Skip to main content

Leesfragment Hoe mooi je bent van Ule Hansen

Page 1

1

Emma Carow zat tegenover haar verkrachter en was de rust zelve. Ze kon hem ruiken, hoewel ze meer dan drie meter uit elkaar zaten. De klank van zijn stem horen, hoewel hij zweeg. Ze vermeed zijn blik, maar ze wist dat hij naar haar keek. Toch was ze rustig. Haar handen trilden niet. Ze kon vrij ademhalen. De paar druppeltjes zweet op haar voorhoofd waren de schuld van de schijnwerpers. Ze verbaasde zich over zichzelf. Hoe kon ze zo gelaten zijn? Omdat ze goed voorbereid was? Ze wist wat ze moest zeggen. Ze had het geoefend. Voor de spiegel. In de auto, onderweg hiernaartoe. In de garderobe. Alleen had er bij die oefeningen nooit iemand tegenover haar gezeten. Emma Carow zat onder een glazen koepel die eruitzag als die van de Rijksdag, alleen kleiner. Om haar heen rees de cilindrische stalen stellage op van het gasreservoir in Schรถneberg, district 42. Een overblijfsel uit de tijd dat het aardgas nog bovengronds werd opgeslagen. Ooit stond het stalen buitenskelet om een flexibele binnenhouder heen, die naar behoefte opgepompt kon worden. Voor de oorlog was de gashouder of gasometer een symbool geweest van de alomtegenwoordige industrie die de lucht in de hoofdstad verpestte, tegenwoordig was het een nostalgisch symbool voor hetgeen in Berlijn pijnlijk ontbrak, namelijk elke vorm van industrie. In dat ding hadden de tv-producenten de koepelcoulisse neergezet die haar omgaf, bombast op kleine schaal. Er zaten vijf gasten naast haar op het rode podium. Achter hen het rood-ge5


le decor, voor hen camera’s. En toeschouwers. Keurig in rijen op de tribune. Ze herkende geen gezichten, de lampen verblindden haar. Haar zus zat er niet bij, dat wist ze. Sarah zat met haar nieuwe geliefde voor de buis. Emma’s collega’s waarschijnlijk ook. De beschaafd geschminkte Emma sloeg haar in laarzen van licht wildleer gestoken benen over elkaar. Ze droeg verder een zwarte, strakke jeans en een witte wollen trui. Sarah had de kleding uitgezocht: ‘Geen tegenspraak.’ Ze haalde een hand over haar korte, blonde stekeltjes en verbaasde zich over zichzelf. Naast haar de presentatrice. Charlotte Langendorn. Brede glimlach, gewoon sympathiek, maar toch serieus. Vertrouwenwekkend. Ze had in grote lijnen begrepen wat Emma te zeggen had toen ze spontaan tijdens het praatprogramma waarvoor ze nu in de studio was uitgenodigd had opgebeld. Dat was zo’n tien weken geleden geweest. Langendorn was nog jong, maar toch al een oude rot in haar vak. Het was goed om zo iemand naast zich te hebben. En dan was er de vrouwelijke dominee, Feldwiese of zoiets. Ze stond voortdurend in de krant als een vrouw met een groot hart, pragmatisch, actief in de vredesbeweging. Strafrechter Hoppe. Ze kenden elkaar. En natuurlijk de nationale tv-bekendheid, André Nogwat. Die had in een of andere tv-show een of ander lied over vrede tussen man en vrouw gezongen, ‘Vrede en liefde’ of zoiets, en dat maakte hem tot expert op het gebied van verkrachting. En Uwe Marquardt. Zonder muur. Zonder tralies. Zonder handboeien. Hij zat daar frank en vrij, als een heel gewone vent, een man die alleen de merkwaardige gewoonte had vrouwen zoals zij drie dagen lang aan een bed vast te binden en te verkrachten. Maar het was geen probleem. Absoluut geen probleem. Want zij had hem overwonnen. Of was heel aardig op weg om dat te doen. Ze was sterker, ze was voorbereid, ze wist wat ze moest doen, ze zaten hier in het openbaar en in het openbaar had iemand zoals hij geen macht over haar. Alleen in het donker, alleen met een 6


mes en touw, alleen toen, voordat ze bij de politie ging, voordat ze een wapen had, voordat ze begreep dat er mensen zoals hij op de wereld waren. Voordat ze mensen zoals hij begon te bestuderen. Zo iemand als hij, een lafaard zoals hij, zou haar voor de ogen van andere mensen niets aandoen. Uwes gezicht. Zo dichtbij, die naar binnen gekeerde blik, die adem, die altijd zo luidruchtig was, de haartjes in zijn neusgaten, de glanzende stoppels in zijn hals, nog snel even naar de kapper geweest, zijn volle, ruige haarbos, ongetwijfeld gefรถhnd, zijn slapen, het dunste deel van de menselijke schedel, waar je niet met de hak tegenaan mag schoppen, zijn ongewoon heldere, waterige ogen, zijn brede schouders onder het geruite overhemd, zijn zelfgenoegzaamheid, zijn schoonzoongrijns, dat opdringerige gegrijns van hem. Waarom grijnsde hij? Wist hij niet wat er ging komen? Was hij niet bang voor wat ze nu zou gaan zeggen? Langendorn praatte in de richting van het publiek. Er werd een opname getoond op de grote monitor achter hen, een introductie: iemand vertelde over een verkrachting. Een jonge studente uit Frankfurt am Main, negentien jaar, wil na een feest in een voorstad naar huis. Het is laat, de volgende trein van de s-Bahn gaat pas over twee uur. Iemand neemt haar in zijn auto mee, ze kent hem, een medestudent, maar hij brengt haar niet naar huis, hij rijdt naar het bos, naar het vakantiehuis van zijn ouders, dat ze beslist moet zien, en bovendien heeft hij dringend behoefte aan koffie. Iets zegt haar dat er hier iets niet klopt, maar ze vindt het pijnlijk om hem daarmee te confronteren, hij was tenslotte zo aardig en had haar meegenomen, je beschuldigt iemand niet zomaar. Dan heeft hij plotseling dat jachtmes in zijn hand, plotseling prikt het lemmet in haar hals. Drie dagen lang houdt hij haar in het huisje vast, verkracht haar keer op keer, leeft met haar alsof ze een stel waren, een heel bijzonder stel, waarvan de ene helft jammerend en smekend op het bloeddoordrenkte bed ligt, tot de vader van de jongeman onverwacht opduikt en een ambulance laat komen. 7


Emma luisterde maar met een half oor. Ze was zich er nauwelijks van bewust dat de introductie haar eigen geschiedenis vertelde. De verkrachter heet Uwe Marquardt. Hij heeft zeven jaar vastgezeten. Nu is hij vrij en, naar eigen zeggen, gelouterd, een man die geleerd heeft vrouwen te respecteren, ze niet als prooi, bezit of speelgoed te beschouwen, maar als mensen. Hij heeft er ook een boek over geschreven. Loutering. Mijn lange reis naar mijzelf. Het boek verkoopt goed en de schrijver houdt lezingen, geeft interviews, wordt door stichtingen, vormingsinstituten en op congressen als gastspreker uitgenodigd. In het boek verzekert hij dat hij nog maar één wens heeft waar hij alles voor over zou hebben, namelijk dat zijn slachtoffer hem vergeeft. Vandaag zitten ze voor het eerst in het openbaar tegenover elkaar, dader en slachtoffer. Dezelfde Emma die zich nog maar een paar weken eerder niet kon voorstellen dat iemand iets over haar geschiedenis te weten zou komen, die daarna moest meemaken dat hij haar voor het oog van de hele wereld in zijn boek uitvoerig beschreef, die een advocaat in de arm had genomen en bereid was naar de rechter te stappen om de verwijzingen naar haar in de tekst te laten schrappen – diezelfde Emma had zich nu opgeworpen als een openbare figuur en had al dat andere gelaten voor wat het was; er zouden geen passages geschrapt worden, ze zou het boek niet meer aanvechten omdat ze iets belangrijks te zeggen had, iets wat belangrijker was dan de bescherming van haar rechten als privépersoon. De introductie was voorbij en Langendorn wendde zich tot haar. Zei iets. Stelde een vraag, vermoedelijk dezelfde als die in de introductie werd gesteld. Kunt u deze man ooit vergeven? Emma had de vraag niet precies verstaan omdat ze er niet op had gelet. De vraag maakte ook niet uit. Ze wist wat ze te zeggen had. Toen ze zeker wist dat de camera op haar gericht stond, begon ze te praten. ‘Uwe Marquardt is niet gelouterd. Hij gaat weer verkrachten, hij kan niet anders.’ 8


‘Maar hoe...’ probeerde de presentatrice. ‘Het is mijn vak. Ik ben misdaadanaliste,’ zei Emma. ‘Mijn specialiteit zijn seriedaders. Ik analyseer psychopaten en sociopaten. Uwe Marquardt is er daar één van. Die verkrachting was geen experiment uit nieuwsgierigheid, het is niet per ongeluk gebeurd, hij heeft het gedaan omdat hij macht wil uitoefenen, en hij gaat het weer doen. Er zit een seriedader in hem, in het ergste geval een seriemoordenaar.’ ‘... hoe kunt u dat weten?’ ‘Dat is wat we bij daders zoals hij altijd weer kunnen waarnemen. Het zit in hem en het zal altijd in hem blijven zitten. Hij wil nog altijd verkrachten, controleren, kwellen en vernederen, hij heeft het nodig om macht over een zwakker wezen uit te oefenen. Het is de enige emotie die voor hem krachtig genoeg is om te ervaren. Daar zijn geen therapieën tegen opgewassen. De genezing van een psychopaat is een mythe.’ De presentatrice was echt even sprakeloos, maar de vrouwelijke dominee kwam in opstand, dat kon je aan haar zien. Emma ging verder: ‘Natuurlijk, we willen allemaal geloven dat een dader weer in de maatschappij opgenomen kan worden. Bij veel van hen lukt dat ook... maar psychopaten zijn vanaf een bepaald punt niet meer te resocialiseren. Het boek van de heer Marquardt, zijn berouw, zijn plechtige verzekeringen, het is allemaal show, spel, een grap. Hij manipuleert de publieke opinie om ongestoord verder te kunnen verkrachten. Dat is de enige reden waarom ik hier vanavond ben, om u te waarschuwen. Geloof hem niet. Ongeacht wat hij zegt, ongeacht hoe zinnig en oprecht het allemaal ook klinkt. Hij wil en hij zal het weer doen. Hij vraagt niet om vergeving, hij vraagt om toestemming.’ Emma wendde zich tot het publiek. ‘Eén ding moeten de vrouwen onder u heel goed begrijpen: mannen zoals hij zullen nooit ophouden jacht te maken op vrouwen. Laat u niet intimideren, laat u niet inpakken, hoop niet op verbetering. Een misdaad is een misdaad. Doe aangifte als u iets is aangedaan.’ Iedereen wilde reageren. De presentatrice, de vrouwelijke domi9


nee, de rechter, Uwe zelf. Hun stemmen vielen haar van alle kanten aan. Ze kende ze allemaal, elk argument, elke tegenwerping, elk maar. Ze ontkrachtte ze stuk voor stuk, rustig, bedachtzaam en standvastig, ook al klopte haar hart in haar keel. Ze was een professional, een misdaadanaliste van het lka, Landeskriminalamt. Ze wist waar ze het over had, zij was Emma Carow en ze was niet meer bang. Ze had hem overwonnen. Ze kon het zelf nauwelijks geloven.

2 ‘De pers is gek op u, mevrouw Carow.’ Emma zat in de veel te lage, versleten teakhouten stoel uit de jaren zestig, pakte de gebogen armleuningen vast en leunde voorover. Ze wist niet of ze haar hoogste baas goed had verstaan. En ze wist ook niet wie die andere man was die naast hem stond en even zuinig naar haar glimlachte. Of die vrouw, of liever gezegd dame, niet veel ouder dan zijzelf, die naast haar in de andere stoel zat, haar benen over elkaar geslagen. En ze wist niet wat die mensen op dit vroege ochtenduur van haar wilden. De dame had maar kort opgekeken toen Emma binnenkwam, maar het was voldoende geweest om haar blijvend onzeker te maken. Verzorgd. Perfect opgemaakt. Kastanjebruin haar met gouden accenten, verfijnde gouden sieraden, donkerblauwe rok en blazer, nylons, hoge hakken. In februari. In Berlijn. Toen Emma op maandagochtend onverwacht werd ontboden, had ze in paniek het eerste aangetrokken waarvan ze wist dat het er een beetje fatsoenlijk uitzag: de kleding van de talkshow. Nu wilde ze dat ze iets nieuws had aangedaan. Ze wilde dat ze haren had. Haar voormalige kapsel hing aan stukken industriële tape in de opslag voor bewijsstukken. De kantoorinrichting van de hoofdcommissaris deed in de ver10


te aan een vergeten en verstoft James Bond-decor denken met die kleurloze lamellen voor de ramen, het kunstvezeltapijt, en de hoofdcommissaris zelf, met zijn naambordje op het massief teakhouten bureau. Zaten er wel eens tegenover hem die niet wisten dat hij Falner heette? Ze had liever de namen van die andere twee gehoord, maar niemand nam de moeite zich voor te stellen. Emma probeerde het met hoffelijk stilzwijgen, maar kennelijk verwachtte Falner een reactie. Ze kwam met haar beste antwoord: ‘Wat zegt u?’ ‘Na uw optreden op vrijdag bent u tamelijk aanwezig in de media,’ lichtte hoofdcommissaris dr. Falner toe. Hij tilde een dossiermap van zijn verder bijzonder opgeruimde schrijfblad op en liet die weer vallen. ‘Als ik alle berichten over u optel, ik bedoel vanaf uw eerste telefoontje naar deze talkshow, in... wanneer was dat?’ ‘Eind november,’ zei de man naast hem behulpzaam. ‘In november. Dan kom ik op bijna een dozijn. Elf om precies te zijn.’ ‘Ik heb verder met niemand van de pers gesproken,’ zei ze duidelijk. ‘Al die tijd niet, tot gisteren. Ik heb ze allemaal afgewezen, tot Langendorn.’ Het verontrustte haar een beetje dat de hoofdcommissaris het exacte aantal artikelen wist. Het verontrustte haar sowieso al dat ze in het kantoor van de hoofdcommissaris zat. De andere man sprak haar voor het eerst aan. ‘Maar u hebt wel grote indruk gemaakt. Langendorn trekt normaal gesproken enkele tienduizenden kijkers, maar op vrijdag waren het er meer dan een miljoen.’ Emma zei niets. Dat ze hem nog nooit had gezien was verontrustend, maar het was nog verontrustender dat hij de kijkcijfers van die talkshow kende. Die kende zij zelfs niet. Ze vond al die media-aandacht wel een beetje vervelend. Die was direct nadat ze tijdens de talkshow had opgebeld begonnen. Ze had toevallig televisie gekeken en daar zat Uwe Marquardt in alle rust in het groepje gasten over loutering te praten en reclame te maken voor zijn boek. Het was de onzin die hij voor de lopende 11


camera’s uitkraamde die haar naar de telefoon had laten grijpen. Daarna ging alles heel snel. Ze werd live doorgeschakeld, gaf haar mening en vond de volgende ochtend een uitnodiging om naar de studio te komen op haar deurmat en verschillende verzoeken om interviews op haar antwoordapparaat. Ze ging nergens op in, dacht lang na over haar volgende stap en besloot uiteindelijk de uitnodiging van Langendorn toch te accepteren, om af te ronden wat ze begonnen was. Afgezien daarvan had ze geen woord met welke journalist ook gewisseld. Dat er toch artikelen over haar verschenen kon zij niet helpen. Toen ze drie dagen geleden de definitieve stap in de openbaarheid had gewaagd, wist ze heel goed dat haar superieuren er mogelijk niet blij mee waren, maar dat was het haar waard geweest. Nu was ze daar niet meer zo zeker van. En dus greep Emma naar de enige reactie die ze tot in de puntjes beheerste. Koppigheid. ‘Ik heb niets gedaan waarvoor ik excuses zou moeten aanbieden.’ Ze zette zich schrap, wat niet makkelijk was in die stoel. Falner begon abrupt over iets anders. Alsof hij tevreden was met haar antwoord. Of nooit tevreden zou zijn, wat ze ook zou zeggen. ‘Mevrouw Carow, weet u wat een anti-Duitser is?’ Emma wist wat een anti-Duitser was, ze wist alleen niet waarom haar dat gevraagd werd. ‘Dat zijn linkse radicalen die tegen alles zijn wat Duits is.’ ‘U hebt het over de anti-Duitsers bij ons. Maar ze zitten ook in andere landen. Bijvoorbeeld in Polen.’ Dat was nieuw voor Emma. ‘Mevrouw Szymańska kan het ongetwijfeld beter uitleggen dan ik.’ ‘Kaja Szymańska.’ De dame reikte Emma een gemanicuurde hand die naar vanille rook. Emma schudde die. Stevige handdruk, warme glimlach, keiharde ogen. ‘Aangenaam.’ Dat was een leugen. Emma kon de vrouw niet direct plaatsen, en ze begreep onmiddellijk dat het haar net zo verging. 12


‘Szymańska zoals Schimanski?’ ‘Precies. Alleen met vrouwelijke uitgang.’ ‘Aha.’ ‘Er zijn in Polen drie of vier kleinere politiek gemotiveerde antiDuitse groeperingen,’ legde de dame uit. ‘Voor hen is de Tweede Wereldoorlog nog niet voorbij. Ze geven de Duitsers de schuld van alles wat er in hun wereld verkeerd gaat.’ Haar Duits was bijna perfect, met alleen een zachte, ongewone zinsmelodie. De klank beviel Emma. De mannen ook, zag ze. ‘Hun imago is angstwekkender dan ze in werkelijkheid zijn, maar veel mensen denken dat ze tot geweld in staat zijn. En dat ze in het extreemste geval zelfs terreurdaden zouden kunnen plannen en uitvoeren, in de hoop zoiets als een nieuwe oorlog tussen Duitsland en Polen uit te lokken.’ ‘Wat zegt u?’ De dame lachte verlegen. ‘Het klinkt belachelijk, en dat is het natuurlijk ook. Maar deze groeperingen willen de emoties aan weerszijden van de grens opzwepen. Als ze het met een of andere misleidende actie klaarspelen dat de twee landen elkaar openlijk verwijten gaan maken, hebben ze hun doel bereikt. Dan zijn de betrekkingen tussen Duitsland en Polen snel echt goed verstoord.’ Emma had geen idee waar het over ging. Politiek, buitenlandse politiek, daar had ze geen kaas van gegeten. Haar wereld bestond uit seriemoordenaars, serieverkrachters, seriedaders. Dat moesten zij ook weten. Toch? Ze had heel dringend koffie nodig. Hoofdcommissaris Falner had nog meer vragen: ‘Weet u wie Gudrun Schmalig is?’ ‘Ik ken de naam.’ Wie niet? De niet bepaald publieksschuwe ondervoorzitter van het Verbond van Silezische Ontheemden, door haar vijanden als rechts-extremiste bestempeld, door haar fans als strijder voor de rechten van de onteigenden. Maar voor alles was ze een echte dramaqueen die altijd de aandacht trok. ‘Eergisteren heeft mevrouw Schmalig ons om een officieel standpunt in een politiezaak gevraagd,’ zei de andere man. Wie die 13


‘ons’ waren, ontging Emma. ‘Zij heeft fotokopieën van bepaalde brieven in haar bezit. Ze wil weten waarom de politie tot nu toe niets heeft gedaan in deze zaak.’ Emma wist niets van brieven. ‘Ons standpunt heeft ze nog niet gekregen,’ ging hoofdcommissaris Falner verder. ‘Maar ze heeft ons al gewaarschuwd. Ze is van plan om de kwestie op de volgende ledenvergadering van het Verbond van Silezische Ontheemden aan de orde te stellen. Vrijdag. De pers zal erbij aanwezig zijn.’ ‘Maar is dat dan een zaak van ons?’ vroeg Emma verwonderd. ‘Van de oma?’ Dat was de dienst Operationele Misdaadanalyse, de afdeling van het Berlijnse lka waar zij werkte. ‘Nee. En het is ook geen zaak van de Berlijnse politie, maar van de Poolse autoriteiten. Mevrouw Szymańska hier is hoofdinspecteur van het politiecommissariaat Breslau in het woiwodschap Neder-Silezië...’ ‘... Dolnośląskie,’ zei mevrouw Szymańska, haar rok gladstrijkend. ‘Het spijt me, ik begrijp nog steeds niet...’ De hoofdcommissaris gaf Emma een dunne dossiermap. ‘Het gaat om drie teksten die de laatste twee maanden bij de Poolse politie zijn binnengekomen,’ zei hij. ‘De brieven zijn in twee verschillende handschriften geschreven, zo te zien door twee vrouwen. Ze beweren dat ze in Polen worden vastgehouden door een man en dat ze herhaaldelijk worden verkracht en misbruikt. Ze vragen de politie om hulp.’ Huh? ‘Hoe komt de politie aan die brieven?’ vroeg Emma aarzelend. ‘Als die vrouwen toch worden vastgehouden...’ ‘De dader heeft de brieven zelf op de post gedaan,’ zei Szymańska. ‘Keurig gefrankeerd, verstuurd via drie brievenbussen in drie verschillende plaatsen in West-Polen.’ ‘Huh?’ De Poolse lachte en duwde een gouden haarstreng achter haar 14


oor. ‘Eerlijk gezegd was dat ook mijn eerste reactie. Huh? Onder elke brief staat de oproep aan de politie om de tekst op hun website te zetten. Bij de eerste brief hebben we dat niet gedaan, omdat we het als een slechte grap beschouwden. Maar toen de tweede kwam, vonden we dat we het voor de zekerheid serieus moesten nemen en hebben toen ook de eerste brief alsnog geplaatst. Maar...’ ‘Ik beschouw het nog altijd als een grap,’ zei Falner. ‘Ik ook,’ beaamde Szymańska. ‘Een serieverkrachter die vrouwen dagen of wekenlang vasthoudt, hen brieven laat schrijven en die vervolgens ook nog verstuurt? Naar mijn ervaring bestaat zoiets niet.’ Emma knikte. ‘En wat heeft dat allemaal met de Duitse politie te maken?’ ‘De brieven zijn in het Duits geschreven,’ zei de onbekende die naast Falner stond. ‘De vermeende slachtoffers zijn Duitse vrouwen.’ Emma wilde opnieuw ‘huh’ zeggen, maar hield haar mond. Ze keek naar de map in haar hand. ‘En ik moet...?’ ‘Die brieven zijn niet ons probleem.’ De onbekende man zuchtte. ‘Ons probleem is de beste mevrouw Schmalig. Iemand heeft haar op die brieven attent gemaakt. Die staan al twee weken online, iedereen kan ze zien, maar Duitse journalisten kijken niet zo vaak op de website van Poolse autoriteiten. Tot nu toe. Want nu is mevrouw Schmalig ervan overtuigd dat, en ik citeer: sommige Duitsers hatende Polakken – mijn excuses, mevrouw Szymańska – onze vrouwen ontvoeren en mishandelen. Ze wil weten waarom de Duitse politie daar niets tegen onderneemt.’ ‘Maar dat is niet onze zaak, het is toch op Pools...’ ‘Dat interesseert mevrouw Schmalig niet,’ zei de tweede man. ‘Zij wil een schandaal. Ze wil de regering beschuldigen van onbekwaamheid en verraad van het volk. En dat gaat haar ook lukken. Behalve wanneer u tegen haar zegt dat die brieven een grap zijn.’ ‘Ik?’ Emma keek weer naar de documenten in haar handen. ‘Ik moet...’ 15


Iedereen keek naar haar. ‘... die brieven analyseren...’ De mannen wachtten. ‘... en een daderprofiel maken...’ Ze wachtten nog steeds. ‘... waarin staat dat een dergelijke dader zeer onwaarschijnlijk is...’ Ze wachtten. ‘... en dat het hoogstwaarschijnlijk om een slechte grap gaat.’ De mannen keken elkaar aan, mevrouw Szymańska knikte glimlachend. ‘Natuurlijk alleen wanneer het naar uw mening ook werkelijk om een slechte grap gaat,’ zei de tweede man vriendelijk. ‘Dat weten we zelf nog niet helemaal zeker,’ vulde Szymańska aan. ‘Geen lijken? Sporen? Aanknopingspunten?’ vroeg Emma. ‘Helemaal niets?’ De Poolse haalde haar schouders op. ‘Ik kom hier min of meer met lege handen...’ ‘Mevrouw Carow, nog even over die talkshow,’ begon Falner, alsof het hem net te binnen was geschoten. ‘Ik heb een beetje moeite met beambten die zich op televisie profileren en zich als quasiberoemdheden gedragen. U begeeft zich daar in een grijs gebied, ongeacht hoe vaak u bent verkracht. Werk en dienst dienen gescheiden te blijven, en ik verwacht van u dat u dat een beetje in de gaten houdt.’ Szymańska keek naar de vloer. De beide mannen keken Emma recht in de ogen. Ze zei niets. Wat had ze moeten zeggen? De hoofdcommissaris schraapte zijn keel. ‘Maar nu is de pers gek op u. En het journaille weet ook dat u een uitstekende misdaadanaliste bent, hoewel niemand daarbuiten een idee heeft van wat dat eigenlijk is. Als u over drie dagen tegenover de pers verklaart dat die brieven een grap zijn, staat dat vrijdag in de krant. Dan vindt ook die vergadering van mevrouw 16


Schmalig plaats en is ze niet meer in de gelegenheid om de brieven tot een internationaal schandaal op te blazen. We hebben uw analyse van de zaak, of liever gezegd uw bevestiging van de zaak, donderdagochtend om negen uur nodig. Laat me even heel duidelijk zijn: uw verklaring moet aantonen dat die brieven inhoudsloos zijn, het product zijn van een groepje krankzinnigen, pure fantasie, en dat er nergens Duitse meiden in gevaar zijn. Ik verheug me op uw opvattingen in dezen. U kunt gaan.’

3 Het was nog steeds niet echt licht buiten, zo’n smerig koude februarischemer onder een grijs wolkendek, alsof de winternacht wanhopig weigerde definitief plaats te maken voor de ochtend. Goede kans dat dat ook zou lukken, hier in Berlijn dwong niemand de nacht om de wijk te nemen. Emma had een parkeerplaats gevonden in de Keithstraße en liep tussen de hopen zwarte, half gesmolten sneeuw in de richting van de Burcht. De Burcht: een ouderwets imposant dienstgebouw dat bijna een heel blok in beslag nam, van drie wooncomplexen breed, vijf verdiepingen hoog, in de negentiende eeuw van grote blokken zandsteen gebouwd om indruk te maken, vooral op degenen die van de rechte weg wilden afwijken. Het gebouw moest kracht uitstralen, kracht en gezag, en als er een paar onheilspellende geruchten de ronde deden dat er in de kelder middeleeuwse martelwerktuigen stonden: des te beter. lka1, geweldsmisdrijven. Dat was Emma’s werkgever, en helemaal achterin, helemaal bovenin, op de zolderverdieping, was het kantoor van de oma, dat ze deelde met Sigmar, Felix en Matze. Een erker met vergadertafel, drie bureaus, veel ruimte, veel ramen. De ruimte was hoog, breed en wit. De misdaadanalisten hadden het 17


goed in hun moderne bureau onder het dak, dat door de rechercheurs en medewerkers van de andere afdelingen in de Burcht, die grotendeels tussen de traditionele ambtelijke kantoorkleuren kotsgroen en beendergeel werkten, ietwat neerbuigend de Poppenkast werd genoemd. Waarom Poppenkast? Een raadsel. Het had waarschijnlijk te maken met de psycho-nerds die er werkten. Wat die precies met poppen te maken hadden wist Emma niet, maar politiemensen waren nu eenmaal geen woordkunstenaars. Toch zei niemand meer profiler, of althans bijna niet meer. Emma haatte die term. Ze waren misdaadanalisten, profiler was televisie-Duits. Het kantoor was leeg. Ze was klokslag acht uur in het kantoor van de hoofdcommissaris geweest, nu was het kort voor negenen, later dan gewoonlijk, maar ze was nog altijd de eerste. Emma deed het licht aan, startte het koffiezetapparaat en haar computer, luchtte, hing haar vochtige mantel op, deed het raam weer dicht omdat het te koud was, en was nog steeds alleen. Ze zette een sterke kop koffie voor zichzelf tegen het schemerlicht daarbuiten, ging aan haar bureau zitten en las.

/ A. SZYMAńSKA / COMMISSARIAAT NEDER-SILEZIË (vertaald uit het pools)

VERKLARING SCHAP

BRESLAU, WOIWOD-

Op 6 januari en op 2 en 9 februari ontvingen de politieautoriteiten in Wrocław (Breslau) anonieme brieven. Alle enveloppen waren met de hand geadresseerd; handschriftanalyse wees uit dat het adres door de schrijfster van de betreffende brief werd geschreven. Op geen van de enveloppen stond een afzender. De brieven werden in drie plaatsen in de Województwo Dolnośląskie (het District Neder-Silezië) verstuurd, telkens ongeveer op honderd kilometer afstand van Zgorzelec (Görlitz) aan de Duitse grens. Op de enveloppen en de brieven zelf werden DNA-sporen en vingerafdrukken gevonden, die waarschijnlijk van de schrijf-

18


sters van de brieven afkomstig zijn. Tot nu toe konden die niet geïdentificeerd worden. De handschriftanalyse toonde aan dat het in totaal om twee schrijvers/schrijfsters gaat: brief 1 werd door onbekende 1 geschreven, de brieven 2 + 3 door onbekende 2. Elke brief bevat een blad algemeen gangbaar printerpapier. Elke brief werd in het Duits geschreven. Onder elke met de hand geschreven tekst werd met een inktjetprinter een Poolse zin afgedrukt. De zin luidt exact hetzelfde in elke brief. Uprasza się o niezwłoczne umieszczenie niniejszego listu w eksponowanym miejscu na waszej stronie internetowej. U wordt verzocht deze brief onmiddellijk op een prominente plaats op uw website te publiceren. Met het oog op de openbare orde gaven de politieautoriteiten aanvankelijk bij brief 1 geen gehoor aan de oproep. Inmiddels zijn alle drie de brieven op de website van de Poolse politie geplaatst, tezamen met een oproep aan getuigen om zich te melden. Er is echter geen enkele reactie op gekomen.

Emma legde de blaadjes op haar bureau en zag dat ze door een mannenhand werden opgepakt. Sigmar Anstätt. Hij was net binnengekomen. ‘Ik heb van je g-g-gesprek vanochtend gehoord. Je bent een veel- g-g-gevraagde vrouw.’ ‘Dat heeft met die talkshow te maken. Pijnlijk, zoiets.’ ‘Vind ik niet. Wil je nog k-k-koffie?’ ‘Ja, graag.’ Sigmar: slungelig, in zwarte coltrui. Altijd die zwarte coltrui. Hoeveel zou hij ervan hebben? Emma kon gewoon niet wennen aan de baard die hij sinds kort liet staan. Gezag. Het ging om gezag. De baard als een teken. Had hij het maar niet gedaan. Zo doorzichtig. Dat teken dus, de baard niet. Het kantoor van afdelingshoofd leek nog altijd veel te groot voor hem, net als het bureau. Hier op 19


de rand van Felix’ bureau paste hij beter. Ook al gaf hij het niet toe. Een afdelingshoofd geeft zoiets niet toe. Maar het stond op Sigmars gezicht geschreven. Ondanks de baard. En dan dat stotteren. Toen Sigmar tijdens het ouderschapsverlof van de chef als vervanger de leiding over de oma kreeg, waar niemand op gerekend had, was Emma ervan overtuigd geweest dat het stotteren zou verdwijnen. Chef van de Berlijnse oma, zelfs al was het tijdelijk, was een respectabele positie en dat moest toch effect hebben op Sigmars gemoedstoestand. Maar het tegendeel was het geval. Het stotteren werd alleen maar erger. Emma pakte het volgende blaadje. ‘Hallo, beroemdheid,’ zei Matze, met zijn fietshelm nog onder zijn arm. Hij grinnikte. Emma kreunde. ‘Pach van mk5 denkt dat je binnenkort je eigen tv-show krijgt.’ ‘Als jullie maar lol hebben,’ zei Emma. ‘En je krijgt de groeten van Ceesay,’ ging Matze verder, nog altijd met een brede grijns. ‘Zij hoorde het in het hoofdcommissariaat en maakt nu reclame voor je. Ze wil je zaakwaarnemer worden.’ Nu iemand een dreun verkopen. Maar niet Matze. Matze kon ze nooit een klap verkopen. Hij was de jongste in de Poppenkast. Matze, die sinds kort zijn racefiets altijd het bureau in sleepte, nadat zijn vorige voor het lka was gestolen. Wie steelt er een fiets pal voor het lka-gebouw? Waarschijnlijk een collega: de perfecte misdaad. Matze was nog een beetje onervaren in misdaadanalyse, maar hij kon rechercheren als geen ander. En hij boekte razendsnel vooruitgang. Even ambitieus als slim, misschien wel de slimste van hen allemaal, het kleine slimme broertje, elke maand met een andere kleur in zijn haar, de ene nog krankzinniger dan de andere. Deze week was het groen-blond, omdat het nu cool was om veganistisch te eten en moestuintjes voor vluchtelingen aan te leggen. Het maakte niet uit, zijn haar stond toch altijd alle kanten op. Verder WhatsApp in plaats van Facebook, Twitter in plaats 20


van Instagram of omgekeerd, dat wist Emma nooit, maar Matze des te beter. Sigmar nam de gelezen blaadjes van Emma aan en Matze weer van Sigmar. Eendrachtig zaten ze naast elkaar op het bureau van Felix te lezen. Ook Emma.

GRAFOLOGISCH RAPPORT VAN DE DIRECTIE VAN

/ DR. RALF JEREMIAS, DRESDEN, IN OPDRACHT DE POLITIE, DISTRICT ZGORZELEC (GÖRLITZ),

POLEN.

Te oordelen naar de handschriften werd brief 1 geheel door één enkele hand, waarschijnlijk van een vrouw (op grond van het handschrift alleen kan het geslacht van de schrijver/ schrijfster niet met honderd procent zekerheid worden vastgesteld, alleen als waarschijnlijkheid) in één enkele ononderbroken sessie geschreven. De brieven 2 en 3 zijn van een tweede hand, waarschijnlijk eveneens van een vrouw, en ook die zijn te oordelen naar het handschrift uitsluitend door één persoon in één enkele ononderbroken sessie geschreven. Alle drie de brieven ontstonden onder grote stress, wat blijkt uit de strepen, de druk en de vloeibeweging van het handschrift. Het schrijftempo, de onzekerheid en de emotionele opwinding die het handschrift verraadt, doet vermoeden dat de brieven onder tijdsdruk zijn ontstaan, mogelijk ook onder toezicht en misschien onder bedreiging. Het is onwaarschijnlijk dat de brieven, of delen daarvan, werden gedicteerd of overgeschreven. In dat geval zou de schrijver/schrijfster de zinnen langzamer en bedachtzamer hebben genoteerd. Naar mijn inschatting is de hele inhoud telkens van de schrijver/schrijfster zelf afkomstig. In principe schreef hij/zij wat hij/zij wilde schrijven, niet wat de dader beval. Opvallend is dat er in brief 3, ondanks de zinloze inhoud,

21


veel aandacht is besteed aan de leesbaarheid. Het blijft onduidelijk waarom de schrijver/schrijfster zoveel waarde hechtte aan de leesbaarheid, maar niet aan een begrijpelijke boodschap.

‘Daar zul je haar hebben, onze...’ Felix stapte naar binnen. ‘Val dood,’ zei Emma. ‘Wat zeg je?’ Felix grijnsde niet maar fronste gekrenkt zijn voorhoofd. Zo’n begroeting had hij niet verwacht. ‘Wat is er nu weer? Dat je zo met je collega’s omgaat... soms ben je echt een olifant in een porseleinkast, zonder dat je het zelf in de gaten hebt.’ Felix, de klootzak van het bureau naast haar, een compacte, makkelijk te provoceren spierbundel met een machocomplex. En brutaal als de beul. Een slechte misdaadanalist, maar een goede collega. Als iemand je leven redt is hij officieel een goede collega. Precies dat had Felix in november gedaan. Hij had haar op haar eigen zolder gevonden. Kort voordat het te laat zou zijn geweest. Nu was het dus een goede collega. Maar toch een klootzak. Emma probeerde het uit een soort dankbaarheid steeds weer te vergeten, maar dan zei hij bij het koffiezetapparaat tussen neus en lippen door dingen als: ‘Je moet eens een betere jeans kopen, in deze is je kont helemaal niet te zien.’ ‘Weet je, ik ben misschien niet de leukste, dat geef ik toe, maar ik doe mijn best, en zoiets verdien ik niet.’ Felix gooide zijn jasje op zijn bureau en liep naar de koffietafel waar hij mompelend zijn geliefde, vaak gelijmde sheriff-beker opzocht. Die zou niet heel lang meer meegaan. Hij smeet er te vaak mee. Emma wist niet wat ze moest zeggen. ‘Ja, Felix, ik dacht, eh, ik bedoel...’ ‘En weet je wat nog het meeste pijn doet? Dat het van jou komt, uitgerekend van jou, een echte beroemdheid, de enige onder ons die een eigen tv-show krijgt. En ik had me er zo op verheugd om je in de volgende Playboy te bewonderen.’ 22


Hij grijnsde. Emma stak haar middelvinger naar hem op. De brieven. Handgeschreven, nee, neergekrabbeld. De fotokopieĂŤn verrieden hoe groezelig en vlekkerig de originelen waren. Vuil? Tranen? Bloed? Emma las. jij smerig stuk vuil jij wilt een seksslavin je hebt je aan de verkeerde vergrepen zieke klootzak je kan me aan de stoel vastbinden tot ik mezelf onderschijt sla me zoveel je wilt je kunt me de benen van mijn lijf trekken maakt me geen zak uit jij maakt mij niet bang je bent een beginneling je wilt de sterke man uithangen je weet niet wat een man is je geloo dat je me klein krijgt je weet helemaal niets kleine rukkende schijtrat ik lach ik bijt je lul eraf ik schijt op jou en je transerpiemel en je geloo echt dat ik erin trap dat je dit hier naar de poli e stuurt en noel heet je ook niet of denk je dat ik gek ben? lik mijn reet wat kan het mij verdommen of ik doodga of leef geloof je dat me dat wat kan schelen dan weet je helemaal niks kleine smerige rukker en zelfs wanneer je me in de lucht verscheurt zul je dat al jd blijven ellendige Emma haalde diep adem en pakte de volgende brief. Help me alsjeblie , hij wil me doden, hij zegt dat hij mij aan stukken scheurt, hij zegt dat hij deze brief aan de poli e stuurt, maar ik weet het niet. Alsjeblie , alsjeblie help me. Hij hee me de ketel laten zien. Ik wil niet sterven. Hij ketent me de hele week in de hondenkooi en verkracht me en ik moet op mijn knieĂŤn blijven ik voel mijn benen niet meer. Hij gee me alleen hondenvoer, hij zegt dat ik hem heb veracht en dat hij me respect bijbrengt. Maar ik ken hem helemaal niet. Hij verkracht me omdat hij zegt dat ik niets anders verdien, maar ik heb niets verkeerd gedaan, ik heb hem niet uitgebuit, ik ben geen vrouwelijke parasiet. Ik wil alleen niet meer hier aan de 23


lijn knielen, ik kan niet staan, overal stront, hij zegt dat hij me vrijlaat als ik alles doe. Maar ik heb de ketel gezien, hij wil me doden. Ik wil niet in de ketel. Help me alsjeblie . Ik kan de oudste boom van Polen zien, ik bevind me er direct onder, jullie moeten het toch kunnen vinden help me alsjeblie – zeg hem alsjeblie dat ik hem niet veracht Emma las. Wauwau igi gi wauwau neeneeneenee ba a af wauwau eieiei wau rof lekleklek wauwau idioot woeffwoeffwoeff neenneenee wauwauwauwau wauwauwauw Ze draaide het blad om voordat ze bedacht dat het fotokopieën waren. Leeg. Dat was alles.

24


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Leesfragment Hoe mooi je bent van Ule Hansen by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu