Skip to main content

Leesfragment Alles wat ze aanraakt - Jennifer L. Armentrout

Page 1

Hoofdstuk 1

Iets warms en zachts, ter grootte van mijn hand, vond een plekje op mijn borst en verplaatste zich vervolgens naar rechts, op weg omhoog. Ik weet niet waarom ik, toen ik mijn ogen opende, had gedacht de babyblauwe ogen te zullen zien van een of andere leuke man. Misschien omdat ik net de beste droom ooit had gehad. Ik verwachtte in elk geval niet in vaalblauwe, spookachtige kraaloogjes te kijken. Er zat een hamster op mijn borst, en zijn wit-bruine vacht was helemaal vies. Er zaten ook kleine vlekken op mijn slaapshirt, en op mijn sprei ontdekte ik klontjes zand. Ik gilde. Geschrokken spurtte de hamster van mijn borst en verdween onder het dekbed. Ik sprong uit bed en belandde bijna plat op mijn gezicht op het versleten vloerkleed. Ik holde de kamer uit, wilde het liefst weer gillen. Mijn hart bonkte nog steeds toen ik voor de slaapkamer van mijn jongere zusje langzamer ging lopen. Haar deur stond op een kier en mijn blik viel eerst op haar bed. Toen dat leeg bleek, speurde ik verder de kamer af. Het vroege ochtendlicht stroomde al naar binnen en wierp schaduwen op Olivia’s tengere lichaam. Ze zat op de grond, haar hoofd gebogen en haar rug naar de deur. Rode krullen omlijstten haar gezicht. Toen ik de kamer in liep, schopte ik per ongeluk een van haar poppen om. Bij de aanblik van dat ding waren alle gedachten aan de hamster in één klap weg. Een van de armpjes was eraf getrokken. Olivia was met 7


een stift het gezichtje te lijf gegaan en had er ogen op getekend. En om het helemaal gestoord af te ronden, had ze ZIE op het voorhoofd geschreven. Mijn handen werden klam. ‘Olivia...’ Ze verstijfde. ‘Ember? Ik heb iets stouts gedaan vanochtend. Je wordt vast heel boos.’ Gevreesde woorden uit de mond van een vijfjarige, maar ik wist al wat ze had gedaan. Ik liep om het bed heen, hoewel ik me het liefst weer wilde omdraaien en hard wilde wegrennen. Er waren momenten dat Olivia me de stuipen op het lijf jaagde. ‘Wat heb ik nou gezegd, Olivia?’ Ze kantelde haar hoofd en keek naar me op. Haar groene ogen waren nat van de tranen en glinsterden als smaragdjes. ‘Het spijt me.’ Haar onderlip trilde. ’Snoepie werd bang toen ik hem weer het huis in bracht. Hij ging ervandoor voordat ik hem kon tegenhouden.’ Op de een of andere manier wist ik een glimlach te produceren, tot mijn blik op haar nachthemd viel. Het friswitte katoen was bezaaid met aardevlekken, en haar kleine armpjes en mollige vingertjes zaten vol bruine spetters. De schoenendoos op haar schoot was ongelooflijk vies. Het was dezelfde schoenendoos waarin ik Snoepie gisteren in de achtertuin had begraven. Ik kneep mijn ogen dicht en probeerde zoveel mogelijk vloeken in mijn hoofd aaneen te rijgen. Ik had kunnen weten dat ze dit zou doen. Er trok een rilling langs mijn ruggengraat. Olivia kon iets wat dood was, niet gewoon dood laten. ‘Het spijt me,’ fluisterde ze. ‘Maar Snoepie houdt van me en hij had me nodig.’ Ik liep om haar heen en liet me voor haar op mijn knieën zakken. ‘Snoepie had je niet nodig! Olivia, je kunt dit niet elke keer doen als een van je huisdieren doodgaat. Het is niet normaal. 8


Het is onnatuurlijk.’ Alsof het laatst niet ook al onnatuurlijk was geweest om een dode duif, die ze op de oprit had gevonden, weer tot leven te wekken. Of Smokey, de kat die ze langs de kant van de weg had ontdekt. ‘Maar... ik heb het toch ook met jou gedaan?’ wierp ze tegen. Ik opende mijn mond – maar wat moest ik daarop nou zeggen? Ze had het inderdaad twee jaar geleden met mij ook gedaan, en ik was net zo onnatuurlijk als Snoepie. Erger nog... ‘Dat weet ik, en heus, ik waardeer het. Maar je kunt dit soort dingen niet blijven doen.’ Ze kromp ineen. ‘Niet doen.’ Ik keek naar mijn handen, me er niet van bewust dat ik die naar haar had uitgestoken. Gefrustreerd liet ik ze in mijn schoot vallen. ‘Als levende wezens doodgaan, betekent dat gewoon dat hun tijd is gekomen. Dat weet je.’ Ze sprong overeind. ‘Je gaat Snoepie van me afpakken.’ De geur van de dood hing aan die schoenendoos en tergde mijn zintuigen. Vol walging vroeg ik me af of ik ook zo rook. De neiging aan mezelf te gaan ruiken was bijna te sterk om te weerstaan. ‘Pak hem alsjeblieft niet af,’ ging ze verder, klaar voor een typische zenuwinzinking in Olivia-formaat. ‘Ik beloof het niet meer te doen. Laat me alleen Snoepie houden! Alsjeblieft!’ Ik keek naar haar. Ze stond inmiddels weer stil, maar haar nachthemd danste nog steeds om haar knieën. ‘Ember, ben je boos op me? Wees alsjeblieft niet boos op me.’ ‘Nee.’ Ik zuchtte. ‘Ik ben niet boos, maar je moet me beloven dat je dit niet meer doet. En het dit keer ook menen.’ Haar hoofd ging driftig op en neer. ‘Echt! Dus ik mag Snoepie houden?’ ‘Ja. Ga die domme hamster maar halen.’ Ik kwam overeind en slaakte een zucht. ‘Hij zat onder mijn dekbed.’ 9


Op haar gezicht brak een prachtige, stralende glimlach door. Ze draaide zich om en liep snel naar mijn slaapkamer. Ik volgde haar op de voet, en kreeg kippenvel toen ik weer naar de pop keek. De deur naar mijn slaapkamer bungelde aan zijn enige overgebleven scharnier. Het was een oud huis, Burgeroorlog-oud. Alles was versleten en hing scheef of was doorgezakt. De verf bladderde in grote stukken als oud slangenvel van de muren. Niets was recht. Het rook er naar verval en dood. Bijna alsof het huis twee jaar geleden was doodgegaan. Snoepie bleek nog steeds onder mijn dekbed te zitten en spookte daar Joost weet wat uit. Olivia hield het friemelende bolletje wol dicht bij haar gezicht. ‘Ik mag je houden!’ Ik sloeg mijn handen in elkaar om het trillen te onderdrukken. ‘Stop Snoepie terug in zijn kooitje en maak je klaar voor school, Olivia. We doen... doen gewoon of dit niet is gebeurd, oké? En poets je tanden.’ Ik zweeg een moment. ‘En waag het niet vandaag je prinsessenjurk naar school aan te trekken.’ Ze bleef in de deuropening staan. ‘Maar ik bén een prinses.’ ’Niet op school. Hup.’ Ik gebaarde naar haar slaapkamer en negeerde de manier waarop mijn maag zich meldde. Olivia huppelde de gang door, zich er totaal niet van bewust hoe vreemd we allebei waren. ‘Normaal’ kwam niet voor op het lijstje van woorden waarmee je ons kon beschrijven. Ik betwijfelde zelfs of ‘menselijk’ erop stond. Alleen in mijn badkamer keek ik omlaag naar mijn trillende handen, naar de zwarte vlek op de punt van mijn wijsvinger, en zei mezelf me niet zo aan te stellen. Ik mocht nu niet instorten. Ik moest sterk zijn voor Olivia. Ik keek naar mijn spiegelbeeld en forceerde een grijns. Mislukt. Bovendien ontdekte ik op mijn slaap de grootste pukkel aller tijden. 10


En bedankt. Na een snelle douche liep ik de slaapkamer weer in, pakte de eerste de beste schone spijkerbroek die ik kon vinden en griste een vestje van de rugleuning van de bureaustoel. Een mouwloos topje zou veel mooier zijn geweest, maar de patchworkdeken van littekens op mijn armen zou dan te zichtbaar zijn geweest. Olivia’s genezende krachten herstelden blijkbaar niet alles. Tijdens gymles had een van de meiden – Sally Wenchman – vorig jaar de littekens gezien toen ik me omkleedde. Ze had me Frankenstein genoemd, en die bijnaam was ik niet meer kwijtgeraakt. Ik pakte mijn tekenblok en schoof het in mijn tas. Op weg naar buiten nam ik de huidkleurige handschoenen van de stoel en trok ze aan. De lange mouwen van mijn bloes bedekten ze grotendeels, en de andere scholieren dachten toch dat ik daarmee mijn littekens probeerde te verstoppen. Wat deels waar was. ‘Ben je zover?’ riep ik onder aan de trap. ‘We hebben nog... zo’n twintig minuten.’ ‘Ja,’ hoorde ik een gedempt antwoord. Ik volgde het geluid van haar stem en trof Olivia aan tafel aan, ontbijt voor haar neus... in haar prinsessenjurk. Potverdorie. Dat kind was al gek genoeg zonder elke dag die verhipte jurk aan te trekken. ‘Olivia, wat zei ik nou?’ Ze sprong van haar stoel, zette haar kom in de gootsteen en draaide zich met een ondeugende grijns naar me om. ‘Het is nu te laat om me nog om te kleden.’ Ik keek haar verbijsterd aan. ‘Je bent onmogelijk.’ Ze kwam naast me staan, een aarzelende blik op haar gezicht. Langzaam stak ze haar hand uit en vouwde haar vingers om mijn gehandschoende hand. Toen ik knikte, werd haar greep steviger en was alles in haar wereld in orde. Twee jaren waren verstreken sinds ik Olivia nog had kunnen 11


aanraken zonder een of andere barrière tussen haar huid en de mijne. Als ze viel en haar knie schaafde, kon ik er geen kus op drukken om het weer beter te maken. Als ze huilde, kon ik haar niet vasthouden. Ik kon me zelfs niet meer herinneren hoe de nabijheid van een ander voelde. Die hele super-speciale-aanraking-des-doods was zo shit. Olivia zat momenteel in zo’n fase waarin ze dacht bovenmenselijk sterk te zijn, en dus deed ik alsof ze me door het huis mee naar buiten sleurde, waar mijn Jeep geparkeerd stond. De doffe, zwarte lak gaf het ding een oververmoeid uiterlijk, en het had dringend nieuwe banden en remmen nodig. Toch was ik er dol op. Ik kon de gladde buitenkant en het zachte interieur aanraken zoveel ik wilde. Mijn hart maakte een sprongetje bij het idee dat hij niet om zou vallen en sterven door mijn dodelijke aanraking. De hele weg naar school hield Olivia maar niet op over een nieuw stuk speelgoed dat ze ergens had gezien. Ik moest me beheersen om mijn hoofd niet tegen het stuur te slaan. Voordat ze voor de lagere school uit de auto sprong, boog ze zich naar me toe voor haar vaste luchtzoen. Van dichtbij waren we onmiskenbaar zussen – met dezelfde roodbruine krullen en dezelfde sproeten. ‘Aardig zijn tegen de andere kinderen vandaag,’ zei ik. ‘En alsjeblieft, niets doods aanraken.’ Ze wierp me een behoorlijk volwassen blik toe en rende vervolgens in een wolk van roze en glitter naar binnen. Ik bleef een moment lang zitten en keek toe hoe ze verdween tussen alle andere minimensjes. Pap zei altijd dat Olivia een oude ziel had, en ik was dat pas recent gaan begrijpen. Ik wierp een snelle blik op het klokje in mijn dashboard – vijf minuten nog om op tijd op school te komen. De laatste tijd had ik wel erg veel te-laatbriefjes verzameld. Op een dag zou ik er een mooie roze collage van maken, vol boze rode stift, en zou die op de koelkast hangen voor Olivia. Die was dol op roze dingen. 12


*** Tien minuten later gleed ik op mijn stoel, met een te-laatbriefje in mijn hand en een geïrriteerde blik op mijn gezicht. ‘Alweer?’ fluisterde de donkerblonde jongen naast me. Ik wierp hem een hooghartige blik toe, die werd beantwoord met een brede grijns. ‘Wat denk je zelf, Adam?’ Hij haalde, nog steeds lachend, zijn schouders op. ‘Misschien eerder opstaan?’ Adam Lewis was de enige op Allentown High die sinds het ongeluk nog met me praatte. Zandbakliefde, dat was wat we hadden, maar ik kon hem toch moeilijk vertellen dat ik te laat was omdat mijn zusje haar dode hamster vanochtend had opgegraven en weer tot leven had gewekt. Ik wilde hem nog te vriend houden. Adam keek me vragend aan. Hij was leuk, op een soort nerdige manier, maar tussen ons was er niets anders dan vriendschap. Er kon niet meer zijn. Nooit. De ogen van onze docente werden smaller, net als haar lippen. Mevrouw Benton had een zwijgbeleid tijdens haar lessen, wat haar populariteit bij de scholieren zeker niet hielp. Ik richtte mijn blik weer op mijn blok en begon te tekenen, in afwachting van de bel aan het einde van het lesuur. Terwijl ik de oude eik buiten het raam van ons lokaal begon te schetsen, bleef ik maar denken aan wat Olivia had uitgespookt. Mijn versie van die arme boom leek totaal niet op het echte exemplaar buiten. Misschien lag dat eraan dat ik koos voor donkere wolken op de achtergrond en dat ik elke tak omlaag liet hangen, zodat de randen kartelig uitpakten, in plaats van de aanblik te vangen van hoe het vroege zonlicht de rode en gouden bladeren streelde. Er zat geen leven in mijn schets. Noch in mij. Ik had geen idee hoe Olivia de doden weer tot leven kon wek13


ken. Misschien was ze wel geboren met die gave en had het een achteloze chauffeur en veel verwrongen metaal gevergd voor het twee jaar geleden aan het licht was gekomen. Ik was in die auto overleden, net als pap. Die new-agemensen logen trouwens. Er was helemaal geen licht aan het eind van de tunnel. Er stonden geen engelen te wachten om me mee te nemen, geen overleden familieleden die me in de schaduw opwachtten. Er was niets, helemaal niets... totdat ik iets aan me voelde trekken dat me terughaalde naar mijn lichaam. Het deed geen pijn, maar het voelde vreemd leeg, bijna alsof een deel van me was achtergebleven in die donkere afgrond. Misschien had ik mijn ziel wel ergens in het hiernamaals laten liggen. Toen ik mijn ogen open had gewurmd, was pap het eerste dat ik zag. Hij was er vreselijk aan toe – echt dood, en Olivia kon niet bij hem komen. De ambulancemedewerkers, de artsen – niemand had een probleem met mij aanraken. Ik dacht nog dat ik misschien gedroomd had over doodgaan. Toen ik weer thuis was, had alles zo gek gevoeld, zo surrealistisch, dat ik al snel doorkreeg dat het helemaal niet gedroomd was. Sushi was het eerste slachtoffer geweest. Met zijn veel te stompe neus en één oog was die kat het lelijkste wat ik ooit had gezien, maar ik hield van hem. Ik had hem opgetild en binnen zestig seconden was hij dood. Meerdere planten later besefte ik dat er iets mis was met mij – heel erg mis. Ik stopte met dingen aanraken. Van de ene op de andere dag. Gek genoeg leek Olivia’s vermogen om de doden te laten herrijzen, er in hoge mate afhankelijk van te zijn waarvoor ze het gebruikte. Dieren kwamen terug met ogen als de mijne, maar ze hadden niet dat dodelijke aanrakingsvermogen dat mij plaagde. Ik wist niet of het voor andere mensen die ze terughaalde net zo zou zijn, en wilde er ook niet achter komen. Het schrille geluid van de bel haalde me uit mijn gedachten. Ik 14


zocht mijn spullen bij elkaar en volgde Adam de drukke gang in. ‘Waarom was je nou te laat vanochtend?’ vroeg hij. Ik haalde mijn schouders op. ‘Verslapen. Kan gebeuren.’ Hij keek me achterdochtig aan, en ik vond het vreselijk dat ik tegen hem loog. Mijn blik gleed van zijn gezicht naar zijn T-shirt: Ik geloof in trophy wives. Charmant. Ik veranderde van onderwerp: ‘Denk je dat we bij geschiedenis een toets krijgen?’ Hij knikte, zijn ogen felblauw achter zijn bril. ‘Ja, heb je geoefend?’ Ik wurmde me uit de stroom scholieren en glimlachte naar Adam. ‘Sorry, wat zei je?’ Adam rolde met zijn ogen. ‘Heb je geleerd?’ ‘O. Olivia had gisteren heel veel aandacht nodig en –’ ‘Freak,’ zei Dustin Smith, de aanvoerder van het footballteam en een enorme zakhannes. ‘Jij was anders wel haar vriendje,’ mengde een andere jongen zich in het gesprek. ‘Dat maakt haar jouw freak, Dustin.’ Dat van het vriendje was waar – helaas. Toen ik vijftien was en nog populair en nog in staat mensen aan te raken, hadden we iets gehad. Dustin en ik hadden gezoend. Veel. Maar toen veranderde ik op een dag in de zwarte weduwe. De kans dat ik maagd bleef, was dus vrij groot. Een freak én een maagd – beter wordt het niet. ‘Jemig man, dat deel van mijn leven probeer ik te vergeten,’ zei Dustin. ‘Kunnen we het daar niet meer over hebben?’ Mijn vingers kromden zich om het hengsel van mijn tas en ik keek naar de grond. Blik laag houden, dacht ik. Opkijken maakt het alleen maar erger. Maar ik luisterde nooit naar die verstandige, redelijke stem in mijn hoofd. Tegen beter weten in hief ik mijn hoofd en keek Dustin aan. Hij sprong achteruit, zijn handen opgestoken alsof hij een ge15


vaarlijk beest moest afweren. ‘Man! Kijk me niet zo aan met die dode ogen, freak!’ ‘Hé!’ riep Adam, en stapte om me heen. ‘Praat niet zo tegen haar.’ Dustin dook naar hem toe alsof hij hem wilde slaan, maar het was gespeeld. Ik wist het, Adam wist het, en toch krompen we allebei heel even ineen. De menigte om Dustin heen barstte in lachen uit, en het woord freak schalde nog steeds door de gang toen zij hun weg alweer vervolgden. ‘Wat een zak,’ mompelde Adam. ‘Maar weet je wat?’ ‘Wat?’ Hete tranen brandden in mijn ogen en dreigden over te lopen, en ik kon mezelf wel slaan dat ik toestond dat iemand als Dustin me zo kon raken. ‘We weten allebei dat hij op een dag enkel een domme pompbediende is. Hij vindt zichzelf nu heel wat, maar straks werkt hij tot aan het einde der tijden op het benzinestation van zijn vader.’ Adam sloeg zijn kluisje dicht, en zijn gezicht werd zachter. ‘Em, gun hem die lol niet. Je bent beter dan hem en al zijn vriendjes.’ Ik knipperde verwoed. ‘Zijn mijn ogen echt zo eng?’ Adam slikte en het duurde even voor hij antwoord gaf. ‘Nee... ze zijn niet eng, Em. Ze zijn anders, dat is alles.’ Ik zuchtte. Wie hielden we nou voor de gek? Mijn ogen waren wel degelijk eng. Het rare was dat ze ooit een soort saai bruin waren geweest, maar na dat hele doodgaan waren ze veranderd. Ze waren nu zo lichtblauw als maar mogelijk was, een beetje als de hemel op een sombere dag, als de hele wereld grijs en verwaterd leek. Mensen dachten dat het door het trauma van het ongeluk kwam ofzo. ‘Em?’ vroeg hij. ‘Zullen we samen iets leuks doen vanavond? We kunnen pizza bestellen. Jouw lievelingspizza dit keer – geen pepperoni, alleen maar paprika en champignons.’ ‘Yeah.’ Ik schraapte mijn keel en forceerde een glimlach. Adam 16


vroeg nooit waarom ik niet aangeraakt wilde worden. Hij accepteerde het gewoon – accepteerde mij. Hij maakte het leven hier draaglijk. ‘Ik moet Olivia van school halen en wat boodschappen doen, maar je kunt langskomen.’ Adam glimlachte, zichtbaar opgelucht. ‘Leuk –’ De bel ging weer, waarop Adam kreunde. Hij had biologie. Kikkers opensnijden. Ik zette me af van mijn kluisje, schonk hem een meelevende glimlach en opeens, vanuit het niets, schoot een zin uit Macbeth door mijn hoofd: Er komt iets kwaadaardigs deze kant op. Ik draaide mijn hoofd en keek over mijn schouder. Mijn ogen vonden hem gelijk. Hij was lang – nog langer dan de idioot lange Adam. Donkerbruin haar viel in wilde lokken over zijn voorhoofd. Zijn gezicht was opvallend en intrigerend, met brede jukbeenderen en een vastberaden mond. Hij was niet conventioneel knap, maar wel universeel aantrekkelijk. Zelfs van waar ik stond, kon ik zien dat zijn ogen zo donker waren dat ze bijna zwart leken. ‘Em? Alles in orde? Waar kijk je naar?’ Ik draaide mijn hoofd weer terug. ‘Zie je die gast niet?’ Adam fronste. ‘Welke gast?’ Ik draaide mijn hoofd weer, knipperde. De plek waar de jongen had gestaan, was leeg. De gang was smal en lang. Hij kon onmogelijk zomaar verdwenen zijn. En het was overduidelijk dat Adam hem echt niet had gezien. Begon ik nu ook al gek te worden? Dat ik me een vent inbeeldde die naast onze bijzonder schaars ingerichte prijzenkast stond? Het kon erger, zo was het ook weer. Als ik al hallucineerde, dan liever een hete gast dan iets onsmakelijks.

17


van. Twee jaar geleden kreeg ze een erstig auto-ongeluk waarbij ze stierf, maar haar zusje haalde haar terug uit de dood. Nu is haar hele leven compleet veranderd.

Jennifer L. Armentrout

Doodgaan is kut – daar weet Ember McWilliams alles

Jennifer L. Armentrout

A lles wat Ember aanraakt, gaat dood. Ze leeft volgens een no-touch policy voor alles wat leeft. En dat geldt dus ook voor jongens. Dan ontmoet ze Hayden. Hij zegt dat haar vloek een gave is en dat hij haar kan helpen die onder controle te krijgen. Ember heeft er alles voor over om weer eens haar zusje te mogen knuffelen. En zoenen met Hayden, dat zou ook geen straf zijn… Maar als ze erachter komt dat haar ongeluk misschien helemaal geen ongeluk was, staat haar leven weer op het spel. Wie kan Ember nog vertrouwen?

Alles wat Ember aanraakt, sterft. Een gave of een vloek?

Jennifer L. A rmentrout heeft meerdere internationale bestsellers op haar naam staan, zowel met haar Fantasy- als New Adult-boeken. Eerder verschenen van haar de populaire Wacht op mij-, Lux- en Origin-serie. Er zijn inmid-

MARKETING EXEMPLAAR Niet geschikt voor de losse verkoop

dels al meer dan 150.000 exemplaren van haar Nederlandse boeken verkocht!

ISBN 9789020540994 NUR 285/340

www.zomerenkeuning.nl

Omslag Alles wat ze aanraakt – Jennifer L. Armentrout d.indd Alle pagina's

09-02-21 09:23


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Leesfragment Alles wat ze aanraakt - Jennifer L. Armentrout by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu