Skip to main content

Cassandra Clare - Ketting van Goud

Page 1

GRATIS LEESFRAGMENT

1


Cassandra Clare is een van de populairste en best verkopende YA-auteurs ter wereld. Ze brak internationaal door met The Mortal Instruments (Kronieken van de Onderwereld), haar eerste serie over de Schaduwjagerswereld. Wereldwijd zijn er meer dan 50 miljoen exemplaren van verkocht. Haar boeken zijn in meer dan 35 talen vertaald en ook succesvol verfilmd. Ketting van goud is het eerste deel in De laatste uren-reeks, die zich in Clares immens populaire Schaduwjagerswereld afspeelt.

www.cassandraclare.com

2


In het verleden: 1897

Lucie Herondale was tien toen ze de jongen in het bos voor het eerst ontmoette. Ze was opgegroeid in Londen en had zich nooit een plek als het Brocelindwoud voorgesteld. Het omgaf Huize Herondale aan alle kanten, met fluisterend naar elkaar toegebogen boomkruinen: donkergroen in de zomer, gebrand goud in de herfst. Het tapijt van mos op de grond was zo groen en zacht dat haar vader zei dat elfjes het ’s nachts als kussen gebruikten, en dat ze van de witte sterbloemen die alleen in het verborgen land Idris groeiden armbanden en ringen maakten voor hun kleine handen. James, uiteraard, zei dat elfjes helemaal geen kussens nodig hadden. Ze sliepen onder de grond en ontvoerden stoute kleine meisjes in hun slaap. Daarop trapte Lucie hem op zijn voet, en dus tilde papa haar op en droeg haar terug naar huis voordat ze slaags konden raken. James stamde af van het oude en nobele geslacht Herondale, maar dat weerhield hem er niet van om aan de vlechten van zijn zusje te trekken wanneer hij dat nodig vond. Laat op een avond werd Lucie wakker van de heldere maan. Het licht scheen als melk haar kamer in en legde witte strepen over haar bed en over de gewreven houtenvloer. 3


Ze glipte uit bed, klom door het raam naar buiten en landde lichtvoetig in het bloembed eronder. Het was een zomerse avond en ze had het warm in haar nachtpon. De rand van het bos, een stukje voorbij de stallen met hun paarden, leek te gloeien. Ze liep er geluidloos als een kleine geest naartoe. Haar pantoffels pletten het mos amper. Ze amuseerde zichzelf aanvankelijk door bloemenslingers te maken en die aan takken te hangen. Daarna speelde ze dat ze Sneeuwwitje was, op de vlucht voor de jager. Ze rende tussen de verstrikte bomen door, draaide zich om en legde theatraal de rug van haar hand tegen haar voorhoofd. ‘Je zult míj nooit doden,’ riep ze. ‘Want ik ben van nobel bloed en ik zal op een dag koningin zijn, twee keer zo machtig als mijn stiefmoeder. En dan hak ik haar hoofd af.’ Het was mogelijk, dacht ze later, dat ze zich het verhaal van Sneeuwwitje niet meer helemaal goed herinnerde. Toch was het heel vermakelijk, maar bij haar vierde of vijfde tocht door het bos besefte ze dat ze verdwaald was. Ze zag de bekende omtrekken van Huize Herondale niet meer tussen de bomen door. Ze draaide in paniek om haar as. Het bos leek niet langer magisch. In plaats daarvan torende de bomen als dreigende geesten boven haar uit. Onder het geruis van de bladeren dacht ze het klateren van onaardse stemmen te horen, er waren wolken voor de maan geschoven. Ze was alleen in het donker. Lucie was een dapper meisje, maar ze was pas tien. Met een zachte snik begon ze te rennen in wat zij dacht dat de juiste richting was. Maar het bos werd alleen maar donkerder en de 4


doornstruiken dichter. Een ervan haakte achter haar nachtpon en maakte er een lange scheur in. Ze struikelde... En viel. Het voelde als de val van Alice naar Wonderland, maar het duurde veel korter. Ze duikelde halsoverkop een helling af en raakte harde aarde. Jammerend ging ze zitten. Ze was in een ronde kuil in de grond beland. De zijkanten waren glad en meer dan een armlengte hoger dan zij. Ze probeerde haar vingers in het zand te zetten dat haar aan alle kanten omringde en omhoog te klimmen, maar de aarde was zacht en verkruimelde onder haar handen. Nadat ze voor de vijfde keer weer naar beneden was gevallen, zag ze iets wits uit de steile aarden wand steken. Hopend dat het een wortel was waaraan ze zich kon optrekken, sprong ze omhoog en graaide ernaar... Er viel een brok aarde van af. Het was helemaal geen wortel, maar een wit bot, en niet van een dier... ‘Niet gillen,’ zei een stem boven haar. ‘Dan komen ze.’ Ze legde haar hoofd in haar nek en staarde omhoog. Over de rand van de kuil zat een jongen gebogen. Hij was ouder dan haar broer James; misschien wel zestien. Hij had een knap, melancholiek gezicht en heel steil zwart haar dat bijna de kraag van zijn hemd raakte. ‘Wie komen er dan?’ Lucie zette haar handen in haar zij. ‘De elfen,’ zei hij. ‘Dit is een van hun valkuilen. Meestal gebruiken ze die om dieren te vangen, maar ze zouden heel blij zijn om er in plaats daarvan een klein meisje in te vinden.’ Lucie slaakte een kreet. ‘Bedoel je dat ze me zouden opeten?’ Hij lachte. ‘Dat is onwaarschijnlijk, maar het zou wel kunnen dat je de rest van 5


je leven elfenedelen moet dienen in het land onder de heuvel. En dan zou je je familie nooit meer zien.’ Hij wiebelde met zijn wenkbrauwen naar haar. ‘Probeer me niet bang te maken,’ zei ze. ‘Ik verzeker je, ik spreek alleen de perfecte waarheid. De imperfecte waarheid is me te min.’ ‘Doe niet zo dwaas. Ik ben Lucie Herondale. Mijn vader is Will Herondale, een heel belangrijke persoon. Als je me redt, word je beloond.’ ‘Een Herondale? Dat heb ik weer.’ Hij zuchtte, wurmde zich verder over de rand van de kuil heen en stak zijn arm uit. Er glansde een litteken op de rug van zijn rechterhand; een lelijk litteken, alsof hij zich had gebrand. ‘Kom maar.’ Toen ze met beide handen zijn pols vastgreep, trok hij haar met verrassend veel kracht omhoog. Even later stonden ze allebei aan de rand van de kuil. Nu kon Lucie hem beter zien. Hij was ouder dan ze had gedacht, formeel gekleed in wit en zwart. De maan was weer achter de wolken vandaan gekomen en ze zag dat zijn ogen dezelfde kleur groen hadden als het mos. ‘Dank je,’ zei ze nogal nuffig. Ze klopte haar nachtpon af. Hij was echt heel smerig geworden. ‘Kom nu maar,’ zei hij vriendelijk. ‘Niet bang zijn. Waar zullen we het over hebben? Hou je van verhalen?’ ‘Ik ben dol op verhalen,’ zei Lucie. ‘Later als ik groot ben, word ik een beroemde schrijfster.’ ‘Dat klinkt prachtig.’ Zijn toon had iets mijmerends. Ze liepen samen over de paden onder de bomen. De jongen 6


leek te weten waar hij heen ging, alsof hij het bos op zijn duimpje kende. Hij moest een wisselkind zijn, dacht Lucie wijs. Hij wist veel over elfen, maar was er zelf overduidelijk geen: hij had haar gewaarschuwd voor ontvoering door het elfenvolk, dus dat moest hem zelf zijn overkomen. Ze zou er niets over zeggen, want ze wilde hem niet onbehaaglijk maken; het moest vreselijk zijn om een wisselkind te zijn, om weggehaald te worden bij je familie. In plaats daarvan ging ze met hem in gesprek over prinsessen in sprookjes, en welke hij het best vond. Het leek alsof ze binnen de kortste keren terug waren in de tuin van Huize Herondale. ‘Ik stel me zo voor dat de prinses vanaf hier zelf wel weer in het kasteel kan binnenkomen,’ zei hij met een buiging. ‘O ja,’ zei Lucie, kijkend naar haar raam. ‘Denk je dat ze hebben gemerkt dat ik weg was?’ Hij lachte en draaide zich om. Ze riep hem na toen hij de poorten had bereikt. ‘Hoe heet jij?’ vroeg ze. ‘Ik heb je mijn naam verteld, maar hoe heet jij?’ Hij aarzelde even. Hij was alleen maar wit en zwart in het donker, als een illustratie uit een van haar boeken. Toen maakte hij een diepe, elegante buiging, zoals ridders vroeger deden. ‘Je zult míj nooit doden,’ zei hij. ‘Want ik ben van nobel bloed en ik zal op een dag koningin zijn, twee keer zo machtig als mijn stiefmoeder. En dan hak ik haar hoofd af.’ Lucie slaakte een verontwaardigde kreet. Had hij naar haar geluisterd in het bos, terwijl zij aan het spelen was? Hoe durfde hij haar uit te lachen! Ze schudde met haar vuist naar hem, maar hij was al in de nacht verdwenen en alleen zijn lach was nog te horen. Het zou zes jaar duren voor ze hem weer zag. 7


1 Betere engelen

De schaduwen van onze eigen verlangens staan tussen ons en onze betere engelen, en dus is hun helderheid verduisterd. – Charles Dickens, Barnaby Rudge

James Herondale was met een demon in gevecht toen hij plotseling de hel in werd getrokken. Het was niet de eerste keer dat dat gebeurde, en het zou niet de laatste keer zijn. Even eerder had hij op zijn knieën op een schuin dak in het centrum van Londen gezeten, met een slank werpmes in elke hand, overpeinzend hoe walgelijk het afval was dat zich in de stad ophoopte. Naast drek, lege ginflessen en dierenbotten lag er beslist een dode vogel in de dakgoot onder zijn linker knie. Wat was het leven van een schaduwjager toch glamoureus. Het klónk goed, dacht hij, neerkijkend op een verlaten steeg: een smalle gang vol vuilnis, schemerig verlicht door de halvemaan. Ze waren een speciaal ras van strijders, afstammelingen van een engel, begaafd met krachten waardoor ze wapens van glanzend adamas konden gebruiken en de zwarte tekens van heilige runen op hun huid konden verdragen; runen die hen sterker, sneller en 8


dodelijker maakten dan een gewoon aards mens en waardoor ze straalden in het donker. Niemand sprak ooit over dode vogels waar je per ongeluk op ging zitten terwijl je op demonenjacht was. Er galmde een kreet door de steeg. Een geluid dat James goed kende: Matthew Fairchilds stem. Hij sprong zonder enige aarzeling van het dak. Matthew Fairchild was zijn parabatai, zijn bloedbroeder en strijdpartner. James had gezworen hem te beschermen. Niet dat dat uitmaakte, want hij zou ook zonder geloften zijn leven voor Matthew geven. James zag een flits van beweging aan het eind van de steeg, waar die verder doorliep achter een smalle rij huizen. Hij draaide zich om toen er een brullende demon uit de schaduwen kwam. Het monster had een geribbeld grijs lichaam, een kromme, scherpe snavel met kartelige tanden en gespreide poten met vlijmscherpe klauwen. Een deumasdemon, dacht James grimmig. Hij wist zeker dat hij iets over deumasdemonen had gelezen in een van de oude boeken die zijn oom Jem hem had gegeven. Er was iets bijzonders mee, dacht hij zich te herinneren. Waren ze extreem vals, misschien, of ongewoon gevaarlijk? Dat zou weer typisch zijn, hè? Als hij en zijn vrienden na al die maanden zonder enige helse activiteit toevallig een van de gevaarlijkste demonensoorten die bestonden tegenkwamen? Trouwens... waar wáren zijn vrienden? De deumas brulde weer en dook op James af. Lange slierten groenig slijm dropen uit zijn muil. James zwaaide zijn arm naar achteren om zijn eerste mes te gooien. Even fixeerden de ogen van de demon zich op hem. Ze waren fonkelend groen en zwart, en vervuld van een haat die plotseling in iets anders veranderde. 9


Herkenning? Maar demonen, in elk geval de lagere soorten, herkenden geen mensen. Het waren valse beesten, gedreven door pure hebzucht en haat. Terwijl James verbaasd aarzelde, leek de grond onder hem te beven. Hij had alleen nog een momentje om te denken: o nee niet nu, voordat de wereld grijs en stil werd. De gebouwen om hem heen waren in puntige schaduwen veranderd, en de hemel zag eruit als een zwarte grot doorschoten met witte bliksems. Hij sloot zijn rechterhand om zijn mes; niet om het heft, maar om het lemmet. De pijn werkte als een klap in het gezicht en wekte hem uit zijn trance. De wereld kwam met al zijn lawaai en kleuren ineens weer bij hem terug. Hij had amper de tijd om te verwerken dat de deumas in de lucht hing, met zijn klauwen naar hem uitgestoken, voordat er een werveling van snoeren door de lucht zwiepte, de poot van de demon strikte en hem naar achteren rukte. Thomas! dacht James, en inderdaad, zijn boomlange vriend was achter de deumas verschenen, gewapend met zijn bola. Achter hem stonden Christopher met zijn boog en Matthew met een gloeiende serafijnendolk. De deumas raakte de grond met een volgende brul toen James zijn beide messen liet vliegen. Het eerste plofte in de keel van de demon, het tweede in zijn voorhoofd. Zijn ogen rolden weg in hun kassen, hij schokte, en plotseling herinnerde James zich weer wat hij over deumas demonen had gelezen. ‘Matthew...’ begon hij, maar toen ontplofte het schepsel. Thomas, Christopher en Matthew werden besproeid met wondvocht en verbrande drab. 10


Smeerboel, herinnerde James zich wat laat. Deumasdemonen waren berucht om hun smeerboel. De meeste demonen verdwenen in het niets als je ze doodde. Deumasdemonen niet. Die ontploften. ‘Hoe... wat?’ stamelde Christopher, overduidelijk zoekend naar woorden. Er droop slijm van zijn puntige neus en gouden montuur. ‘Maar hoe...’ ‘Bedoel je: hoe is het mogelijk dat we eindelijk de laatste demon in Londen hebben opgespoord en het uitgerekend de walgelijkste is?’ James was verbaasd te horen hoe normaal zijn stem klonk. Hij schudde de schok van zijn korte inkijkje in het schaduwrijk al van zich af. In elk geval was zijn kleding redelijk schoon gebleven; de demon leek voornamelijk naar de andere kant van de steeg te zijn ontploft. ‘Het is niet aan ons om naar het waarom te vragen, Christopher.’ James had het gevoel dat zijn vrienden een pietsje wrokkig naar hem keken. Thomas rolde met zijn ogen. Hij wreef over zijn kleding met een zakdoek, ook half verbrand en besmeurd met wondvocht, dus dat haalde weinig uit. Matthews serafijnendolk was gaan sputteren. Serafijnendolken, doordrongen van de energie van engelen, waren het meest vertrouwde wapen van een schaduwjager en de beste verdediging tegen demonen, maar toch konden ze verdrinken in grote hoeveelheden wondvocht. ‘Dit is een schande,’ zei Matthew terwijl hij het uitgedoofde mes opzij gooide.‘Weet je hoeveel dit vest heeft gekost?’ ‘Moet je maar niet gekleed als figurant bij Het belang van Ernst 11


gaan patrouilleren,’ zei James, en hij gooide hem een schone zakdoek toe. Terwijl hij dat deed, voelde hij dat zijn hand prikte. Er zat een bloederige snee in zijn handpalm. Hij balde zijn hand tot een vuist zodat zijn vrienden die niet zouden zien. ‘Ik vind niet dat hij eruitziet als een figurant,’ zei Thomas, die bezig was Christopher schoon te poetsen. ‘Dank je,’ zei Matthew met een lichte buiging. ‘Ik vind dat hij eruitziet als een hoofdpersoon.’ Thomas grijnsde. Hij had een van de vriendelijkste gezichten die James ooit had gezien en zachte lichtbruine ogen. Al weerhield dat hem er niet van om zijn vrienden te pesten. Matthew depte zijn goudblonde haar met James’ zakdoek. ‘Dit is de eerste keer in een jaar tijd dat we tijdens een patrouille daadwerkelijk op een demon zijn gestuit, dus ik rekende erop dat mijn vest de avond waarschijnlijk wel zou overleven. Jullie dragen trouwens ook geen tenue.’ Het was waar dat schaduwjagers meestal patrouilleerden in tenue, een soort flexibel pantser gemaakt van een taai, leerachtig zwart materiaal dat bestand was tegen wondvocht, messen en dergelijke, maar vanwege het gebrek aan demonische activiteit waren ze allemaal een beetje laks geworden. ‘Hou op met dat gepoets, Thomas,’ zei Christopher, molenwiekend met zijn armen. ‘We kunnen beter teruggaan naar de Devil en ons daar opfrissen.’ Er werd instemmend gemompeld door de groep en ze zochten zich plakkerig een weg terug naar de hoofdstraat. James dacht na over wat Matthew had gezegd. Hij had gelijk. Zijn vader, Will, had hem vaak verteld over de patrouilles die hij vroeger deed met zijn 12


parabatai Jem Carstairs – nu James’ oom Jem. In die tijd moesten ze bijna elke avond tegen demonen strijden. James en de andere jonge schaduwjagers patrouilleerden nog altijd trouw over de straten van Londen, op zoek naar demonen die de aardse bevolking konden bedreigen, maar de laatste paar jaar waren ze die slechts zelden tegengekomen. Dat was goed – natuurlijk was het goed – maar toch... Het was beslist vreemd. Demonische activiteit was nog steeds normaal in de rest van de wereld, dus wat maakte Londen zo bijzonder? Ondanks het late uur liepen er nog meer dan genoeg aardsen op straat. Ze keken geen van allen naar de groep verfomfaaide schaduwjagers terwijl ze door Fleet Street liepen; hun schuilrunen maakten hen onzichtbaar voor alle ogen die niet begaafd waren met het zicht. Het was altijd vreemd om te worden omringd door mensen die je niet zagen, dacht James. In Fleet Street waren de kantoren van dagbladen en de gerechtshoven gevestigd. Het wemelde er van de helverlichte pubs waar drukkers, advocaten en gerechtsklerken die nog laat hadden gewerkt heen gingen om te drinken tot het vroege ochtendlicht. De concertzalen en theaters op The Strand verderop waren leeggelopen en modieus geklede groepen jonge mensen renden uitgelaten lachend naar de haltes om de laatste omnibussen van de avond te halen. De Engelse bobby’s patrouilleerden ook, en de onfortuinlijke daklozen verzamelden zich mompelend rondom ventilatieroosters in de grond waaruit warme lucht opsteeg; zelfs in augustus konden de nachten in Londen vochtig en kil zijn. Terwijl ze zo’n groep ineengedoken figuren passeerden, keek een van hen opzij en zag James even de bleke huid en glinsterende ogen van een vampier. 13


Hij wendde zijn blik af. Benedenlingen gingen hem niet aan, behalve wanneer ze de wetten van de Kloof overtraden. En hij was moe, ondanks zijn energietekens; het putte hem altijd uit om naar die andere wereld van grijs licht en rafelige zwarte schaduwen getrokken te worden. Het was iets wat hem al jaren overkwam – een gevolg, wist hij, van het heksenmeesterbloed van zijn moeder. Heksenmeesters waren het nageslacht van mensen en demonen. Ze hadden magie tot hun beschikking, maar konden geen runen dragen of adamas gebruiken, het heldere kristallijnen metaal waarvan cilinders en serafijnendolken werden gemaakt. Ze waren een van de vier takken van benedenlingen, naast de vampiers, de weerwolven en het elfenvolk. James’ moeder, Tessa Herondale, was een heksenmeesteres, maar háár moeder was geen gewone aardse geweest maar een schaduwjager. Tessa zelf had ooit de macht gehad om haar gedaante te veranderen en het uiterlijk aan te nemen van wie dan ook, levend of dood: een kracht die geen enkele andere heksenmeester had. En ze was in nog een ander opzicht ongewoon: heksenmeesters konden geen kinderen krijgen. Tessa was daarop een uitzondering. Iedereen had zich afgevraagd wat dat zou betekenen voor James en zijn zusje Lucie, de allereerste kleinkinderen ooit van een demon en een mens.

14


Over de boeken van Cassandra Clare: ‘Clare, koningin van de YA-fantasy, keert terug met een nieuwe generatie van Schaduwjagers. Een nieuw, spannend verhaal dat niet alleen vertrouwd zal aanvoelen voor fans van het eerste uur, maar ook nieuwe lezers zal weten te bekoren.’

B OOKLIST ‘Ik heb zoveel respect voor Cassandra Clare. Ze heeft zoveel boeken die zich afspelen in dezelfde wereld en toch weet ze met elk boek in de Schaduwjagerswereld weer wat nieuws te laten zien. Haar boeken worden ook beter, met elke serie die ze schrijft.’

HEBBAN.NL ‘Met haar krachtige personages en indrukwekkende verhaalopbouw weet Clare de lezer mee te nemen in een rollercoaster waar je niet zomaar uitstapt.’

FANTASYWERELD.NL ‘Een fascinerend en uitermate boeiend verhaal met verrassende wendingen en een slot dat je verlangend laat uitkijken naar de volgende delen van deze reeks. Een fantasievolle aanrader.’

PLUIZUIT.BE ‘Bovenal staat buiten kijf dat Cassandra Clare gewoon een erg prettige schrijfstijl heeft en een zeer begaafde schrijfster is.’

YOUNG - ADULTS.NL 15


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Cassandra Clare - Ketting van Goud by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu