs vandaan gekomen? Bianca gleed met haar handen over het oppervlak

13


van het voetstuk, negeerde de snijdende kou. De achterkant en de zijkanten waren glad, maar er zaten een soort diepe krassen op de voorkant. Met haar vingers verkende ze die. ‘Woorden!’ bracht ze verbaasd uit, en ze ging met haar neus dichter naar het ijs toe. Ze las de gegraveerde schuine hoofdletters: DONK’RE DAGEN WORDEN WARM WINTER LAAT ZICH VERJAGEN. IJS SMELT EN WORDT WEER WATER IN DEZE HETE DAGEN. ALS SEIZOENEN VERANDEREN MOET ER WAT WORDEN GEDAAN. MET HARTEN VAN KINDEREN KAN WINTER BLIJVEN BESTAAN. ‘Mama! Papa! Kijk!’ riep Bianca. ‘Er staat hier iets geschreven! Wat zou het betekenen?’ Haar ouders, de agent en de dokter verdrongen elkaar om het te zien, en lazen de woorden met een gezicht vol ongeloof en weerzin. ‘Vindt iemand dit soms een leuke grap?’ Haar vader was zo boos dat hij bijna stikte in zijn woorden. De politieagent en de dokter schudden hun hoofd, durfden niks te zeggen. Bianca snapte niks van het gedicht, maar ze had het gevoel dat het een aanwijzing moest zijn. ‘Ik ga uitzoeken wie je dit heeft aangedaan, Finn,’ fluisterde ze tegen haar broer. ‘Dat beloof ik. Ik ga je redden.’

14


2 HET VERDWENEN BOEK

T

oen Bianca wakker werd, merkte ze dat ze op haar bed boven op het dekbed lag, met nog steeds haar jas en rubberlaarzen aan. Haar eerste gedachten waren voor Finn. Ze had de dwaze hoop dat gisteravond een nare droom was geweest, maar haar kleren vertelden dat dat niet zo was. Haar hart voelde zwaar. Achter haar ogen stond een stortvloed aan tranen op het punt los te barsten. Arme Finn, helemaal alleen in het park. Had hij het koud? Was hij bang? ‘Verdrietig zijn helpt hem niet,’ zei ze streng tegen zichzelf. Ze had gezien hoe dat haar vader hulpeloos had gemaakt. Haar vader die normaal gesproken in elke situatie een plan had. En toen haar moeder eenmaal was begonnen met huilen, kon ze niet meer ophouden.

15


Bianca besloot dat ze dapper en sterk zou zijn voor haar broer. Ze rilde toen ze opstond en haar adem was een witte nevel. Het vroor in haar slaapkamer. Waarom was de verwarming niet aan? Drie muren van Bianca’s slaapkamer waren lila-grijs geverfd, maar de vierde muur was haar lievelings. Daarop zat een behang van een blauw met wit winters boslandschap. Er doken rendieren op tussen de bomen, vossen lagen opgerold in nesten onder de grond en er zaten eekhoorns op besneeuwde boomtakken met eikels in hun pootjes. Met haar gezicht naar het boslandschap begon ze op en neer te springen en zwaaide ze met haar armen tot ze de warmte voelde terugkeren in haar verdoofde ledematen. Ze rende zo hard als ze kon op de plaats en moedigde zichzelf hijgend aan: ‘Word wakker, word wakker, word wákker!’ Ze moest haar hersenen aan de praat krijgen. Ze had beloofd om Finn uit het ijs te bevrijden en de persoon te vinden die er verantwoordelijk voor was. Ze was van plan die belofte te houden. Als het een zonnige dag is, smelt het ijs om Finn heen misschien wel, dacht ze. Ze liep naar het raam en schoof het gordijn opzij. Wat ze zag verbaasde haar. Gisteren was het warm genoeg geweest om zonder trui onder haar jas naar buiten te gaan. Vandaag hingen er dikke ondoordringbare wolken boven de daken van de stad, als een kudde knorrige schapen die wachtten

16


tot hun sneeuwwitte vacht geschoren werd. Aan de buitenkant van het raam hadden ijskristallen patronen gevormd die leken op kleine varens en waaiers van struisvogelveren. Bianca trok haar jas om zich heen en begreep nu wat volwassenen bedoelden met plotselinge vorst. Gisteren was het nog niet zo koud geweest.


Het was zaterdag vandaag. Geen school, dus ze had de hele dag om op onderzoek uit te gaan. Ze begon meteen. Ze gooide haar kledingkast open, haalde haar warmste kleren eruit, trok thermo-ondergoed aan, een dikke legging en twee paar sokken. Er schoot haar iets te binnen en ze opende de onderste la. Daar lag een trui die ze nooit aan had gehad. Haar moeder had hem voor haar gebreid als kerstcadeau. Hij kwam bijna tot haar knieën, de ene mouw was langer dan de andere en de halslijn lubberde. De wol had een zachte, warme paarse kleur en er stond een witte B van Bianca op de voorkant. Ze had geprobeerd haar teleurstelling te verbergen toen ze hem afgelopen kerst had uitgepakt. Haar moeder had verkondigd dat de trui haar prachtig stond, maar Bianca had hem opgeborgen in haar onderste la en er nooit meer naar gekeken. Misschien werd mama wat vrolijker als ze haar er vandaag in zag. Ze deed hem aan over haar thermohemd, bekeek zichzelf in de spiegel en knikte. Dit voelde als het juiste uniform voor een missie om Finn te redden. Bianca deed haar jas weer aan, ging naar haar bureau en pakte haar oranje zakagenda en een pen. Ze zou een notitieblok nodig hebben, om dingen op te schrijven, net zoals de politieagent gisteravond. Ze liep vastberaden de overloop over. Het zachte geroezemoes van volwassen stemmen zweefde de trap op en ze vroeg zich af of haar ouders vannacht wel naar bed waren geweest. Ze vermoedde van niet. Het eerste wat ze moest doen was de plek van de

18


misdaad inspecteren. Er was gisteravond iets gebeurd in de slaapkamer van haar broertje waardoor hij het huis uit was gegaan en in het park terecht was gekomen, bevroren op een voetstuk van ijs. Ze deed de deur van haar broers slaapkamer open. Over Finns tapijt spreidde zich een rommelig fantasieland uit. De rails van een speelgoedtrein liep om exotische dieren, een piratenschip, een teddyberenpicknick, een reusachtige plastic tyrannosaurus rex en gebouwen gemaakt van heldergekleurde blokken. Bianca liep op haar tenen over de vloer, wilde niets verstoren. Ze bestudeerde elke hoek van de kamer, op zoek naar iets wat niet op zijn plek lag of anders was dan anders. Ze checkte het raam. Dat was dicht, zat op slot en was bedekt met kristallen. Het leek er niet op dat het was geopend. Finns beddengoed was verfrommeld, en Bianca’s hart kneep samen toen haar blik op zijn favoriete knuffel landde. Pluis, een wit konijn met een vrolijke rode sjaal, lag achtergelaten op Finns kussen. Ze pakte het konijn op en knuffelde het. Finn was drie toen ze voor het eerst samen naar de dierentuin waren gegaan. In het winkeltje was hij verliefd gewor-

19


den op het konijntje. Hij had het van de plank gepakt, er hele verhalen tegen gehouden alsof het daar op hem had liggen wachten. Haar ouders moesten het wel kopen. Sindsdien waren Finn en Pluis onafscheidelijk geweest. Alleen was Pluis nu hier, en Finn zat in het ijs. Bianca wist zeker dat Finn Pluis zou hebben meegenomen als hij uit vrije wil in het donker het huis uit was gegaan. Op de rand van het bed van haar broer, knuffelend met zijn konijn, ging Bianca zorgvuldig de gebeurtenissen van de vorige dag na. Het was een vrijdag geweest. Ze waren naar school gegaan, zoals gewoonlijk. Papa had ze opgehaald en meegenomen naar de bibliotheek, zoals gewoonlijk. Ze waren thuisgekomen en hadden vissticks, aardappels en doperwtjes gegeten. Toen had ze gevraagd of ze Finns boek mocht zien. Het had een glinsterende zilveren voorkant en ze had het willen bekijken, maar dat mocht niet van hem. Ze hadden ruziegemaakt. Geïrriteerd door hun gekibbel had mama ze ieder naar hun eigen kamer gestuurd. En toen waren ze naar bed gegaan, zoals gewoonlijk. Maar er moest iets heel óngewoons zijn gebeurd waarvoor Finn ’s nachts het huis uit was gegaan. ‘Ik zie iets over het hoofd!’ zei ze tegen zichzelf. Een bedroefde stem in haar hoofd zei dat het haar broer was die ze niet zag. Haar broer die in kleermakers­ zit op de vloer van zijn slaapkamer zat en blij met zijn speelgoed speelde, zoals hij altijd deed op zaterdagochtend.

20


Er stond een stapel boeken op de grond naast het nachtkastje, en Bianca bedacht dat ze een blik kon werpen op Finns bibliotheekboek. Het boek dat hij haar gisteren niet wilde laten zien. Ze leunde met haar hand op de stapel, om voorover te buigen, en ontdekte dat het bovenste boek nat was, alsof er een glas water op gemorst was. Ze veegde haar hand af aan de lakens op het bed en las de stapel boekruggen. Geen ervan glinsterde zoals zijn bibliotheekboek had gedaan. Met de gedachte dat Finn er misschien in had gelezen toen hij in slaap viel, voelde Bianca in de opening tussen het bed en de muur, vervolgens onder het bed. Geen boek. Ze baande zich een weg over de vloer vol speelgoed en keek in Finns boekenkast, maar daar lag het ook niet. ‘Het moet hier ergens zijn,’ mompelde Bianca verward. Uiteindelijk gaf ze het op, ging ervan uit dat het boek vast in de kamer van papa en mama lag, of beneden. Ze schoof de gedachte opzij. Ze was vastbesloten om haar missie te voltooien en het huis grondig te doorzoeken op aanwijzingen.

21


www.uitgeverijdefontein.nl Oorspronkelijke titel: The Ice Children Verschenen bij Macmillan Children’s Books, een imprint van Pan Macmillan © tekst 2023 M.G. Leonard © illustraties 2023 Penny Neville-Lee Voor deze uitgave: © 2023 Uitgeverij De Fontein, Utrecht Vertaling: Mariella Manfré Omslagafbeelding: Penny Neville-Lee Omslagontwerp: Penny Neville-Lee / bij Barbara Grafische verzorging: Zeno Uitgeverij De Fontein vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van het papieren boek van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. isbn 978 90 261 6961 8 isbn e-book 978 90 261 6962 5 isbn audioboek 978 90 261 7207 6 nur 283


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Inkijkexemplaar 'De ijskinderen' - M.G. Leonard by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu