Skip to main content

Leesfragment Ik ben Vincent en ik ben niet bang van Enne Koens

Page 1

Het is donker. Zo donker dat ik niet eens mezelf kan zien. Ik ben ergens midden in een bos. Ik zit op de grond en voel koude stenen onder mijn billen. Het bos is vol geluiden. Vlakbij hoor ik water stromen. Geritsel. Brekende takken. De wind, die van heel ver over de boomtoppen komt aanrollen. Dichter- en dichterbij. Harder en harder, en dan raast hij over me heen, als een golf die omslaat in de branding. Vlak daarna een schreeuw, misschien van een vogel of een vos. Met gespitste oren luister ik naar alle geluiden. Ik wacht gespannen, klaar om opnieuw op te springen en verder te rennen. Al heb ik geen idee waarheen. Ik adem alsof ik te lang onder water ben gebleven, en ik geloof dat ik ergens pijn heb. Tegen beter weten in tuur ik om me heen. Als er mensen in de buurt zijn, dan hoop ik dat ze net zo weinig zien als ik. Ver weg hoor ik de wind opnieuw diep inademen, en even later blaast hij over me heen. Op mijn vlucht hiernaartoe ben ik over takken gestruikeld en in kuilen gevallen. Mijn kleren zijn nat van de bladeren en varens die tegen me aan sloegen, en mijn armen zitten onder de schrammen. Ik ben alleen, en om eerlijk te zijn: ik ben bang. Dus praat ik tegen 5

BW-Koens-Ik ben Vincent en ik ben niet bang@1.indd 5

26-07-17 12:12


mezelf. Ik fluister in het donker: ‘Ik ben Vincent. Ik ben elf jaar. Ik heb een vader en een moeder. Ik woon in Rotterdam. Ik ben Vincent. Elf jaar. Ik zit in groep 8.’ Ik blijf tegen mezelf praten, omdat het helpt. Het is goed om een stem te horen, al is het die van mezelf. Ik voel me even minder alleen. Zijn ze me aan het zoeken? Zijn ze dichtbij? Ik begin weer tegen mezelf te fluisteren. ‘Ik ben Vincent. Ik ben elf jaar en ik heb een boek gelezen over overleven in de natuur. Ik ben Vincent. Mijn lievelingsdier is de eekhoorn. Ik ben elf jaar. Op mijn kamer hangt een poster van Spiderman. Ik ben Vincent en ik ben niet bang, niet bang, niet bang.’ Ik ga op mijn rug liggen en kijk omhoog. Ik sper mijn ogen zo wijd mogelijk open, maar het blijft donker. Ik wacht. De stenen prikken in mijn rug. Ik heb nog nooit zo’n hobbelig en koud bed gehad. Thuis is mijn bed superzacht, en daar slaap ik onder een Spidermandekbed. Thuis. Heel even denk ik aan mijn vader en moeder en ons huis op de Avenue Concordia. Was het echt nodig om te vluchten? Als het donker is, kun je je haast niet voorstellen dat het weer licht wordt, net zoals je je vaak niet kunt voorstellen dat je weer beter wordt als je met griep op de bank ligt. ‘Ik ben Vincent, ik ben elf jaar en ik ben heel goed in overleven,’ fluister ik. Ik herhaal het meer dan honderd keer. Uiteindelijk wordt het licht. Het is net alsof iemand heel langzaam de gordijnen opzijtrekt. Ik zie de omtrekken van bomen verschijnen. De bladeren zijn zwart, daarachter de steeds lichter wordende lucht. En dan openen de vogels hun snavels voor een fluitconcert zo schel als ik het nooit eerder hoorde. Overal klinkt geritsel en gescharrel tussen de struiken. Krekels, vlinders, herten en zwijnen – alles wat sliep in kuilen, holen of onder de aarde wordt wakker. Ik zie een beek. Er hangt mist boven het water. Een 6

BW-Koens-Ik ben Vincent en ik ben niet bang@1.indd 6

26-07-17 12:12


keienstrandje. Voorzichtig kom ik overeind. Met mijn handen schep ik water uit de beek om te drinken. Hoe laat zou het zijn? Zes uur? Het bos ruikt naar rotte bladeren en vochtige stenen. Overal is het groen. Waar moet ik heen? Het zal dagen lopen zijn tot aan de rand. Als ik tenminste de goede kant op loop, en in een rechte lijn. Ja, als. Als ik onderweg niet omkom van de honger en dorst. Als ik niets verstuik of verwond waardoor ik niet verder kan lopen. Als ik niet per ongeluk een verkeerd besje eet en in mijn eigen kots sterf. Als ze me niet te pakken krijgen.

7

BW-Koens-Ik ben Vincent en ik ben niet bang@1.indd 7

26-07-17 12:12


EEN WEEK EERDER

7

nog dagen tot kamp

Het probleem is meestal niet dat er geen water is, maar hoe je het moet vervoeren‌

BW-Koens-Ik ben Vincent en ik ben niet bang@1.indd 8

26-07-17 12:12


Heb je geen water bij de hand? Dan zul je van regenwater of condens moeten leven. Graaf een ondiepe kuil en spreid er een opengesneden plastic tas in uit. Het water dat op het plastic terechtkomt, stroomt naar het midden, waar de kuil het diepst is. Je kunt ook water van bomen ‘aftappen’. Knoop een plastic zak om een tak met veel bladeren. Doordat het water in het blad verdampt, zal er na een tijdje een bodempje water in de zak zitten.

BW-Koens-Ik ben Vincent en ik ben niet bang@1.indd 9

26-07-17 12:12


Voorbereidingen Het is een heel gewone dag. Zelfs juf Marlies verveelt zich te pletter, volgens mij. Het is nog zeven dagen tot kamp en we zijn bezig met de voorbereidingen. We zingen liedjes over de heuvels en dalen en over de nachtegaal en de wiezewoes die je komt halen. We bedenken hoe we verkleed gaan tijdens de vossenjacht. Met ‘we’ bedoel ik mijn klas. Ik doe maar alsof. Het lukt me in de grote pauze binnen te blijven. Ik zeg dat ik mijn grote teen gebroken heb. Ik hinkel naar juf Marlies en vertel haar wat er gistermiddag gebeurd is. Dat mijn oppas een pan op mijn teen heeft laten vallen, en dat we naar de eerste hulp zijn geweest. Dat is allemaal niet waar, natuurlijk. Vanochtend, toen mijn ouders nog sliepen, heb ik mijn teen ingezwachteld, en dat ziet er superecht uit, want ik ben heel goed in verbinden. Ondertussen stuiven mijn klasgenoten het lokaal uit. Ze trekken hun jassen aan. Hun gegil en gelach klinkt zachter als ze op de trap zijn. Juf Marlies bekijkt mijn teen. Ik zie aan haar gezicht dat ze het gelooft. Ze vraagt of ik tijdens de pauze de plantjes water wil geven en ze ver10

BW-Koens-Ik ben Vincent en ik ben niet bang@1.indd 10

26-07-17 12:12


trekt naar de koffiekamer. Ik kijk door het raam naar buiten en zie de anderen spelen. Ze rennen achter elkaar aan over de vierkante tegels. Ik geef de plantjes water en tuur door de hoge ramen naar buiten. Ik kan ver kijken. Boven de huizen zie ik de wolken voorbijglijden. De hemel kleurt van wit naar grijs; zo meteen gaat het regenen. Altijd als ik op school zit, krijg ik het gevoel dat het overal leuker is dan hier. Dat ik liever op elke andere plek ter wereld zou zijn in plaats van hier. En dan begin ik te dromen. Ik weet niet of jij dat ook kunt, maar ik kan dromen met mijn ogen open. In mijn droom loop ik op blote voeten door nat gras. De wind waait door mijn haar en de zon schijnt op mijn gezicht. Ik zie een eekhoorn van boom naar boom springen, een veulen huppelt op hoge benen, een dikke worm steekt zijn kop uit een aardgat en op een smalle grasspriet glimt een torretje. In mijn droom kan ik met dieren praten, ik versta alles wat ze zeggen. Het kleine torretje moppert over de stenen die in de weg liggen. ‘Het zijn maar kiezeltjes,’ zeg ik lachend. ‘Voor mij zijn het bergen, hoor!’ En het veulen vraagt: ‘Hoe noem je een torretje zonder pootjes?’ Ik haal mijn schouders op. De worm ook, tenminste, dat zou je zien als je van heel dichtbij naar hem keek. ‘Geen idee,’ zeg ik. ‘Maakt niet uit hoe je hem noemt, want hij komt toch niet als je roept!’ hinnikt het veulen triomfantelijk. De eekhoorn lacht hard. ‘Haha, supergrappig,’ zeg ik tegen het veulen, al vind ik hem een beetje flauw. 11

BW-Koens-Ik ben Vincent en ik ben niet bang@1.indd 11

26-07-17 12:12


En dan hoor ik mijn klasgenoten alweer op de gang. Veel te snel, vind ik. De meisjes klitten om een kleuter met twee staartjes en vinden haar ‘zooooo schattig!’. De jongens trekken en duwen in de gang bij het ophangen van de jassen. Even later zitten we allemaal weer op onze stoel, achter onze tafel, en we vervelen ons dood. Zo langzaam als ik kan maak ik mijn taak. Ik moet lengtematen omrekenen, en ik maak een som over een boer met vijftien koeien. Drie zijn er zwanger en zeven rijp voor de slacht, hoeveel koeien heeft hij deze zomer? En dan is het alweer drie uur. Eigenlijk heb ik nog bijna niets gedaan, maar ik spring op, haal mijn tas van het haakje en spurt als eerste naar buiten. In mijn haast vergeet ik te doen alsof ik moet hinkelen. Er zijn drie mogelijke routes. Ik neem altijd een andere, maar de jongens zijn zo snel. Soms lukt het me om op tijd weg te komen, maar meestal niet. Ik ben pas twee hoeken om geslagen als ze me inhalen. Ik hoor hun voetstappen steeds dichterbij komen. Ze grijpen me bij mijn armen. Pakken me mijn tas af. Ze lachen. Ze zijn met z’n vieren vandaag. Ze gooien met mijn trommeltje. Ik sta op, net als elke dag, en spring omhoog om mijn trommeltje uit de lucht terug te pakken, net als alle andere dagen van de week, behalve op zaterdag en zondag. Maar ze zijn veel sneller en sterker. Het heeft geen zin. Dat weet ik al. Ik bid voor Spidermankrachten, Spidermanspieren, maar die wens is nog nooit uitgekomen, en ook vandaag blijf ik gewoon mezelf. Hoe meer ik mijn best doe, hoe leuker ze het vinden. Soms denk ik dat het voor hen alleen maar een spelletje is, net zoals tikkertje op het plein: leuk, de trommel van Vincent overgooien. ‘Kom op nou!’ roept het veulen. ‘Zo moeilijk is het toch niet?’ 12

BW-Koens-Ik ben Vincent en ik ben niet bang@1.indd 12

26-07-17 12:12


‘Spring hoger!’ roept de eekhoorn. ‘Het lukt me niet,’ fluister ik terug. Ze gooien mijn trommel in de prullenbak. Iemand duwt me, waardoor ik vooroverval, en dan zijn ze weg. ‘Ga staan,’ smiespelt het torretje. ‘Je bent niet snel genoeg,’ vindt het veulen. ‘Ik weet het,’ mompel ik terug. Ik ben zelf ook teleurgesteld in mij. ‘Train jezelf!’ roept de eekhoorn. Ik knik, want ik ben al weken bezig met trainen. Voorzichtig kom ik overeind en ik voel aan mijn knieën. Ze zijn flink geschaafd. Haastig veeg ik het vuil van mijn kleren. Dan rol ik mijn mouw op en steek mijn hand in de prullenbak. Met mijn vingertoppen tast ik tussen lege plastic zakjes, restjes friet met mayo en afgekloven appels tot ik mijn trommel vind. Ik stop hem terug in mijn tas en slenter naar huis. De dieren volgen me op de hielen.

13

BW-Koens-Ik ben Vincent en ik ben niet bang@1.indd 13

26-07-17 12:12


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Leesfragment Ik ben Vincent en ik ben niet bang van Enne Koens by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu