Skip to main content

Hensel - Tussentijd

Page 1

4 juli

Voor het eerst sinds jaren kijkt mijn broer mij aan. Dat ik hem wel zie en hij mij niet, vind ik tekenend voor onze relatie. Ik ben thuis als ik hem zie. Ik kom net terug uit Parijs en moet morgen om zes uur ’s ochtends mijn vlucht naar Londen halen voor een bespreking over een vastgoeddeal. Al maanden ben ik ermee bezig en eindelijk zullen mijn inspanningen – als alles goed gaat – resultaat opleveren. Er moeten nog maar een paar punten worden besproken, waarna de handtekeningen onder deze miljoenendeal kunnen worden gezet. Het is een grote deal, met veel belangen. Zakendoen met de Engelsen vraagt om alertheid. Ik heb al meer dan eens meegemaakt dat ze zich op het allerlaatste moment, zelfs na een mondelinge toezegging, doodleuk uit een onderhandeling terugtrokken. Ik bel Julie om onze eetafspraak van vanavond af te zeggen. ‘Je kunt niet zo last minute afbellen, Damian. We hebben elkaar al drie weken niet gezien.’ Ze vraagt zich

9


hardop af of onze relatie nog wel zin heeft. Ze geeft aan dat we veel te weinig tijd met elkaar doorbrengen, dat ik haar weinig aandacht geef en dat ze zich eenzaam voelt. Ik zeg dat ik de manier waarop zij en ik met elkaar omgaan, waaronder de frequentie, prima vind. Ik ben met mijn hoofd bij mijn werk en heb geen zin om hier nu over na te moeten denken. Julie verbreekt de verbinding. Ik bedenk dat ik het later goedmaak door in Londen bij Bulgari iets moois voor haar te kopen. Als ik de tv aanzet, kom ik op de bbc terecht, bij een programma waar een man in de camera kijkt met op de achtergrond een strand met wuivende palmbomen. Dit programma heb ik eerder gezien. Het gaat over mensen die hun westerse leventje, met alle sores van dien, achter zich laten, hun boeltje pakken en op zoek gaan naar hun ultieme woonplek. Ze settelen zich vervolgens in de middle of nowhere: aan de voet van een actieve vulkaan, midden in een tropisch regenwoud of in een rotspartij in Utah. Hun huizen hebben ze altijd eigenhandig gebouwd, vaak van materialen die de natuur ze biedt of die voorhanden zijn. Soms leven ze off the grid; zonder elektriciteit of stromend water. Het geeft mij altijd een dubbel gevoel. Ergens begrijp ik dat ze zich willen ontworstelen aan de ratrace van het leven, maar ik vraag me altijd af of deze mensen wel zo gelukkig zijn als ze zich voordoen. Ik ben geen fan van wegvluchten, want je neemt uiteindelijk jezelf altijd mee. Degenen die aan het programma mee-

10


doen, zijn altijd wat zonderling. Zodra er kinderen in het spel zijn, vind ik ze naast zonderling ook egocentrisch. Blijkbaar denken ze dat hun kinderen voorgoed klein zullen blijven, want over hoe het verder met ze moet als ze ouder worden, wordt niet nagedacht. Hoe moeten die kids zich redden in een wereld waar ze niets van weten? Op het moment dat ik wil zappen, zie ik linksonder in het beeldscherm een bekende naam in een blauw kader verschijnen. Ik kijk nog een keer goed naar het gezicht op het scherm, spring uit bed, ga op het voeteneind zitten en druk de recordknop van de afstandsbediening in. Een stoot adrenaline gaat door mijn lichaam wanneer ik hem herken en er gaat een steek door mijn maag. Pauls gezicht is zongebruind en zijn jukbeenderen zijn geprononceerder dan ik me kan herinneren. De blik in zijn felblauwe ogen herken ik. Die is levendig en sprankelend, precies zoals ik het me herinner. De camera zoomt uit en ik zie dat hij behoorlijk dun is. Waarschijnlijk leeft hij op een dieet van vis en rauwe groenten of iets dergelijks, in elk geval iets waar je geen vet van op je botten krijgt. Ik wil iemand bellen, tegen iemand zeggen dat ik mijn broer heb gezien, maar heb geen idee wie. Julie weet niet eens dat ik een broer heb. Paul was pas zestien toen hij de beslissing nam die zijn leven, en dat van mij, voorgoed veranderde. Ik was twee jaar jonger en keek enorm naar hem op. Al op jonge leeftijd bezat Paul een bepaalde vorm van wijsheid. Hij

11


was een oude geest, opgesloten in een jong lichaam. Ik adoreerde hem, maar mijn ouders hadden, naarmate hij ouder en dus mondiger werd, geen idee wat ze met hem aan moesten. Dat was andersom ook het geval. Toen Paul vertrokken was, vervielen ze al snel in de rol van zielige, verlaten ouders. In het begin ergerde ik me kapot aan de slachtofferrol die ze uitventten. Ik kreeg een vieze smaak in mijn mond van de manier waarop ze zich gelukzalig wentelden in de aandacht die ze van hun omgeving kregen door het gemis van hun oudste zoon. Maar naarmate de tijd verstreek, verdween mijn loyaliteit tegenover Paul. Mijn puberbrein vond dat hij, door zo weinig van zich te laten horen, niet loyaal was aan mij. Ik nam, zonder ervan bewust te zijn, de slachtofferrol van mijn ouders over. In het begin viel er eens in de twee weken een ansichtkaart van Paul op de deurmat. De teksten waren in telegramstijl opgesteld en aan het handschrift was te zien dat ze haastig waren opgeschreven. Op zo’n kaart stond bijvoorbeeld: Lieve Damian, papa en mama, Maken jullie je om mij geen zorgen. Ik maak het goed. Mijn plan is om richting Australië te gaan en daar bij een wijnboer aan de slag te gaan als wijnmaker. Xx Paul 12


Na een maand of drie nam de frequentie van de ansichtkaarten af naar één kaart per maand en niet veel later naar eens in het kwartaal. Daarna moesten we het doen met een korte brief per jaar. In die brieven vertelde Paul niet meer waar hij zat en wat hij aan het doen was. De enige mededeling die we kregen, was dat het goed met hem ging en dat we ons geen zorgen hoefden te maken. Nu ik hem op tv zie, bedenk ik dat Paul niet weet dat ma zich nu, twintig jaar later, nooit meer zorgen om hem zal maken. Onze moeder weet niet meer dat Paul bestaat, want ze heeft alzheimer in zo’n vergevorderd stadium dat ze bijna niet meer kan praten. Ze zit sinds twee jaar in een verpleeghuis. Met pa heb ik geen contact meer, dus of die zich zorgen maakt om Paul weet ik niet. Een week nadat mijn moeder in het verpleeghuis werd opgenomen kreeg hij een vriendin en ging hij niet meer bij mijn moeder langs. Ik had het nooit van hem verwacht. Hij was altijd degelijk en kon behoorlijk moralistisch uit de hoek komen. Maar dit trok meneer blijkbaar niet. Ik verbrak elk contact. Het deed me pijn dit te moeten doen, maar het was niet anders. Dus in Pauls wereld verandert er niets. In zijn wereld zijn papa en mama nog samen en heeft zijn moeder geen alzheimer. Over dat soort dingen hoeft Paul zich niet druk te maken. Nee, Paul heeft wel wat beters te doen, zie ik in de reportage, namelijk zich verre houden van de boze buitenwereld die zoveel van hem eist, lekker ronddobberen op een bootje en samen met zijn

13


mooie vriendin een beetje prutsen in zijn moestuin. In Pauls wereld staat Paul centraal en als ik aan hem denk, komen er maar twee woorden bij me op: egocentrische klootzak. Sinds ma in het verpleeghuis zit en pa bij zijn vriendin is ingetrokken, heb ik ons ouderlijk huis verhuurd. Ik heb de huurders verteld dat ze de jaarlijkse brief van Paul mogen verscheuren en daar houden ze zich keurig aan. Er stond toch nooit iets van waarde in. Ik kijk de aflevering terug. Voor de tweede keer gaat er een schok door me heen wanneer ik Pauls stem hoor. Het is alsof hij naast me staat, hij klinkt nog exact hetzelfde. Paul vertelt dat hij jaren geleden een eiland van zo’n vijf vierkante kilometer kocht dat deel uitmaakt van Frans-Polynesië. Hij woont er met zijn vriendin. Ze leven van de vis die ze vangen, van het fruit dat aan de bomen hangt, van de groenten die ze verbouwen en van de kunst die ze maken. Hij laat wat houten beeldjes zien die ze eens per maand op het vasteland verkopen op een markt waar veel toeristen komen. Mijn broer vertelt trots dat de opbrengst meer dan voldoende is om alles wat ze nodig hebben te kunnen aanschaffen. Dan draait Paul zich om en loopt, met de camera in zijn kielzog, over een klein strand met palmbomen die een buiging maken naar het parelwitte zand. Ik zie een huis opdoemen. Het ziet eruit alsof het door een reuzenhand tegen de rotswand is gekwakt. Een smalle houten trap leidt van het strand naar een diep terras dat over de volle breedte van het huis loopt en een fe-

14


nomenaal uitzicht over de zee biedt. De cameraman en de interviewer lopen achter Paul aan naar binnen. Ze staan nu in een halvemaanvormige woonkamer met ramen zonder glas waarvan de luiken openstaan. De houten vloer glimt als een spiegel en de meubels zijn eenvoudig maar prachtig gemaakt. De camera glijdt langs de wanden naar een bureautje van donkerbruin hout en richt zich op wat erop staat. Ik zet het beeld stil en staar naar het scherm. Op het bureau staat een fotolijstje met daarin dezelfde foto die ik in de eerste jaren na Pauls vertrek als mijn kostbaarste bezit had beschouwd. Mijn ouders hadden, een paar maanden nadat Paul was weggegaan, onze familiealbums geplunderd en elke foto waar Paul op stond vernietigd. Deze foto had ik nog kunnen redden. Hij was genomen tijdens ons jaarlijkse familie-uitje naar Zandvoort ter ere van de huwelijksdag van onze ouders. Met de armen over elkaars schouders staan Paul en ik in de branding en kijken breed lachend de lens in. Het is een van de weinige foto’s waar we samen op staan. Toen leken we sprekend op elkaar. Dezelfde felblauwe ogen, hetzelfde bruine haar dat tot over onze oren viel. Nu schelen we vele kilo’s. Ik reik naar mijn portemonnee die op het nachtkastje ligt en kijk naar de verkreukelde foto, dezelfde als die net door honderdduizenden anderen is bekeken. Ik zet het programma weer aan. Paul loopt door zijn moestuin. Hij wijst naar de bron waar hij water vandaan haalt en plukt een mango van een boom die ze

15


passeren. Zijn vriendin komt ook in beeld – ik schat haar tien jaar jonger dan Paul. Ze heet Rose en kijkt naar Paul alsof hij haar messias is. Wellicht is dat ook zo. Haar blik doet me denken aan de laatste keer dat ik Paul zag. Hij liep toen in het schemerdonker door onze achtertuin, opende de achterpoort en verdween achter de haag. Van achter mijn slaapkamerraam volgde ik de op en neer bewegende bovenkant van zijn rugzak die een stukje boven de haag uit stak, net zolang tot hij uit het zicht was. Mijn broer moet hebben gevoeld dat ik hem nakeek, maar hij draaide zich bij de achterpoort niet om voor een laatste groet. Ik kan me nog herinneren hoe verdrietig ik daarvan werd en hoe eenzaam ik me voelde toen ik weer in bed stapte. Paul en ik deelden toen al maanden een groot geheim: hij was van plan om van huis weg te lopen. Ik was vereerd dat hij mij deelgenoot had gemaakt van zijn plannen en voelde me eerder prettig gespannen dan verdrietig. Hij had flink gespaard en met dat geld kon hij het wel een tijdje uitzingen. ‘Maak je geen zorgen,’ zei hij. ‘Ik red me wel.’ Maar hij bleek niet degene te zijn om wie ik me zorgen had moeten maken. Want pas toen Paul mij die bewuste ochtend geen gedag had gezegd, drong tot me door dat hij mij aan mijn lot overliet. Hij liet mij ook over aan de nukken van onze ouders, die we tot die tijd samen hadden doorstaan. Paul was er altijd geweest om mij de hand boven het hoofd te houden en samen met mij tegenwicht te

16


bieden aan de starheid en de strenge regels van onze ouders. Het waren kortzichtige mensen die ons leerden dat wij onze emoties moesten onderdrukken, die ons drilden tot modelburgers die zich strikt aan de maatschappelijke regels zouden gaan houden (‘doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’) en ons verstikten met hun kleinburgerlijkheid. Het verdriet om Pauls vertrek kwam eerst. De woede kwam later. Dat Paul op die nevelige ochtend niet omkeek om naar mij te zwaaien, begreep ik niet. Nu begrijp ik het wel, want hij was toen al van plan zijn belofte niet na te komen.

17


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Hensel - Tussentijd by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu