Huub Oosterhuis Iemand meer gedichten
Inhoud Prachthuis 7 Zwaluwzang 8 School der poĂŤzie 9 Open brieven 10 Zeven 11 Orpheus 12 Lucebert 14 Gisteren 16 In gedachte 17 Lied van Generaal Pardon 18 Moederlied 19 Bloemenvrouw 20 Na de zes miljoen 21 Lied van de grijze kinderen 22 Iemand meer 24 Afscheid van een Koningin 28 Huwelijkslied 30 Friso 32 Eigen leven 33 De wereld, deze 35 Wereld opnieuw 36 Kompasnaald 38 Satyarthi 39 Glazen huizen 40 Ooit 42 Daar 43 Nazomer 2014 44 Hoogste tijd Vijftig jaar En dan Oud oud
49 50 51
105
Vandaag nog 52 Zee bij Egmond 54 Schrijf me 56 Afscheid 57 Zien 58 Avond en morgen 59 Het is nu 60 Uit het licht 61 Zon sta stil 62 Nieuwe psalm 63 Verte landschap 64 Mijn dood, denk ik 65 Lichtrivier 66
106
Nacht en dag 1. Ik zag je 2. Toen werd het zomer 3. In spleten van rotsen 4. Kwam iemand je tegen 5. We waren jong 6. We huren een wagen 7. De dood in de verte
69 70 70 71 72 73 73
Aarde zonder lied 1. In het midden van mijn dagen 2. Gisteren, tegen zonsopgang 3. Wat gaan ze zingen 4. Ziggodome 5. Wie zijn wij 6. Veertig was ik 7. Gisteren tachtig jaar 8. Zij heeft de eerste 9. Maar ook
77 78 80 82 83 84 85 86 87
10. Hij is van twee Somalische mensen 11. Als jij niet 12. Zij heeft me laat in de morgen gewekt 13. Ooit gehoord 14. Mijn nachten hangen 15. Deze morgen
88 90 92 94 96 97
Aantekeningen 99
107
Prachthuis Het zal. Het zal worden van onder beneden van boven hoog boven uit water rotsen en honing. Uit wouden gewaaid op snaren gespeeld op vingers gefloten. Onder een lucht die nog nooit bewolkt gewassen geblauwd is, aan een gracht die nog moet gegraven, in een tuin die nog niet is gezaaid.
7 Wat nu nog zwerft zal er aarden wat rondslingert zal op zijn plaats en jij van de een naar de ander op zoek zal worden gevonden. Daar zal in stilte van taal daar zal het staan en ons wenken een huis waar alles woont.
Zwaluwzang Zwaluw, maak zomer. Maak in je eentje zomer, zwaluw. Maak mij, verwinterde, open voor nog veertig zomers. Zwaluw ter hoogte van mijn dichtgekorste ogen, wiek ze open. Dat ik voorlopig nog niet neerzit in dovenetels, dat ik zien mag lentebloesemmaan, en eten van de rode moerbezie-levensboom – jij gouwezwaluw scheervlucht-oever-toren-zolderzwaluw
8
thorazwaluw die de morgenstilte wekt, zing, septembervogel, in mijn oren je troostende nazomerzang je nieuwe psalm.
School der poëzie Ik wou dat ik een beetje zwart was dat ik in een ver groen licht land woonde niet in een klas zat maar in een tuin – dan komt de grote Ilonka met tassen vol gedichten en zegt dag donkere mooie jongen en leert mij lezen dan mocht ik van haar ook zelf gedichten schrijven hele vele dan zou ik schrijven ik zie de zon als watervallen stralen ik hoor de vogels krenkelen in de boomtoppen van mijn geboortewoud. Dan zou zij mooi mooi zeggen en nog eens mooi – dan zou ik zeggen dank u wel maar wou liever ik bemin u zeggen grote Ilonka lieve.
9
Open brieven Inlevingen deemoedig – vingertoppen die langs welvingen van voeten gaan bijna zonder aanraken mochten zo mijn brieven zijn geweest alle duizend handgeschreven duur verzegeld zacht op harten af fluisteringen van begeerte in sluiers ingeweven – open brieven voortaan mijn gedichten. God geve.
10 Ook schreef ik voor in kerken gezangen volgestouwd met mijn onberedeneerbaar godsverlangen. En pamfletten, hoe de wereld moet: geen mens meer een geknecht vernederd wezen. Zinderend van woede weeën en geluk kromp ineen of ontvouwde zich mijn leven.
Moederlied Mijn moeder had een minnaar. Hij heette Klaas van God. Wie durft zich zo te noemen? Die naam werd hem gegeven – wat kon hij daaraan doen? Maar op een dag bedacht hij: als ik dan Klaas van God heet, dan moet ik het maar zijn ook. En hij werd stil en stiller en ging de afwas doen. En kuste hij mijn moeder, zij straalde zeven dagen, die rechtop strenge dame – en zoende hij haar zalig zij bloosde als een kind.
19
Bloemenvrouw Het was een dag in mei ik was twintig, ik liep van ergens in Polen naar Venlo in Nederland en van Venlo naar Zandvoort de zee in want niemand wou me. Ik dacht dan verzuip ik maar. Maar ik verzoop niet. Hoog op een golf hoorde ik een stem wat doe je nou je leeft nog.
20
Ik wou een man, ik zocht en zocht ik vond een man die ook daar was geweest. Ik kreeg een kind. De man ging heen. Ik kocht een kar, ik werd een bloemenvrouw. Ik dacht ik leef nog. Maar mijn dochter heeft een zwarte hoed op en die zet ze nooit meer af. Voor straf.
Na de zes miljoen Alle woorden betekenden iets. Wat zij spraken bestond. Een roos was een roos was een roos. Brood was brood en niet steen. Wat betekent nog brood? Wat betekent mens nog meer dan een waaiend vod? Onze vaderen zeiden god, bedoelden liefde zeiden hemel en bedoelden sterker dan de dood. Waar je ooit uitkwam waar je weer in mag als het gedaan is riepen zij, in hun groot verhaal. Wij zwijgen, leeg, verbijsterd. Schamen ons. Vrezen taal.
21
Iemand meer 1. Wat zou je – vouw je armen onder je hoofd kijk de afgrond in die hemel heet zie de gesternten hun gigantische figuren wou je beweren dat onder het tijdloos bewind van Maagden en Weegschalen Schorpioenen en Dioskuren hier op aarde ook maar iets ertoe doet? Wat is een mens, wat zou je?
24
‘Ik ben eens voorgoed dit onverwisselbare mensenkind dit enig leven’ hoor ik je denken zie ik je geloven of ben je om het even zeven miljard anderen die ook maar als lichtstraaltjes flitsen en uitdoven?
2. Wat zou je – wat zou je anders dan een beetje klinken, drinken lachen en omhelzen, je zwarte uren zo gauw mogelijk vergeten, je zegeningen tellen en zonder zelfbeklag je realiseren dat het voorbij zal zijn voor je het weet je schuimt langs boulevards je schimt in winkelruiten, ziet je staan in etalages, naakte pop – je haalt je schouders op je vouwt je op probeert te slapen wat zou je anders wat zou je.
25
3. Je werd wakker midden in de wereld, deze iemand riep me, dacht je in je droom en werd wakker het is deze dag die vandaag heet, die ook morgen vandaag heet, en overmorgen. Wie ga je zijn wat ga je doen en laten overmorgen, morgen en vandaag?
26
De wereld, deze, is een schreeuwend kraambed een verwilderde tuin waarin gedood wordt en gestorven. Geen Schorpioenen verklaren geen Maagden verzachten geen Weegschalen wegen het leed dat afgronddiep wordt geleden. Maar jij hebt handen die verzachten kunnen opklarende ogen.
4. Sterven zal je ooit. Maar vandaag en godweet morgen kun je leven, doen, zien iemand voor iemand zijn misschien en het verschil maken, toch, tussen onverwisselbaar uniek en om het even tussen dood en leven.
27
Friso De sneeuw was wit, het licht zo licht en grenzeloos – hij moest daar zijn in stiltevuur en vergezicht zo vrij als hij een kind wou zijn. Gegaan je eigen weg alleen in diepe nacht verloren. Wij weten niet waarom, waarheen. God weet opnieuw geboren. 12 augustus 2013
32
Eigen leven De woorden die wij spraken tot elkaar haastige harde lieve onverstane de nacht die wij verzwegen voor elkaar de bange dromen de doorluchte wanen – de dagen die wij gingen met elkaar in donker woud door schaduwlichte lanen. De mensen die wij werden een voor een spelende handen helderziende ogen lichamen stromend water steen en been vurige zielen vonken mededogen – die ene die wij zijn en anders geen die anderen die wij nog worden mogen. Dit niets dat overleeft ternauwernood dit alles dat wij zijn in vrees en beven dit enig hier-nu tegen doem en dood dit korte lichte lange eigen leven – dat wij ontvangen als genadebrood dat ons gegeven is en blijft gegeven.
33
Hoogste tijd
Het gestage kompas. De open zee. De nagalm van de klok in het geheugen ‌ al die dingen waren nodig opdat onze handen elkaar zouden vinden. jorge luis borges
Vijftig jaar Ik hou verdomd al vijftig jaar van jou van toen je nog die mooie jongen was. ‘Toen’ is een internaat, een klarinet, ver weg een lieve zieke Franse moeder. Een vader-god en zwarte meisjesogen. Toen is een toekomst die er niet van kwam. Nu is een toekomst die gekomen is en morgen zal een engel ons verschijnen. Wij gingen wegen die nog niet bestonden. Ik hou al vijftig jaar van jou, gewoon. Dat zeggen mannen niet tegen elkaar maar oude mannen wel, met zoveel woorden. Die hebben geen gezicht meer te verliezen. Die zijn verbaasd dat het gebleven is.
49
En dan Je dacht: wij zullen oud en dezelfden anders niemand en niets dan deze twee, toevallig als twijgen aan takken bomen aan water – het zal. Genietend de eeuwige uren jaren van dagen – de koele extase van klarinet en discussie en uitzicht op tuin
50
de vlam in je pan je smidse van ogen besef je in vonken seconden een ooit nog misschien een ogenblik nieuw van stillere stilte en dan –
Oud oud Soms staan zij uit hun hoogste raam te staren hand in hand en zien hun stapelwolken-jaren voorbijvaren vliegen op gedachtenvleugels naar een overkant van palmboomstranden en jeneverstruiken waar zij met blote buiken liggen te lachen in goud zand en aan zoete seringen ruiken. Dan komen hoge zachte zangen uit hun monden die zij nooit eerder konden.
51
Zee bij Egmond Zee bij Egmond ik krimp ineen voor uw harde schittering ben bang van de woeste wolkenstapelingen boven uw horizon dat zij hun evenwicht verliezen omvallen en mij bedelven, verslinden en even later varen zij voorbij goudgerande werelddelen of staan plotseling hoog als blinde muren doodshoofden en is de zon verschrompeld tot een kier – avondzon bij Egmond, zijt gij mijn stervende vader?
54
Ik wil een moederliedje strelingen ontvangen ik huiver. Is hier de plaats waar zwarte en witte schapen van kleur wisselen, zoals de koppen, zee, van uw golven – zwalkt in uw diepste diepten een vis rond met een oerwoud op zijn rug? Ik droomde klokgelui gehinnik van paarden dansgedruis. Ik moest in duisternis rondroeien van eiland naar eiland, reuzen waadden tot hun kuiten door het water om mij te roven – toen vloog mij te hulp
mijn thorazwaluw, zij daalde op mijn kruin en met haar zangen vulde zij de nacht en velde Goliat en de anderen.   Toen ik ontwaakte, zee, waart gij blak en onbeweeglijk. Ooit, in mijn ure, zal ik zee bij Egmond, u wederom bezoeken. Ik zal liggen op uw strand onder mijn boeken bedolven wachtend op de vloed.
55
Schrijf me Liefste, schrijf me het boek dat mijn leven voltooit. Dat ik mij nooit meer schaam om het onvoltooide, het nooit bekende: de ademnood die mij greep en verslond als ik zong – en als ik zweeg mij besprong. Hang me maar uit in allemans wind – zoals ik was schrijf me maar neer.
56 Maar dat wij al jaren geliefden waren schrijf dat niet want dan gelooft niemand je meer.
Afscheid Al zag je me nooit meer je zou me van veraf herkennen. Als ooit iemand staat aan een strand op de klip van een rots, op een rif, in een kraal zwaaiend iets als een naam in de lucht dat ben ik.
57