Dietrich Bonhoeffer
Dietrich Bonhoeffer over het Bijbelse troostboek ‘Gods uren zijn uren van hulp en troost. God heeft op iedere nood van onze ziel een antwoord klaar.’
drijvende kracht achter het theologisch seminarie in Finkenwalde. In zijn colleges stonden de Psalmen centraal. Psalmen als Woord van God en woorden van mensen. In de hem nog resterende tien jaar van zijn leven is dit Bijbelboek bepalend geworden voor de wijze waarop Bonhoeffer in het leven stond: voor de manier waarop hij preekte, bad en theologiseerde. Maar ook persoonlijk, in zijn martelaarschap, heeft het ‘troostboek’ veel voor hem betekend.
Dietrich Bonhoeffer Mijn ziel keert zich stil tot God
In de jaren 1935 tot 1937 was Bonhoeffer de
NUR 700 ISBN 978 90 435 2651 7
kokBOmijnziel0216.indd 1
Mijn ziel keert zich stil tot God
MEDITATIES BIJ DE PSALMEN Uitgeverij Kok – Utrecht
Kok
26-02-16 10:09
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 3
26-2-2016 15:16:55
Derde druk, 2016 Oorspronkelijke titel: Edwin Robertson, My Soul Finds Rest in God Alone Oorsponkelijke uitgever: © 2000 Eagle, Guildford, Surrey Teksten Dietrich Bonhoeffer: © Chr. Kaiser/Gütersloher Verlagshaus, Gütersloh © Nederlandse editie: 20o2, 2016 Uitgeverij Kok, Utrecht Vertaling: Drs. Leo Lagendijk Omslagontwerp: Garage BNO Typografie: V3-Services, Baarn isbn 978 90 435 2651 7 nur 700 Behoudens uitzondering door de Wet gesteld mag zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende(n) op het auteursrecht, c.q. de uitgeefster van deze uitgave, door de rechthebbende(n) gemachtigd namens hem (hen) op te treden, niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of anderszins, hetgeen van toepassing is op de gehele of gedeeltelijke bewerking.
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 4
26-2-2016 15:16:55
INHOUD
Woord vooraf
7
Preek aan het seminarium. Berlijn, 20 mei 1926; Psalm 127
11
Preek voor de Duitssprekende gemeente. Barcelona, 15 juli 1928; Psalm 62
21
Preek voor dankdag. Berlijn, 4 oktober 1931; Psalm 63
31
Morgentoespraak tijdens de Oecumenische Conferentie. Fanö, 28 augustus 1934; Psalm 85
43
Preek over Gods rechtvaardige toorn. Finkenwalde, 11 juli 1937; Psalm 58
51
Overdenkingen over de ‘Losungen’. 24-31 december 1937; Psalm 41; 104; 25; 20; 71
63
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 5
26-2-2016 15:16:55
Kristallnacht. 9 november 1938; Psalm 74
69
Meditatie 1939/40. Psalm 119
73
In het Benedictijner klooster. Ettal, november 1940-februari 1941; Psalm 9; 107; 148
87
Brief aan de broeders van Finkenwalde. Adventszondag 1942; Psalm 100
91
Gevangen. 1943; Psalm 47
97
Meditatie over de ‘Losungen’ voor 29 mei 1944. Gevangenis van Tegel, Pinksteren 1944; Psalm 94
101
Meditatie over de ‘Losungen’ voor 7 en 8 juni 1944. Gevangenis van Tegel, na Pinksteren 1944; Psalm 54; 34
105
De mislukte samenzwering. Brieven aan Eberhard Bethge, 1944
117
Psalmen die nagalmen in Bonhoeffers gedichten. Psalm 3; 47; 70
123
Het einde – een nieuw begin. Bonhoeffers poëzie; Psalm 22
137
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 6
26-2-2016 15:16:55
7
WOORD VOORAF
Toen Adolf Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, werd hij door de meeste protestantse kerken toegejuicht. Er waren echter uitzonderingen. Mensen als Martin Niemöller, Paul Schneider (de eerste pastor die door de nazi’s in 1939 ter dood werd veroordeeld, omdat hij uit gehoorzaamheid aan God nazi-orders naast zich neerlegde), en Dietrich Bonhoeffer. Naast deze individuen die het gevaar van het nationaalsocialisme zagen, was er ook een georganiseerd verzet van protestantse pastores die zich groepeerden in de zogenaamde Bekennende Kirche (Belijdende Kerk). Het was niet zozeer een politiek verzet, maar een spiritueel en theologisch verzet. Het was een beweging die de Kerk moest beschermen tegen de ketterse invloeden van het nationaalsocialisme. Ze streden niet zozeer tegen het nationaalsocialisme maar juist tegen de onaanvaardbare bemoeienis van de nazi’s met de Kerk en de invloed die de nazimythologie had op het christelijk geloof. Het centrum van dit verzet was in Pruisen en het grootste gedeelte van de Belijdende Kerk was afkomstig uit de Kerk van de Oude Pruisische Unie. Bonhoeffer was zowel pastor van deze kerk als een fervent voorstander van de Belijdende Kerk. Hij ging in het kritiseren van de activiteiten van de nazi’s echter verder dan de meeste leden, in het bijzonder als het ging om de Joden. In 1933 schreef hij een pamflet over ‘Het Joodse probleem’, dat hem in gevaar bracht. Twee jaar diende hij als pastor de Duitssprekende gemeente in Londen. Toen de Belijdende Kerk een seminarie voor theologie-
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 7
26-2-2016 15:16:55
8
WOORD VOORAF
studenten wilde oprichten, vroeg men Bonhoeffer hieraan leiding te geven; in Finkenwalde. Van 1935-1937 werkte hij daar met studenten. Het was een hachelijke onderneming voor iedereen die erbij betrokken was. De studenten hadden al een academische opleiding genoten aan één of meerdere Duitse universiteiten. Door naar Finkenwalde te komen sneden zij zichzelf af van de nationale kerk. Dit betekende dat men een mogelijke carrière binnen de kerk op het spel zette. Het theologisch seminarie was dan ook illegaal – niet erkend door de autoriteiten, behalve als protest. Het is merkwaardig te noemen dat dit seminarie zo lang mocht blijven functioneren; na twee jaar werd het echter gesloten door de Gestapo. Een van Bonhoeffers vroege colleges was ‘Christus in de Psalmen’, van 31 juli 1935. Na het geven van een overzicht van de ongelooflijke ordening van de Psalmen, concludeerde hij dat er geen uiting van vroomheid en goddeloosheid van de gemeente van God is, die niet in de Psalmen wordt gevonden. Hij sprak over de studie van de Psalmen als een reis die op en neer gaat, bovendien met vallen en opstaan, wanhoop en vervoering. Het is de ervaring van hen die hun weg door de Psalmen heen bidden.1 Zij die tegenwerpen dat sommige psalmen niet serieus gebeden kunnen worden, omdat het christelijk geweten rebelleert tegen wat de Psalmen zeggen of omdat zij ze gewoon niet kunnen begrijpen, worden bot in de rede gevallen: ‘Er is geen toegang tot de Psalm dan door het gebed.’2 En aan hen die klagen dat zij niet kunnen bidden wat zij niet begrijpen, wordt eveneens een halt toegeroepen: ‘Hoe kun je begrijpen wat je niet hebt gebeden? Niet ons gebed is de maatstaf voor de Psalm, maar de Psalm is de werkelijke maatstaf voor ons gebed.’3 Voor Bonhoeffer, net als voor Luther, waren de Psalmen zowel het Woord van God als de woorden van mensen. Het Boek der Psalmen is zowel het gebedenboek 1 In Illegale Theologenausbildung: Finkenwalde 1935-1937. Dietrich Bonhoeffer Werke (DBW). Deel 14, München 1996, p. 369v. 2 Id., p. 370. 3 Id.
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 8
26-2-2016 15:16:55
WOORD VOORAF
9
van de Kerk als het gebed van God in de heilige Schrift. Luther geloofde dat je in iedere psalm de stem van Christus kon horen, Christus die mét ons en vóór ons bidt. Hoewel Bonhoeffer begint met Luther, betrekt hij zijn eigen levenservaring op de inhoud van de Psalmen, of het nu bemoedigend was of veroordelend. In 1935, hij had nog tien jaar te leven, leidde hij een leven vol uitdagingen dat hem veel leerde over de waarde van de Psalmen. Het is een van de bedoelingen van dit boekje te laten zien hoe Bonhoeffer de Psalmen bad en eruit preekte terwijl het leven hem dwong hun betekenis opnieuw te overdenken, iedere stap van de weg naar het martelaarschap. Toen hij aan het einde van zijn leven in de gevangenis zat, vond Bonhoeffer troost in Psalm 30:6: want een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn welbehagen; des avonds vernacht het geween, tegen de morgen is er gejuich. Uitgekristalliseerd in een gedicht, schreef hij: Nog drukt de zware last van kwade dagen, nog komt het oude kwellen hart en hoofd. Voor onze opgejaagde zielen vragen wij, Heer, het heil dat Gij ons hebt beloofd.44
4 Strofe uit ‘Von guten Mächten’, in Widerstand und Ergebung.
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 9
26-2-2016 15:16:55
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 10
26-2-2016 15:16:56
11
PREEK AAN HET SEMINARIUM BERLIJN, 20 MEI 1926 Psalm 1271
Inleiding Dietrich Bonhoeffer was derdejaars student theologie aan de Universiteit van Berlijn, en op 4 februari was hij twintig jaar geworden. Hiervoor had hij in T端bingen gestudeerd en met zijn broer drie maanden door Rome en Noord-Afrika gereisd. Het belang van deze reis was zijn ontdekking van de kracht en de schoonheid van de roomse liturgie. Deze ontdekking veranderde echter niet zijn theologische bezwaren tegen Rome! Op 20 mei preekte hij over Psalm 127 aan het seminarie voor predikanten. Hij was zich heel wel bewust van het afgezonderde leven aan het seminarie en de opwinding van Berlijn buiten zijn muren. Daar vochten fascisten en communisten in de straten. Het verliezen van de Eerste Wereldoorlog door een eens zo grote natie had geleid tot het gehate Verdrag van Versailles. De vernedering was groot. De inflatie was buitensporig en de werkloosheid was nog nooit zo hoog geweest. Een niet erg populaire regering in Weimar gaf maar weinig om de kerk en leek niet in staat goed te regeren. Dit alles leidde ertoe dat de Duitse bevolking al maar soberder moest leven en hard moest werken voor weinig geld om de natie opnieuw op te bouwen. 1 Opgenomen in Dietrich Bonhoeffer Werke (DBW). Deel 9 Jugend und Studium 1918-1927, M端nchen 1986, pp. 510-516.
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 11
26-2-2016 15:16:56
12
PREEK AAN HET SEMINARIUM
Bonhoeffer vond Psalm 127 het juiste woord voor een wanhopige natie. 1
2
3 4 5
Als de HERE het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan; als de HERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter. Het is voor u tevergeefs, dat gij vroeg opstaat, laat opblijft, brood der smarten eet – Hij geeft het immers zijn beminden in de slaap. Zie, zonen zijn een erfdeel des HEREN, een beloning is de vrucht van de schoot. Als pijlen in de hand van een held, zo zijn de zonen der jeugd. Welzalig de man die zijn pijlkoker met deze heeft gevuld. Zij worden niet beschaamd, als zij spreken met de vijanden in de poort.
Preek We leven, meer dan tevoren, in een tijd dat we spreken en eigenlijk mĂłeten spreken van bouwen en wederopbouwen. We praten erover hoe onze economie weer zal aantrekken en welke handelsovereenkomsten dit resultaat zo snel mogelijk zullen brengen. We denken na over goede afspraken als het gaat om arbeidsloon en hoe we werknemers en werkgevers voor die ene grote zaak kunnen interesseren. We vragen onszelf af hoe we weer een rijk, onbezorgd, gelukkig en gerespecteerd volk kunnen worden. We werken vandaag de dag zoals we misschien nog nooit hebben gewerkt om dat doel te bereiken. Wij willen allemaal ons uiterste best doen om ons steentje bij te dragen. God weet dat niet
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 12
26-2-2016 15:16:56
Psalm 127
13
iedereen zo denkt. Laten we tot God bidden dat hij hun inzicht verschaft. Maar wij spreken hier alleen over hen, die werkelijk ernst maken met het woord ‘opbouw’; die werkelijk hun leven en arbeidskracht ervoor overhebben. En van deze mensen zijn er veel, zeer veel. En wee ons als wij niet tot hen behoren. Maar met de vraag naar de economie is ook een andere vraag gemoeid, namelijk de sociale vraag. Hoeveel is hierover al niet gesproken, en hoeveel ook niet gedaan! En wij danken de mannen en vrouwen die zich hiervoor hebben ingezet en vruchtbare arbeid hebben geleverd. En eenieder van ons wil toch ook tot die mannen en vrouwen behoren, die serieus werk maken van hun naastenliefde. Wee ons christendom als we dit niet zouden doen! Het volk moet rijk, gezond en sterk worden. En om dat te bewerkstelligen, zitten de mannen van de wetenschap van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat achter hun bureaus en hun apparaten. De wetenschap, de technologie, zij werken alle aan de toekomst. Pak maar een krant; woordelijk of tussen de regels door leest u dat ene schreeuwerige woord: opbouw, opbouw. Maar ondanks het feit dat wij ons tot die werkelijk serieuze mensen rekenen, willen wij toch niet alleen maar een rijk en aanzienlijk volk worden, maar toch vooral lichamelijk en geestelijk gezond. We creëren voor onze jongeren mogelijkheden om zich te ontwikkelen, te sporten en te spelen. En we zijn blij dat zij de natuur intrekken in plaats van dat zij hun plezier zoeken in smerige en louche plaatsen van de stad. Wij spreken dan ook vaak over de onmisbare zedelijke wederopbouw, en weten dat er van deze opbouw niets terechtkomt als wij niet bij onze eigen persoonlijke morele opbouw beginnen. Veel mannen en vrouwen zien het als hun roeping onze jeugd moreel te trainen. Ze doen hun uiterste best en klagen nooit, maar zijn trots op hun beroep. We mogen ons gelukkig prijzen zulke mensen te hebben! En willen
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 13
26-2-2016 15:16:56
14
PREEK AAN HET SEMINARIUM
we niet allemaal een klein beetje meedoen aan dit werk? Wee ons als we dit niet willen! Dan zijn we slechts zondagschristenen, van tien tot elf uur! Maar ook zien velen het ongeluk gelegen in het ontbreken van een godsdienstige opvoeding. En ze twijfelen eraan of de school en de kerk hun plichten wel nakomen. Met nieuwe energie gaat men aan het werk om de kinderen het grote en heilige werk van God en zijn geboden te vertellen. De school gaat aan de slag, en de kerk werkt aan de reorganisatie van de eredienst en het nieuw leven inblazen van het pastoraat. Uitstekend dat wij mannen en vrouwen hebben die hier een roeping hebben gevonden! En wee ons als we hieraan niet mee willen werken. Veel werk wordt verzet, en de wil is er. Iedereen werkt mee aan de wederopbouw van een in elkaar gezakt bouwwerk en eenieder draagt zijn steentje bij: de arbeider, de boer, de professor, de leraar, de industrieel, de dominee. Nu is een bouwwerk onderhevig aan aanvallen. Zoals een zwaar onweer, een aardbeving, een nachtelijke militaire overval een hele stad kan vernietigen, zo zijn er voortdurend machten aan het werk die het bouwwerk omver willen stoten dat anderen met moeite hebben opgebouwd. Waar jaren aan is gebouwd kan soms in één nacht vernield zijn. De machten van de vernietiging groeien met ieder werk mee en bedreigen het continu. Kortom, bouw en vernietiging is een voortdurende strijd, een grote nood waarmee de goede menselijke bedoelingen te maken hebben. Maar laten we luisteren naar de woorden van de Psalm: ‘Als de HERE het huis niet bouwt.’ Wie deze woorden tot zich door laat dringen, beseft dat er een oordeel gaat over alle tijden van opbouw maar ook over alle tijden van bezit. Daar waar ménsen bouwen en niet de Heer bouwt, daar wordt tevergeefs gebouwd. Er zijn twee dingen die we goed moeten onthouden: ‘waar de Heer niet bouwt’ en ‘er wordt tevergeefs gebouwd’. Maar wat betekent het dat God moet bouwen? Is
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 14
26-2-2016 15:16:56
Psalm 127
15
er op de aarde al eens een gebouw, een huis, een stad uit de hemel gevallen die niet door mensen gebouwd is? Wil dit vers zeggen dat wij moeten wachten totdat zo’n wonder gebeurt? Als al ons bouwen tevergeefs is, werkelijk tevergeefs, dus helemaal niets waard, waarom beginnen wij dan met het wederopbouwen van hetgeen ineengestort is en wachten wij niet tot God het bouwt? Waarom werken we dan nog aan het herstel van de Kerk, zodat ze zal zijn wat ze moet zijn? Waarom vechten we dan nog voor de zedelijke en christelijke opvoeding van kinderen, als al ons werken tevergeefs is? Zo zullen veel mensen misschien vragen, mensen die ernst maken met het woordje ‘tevergeefs’. Maar een andere stem verheft zich en troost: natuurlijk is al ons werken tevergeefs als we alleen maar doen wat wij willen. Dan is er geen hoop. Maar als we echt ons best doen datgene te doen wat God wil en niet wat wíj willen, dan is het alsof Gód bouwt. Want hoe zou de Heer anders bouwen dan door ons? Kortom, alleen als we niet in de geest van de Heer willen bouwen, is het tevergeefs! Mensen die zo praten hebben natuurlijk gelijk. Wee ons als we niet met volle kracht en goede wil aan het werk gaan! Maar zijn we het werkelijk eens met hen die zeggen dat als we ons echt inspannen in onze arbeid, dit hetzelfde is als dat de Héér bouwt? Moet er aan dit bouwen van de Heer niet iets meer te pas komen dan alleen onze vroomheid en goede wil? Niemand van ons zal toch betwijfelen dat velen met werkelijk de beste motieven en bedoelingen werken? Durven wij daarom te zeggen dat God hier aan het werk is, terwijl het toch alleen maar mensen zijn? Hebben wij het lef te zeggen dat zolang onze goede wil in het spel is, Gods werk overbodig is? Zijn we dan zo blind, dat wij niet zien dat al ons werk altijd het teken van vergankelijkheid zal dragen en dus het teken van zondigheid? Zien wij dan niet, dat wij in de wereld met onze eigen gedachten zijn en blijven, ook met de allervroomste? Dat wij Gods wil niet kunnen doen, als God het
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 15
26-2-2016 15:16:56
16
PREEK AAN HET SEMINARIUM
niet wil? Dat wij geen ja kunnen zeggen tegen Gods wil, als God niet eerst ja tegen ons heeft gezegd? Ja, zo is het: wij zien het gevaar niet, dat we steeds opnieuw een toren van Babel aan het bouwen zijn, waarvan we zeggen dat wij door het bouwen van deze toren vanzelf de hemel bereiken; dat we nu het werk van God helemaal niet meer nodig hebben, maar het juist vervangen door onze eigen wil. Wij geloven werkelijk, dat we genoeg hebben gedaan met ons werk van religieuze en morele zedelijke vernieuwing. En we denken er helemaal niet meer aan, dat nog iemand anders moet zeggen: ‘Het is zeer goed.’ Wij zeggen eigenlijk: wij willen veel liever een rijk, gelukkig volk zijn en ieder voor zich een gelukkig, goed mens, dan een genadige God hebben. Ach, niemand zal het willen toegeven. Maar laten we onszelf eens ernstig ondervragen op dit punt. Wie zou niet van zichzelf schrikken? Een twijfelachtige lof voor hem die niets heeft om van te schrikken! Familie, volk, staat, kerk, vereniging en niet te vergeten de vorming van onze eigen ‘persoonlijkheid’, dat zijn de afgoden waar wij om dansen! Wie denkt nog aan diegene die aan alles zin geeft , die gericht en genade over dit alles spreekt? Wie denkt nog, dat onze God een God is die volkeren vernietigt als pottenbakkersklei? En dat het aan hem ligt of ons werk tevergeefs is of niet? Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God die zich ontfermt (Romeinen 9:16), of hij het licht van de eeuwigheid, het licht van de goddelijke genade in al zijn zonde ontvangt. Zijn wij dit alles vergeten? Omdat de genadige God het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matteüs 5:45); omdat ook een gebouw dat hij niet gebouwd heeft lange tijd kan bestaan, en omdat hij een gebouw, dat hij heeft gebouwd misschien maar voor korte duur laat bestaan. Wij mensen hebben met dat ‘tevergeefs’ de wereld op het oog. God heeft echter de eeuwigheid op het oog. De psalmist wist
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 16
26-2-2016 15:16:56
Psalm 127
17
eveneens, net als wij, dat ook de goddelozen huizen en steden bouwen die in deze wereld blijven bestaan, die voor deze wereld niet tevergeefs zijn gebouwd. En dat de stad van de uitverkorenen Gods vaak genoeg snel vernietigd wordt. En toch zei hij: ‘Als de HERE het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan.’ Niet tevergeefs voor deze wereld. De toren van Babel werd hoger dan alle andere torens. Niet tevergeefs voor de commerciële en ‘morele’ gezondheid van een volk. Niet tevergeefs voor de verschrikkelijke concurrentiestrijd van de wereldmarkt. Tevergeefs echter voor de eeuwigheid! Want op hen valt het licht van de heerlijkheid van God niet, het is tevergeefs! Want Gods genade houdt zich verre van dit soort zaken, het is tevergeefs! Want Gods liefde heeft er niet over geschenen! Ook zegt de psalmist: ‘Als de HERE de stad niet bewaart.’ Misschien niet tevergeefs voor deze wereld, in de ogen van de mensen, maar wel tevergeefs voor de eeuwigheid, tevergeefs in Góds ogen! Want hun bestaan staat onder het gericht van God, het is tevergeefs! Hun bestaan in de tijd is hun dood in de eeuwigheid. De volgende verzoeking sluipt er dan ongemerkt in: laten we de handen maar in de schoot leggen, bidden en op Gods ingrijpen wachten. Maar laten we onszelf niet misleiden. God laat geen stad uit de hemel neerdalen, en Gods geboden wachten erop om vervuld te worden. Wij moeten werken en vuile handen maken. Wij moeten werken, ook al werkt alleen God voor de eeuwigheid. Wij moeten aan onszelf bouwen, aan onze familie, het volk en de kerk en ons realiseren dat alles tevergeefs is wanneer alleen wij bouwen. Dat betekent dus dat wij moeten arbeiden met de ogen naar boven gericht, in gebed, dat God ons de zondigheid van ons werk niet aanrekent. Begrijpen wij nu wat de Psalm wil zeggen, dat de Heer moet bouwen en niet wij? Zeker, de Heer kan ook voor de tijd bouwen als hij wil. Wij denken aan de woorden van de wijze Gamaliël over de eerste christenen: ‘Indien dit streven of dit
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 17
26-2-2016 15:16:56
18
PREEK AAN HET SEMINARIUM
werk uit mensen is, zal het vernietigd worden, maar indien het uit God is, zult gij het niet kunnen vernietigen’ (Handelingen 5:38v). De Heer bouwt altijd voor de eeuwigheid, ook als hij niet voor de tijd bouwt. God bouwt, doordat hij ons genadig is, doordat hij ja tegen ons en onze arbeid zegt; doordat hij ja zegt tegen onze inspanningen, doordat hij onze economie, onze fysiek, onze moraal en religie weer gezond wil maken; doordat hij ook over de zonden van de grote stad zijn genade wil laten schijnen, zijn vergeving over de concurrentiestrijd van de geweldigen van deze wereld. De Heer behoedt, doordat hij in het komen en gaan van de tijden datgene wat hem bevalt, voor de eeuwigheid bewaart. Alleen als God zijn oog laat vallen op ons werk, bouwen wij niet tevergeefs. Alleen als God op ons en ons werk zijn licht van de eeuwigheid laat schijnen, wacht de wachter niet tevergeefs. God bouwt, doordat hij uit de oude mens de nieuwe mens schept, de mens voor zijn eeuwige Rijk. Als God echter tot ons in onze zonde ja zegt, dan zĂjn wij al gerechtvaardigd, hoewel wij zondaars blijven.2 Want God heeft geen oog voor het tijdelijke, voor slechts een gedeelte, maar voor het geheel. Zo is het licht van de Voleinding ook op ons zondige handelen gevallen. Gods bouw voor de eeuwigheid is vergeving, oppermachtige, goddelijke liefde. Zolang wij op deze aarde leven, blijven wij en blijft ons werk vol met zonde, het is vergankelijk, zoals alles. Maar God heeft het gezien, God heeft het gebouwd, God heeft vergeven! Zo lang wij handelen, zullen wij Gods Rijk niet bouwen. Maar zolang God ons en ons werk aanziet en zich over de goddeloosheid ontfermd heeft, mogen wij geloven dat hij eens zelf zijn huis, het eeuwige Rijk, zal bouwen, waar de 2 Verwijzing naar Luthers uitspraak dat wij simul iustus ac peccator zijn, tegelijkertijd gerechtvaardigd en zondaar.
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 18
26-2-2016 15:16:56
Psalm 127
19
Geest alles is. God de Vader zal zijn heerschappij openbaren. Wij, door Jezus Christus, zijn Zoon, hebben toegang tot hem en zullen vergeving van al onze zonden ontvangen. En de heilige Geest zal in ons wonen. En God zal zijn alles in allen. Uw Rijk kome! Maranatha, ja kom, Here Jezus! (Openbaring 22:20).
Mijn ziel keert zich stil tot God.indd 19
26-2-2016 15:16:56
Dietrich Bonhoeffer
Dietrich Bonhoeffer over het Bijbelse troostboek ‘Gods uren zijn uren van hulp en troost. God heeft op iedere nood van onze ziel een antwoord klaar.’
drijvende kracht achter het theologisch seminarie in Finkenwalde. In zijn colleges stonden de Psalmen centraal. Psalmen als Woord van God en woorden van mensen. In de hem nog resterende tien jaar van zijn leven is dit Bijbelboek bepalend geworden voor de wijze waarop Bonhoeffer in het leven stond: voor de manier waarop hij preekte, bad en theologiseerde. Maar ook persoonlijk, in zijn martelaarschap, heeft het ‘troostboek’ veel voor hem betekend.
Dietrich Bonhoeffer Mijn ziel keert zich stil tot God
In de jaren 1935 tot 1937 was Bonhoeffer de
NUR 700 ISBN 978 90 435 2651 7
kokBOmijnziel0216.indd 1
Mijn ziel keert zich stil tot God
MEDITATIES BIJ DE PSALMEN Uitgeverij Kok – Utrecht
Kok
26-02-16 10:09