In Nederland broeden ruim 250 vogelsoorten. Dat aantal lijkt van jaar op jaar misschien stabiel, maar niets is minder waar. Dit boek geeft een overzicht van de nieuwe soorten die sinds 1900 verschenen, zoals de grote zilverreiger, oehoe en zeearend, maar ook de nu vertrouwde Turkse tortel. Naast nieuwkomers zijn er ook soorten verdwenen, zoals de griel en ortolaan, vaak specialisten die het niet konden redden in het snel veranderende landschap. Hun verhalen vormen als het ware een tijdsbeeld van 120 jaar ontwikkelingen bij vogels, landschappen én vogelaars. Verschenen of verdwenen bevat de volgende onderdelen: • De opkomst en ondergang van 70 aansprekende soorten vogels van 1900 tot heden • 120 jaar aan verandering inzichtelijk in beeld gebracht • Vele historische foto’s, kaartbeelden en infographics • Aparte themahoofdstukken over klimaatverandering, de rol van bescherming, exoten, vogelaars toen en nu en een blik in de toekomst. Sovon Vogelonderzoek Nederland legt met behulp van duizenden tellers de veranderingen vast in de verspreiding en aantallen van alle in het wild voorkomende vogelsoorten. Ze doet daarnaast onderzoek om de waargenomen patronen te begrijpen. Sovon bracht in 2018 het succesvolle standaardwerk Vogelatlas van Nederland uit.
KOSMOS UITGEVERS UTRECHT-ANTWERPEN NUR 435 www.sovon.nl www.kosmosuitgevers.nl
VERSCHENEN OF VERDWENEN
VERSCHENEN OF VERDWENEN
SOVON
Verschenen of verdwenen cover DEF.indd Alle pagina's
RUIM EEN EEUW NEDERLANDSE BROEDVOGELS IN BEWEGING
VERSCHENEN OF VERDWENEN SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND
21-09-21 14:12
2020
2010
2000
1990
1980
1970
1960
1950
1940
1930
1920
1910
1900
Kuifeend Eider Stormmeeuw Bonte vliegenvanger Zwarte specht Geoorde fuut Europese kanarie Kleine mantelmeeuw Vuurgoudhaan Bosruiter Goudplevier Blauwe kiekendief Krooneend Kleine barmsijs Knobbelzwaan Turkse tortel Roodkopklauwier Griel Zwartkopmeeuw Halsbandparkiet Kramsvogel Engelse kwikstaart Hop Kruisbek Sijs Middelste zaagbek Rosse stekelstaart Grote zilverreiger Kolgans Nijlgans Buidelmees Grote Canadese gans Brandgans Brilduiker Zwarte zwaan
Tijdlijn met de 70 in dit boek behandelde verschenen en verdwenen broedvogelsoorten en exoten over de periode 1900-2020. Verschenen
Verdwenen
Exoot BONTE VLIEGENVANGER
10
GEOORDE FUUT
GOUDPLEVIER
INLEIDING EN VERANTWOORDING
Verschenen of verdwenen layout.indd 10
15-09-21 14:19
2020
2010
2000
1990
1980
1970
1960
1950
1940
1930
1920
1910
1900
Roodhalsfuut Geelpootmeeuw Indische gans Roodmus Casarca Slechtvalk Orpheusspotvogel Bonte kraai Grote mantelmeeuw Oeverloper Kortsnavelboomkruiper Kleine zilverreiger Huiskraai Middelste bonte specht Oehoe Graszanger Klapekster Ortolaan Drieteenmeeuw Kraanvogel Cetti's zanger Steltkluut Wilde zwaan Bijeneter Zeearend Duinpieper Zwarte wouw Nonnetje Rode wouw Pontische meeuw Witwangstern Korhoen Kuifleeuwerik Grauwe gors Visarend
GRIEL
HALSBANDPARKIET
NIJLGANS
BRANDGANS
VISAREND
INLEIDING EN VERANTWOORDING
Verschenen of verdwenen layout.indd 11
11
15-09-21 14:19
Verschenen of verdwenen layout.indd 16
15-09-21 14:19
Verschenen of verdwenen layout.indd 17
15-09-21 14:19
KUIFEEND Aythya fuligula 1904
De kuifeend vind je tegenwoordig in talloze Nederlandse poldersloten en plassen. Met zo’n 22.000 broedparen is hij na de wilde eend (rond 250.000 paren) en krakeend (23.000) de talrijkste eend. Dat is een opmerkelijke status voor een soort die pas een dikke eeuw in ons land broedt en ook rond 1960 nog steeds vrij zeldzaam was.
Den Haag, 27 februari 2021. Foto: Leendert van Bergeijk
18
KUIFEEND
Verschenen of verdwenen layout.indd 18
15-09-21 14:19
Vrouwtje op nest, Dijkwielen, Wieringermeer, Noord-Holland, zomer 1964. Foto: Dick Woets
TRAGE VESTIGING
De waarneming in 1904 van een vrouwtje met acht kuikens bij Vlijmen, onder de rook van Den Bosch, vormde het eerste gedocumenteerde broedgeval in Nederland, een incidentele vestiging omstreeks 1835 daargelaten. Op dezelfde locatie nestelden kuifeenden tot en met 1909. In dat jaar werd ook een broedgeval bekend in het Vechtplassengebied bij Nederhorst den Berg. Tot een echte verdere uitbreiding kwam het voorlopig niet, het bleef bij uitzonderingen zoals bij Dordrecht (1924) en Oostvoorne (1938). DE EERSTE UITBREIDINGSGOLVEN
In 1941 kwamen er opgetogen berichten over broedende kuifeenden uit verschillende windstreken, van Friesland (Oudega) tot West-Nederland (Hilversum, Zaanstreek,
KUIFEEND
KUIFEEND
1940
2015
Alblasserdam), het rivierengebied (Wageningen) en Zuid-Nederland (Oisterwijk, Nederweert) (Haverschmidt 1941, Wigman & De Vries 1941). Ze betekenden het langverwachte begin van een uitbreidingsgolf. In eerste instantie werden tussen 1945 en 1960 ten minste 25 broedplaatsen ontdekt (Van Tol 1974). De grootste uitbreiding begon echter pas daarna. Zo vestigden kuifeenden zich spectaculair in de nieuwe infiltratiegebieden in de duinen. Ze kwamen vanaf 1958 respectievelijk 1962 bij Meijendel en Castricum tot broeden, waar de aantallen rap opliepen tot 301 paren in 1966 (Meijendel) en 150 in 1973 (Castricum). Maar ook elders werd de kuifeend een gewone broedvogel, vooral in de laaggelegen delen en zowel in polderland als langs de grote rivieren. De vestiging op de hogere zandgronden kreeg langzaam vorm met bijvoorbeeld flinke toenames in Noord-Brabant (de Flaes bij Lage Mierde: van 2 paren in 1954 naar 50 in 1965) en nu ook broedgevallen in Drenthe (vanaf 1964) en Twente (vanaf 1967). WESTWAARTSE UITBREIDING IN EUROPA
Op Europese schaal bezien vertoonden kuifeenden vanaf eind negentiende eeuw (net als bijvoorbeeld krakeend en krooneend) een tendens tot westwaartse uitbreiding vanuit oostelijke broedgebieden. Over de redenen werd volop gespeculeerd: klimatologisch veroorzaakte uitdroging van steppemeren in het oorspronkelijke broedgebied, herbezetting van gebieden die tijdens de koude zeventiende en achttiende eeuw verloren gingen? De eerste Nederlandse broedgevallen vielen in een uitbreidingsfase waarbij kuifeenden ook Denemarken (1904) be-
1940 – 10 (?)
1975 1960 – 200 (?) 1985 – 6000 1995 – 9000 2005 – 16.000 2015 – 22.000 1E BROEDGEVAL (1904)
VERSPREIDING BROEDGEVALLEN 1940 / 1975
BROEDGEVALLEN 2015
AANTAL BROEDPAREN IN NEDERLAND
KUIFEEND
Verschenen of verdwenen layout.indd 19
19
15-09-21 14:19
reikten en de reeds aanwezige Engelse populatie groeide. De bij ons veel opvallender uitbreiding vanaf pakweg 1940 viel samen met vestigingen in België, Zweden en Noorwegen, terwijl de golf vanaf ongeveer 1960 spoorde met kolonisatie van nieuwe landen (Zwitserland, Oostenrijk, Frankrijk) en sterke uitbreiding in al langer bezette gebieden.
KUIFEEND 1970 2015
COMPLEX VAN FACTOREN
De uitbreiding in Nederland kent waarschijnlijk meerdere oorzaken. Lichte watervervuiling zorgde, zolang deze niet de overhand kreeg, voor een groter voedselaanbod. Dit speelt met name jonge kuifeenden in de kaart, die meteen al zelfstandig kleine waterdieren moeten bejagen. Kuif eenden blijken ook weinig kieskeurig wat betreft broedplaatsen en kunnen zowel oevers van plassen en vennen bewonen als slootranden. Nieuw ontstane biotopen, zoals infiltratiegebieden in de duinen en afgravingen elders, worden direct bezet indien er voldoende nestgelegenheid is. Dat kuifeenden niet bijzonder schuw zijn, wat al vroeg opviel (Wigman & De Vries 1941), is een gunstige bijkomstigheid. De toename vanaf 1940 van de driehoeksmossel, belangrijk wintervoedsel, kan de overleving hebben bevorderd. Klimaatopwarming zorgt voor zachtere winters (overleving!) maar ook voor snellere opwarming (en meer voedsel?) van de ondiepe wateren waar jonge vogels foerageren.
VERSPREIDING EUROPA 1970 / 2015
Verschillende malen dachten we dat het verzadigingspunt bereikt was voor de Nederlandse kuifeendpopulatie. Toch groeide deze ook na 1980 nog aanzienlijk, maar niet over-
al en soms met horten en stoten. Zo liepen de aantallen in Noord-Holland terug in de relatief lang en dicht bezette duinen, deels door vossen, terwijl ze aanvankelijk toenamen in grasland- en akkergebieden. Een daaropvolgende afname werd toegeschreven aan intensiever slootrandbeheer (nesten uitgemaaid), verslechterende waterkwaliteit (prooien schaarser en lastiger vangbaar door algen en overdaad aan slib) en toename van karper, brasem en rietvoorn (voedselconcurrenten) (Scharringa et al. 2010). Elders in de broedgebieden hield de toename echter aan en op de hoge gronden van Oost- en Zuid-Nederland werden kuifeenden nu pas gewone broedvogels, zij het in lage dichtheid. Hier, net als elders, weten kuifeenden ook natte natuurontwikkeling te waarderen. Landelijk namen aantallen en verspreiding tussen 2000 en 2015 nog toe met 38% respectievelijk 19%.
Lauwersmeer, 29 maart 2017. Foto: Wies Vink
Oostermeer, Friesland, 5 juni 2019. Foto: Marcel van Kammen
VERDERE TOENAME NA 1980, MAAR NIET OVERAL
20
KUIFEEND
Verschenen of verdwenen layout.indd 20
15-09-21 14:19
Vossemeer, 29 mei 2009. Foto: Arno ten Hoeve
DE EERSTE BROEDPLAATS
TAFELEEND EN KUIFEEND
De eerste broedgevallen vonden plaats aan een meertje bij Vlijmen. We kunnen ons een voorstelling van ‘de Meer’ maken via de beschrijving door Wigman (1910). Het gebied was ongeveer 40 ha groot en bestond deels uit open water, deels uit veenrestanten. De kuifeenden nestelden in het meest ondoordringbare en niet ongevaarlijke gedeelte: ‘Met behulp van ladders, planken, en aan een touw gebonden, kan men in Adamskostuum soms een of ander nest bereiken.’ Het gebied kende een indrukwekkende broedvogellijst met ongeveer tachtig soorten, waaronder purperreiger, roerdomp en bruine kiekendief. De zwarte stern was er met honderdvijftig paren de talrijkste broedvogel. In de directe omgeving waren kwartelkoning en kemphaan een normale verschijning. Dit is een verdwenen paradijsje. Wigman gaf al aan dat het meertje kleiner werd door betere ontwatering in de omgeving. De huidige situatie, een tegen woonwijken en autoweg aanschurkende recreatieplas, ontstaan door zandwinning, zou hij niet meer herkennen.
Tafeleend en kuifeend zijn nauw verwant en delen verschillende ecologische kenmerken. De verspreidingsgeschiedenis verschilt echter. Anders dan tegenwoordig, was de tafeleend lang de talrijkste van de twee. Begin twintigste eeuw, toen de kuifeend zich nog moest vestigen, was de tafeleend regionaal niet zeldzaam. Enthousiast geworden door mededelingen van veenarbeiders en vissers ondernam Tsjeard de Vries in 1906 een twee weken durende, slopende tocht met polsstok en zeilboot door Centraal-Friesland. In deze omgeving, ‘een waar doolhof waar het voor oningewijden niet geraden is binnen te dringen’, vond hij een vijftal nesten van ‘de jolling’ (naast, tussen neus en lippen door, onder meer vier nesten van porseleinhoen en twee van kwartelkoning). Op grond van zijn overige waarnemingen schatte hij het aantal broedparen tafeleend op minstens honderdvijftig (De Vries 1907). Net als bij de kuifeend begon bij de tafeleend rond 1940 een uitbreidingsfase in ons land, met een herhaling van zetten vanaf 1960. Infiltratiegebieden in de duinen, veenweides en vennen werden vlot gekoloniseerd, vergelijkbaar met de kuifeend. Maar de toename zette niet zo hard door, vlakte regionaal flink af en de verhoudingen kwamen anders te liggen. Rond 1975 was de verhouding tafeleend versus kuifeend al op één op vijf, rond 2015 één op tien.
KUIFEEND
Verschenen of verdwenen layout.indd 21
21
15-09-21 14:19
EIDER Somateria mollissima 1906
Voor wie de veerboot naar de Waddeneilanden neemt, zijn eiders het hele jaar door een gewone verschijning. Dat was niet altijd zo. Ze broeden pas een ruime eeuw in Nederland en bereiken hier min of meer de zuidwestgrens van hun grote verspreidingsareaal, dat een zwaartepunt kent in Noorwegen en de landen rondom de Oostzee. De grootste aantallen in Nederland vinden we dan ook in de Waddenzee. In het Deltagebied leiden eiders nog steeds een sluimerend bestaan.
Ameland, 11 mei 2012. Foto: Marcel van Kammen
22
EIDER
Verschenen of verdwenen layout.indd 22
15-09-21 14:19
BAKERMAT VLIELAND
Drie nesten op Vlieland vormden de eerste gedocumenteerde broedgevallen in Nederland. Het leidde tot een reeks van publicaties (Leege 1907, Thijsse 1907, Thijse 1924, Van Heurn 1952). In die tijd was de vondst een sensatie, want de dichtstbijzijnde broedplaatsen waren op dat moment die van de eilanden Sylt, Amrum en Föhr in de Waddenzee van Sleeswijk-Holstein, hemelsbreed ruim 250 km ten noordoosten van Vlieland. De beschrijvingen rondom de ontdekking (zie kader) doen vermoeden dat eiders al wat langer op het eiland tot broeden kwamen. Eilanders verzamelden de eieren, wat in latere jaren ertoe leidde dat de vestiging zelfs speciale aandacht van een rijksveldwachter kreeg. Deze had de taak om de legsels van de eerste fragiele broedpopulatie voor plundering te bewaren (Drijver 1923). Vlieland bleef tot in de Tweede Wereldoorlog de bakermat van de Nederlandse populatie en zou ook in latere decennia volop in de aandacht blijven. Niemand bestudeerde eiders zo intensief als Cees Swennen, die ze tientallen jaren volgde en in zijn proefschrift (1991) een schat aan gegevens bundelde. VEROVERING VAN DE WADDEN
Geholpen door beschermende maatregelen breidden eiders zich vanuit de kleine populatie op Vlieland vooral na de Tweede Wereldoorlog uit in de Waddenzee. Eind jaren vijftig broedden ze naast Vlieland al op Balgzand bij Den Helder, op Texel, Terschelling, Griend, Ameland, Schiermonnikoog, Rottumeroog en Rottumerplaat; min of meer overeenkomstig de huidige verspreiding. In 1960 ging het
in totaal om bijna zesduizend broedparen (Camphuysen 1996). Pas veel later, in 1987 werd het eerste broedgeval in het Deltagebied ontdekt (Sluijter 1988).
DUITSE ONTDEKKING ‘Eier von Somateria auf Vlieland vorkommend’, telegrafeerde de in Noord-Duitsland bekende ornitholoog Otto Leege aan zijn Nederlandse collega Snouckaert van Schauburg op 11 juni 1906. Leege ondernam met een zeiljacht in juni 1906 een ruim twee weken durende expeditie in de Nederlandse Waddenzee. Zijn met Duitse Gründlichkeit gedocumenteerde bevindingen, geven een uniek kijkje in de broedvogels van de Waddeneilanden in die tijd (Leege 1907, Thijsse 1907, Seitz 2012). Gesprekken met eilanders wekten zijn nieuwsgierigheid en leidden uiteindelijk tot de vondst van drie eidernesten bij de Vlielandse eendenkooi. Tegelijkertijd verbleef ook een Nederlandse ornitholoog op het eiland die, onafhankelijk van Leege, eveneens voor hem onbekende eieren had aangetroffen (Van Heurn 1952). Hij meldde het per brief aan Van Pelt Lechner, in die tijd een autoriteit onder de Nederlandse ornithologen. Die vroeg per omgaande vergeefs om bewijs. In de documentatie rondom de eerste broedgevallen duiken niet alleen twee eieren van Vlieland op, maar ook een op Terschelling gevonden ei uit 1906. Dat suggereert dat eiders niet alleen op Vlieland nestelden maar ook al op andere eilanden. De eilanders waren wat dat betreft beter op de hoogte van wat er in hun omgeving speelde dan de ornithologen van elders tijdens hun spaarzame bezoeken.
1910 – 10 1930 – 40 1960 – 5800 1968 – 3000 1995 – 9000 2015 – 6100 2018 – 3200
Legsel van Vlieland, 4 juni 1906, nu in collectie Naturalis Biodiversity Center, Leiden. Foto: Justin Jansen
AANTAL BROEDPAREN IN NEDERLAND
EIDER
Verschenen of verdwenen layout.indd 23
23
15-09-21 14:19
EERSTE KINK IN DE KABEL
Het aantalsverloop van een aantal kustbroedvogels, zo ook dat van eiders, vertoont van 1962 tot 1968 een scherpe knik naar beneden. Dit valt samen met lozingen van pesticiden (gechloreerde koolwaterstoffen) in de Rijnmond. De gifstoffen belandden via de stroming voor de Hollandse kust ook in de (westelijke) Waddenzee en hadden daar desastreuze effecten op onder andere broedende sterns, waarvan de aantallen gedecimeerd werden, maar ook op eiders (Koeman 1975). In 1965 stierf zelfs meer dan de helft van de eidervrouwtjes. De gifstoffen kwamen juist bij de vrouwtjes hard aan, omdat die tijdens het broeden hun vetreserves, waarin het gif was opgeslagen, moesten aanspreken om de broedperiode goed te doorstaan. In 1968 resteerden nog ongeveer drieduizend paren (Swennen 1972). Een verbod op de genoemde stoffen leidde nadien tot herstel, maar zelfs in 1974 was in de Waddenzee nog een duidelijk mannenoverschot zichtbaar (70 : 30 versus 50 : 50 vóór de giflozingen) als gevolg van de eerdere sterfte onder broedende vrouwtjes (Koeman 1975). Rond 1995 broedden
ongeveer negenduizend paren in de Nederlandse Waddenzee, waarvan ongeveer een kwart op Vlieland (Camphuysen 1996). Dit markeert ordegrootte het plafond dat de Nederlandse broedpopulatie tot nu toe bereikte. TWEEDE KINK IN DE KABEL
Rond de eeuwwisseling volgden berichten over een afname onder eiders en slechte broedresultaten elkaar in snel tempo op. In de winter van 1999/2000 kwam het tot ongewoon hoge sterfte onder overwinterende eiders in de Waddenzee, waaronder eigen broedvogels. Een uitgebreide analyse toonde aan dat eiders al sinds begin jaren negentig voedselproblemen hadden. Deze werden veroorzaakt door een combinatie van intensieve visserij op schelpdieren (mosselen, kokkels en halfgeknotte strandschelpen) in de Waddenzee en de kustzone van de Noordzee, naast ongunstige natuurlijke omstandigheden (milde winters met minder broedval van schelpdieren, die bovendien van lagere kwaliteit waren voor de vogels) (Camphuysen et al. 2002, Kats 2007).
Rottumerplaat, 27 april 2019. Foto: Aaldrik Pot
24
EIDER
Verschenen of verdwenen layout.indd 24
15-09-21 14:19
Vrouw met pas uitgekomen kuikens. Vlieland, 7 juni 2016. Foto: Ruurd Jelle van der Leij
Ameland, 20 mei 2007. Foto: Marcel van Kammen
Die schok lijken de eiders nog niet te boven gekomen. In 2018 broedden in de Waddenzee ruim 3200 paren, slechts een derde van het aantal tijdens de piek in de jaren negentig. Uitbreiding in het Deltagebied ligt niet voor de hand, gezien het feit dat broedpopulaties aan de Atlantische kusten van Engeland en Frankrijk in de afgelopen decennia verdwenen. Daarmee vormt de kleine vestiging in het Deltagebied momenteel de meest zuidwestelijke binnen de internationale broedverspreiding. INTERNATIONALE AFNAME
De bovengenoemde afnames staan niet op zich, maar worden ook in de kerngebieden in de Oostzee vastgesteld. De internationale populatie nam tussen 2000 en 2009 met 48% af (Ekroos et al. 2016). In het Oostzeegebied wordt dit vooral toegeschreven aan predatie op broedende vrouwtjes door zeearenden. In de Nederlandse Waddenzee houdt het broedsucces ook niet over en is het te laag om de broedpopulatie op peil te houden (Koffijberg et al. 2020). Op Vlieland zijn het geen zeearenden die eiders het leven zuur maken, maar bruine ratten die de eieren roven.
Springtij bedreigt nest op Ameland, 25 mei 2020. Foto: Ruurd Jelle van der Leij
EIDER
Verschenen of verdwenen layout.indd 25
25
15-09-21 14:19
ORNITHOLOGEN BEGIN TWINTIGSTE EEUW Rond 1900 waren er maar weinigen die zich serieus voor vogelstudie interesseerden. Toch danken wij aan dat kleine gezelschap veel van de informatie die in dit boek is verwerkt. Ze stonden op een kruispunt van ongebreideld oogsten en verzamelen naar veldornithologie en bescherming. Dat ging niet zonder slag of stoot. Bij de impressie hieronder is dankbaar gebruikgemaakt van de publicaties van Brouwer (1954), Voous (1995), Saris (2007) en Meijer (2011). Nestjonge roodkopklauwieren, verzameld te Horn, Limburg, 21 juni 1912, nu in collectie Naturalis Biodiversity Center, Leiden. Foto: Justin Jansen
Verschenen of verdwenen layout.indd 54
15-09-21 14:20
VOGELSTUDIE MET HET GEWEER
Eind negentiende eeuw was het aanleggen en uitbreiden van een verzameling geprepareerde vogels, of (in veel mindere mate) eieren, een van de belangrijkste motieven voor vogelstudie. Zo’n collectie werd vaak opgebouwd vanuit wetenschappelijke belangstelling, om een staalkaart te bieden van in een bepaalde regio aanwezige vogelsoorten of om onderzoek te kunnen doen naar bijvoorbeeld ondersoorten of kleurvariaties. In het eerste geval was één exemplaar per soort in principe genoeg, in het tweede geval werd een omvangrijke serie per soort nagestreefd. Iedere zichzelf respecterende ornitholoog had een collectie en probeerde die in het veld, maar ook door ruil of aankoop, uit te breiden. Een voorlopig overzicht in 1907 noemt zeventien particuliere collecties van voornamelijk ‘inlandse’ vogels, variërend van enkele tientallen stuks tot ettelijke duizenden. Een deel ervan was overigens in slechte staat of door gebrekkige etikettering ‘zoo goed als waardeloos’ (Snouckaert van Schauburg 1907).
Excursie naar de Lemsterhop, Friesland, begin juni 1927. Met o.a. de bekende ornithologen A.B. Wigman (staand, rechts) en T.Gs. de Vries (zittend, rechts). Uit: Meijer (2011)
Doorgaans hadden ze een netwerk van ‘mannen in het veld’ zoals bos- en veldwachters, broodjagers en -vissers en professionele vogelvangers. Die leverden vaak goede tips of kwamen zelfs aanzetten met ‘bewijsmateriaal’, iets waarvoor ze niet zelden beloond werden.
VOGELS DODEN GEEN PROBLEEM
Het doden van vogels voor ‘wetenschappelijke doeleinden’ was in die tijd volstrekt normaal. Er was volgens de gangbare opvattingen immers natuur genoeg en het was geen probleem daaruit te oogsten. Daarnaast was er een praktische reden: goede en betaalbare verrekijkers waren schaars (menig ornitholoog moest het zonder kijker stellen), zodat de determinatie van een vogel niet zelden beslecht werd met een welgemikt schot. Bij zeldzaamheden werd het zelfs nodig gevonden om ‘bewijs’ te hebben, lees: een vogellijkje. Los van dit alles hanteerde men ingesleten begrippen over ‘nuttige’ en ‘schadelijke’ vogelsoorten, waarbij schadelijke (waaronder roofvogels, meeuwen en vele andere soorten) zonder wroeging geëlimineerd mochten worden. De Wet tot bescherming van diersoorten nuttig voor Landbouw en Houtteelt uit 1880 legde deze praktijk ook amper een strobreed in de weg. HOBBY VAN DE ELITE
Zich serieus met vogelstudie bezighouden was niet weggelegd voor de gewone man, die het te druk had om in zijn bestaan te voorzien. Het waren dus maar weinigen die het zich konden permitteren vrije tijd te spenderen aan vogels. Onder de ornithologen van weleer komen dan ook vooral adellijke personen, notabelen, onderwijzers en priesters voor. Ze waren vrijwel per definitie verwoede jagers.
OPKOMENDE VOGEL- EN NATUURBESCHERMING
Kort voor de eeuwwisseling sloeg de stemming om. Nieuwe modegrillen schreven vleugels, sierveren en soms hele vogels voor als decoratie van dameshoedjes. Het leidde tot slachtingen, nota bene in de broedtijd, van sterns, meeuwen en (elders in Europa) zilverreigers. Uit verontwaardiging hierover richtten enkele dames van stand in 1892 de Bond ter Bestrijding eener Gruwelmode op, om hun zusters tot inkeer te brengen. Slechts enkele jaren later, in 1899, mondde dit initiatief uit in de Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Vogels, een organisatie die zich veel breder voor vogels wilde inzetten. Ook de vogelstudie kreeg zijn plek, door oprichting van de Nederlandsche Ornithologische Vereeniging (nov) in 1901. Meer in het algemeen won de natuurstudie door (in de beste zin van het woord) amateurs sterk aan populariteit. Dit werd krachtig bevorderd door het tijdschrift De Levende Natuur. Dit was in 1897 in het leven geroepen door de onderwijzers Eli Heimans en Jac. P. Thijsse. Mede hierdoor drong bij meer mensen het besef door dat veel natuurwaarden achteruitgingen. De dreigende demping van het Naardermeer met huisvuil uit Amsterdam leidde in 1905 tot de oprichting van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten, een organisatie die door aankoop van natuurgebieden deze veilig wilde stellen. ORNITHOLOGEN BEGIN 20E EEUW
Verschenen of verdwenen layout.indd 55
55
16-09-21 07:55
Strandplevier. Oosterschelde, 10 juli 2018. Foto: Mark Hoekstein
Draaihals. Woudbloem, Groningen, 11 juli 2016. Foto: Wies Vink
Dwergstern, Texel 23 juni 2020. Foto: Hugo Weenen
VEELBELOVEND BEGIN
De vogelstudie kreeg onder de vleugels van de nov een forse impuls. Dat is af te lezen aan de jaarlijks uitgebrachte Jaarboekjes en Verslagen en Mededeelingen. Neem aflevering zeven, 134 pagina’s dik. Er staat een opmerkelijk artikel in van Thijsse (1910), waarin hij de verspreiding van de Nederlandse broedvogels in een tabel probeert te karakteriseren. Dat doet hij door ons land in tien regio’s te verdelen en per regio een indicatie te geven van de talrijkheid van een broedvogelsoort. Een in vergelijking met eerdere broedvogeloverzichten revolutionaire benadering! Opvallend is ook een artikel van De Meijere (1910) over de draaihals op de Zuidwest-Veluwe, gebaseerd op waarnemingen bij elf broedgevallen in nestkasten. Een vogel die lang niet zo zeldzaam bleek te zijn als gedacht, maar volgens de auteur wel behept met de ‘onaangename hebbelijkheid’ om nesten van andere soorten te verwijderen. Voorts in deze aflevering onder meer een gedetailleerde beschrijving van de broedvogels van het Meertje bij Vlijmen, waar de eerste broedgevallen van kuifeenden plaatsvonden (Wigman 1910), en een minutieus overzicht van de najaarstrek in 1909 bij Roermond (Hens 1910).
Bergeenden en kluten. Lingezegen, Gelderland, 16 mei 2020. Foto: Gejo Wassink
Nog geen tien jaar later kwam hij daarvan terug. Hij vond in toenemende mate dat verzamelen terughoudend moest gebeuren, gezien de alarmerende achteruitgang van allerlei vogelsoorten. Bovendien was het door de ontwikkeling van de fotografie niet altijd meer nodig om bij bijzondere waarnemingen ‘bewijsmateriaal’ in de vorm van een dode vogel aan te leveren. In het kielzog van Thijsse ontwikkelden ook anderen een in onze ogen modernere, natuurvriendelijker houding. Maar lang niet iedereen. De geplande invoering van de Vogelwet 1912 leidde dan ook tot hevig bekvechten.
VERANDERENDE HOUDING
SPLIJTZWAM VOGELWET
Gaandeweg gingen de panelen onder vogelaars schuiven. Thijsse kon in de eerste jaargang van De Levende Natuur (1897) nog onbekommerd schrijven over een excursie met Artis-preparateur Steenhuizen, enkele jaren eerder, naar Texel om vogels en nesten te verzamelen. De bagage omvatte, naast vijftig sinaasappels en een botaniseertrommel, een jachtgeweer en honderd patronen. Er werden onder meer enkele dwergsterns geschoten, nesten van bergeend en strandplevier leeggehaald, en Thijsse zelf schoot (‘een kind had hem kunnen raken’) een kluut.
Waren in het verleden alleen sommige vogelsoorten beschermd vanwege jachtbelangen, het ontwerp van de nieuwe Vogelwet beoogde een veel bredere bescherming, in feite van alle vogels met uitzondering van de ‘schadelijke’ soorten. Door Thijsse en consorten werd deze wending natuurlijk toegejuicht. Het was echter tegen het zere been van degenen die op de oude voet wilden doorgaan en zich mordicus tegenstander verklaarden van een ‘overdreven vogelbescherming’. Thijsse’s opponent daarbij was baron Snouckaert van Schau-
56
ORNITHOLOGEN BEGIN 20E EEUW
Verschenen of verdwenen layout.indd 56
15-09-21 14:20
SNOUCKAERT EN THIJSSE: KEMPHANEN? Baron Snouckaert van Schauburg (1857-1936) en Jac. P. Thijsse (1865-1945) waren allebei vanaf ongeveer 1895 zeer actief in de ornithologie, behoorden ook tot de oprichters van de NOV, gingen wel eens samen op excursie, maar eindigden als boegbeelden van twee volkomen verschillende clubs. De tegenstellingen tussen beide personen konden niet groter zijn. De baron, die het zich kon permitteren te stoppen met werken ten behoeve van de vogelstudie, was een eminent ornitholoog. Hij publiceerde onder meer gedetailleerde jaaroverzichten van belangrijke waarnemingen en ontwikkelingen. Zijn Avifauna Neerlandica uit 1908 was een mijlpaal in de ornithologische geschiedenis. Maar hij was ook een verwoed jager op alles met vleugels, voor zijn eigen collectie die uiteindelijk duizenden preparaten omvatte maar ook op in zijn ogen schadelijk gedierte (voor hem een ruim begrip). Zelfs vogels die een ‘aartsvervelend’ geluid produceren waren niet veilig voor hem (‘dan grijpt men onwillekeurig naar het geweer’). Hij was veel meer een museum ornitholoog dan een veldman (hij had op bijna vijftigjarige leeftijd nog nooit een ‘blatende’ watersnip gehoord) en vooral geïnteresseerd in onderzoek naar ondersoorten; iets waarvoor hij veel vogels ‘in de hand’ nodig had. Bescherming van vogels vond hij overbodig, zelfs het strikken van lijsters voor consumptie, waartegen veel weerstand ontstond, deerde hem niet. Thijsse, daarentegen, liet het geweer weliswaar niet helemaal
links liggen in zijn vroege jaren, maar was toch vooral iemand die zijn plezier in veldstudie door observaties vond. Hij had een brede interesse in de natuur, misschien nog het meest in planten. In de woorden van Brouwer (1954): ‘Snouckaert ornithologiseerde dus in hoofdzaak met het geweer. Thijsse gebruikte (…) prismakijker en schetsboek.’ Wat vogels betreft ging de belangstelling van Thijsse met name uit naar gedrag en de relatie tussen voorkomen en landschap. Begiftigd met een vlotte pen en tekentalent, schreef hij bijna ontelbare artikelen en boeken die een breed publiek bereikten en voor velen de stimulans tot veldonderzoek werden. Vanuit zijn betrokkenheid met de natuur maakte Thijsse zich ook sterk voor bescherming, niet alleen van vogels – hij was medeoprichter van Vogelbescherming – maar ook van hele gebieden. Het initiatief tot de aankoop van het Naardermeer kwam van hem, en hij was tot aan zijn overlijden secretaris van Natuurmonumenten. Het conflict tussen beide mannen, waarbij Snouckaert zich overigens meer liet gaan dan Thijsse, spitste zich toe op de nieuwe Vogelwet, maar kan ook breder worden gezien. Het vormt ook een breuk tussen de ‘oude’ en ‘nieuwe’ manier van vogelstudie, en van de meer elitaire praktijk van enkele bevoorrechten naar de bredere tak van de veldornithologie van de ‘gewone man’. Het zal duidelijk zijn dat vooral de activiteiten van Thijssse tot op de dag van vandaag doorwerken.
Snouckaert (links) en Jac. P. Thijsse waren in verschillende opzichten elkaars tegenpool. Dat liep uit op een splitsing van de nog kleine ornithologische gelederen in 1911.
ORNITHOLOGEN BEGIN 20E EEUW
Verschenen of verdwenen layout.indd 57
57
16-09-21 07:59
Verschenen of verdwenen layout.indd 60
15-09-21 14:20
Verschenen of verdwenen layout.indd 61
15-09-21 14:20
In Nederland broeden ruim 250 vogelsoorten. Dat aantal lijkt van jaar op jaar misschien stabiel, maar niets is minder waar. Dit boek geeft een overzicht van de nieuwe soorten die sinds 1900 verschenen, zoals de grote zilverreiger, oehoe en zeearend, maar ook de nu vertrouwde Turkse tortel. Naast nieuwkomers zijn er ook soorten verdwenen, zoals de griel en ortolaan, vaak specialisten die het niet konden redden in het snel veranderende landschap. Hun verhalen vormen als het ware een tijdsbeeld van 120 jaar ontwikkelingen bij vogels, landschappen én vogelaars. Verschenen of verdwenen bevat de volgende onderdelen: • De opkomst en ondergang van 70 aansprekende soorten vogels van 1900 tot heden • 120 jaar aan verandering inzichtelijk in beeld gebracht • Vele historische foto’s, kaartbeelden en infographics • Aparte themahoofdstukken over klimaatverandering, de rol van bescherming, exoten, vogelaars toen en nu en een blik in de toekomst. Sovon Vogelonderzoek Nederland legt met behulp van duizenden tellers de veranderingen vast in de verspreiding en aantallen van alle in het wild voorkomende vogelsoorten. Ze doet daarnaast onderzoek om de waargenomen patronen te begrijpen. Sovon bracht in 2018 het succesvolle standaardwerk Vogelatlas van Nederland uit.
KOSMOS UITGEVERS UTRECHT-ANTWERPEN NUR 435 www.sovon.nl www.kosmosuitgevers.nl
VERSCHENEN OF VERDWENEN
VERSCHENEN OF VERDWENEN
SOVON
Verschenen of verdwenen cover DEF.indd Alle pagina's
RUIM EEN EEUW NEDERLANDSE BROEDVOGELS IN BEWEGING
VERSCHENEN OF VERDWENEN SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND
21-09-21 14:12