dood 1 brandwonden (Cognitieve ontwikkeling)
Het dorp Ievoli, vastgeklemd in de rotswand op het hoogste plateau van een middelgrote berg in Centraal-Calabrië, is nooit erg groot geweest. Toen Stella Fortuna een klein meisje was, in de tijd dat Ievoli de meeste inwoners telde, woonden er toch maar zeshonderd mensen, dicht opeen in aangrenzende stenen huisjes. Maar als ik zeg dat Stella Fortuna een speciaal meisje was, hoop ik niet dat je aan speciaal denkt in de zin van kneuterig. Andere mensen zouden Stella Fortuna in haar lange leven onderschatten, en allemaal hadden ze daar uiteindelijk spijt van. Allereerst was er haar naam, waar een minder sterke vrouw niet mee om had kunnen gaan. Ze was vernoemd naar haar grootmoeder, zoals het hoort, maar toch. ‘Stella’ en ‘Fortuna’ – ‘sterrengeluk’ of misschien zelfs ‘geluksster’ – wat vreselijk om een meisje zo te noemen. Er is geen betere manier om het boze oog op je te richten dan opscheppen over je gelukkige gesternte; een naam als Stella Fortuna was gewoon vragen om moeilijkheden. En of je nu wel of niet in het boze oog gelooft, je moet toegeven dat Stella genoeg narigheden ondervond. ‘Maar ik heb me ook dikwijls uit de narigheid kunnen redden,’ zei Stella vaak tegen haar moeder, Assunta. Assunta kon enorm zitten tobben, al was ze niet erg streng. Ja, Stella Fortuna viel op, en niet alleen vanwege haar naam. Haar uiterlijk speelde ook een rol. Op haar zestiende, toen ze Ievoli verliet om naar Amerika te gaan, was Stella Fortuna het mooiste meisje van het dorp. Ze had fantastische borsten die trilden als ze lachte en hypnotisch
19
heen en weer deinden als ze de steile bergweg af kwam die door het centrum van het dorp liep. Stella had die borsten van haar moeder geërfd; haar jongere zus Cettina had minder geluk gehad wat haar erfenis betrof en verwierf alleen haar moeders derrière, die, dat moet gezegd worden, ook niet te versmaden was. Stella had frisse, gebruinde wangen zo glad als olijven, en haar getuite lippen zagen er zo roze en gewillig uit als het vlezige binnenste van een rijpe vijg – in wezen was Stella een fruitsalade van Ievolitaanse mannelijke verlangens. Ze had haar littekens, zeker, het gebogen sneetje in haar wenkbrauw en de sporen van hechtingen op haar armen, maar littekens worden verleidelijk als je weet waar ze vandaan komen, en in een dorp zo klein als Ievoli is iedereen overal van op de hoogte. Stella was moeiteloos uitdagend en absoluut niet inschikkelijk. Als zij naar buiten kwam voor de avondwandeling, viel er een ademloze stilte op de chiazza, maar Stella Fortuna merkte het niet of gaf er niet om. Door de zachte welvingen van haar figuur zagen eerzuchtige mannen en jongens de meedogenloosheid in haar donkere ogen niet, en ze sloeg toe en zette die dwazen voor gek. Stella’s begeerlijkheid kon Stella zelf weinig schelen. Ze had al besloten dat ze nooit zou trouwen en deed geen moeite haar uiterlijk te gebruiken om vrijers aan te trekken. Ze choqueerde de brave, gehoorzame Cettina met haar ruwe behandeling van hoopvolle jongens. Later zouden de zussen dertig jaar lang in een vendetta verwikkeld raken, maar niemand ter wereld zag dat aankomen, en toen ze nog meisjes waren, waren ze de beste vriendinnen. Mogelijke aanbidders benaderden hen samen, omdat ze altijd bij elkaar waren. ‘Je moet aardiger zijn, Stella!’ zei Cettina vaak angstig tegen haar zus. Zij was de jongste van de Fortuna-meisjes, maar ze maakte zich bijna net zoveel zorgen over Stella als Assunta. Doordat Stella vaak pech had, was dat ook geen wonder. ‘Ze zeggen dat je een kreng bent!’ ‘En wiens probleem is dat?’ antwoordde Stella dan. ‘Niet het mijne.’ Stella ging niet echt prat op haar uiterlijk – ze had zelfs nog nooit haar spiegelbeeld gezien – maar het gaf haar veel voldoening te weten dat ze de knapste was. Stella hield van macht, en haar uitstraling was een van de sterkste vormen van macht waarover ze beschikte, een van de weinige die een jonge vrouw in een Zuid-Italiaans dorp in die jaren
20
tussen de twee oorlogen kon uitoefenen. Ten derde was ze van nature slim. Stella vond het fijn om de beste te zijn, en in de meeste dingen wás ze de beste. Ze was de beste naaister van het dorp, haar zijderupsen brachten de meeste zijde op en ze pelde de meeste kastanjes als ze tijdens de oogst in Don Mancuso’s boomgaarden werkte. Ze was snel met cijfers en maakte combinaties in haar hoofd; ze had een goed geheugen en verloor nooit een woordenwisseling omdat ze altijd beter dan haar opponenten zelf kon citeren wat ze hadden gezegd. Ze was lief voor dieren en zelfs die verdomde kippen legden meer eieren als zij ze ’s ochtends had gevoerd. Ze kon niet zo goed koken, dus kookte ze helemaal niet – het was belangrijk om je grenzen te kennen en geen tijd te verspillen aan armzalige pogingen om te doen wat je iemand anders voor jou kon laten doen. Stella was vlug van begrip en onafhankelijk, liet niet met zich spotten en liet zich niet uitbuiten. Ze had haar moeders discipline geërfd en haar vaders diepgaande wantrouwen, waardoor ze vlijtig maar berekenend was. Stella Fortuna kreeg dingen voor elkaar. Je kon maar beter hopen dat ze mét en niet tegen je werkte. Ten vierde – en dit is waar haar Calabrese dorp haar het meest om respecteerde en ook datgene wat haar in de grootste moeilijkheden bracht toen ze vertrok – was Stella taai. Het leven had geprobeerd haar eronder te krijgen, en Stella Fortuna had zich verzet. Als haar iets slechts overkwam, werd ze er alleen maar koppiger van, onverzettelijker, minder inschikkelijk. Stella stond zichzelf geen enkele zwakheid toe en ze tolereerde geen zwakte in anderen. Behalve natuurlijk in haar moeder, die speciale dispensaties verlangde. Tegen de tijd dat ze zestien was en uit Ievoli vertrok, was Stella Fortuna al bijna drie keer gestorven – vandaar al die grote littekens. Ik zal je nu over die Ievolitaanse sterfgevallen vertellen. Door haar familie wordt er liefhebbend aan gerefereerd als ‘de aanval van de aubergine’, ‘die keer met de varkens’ en ‘de spookdeur’. Naar mijn mening zijn het de vreemdste van Stella’s doodsverhalen, maar dat is niet meer dan logisch. Alles was een beetje vreemder in een afgelegen bergdorp honderd jaar geleden. De moderne tijd heeft de manieren waarop we leven en sterven ontdaan van iets van hun magie.
21
Ievoli was een geheim dat zichzelf tweehonderd jaar lang had bewaard. Zoals de meeste andere Calabrese dorpen was Ievoli arm en opzettelijk ontoegankelijk, want er waren geen wegen die het met andere dorpen verbond, alleen uitgesleten ezelpaden tussen de bossige mimosa en maretakken. De Ievolitanen bezaten weinig, maar ze waren veilig voor de barbaren, de indringers, de buitenwereld – voor iedereen behalve elkaar. Nou ja, en behalve voor de struikrovers die in de bossen woonden, zo nu en dan een geit stalen en reizigers lastigvielen. Nog een reden om je niet buiten het dorp te begeven. De mannen van Ievoli waren contadini, dagloners die de zon volgden naar welk veld er ook maar geoogst moest worden, en naar iedere rijke landeigenaar die maar betaalde. Zelf bezaten ze geen land. De mannen verdienden ongeveer net genoeg om hun gezinnen in leven te houden, zolang hun vrouwen voor al het voedsel uit hun terrastuinen in de bergen zorgden en zolang hun kinderen op het veld gingen werken zodra ze bijdehand genoeg waren. Calabrië is een land vol onwaarschijnlijke, op bergtoppen gebouwde dorpjes, zoals Ievoli, met straten zo steil dat je bijna op handen en voeten naar boven moet kruipen. De Calabrezen bouwden die ontoegankelijke gehuchten om zich te verdedigen. Tweeduizend jaar lang werd Calabrië belegerd – door Romeinen, die al hun hout omhakten, door Byzantijnen, die het hele gebied orthodox maakten, door Noord-Afrikaanse Saracenen, die het mohammedaans maakten, door kastelen bouwende Noormannen, die het katholiek maakten, door de Bourbons, Angevijnen, Habsburgers en ten slotte de Italianen. Elke golf van veroveraars zwoegde, plunderde, feestte en roofde, terwijl ze zich met ontbloot zwaard een weg baanden door de weelderige olijf- en citrusgaarden en de vruchtbare hellingen bespatten met bloed en dna. Ons volk vluchtte voor de piraten en de verkrachters en de feodalen en trok de bergen in. Nu is het een manier van leven geworden om zich te nestelen in die absurd steile dorpen, hoewel de dreiging van malaria en Saracenen tegenwoordig enigszins is afgenomen, afhankelijk van wie je het vraagt. Er zijn bewijzen te vinden van die voorbijtrekkende veroveraars in
22
de gezichten van de Calabrezen, een veelkleurig volk, in hun talen en in hun keuken. Het landschap is bezaaid met kastelen gebouwd door de Noormannen en met de ruïnes van Griekse tempels die drie eeuwen voor de geboorte van Christus zijn opgetrokken. De Calabrezen gaan onverstoorbaar door tussen de overblijfselen van vroegere veroveraars, omdat ze nooit de baas zijn geweest in hun eigen land. Net als bij de meeste vrouwen kun je het levensverhaal van Stella Fortuna niet begrijpen als je dat van haar moeder niet begrijpt. Stella hield meer van haar moeder dan van wie ook, stoere Stella met haar kille hart van steen. Maar iedereen hield van Assunta. Ze was een heilige, zoals iedereen die zich haar herinnert je zal vertellen – en er zijn mensen die zich haar nog herinneren. In Italiaanse bergdorpjes zijn de harten sterk, en zij die de verrassingen van het leven doorstaan, worden heel oud. Assunta werd geboren in Ievoli op de dag van de hemelvaart van de Allerheiligste Maagd, Santissima Maria, Madre di Dio, 15 augustus 1899 – vandaar haar naam, Assunta, van het woord ‘Assunzione’. Ze was een oprecht religieuze vrouw, van het soort dat extra bad om goed te maken dat haar man het niet deed. Er waren veel van zulke vrouwen in Ievoli; ik vermoed dat die er nog steeds zijn. Haar moeder Maria leerde Assunta dat ze een oprecht, blijvend vertrouwen moest hebben in Jezus Christus en in Gods hemel, waarheen ze ooit na haar dood zou opstijgen als ze precies deed wat de priester haar vertelde. Assunta was geen toevallige gehoorzame kerkgangster; ze gelóófde. Tijdens de mis, vooral in haar tienertijd, in die hormonaal gewelddadige jaren van ontluikende vrouwelijkheid, werd ze vaak overweldigd door emotie als ze nadacht over het lijdende hart van de Allerheiligste Maagd en dan begon ze te snikken in haar kerkbank. Assunta had geweldige, spectaculaire emoties die naarmate ze ouder werd alleen maar indrukwekkender werden. Haar vertoon van verdriet, dat gepaard ging met enorme huilbuien, was een van de twee redenen waarom haar dochter Stella zichzelf plechtig beloofde nooit te huilen, niet één keer, een belofte waaraan ze zich achtenveertig jaar lang zou houden. De reden dat Assunta al op haar veertiende – wat zelfs toen al aan de jonge kant was – met Antonio Fortuna trouwde, was omdat haar va-
23
der plotseling stierf en zijn vrouwen in een precaire situatie achterliet. Hoe hard een contadino zijn leven lang ook het land van de padrone bewerkt, hij bezit niets anders dan zijn werk; als hij sterft, kan hij zijn vrouw hoogstwaarschijnlijk niets nalaten. Assunta had een heel kleine bruidsschat en hoe langer ze bij haar verweduwde moeder bleef wonen, hoe minder ze allebei hadden. Het zou beter zijn als een ander huishouden verantwoordelijk zou worden voor Assunta. Maar het leek er ook op dat ze klaar was voor het huwelijk. Ze had iets matroneachtigs over zich, niet in het minst vanwege de genoemde boezem die Stella van haar zou erven. Assunta was een kalmerende aanwezigheid en had een zelfverzekerde houding. Ze had een gezicht dat je niet snel vergat, met grote, donkere ogen in de vorm van omgekeerde maansikkels boven haar ronde wangen. Ze was een opvallend vrouwelijk meisje. Als er buurvrouwen op bezoek kwamen, begonnen ze te bedenken met wie van de jongemannen in het dorp ze zou trouwen, of misschien wel met een jongeman uit Galli of Polverini of Marcantoni, waar die en die een geschikte neef had. Uiteindelijk trouwde Assunta met een jongeman uit Tracci, een uur lopen naar het zuiden. Antonio Fortuna was zeventien jaar toen hij als metselaar naar Ievoli kwam om de nieuwe school te bouwen. Assunta zag hem vaak als hij met de mannen zat te lunchen onder de enige dikke, oude boom op de chiazza van de kerk. Antonio volgde Assunta met zijn wellustige blik als ze naar de put kwam om water te halen. Ze vond dat hij er goed uitzag, breedgeschouderd en sterk, een stevige jongeman met een verwarde bos glanzend zwarte krullen, en ze vond het fijn dat hij belangstelling voor haar toonde. Maar ze gaf hem nooit haar zakdoek. Assunta was verlegen in de omgang met jongens en was erin geslaagd om die tienerenergie waar je kruis zich van spande te richten op haar concentratie op Maria’s maagdelijkheid terwijl ze de rozenkrans bad. Ze was het soort meisje dat van liefdesliedjes hield, maar nooit aan zichzelf dacht als ze die zong. Assunta zei niets tegen haar moeder over de knappe, jonge metselaar, want wat viel er te zeggen? Maar het loste zich allemaal op, want zo gaan de dingen nu eenmaal. Een van de metselaars uit Ievoli zei tegen zijn vrouw dat Antonio Fortuna, zoon van Giuseppe Fortuna uit Tracci,
24
een oogje had op Assunta, de jongste dochter van die arme, gestorven Francescu Mascaro. Daarna ging de vrouw op bezoek bij Assunta’s moeder en maakte een opmerking over de jongen uit Tracci – en daarna, nou ja… Als je ergens lang genoeg over praat, gebeurt het al snel. Assunta en Antonio hadden nog nooit met elkaar gesproken, maar alle anderen hadden hun allebei al zoveel over de ander verteld dat het leek of ze, zonder ook maar iets te zeggen, alles al hadden besloten. En dat was de hele verkeringstijd. Het klinkt alsof het niet veel voorstelde, maar voor Assunta was het heel spannend. Zij richtte die winter haar nerveuze energie op het nogal haastig naaien van haar uitzet, de gewenning aan het mentale beeld van zichzelf als moeder in haar eigen keuken omringd door baby’s en het misselijkmakende rouwen om haar maagdelijkheid die ze binnenkort zou verliezen. Er was geen lange, formele verloving, omdat jongemannen opgeroepen begonnen te worden voor verplichte militaire dienst. Niemand wilde dat het stel zou wachten tot het moment waarop Antonio misschien verlof zou kunnen krijgen, dus trouwden Assunta en Antonio in februari 1914, drie maanden nadat ze elkaar voor het eerst hadden gesproken. Op de dag dat ze trouwden, viel er sneeuw die uit de richting van de Sila-bergen kwam, wat ongebruikelijk was. Toen Assunta voor de ceremonie de heuvel naar de kerk op klom, beschermde haar zus Rosina de zwarte jurk van de bruid met een van de tafellopers die Assunta geborduurd had voor haar uitzet. Er verzamelden zich hagelstenen als zoutkorrels in de mandjes met mustazzoli-koekjes die het bruidsmeisje, Assunta’s negenjarige schoonzusje Mariangela, uitdeelde aan de mensen die de mis bijwoonden. Het paar bracht de huwelijksnacht door in hun nieuwe huis, een kelderappartement van een stenen woning die in de derde steeg naast de via Fontana in de bergwand was gebouwd. Het kelderappartement keek uit over de olijvenvallei en er waren houten planken in de helling geslagen om een steile trap te vormen die vanaf de straat naar beneden liep. Antonio had de kelder van de eigenaresse gehuurd, een weduwe die Marianina Fazio heette, op voorwaarden die inhielden dat Assunta hielp met het schoonmaken en de tuin. Het appartement was moeilijk
25
te ventileren, want er was geen schoorsteen, alleen brede ramen die, als ze werden opengegooid, direct uitzicht boden op de kippen van de weduwe en twee gevlekte geiten. Tijdens de eerste nacht van de jonggehuwden in het kelderappartement was de vochtige lucht doortrokken van de geur van kippenveren. De kale, stenen muren voelden klam aan en Assunta lag een hele tijd wakker, terwijl ze met haar nagel aan het cement pulkte en eraan dacht hoe vreemd het was om zo dicht bij een snurkende man te zijn, hoe vreemd de schaduwen in de onbekende hoeken waren, hoe vreemd de pijn voelde. Midden in de nacht klonk er geschreeuw voor hun raam, een menselijke maar onmenselijke kreet die Antonio en Assunta wakker maakte uit hun vreemde, eerste gedeelde slaap. Antonio greep zijn broek en stak snel de lamp aan. Voor ze de deur bereikt hadden, klonk de afschuwelijke schreeuw nog een keer. Assunta’s hart sloeg kostbare slagen over voordat tot haar doordrong wat ze door het waas van de vallende sneeuw heen zag: boven het nog zwoegende karkas van een van de witte geiten van de weduwe stonden twee grijze wolven met lange snuiten. Ze moesten vanwege de sneeuw vanuit het Sila-bos naar beneden zijn gekomen – ze werden alleen naar deze contreien gedreven als ze uitgehongerd waren. Hun muilen waren rood en hun ogen klein en zwart in hun spitse koppen. Op de binnenplaats hing een witte mist als een troebele gelei tussen ze in en er bleven sneeuwvlokken in de vacht van de wolven kleven terwijl ze met zijn vieren naar elkaar stonden te kijken. Antonio, de man in huis, was verlamd van angst of misschien van verbijstering. Assunta, die, terecht of onterecht, niet bang was voor wolven, greep de ijzeren pook van de vloer, dook onder Antonio’s arm door en rende op blote voeten naar buiten. ‘Ga weg!’ schreeuwde ze, terwijl ze een uitval deed naar het dichtstbijzijnde beest, dat ineendook en gromde, maar eerder terugweek dan zij. ‘Weg!’ Het was maar goed dat ze zo flink optrad, want gedurende de rest van hun vijfenvijftig jaar durende huwelijk zou haar echtgenoot bijna nooit in de buurt zijn om wolven te verjagen. Gelukkig voor de jonggehuwden had het geschreeuw de buren gewekt
26
en mannen schoten de Fortuna’s te hulp met hun eigen scheppen en bijlen. Tegen de tijd dat ze de wolven hadden verjaagd, konden al vele getuigen het verhaal navertellen: Assunta in haar echtelijke nachtjapon en Antonio met blote borst in de sneeuw, die de huwelijksnachtwolven wegjoegen. Er zouden nog meer beesten rond kunnen lopen, dus terwijl Gino Fragale van twee huizen verderop Antonio hielp om het geitenkarkas te ontweien en te villen voor de ontzette weduwe Marianina, bracht Assunta de kippen naar binnen en sloot ze op in haar keuken. Daarna probeerde ze zo veel mogelijk geitenbloed weg te schrobben met alleen sneeuw en haar bezem; ze wilde niet dat de geur de wolven terug zou lokken. Assunta en Antonio lagen de rest van hun huwelijksnacht naar de zenuwachtige kippen te luisteren, die over de stenen vloer scharrelden. Acht maanden nadat de Fortuna’s waren getrouwd, vertrok Antonio om zich bij het legerregiment in Catanzaro te voegen. In de zomer was er een legerofficier naar Ievoli gekomen om zich ervan te verzekeren dat alle geschikte mannen geregistreerd waren voor de dienstplicht. Als jonge natie bouwde Italië een leger op om zijn rechtmatige plaats als wereldmacht weer in te nemen – weet je nog, die rechtmatige plaats die het zestienhonderd jaar eerder had prijsgegeven, toen de Visigoten de grote keizerstad Rome plunderden. Niet dat Assunta enige notie had van Romeinse geschiedenis of van de ramp die Europa al uiteen aan het scheuren was. Toen hij het leger in ging, beloofde Antonio niet om zijn vrouw brieven te sturen. Hij kon lezen en schrijven, maar deed het liever niet. Assunta kon helemaal niet lezen of schrijven. Ze nam aan dat hij terug zou komen als hij het overleefde, maar alleen il Signore, God de Vader, wist hoelang hij weg zou blijven. Assunta, die zes maanden zwanger was, liep met Antonio de berg af naar het station, dat in Feroleto lag, het grootste van alle dorpen in de buurt. Maria hield de ezel vast die Antonio’s rugzak vervoerde. Het was geen romantisch afscheid; toen de trein aankwam, gaf Antonio zijn vrouw een kus op haar wangen, tilde zijn rugzak op en verdween in een van de rijtuigen. Assunta had in haar korte huwelijk al geleerd dat
27
Antonio geen romantische man was, hoewel hij beslist sensueel was. De vrouwen bleven op het perron staan tot de trein de berg af denderde naar het verre Catanzaro. Assunta huilde stilletjes, met open ogen; haar tranen gleden over haar wangen en kwamen op haar uitpuilende buik terecht. Ze huilde omdat ze deels opgelucht was dat Antonio wegging, zodat ze niet meer tegemoet hoefde te komen aan zijn onverzadigbare lusten op het gebied van eten en seks, die heel uitputtend waren geworden als ze moe was vanwege haar zwangerschap. Daar voelde ze zich schuldig over. Terecht, zoals de priester tijdens de biecht tegen haar had gezegd. De baby kwam in de middag van 11 januari 1915. Assunta werd wakker met een lichte kramp en toen braken de vliezen terwijl ze de haard schoonmaakte. Ze ruimde nerveus de rotzooi op en vroeg zich af of ze de berg af moest waggelen om het tegen haar moeder te zeggen of dat ze daarna niet meer in staat zou zijn om de via Fontana weer op te klimmen naar haar eigen huis om te bevallen. Haar paniek over die beslissing verlamde haar, maar gelukkig kwamen Maria en Rosina uit eigen beweging op bezoek. Zo is het leven in een dorp; als je iemand de hele dag al niet gezien hebt, ga je kijken hoe het ermee is. De oudere vrouwen zetten water op en hingen munt boven het bed om het boze oog af te weren. Ze grepen Assunta bij haar ellebogen vast en lieten haar rondjes lopen. Ze hielpen haar gebruik te maken van de po en lieten haar een kamilleaftreksel drinken om haar spieren en haar gedachten te laten ontspannen. In de namiddag, toen de weeën sneller achter elkaar begonnen te komen, ging Ros naar de kerk om de non te halen, Suora Letizia. De suora was heel heilig en wist veel van vrouwengeneeskunde, al had ze zelf nooit een kind gekregen. Ze had in haar vijfenzeventig jaar veel bevallingen meegemaakt en daarbij van alles gezien: baby’s die met de voetjes naar voren werden geboren en baby’s die verstrikt zaten in hun navelstreng en baby’s die tweelingen bleken te zijn. Haar zangerige, noordelijke accent suste bevallende moeders. Iedereen voelde zich beter als zij er was. Assunta was zenuwachtig en wilde niet doodgaan, wat een mogelijkheid was. Maar Maria en Ros waren niet zenuwachtig, omdat ze volledig
28
vertrouwden op God en Zijn wil. Assunta wist dat zij dat vertrouwen ook moest hebben, en terwijl ze zich zorgen maakte over doodgaan, maakte ze zich er ook zorgen over dat ze zich zorgen maakte over doodgaan. Maar de baby werd absoluut zonder enig probleem geboren, zij het met alle pijn en ellende die iedere moeder bij een natuurlijke bevalling te verduren krijgt. Het was een roze, mollig meisje met zwart haar dat de hele bovenkant van haar hoofd bedekte. Haar ogen waren lichtbruin, net als die van haar vader. Antonio had instructies achtergelaten voor de naam van zijn kind: Giuseppe als het een jongen was, naar Antonio’s vader, en Mariastella als het een meisje was, naar Antonio’s moeder. Het kind was nog geen uur oud toen haar moeder Mariastella al had afgekort tot Stella. ‘Mijn sterretje,’ zei Assunta, omdat het zo gemakkelijk uit je mond kwam en omdat de baby zo mooi was. Maria en Ros zegenden de baby en voerde de cruce-bezwering uit om het boze oog te verjagen. Het waren, zoals gezegd, door en door gelovige vrouwen die volledig vertrouwden op de genade van Jezus, maar vanuit praktisch oogpunt bezien kon het nooit kwaad om Zijn goede bedoelingen te ondersteunen met wat hekserij uit de bergen. In mei 1915, toen Assunta’s minutieus onderhouden bonentuin in volle paarse en gele bloei stond, kwam het bericht dat Italië de oorlog had verklaard aan Oostenrijk. Baby Stella was vier maanden oud en heerlijk dik. Ze had zo’n schommelend, lachend babygezichtje met bolle wangen dat direct overging in haar borst. Daardoor was ze natuurlijk zeer in trek bij alle buurvrouwen, die langskwamen om die wangen met hun lippen en vingers aan te raken. Stella’s moeder had geen idee hoe kort deze gouden, mollige babytijd zou duren, noch van de ontberingen die zouden volgen. ‘Hoelang duurt een oorlog?’ vroeg Assunta aan haar broer Nicola toen hij haar het nieuws kwam vertellen. Nicola had daar geen antwoord op. Hij had niet in dienst gehoeven op grond van zijn leeftijd – hij was vijfendertig, gescheiden van Assunta door de vier baby’s die hun moeder bij hun geboorte had verloren – maar Ievoli had zeventien ragazzi gestuurd, een hele generatie, en geen enkele
29
familie in het dorp had er niet onder geleden. In juni, op dezelfde dag dat de kleine Stella, zonder enige hulp van haar enthousiaste moeder, helemaal uit zichzelf rechtop ging zitten, kreeg Assunta een brief van Antonio, die Nicola haar voorlas. Antonio’s divisie werd naar het noorden gestuurd, naar de Oostenrijkse grens. De brief was minstens een maand oud. Tijdens de oorlog heerste er twee jaar hongersnood. De winter van 19161917 was de strengste die ooit genoteerd was. In de vallei van de rivier de Isonzo, waar de jongens vochten, werd acht meter sneeuw gemeten. Het werd simpelweg nooit lente en de winter ging door tot 1918, toen op sommige omstreden bergtoppen in de Alpen voor het eerst de dooi inviel, waarbij hele brigades lijken werden blootgelegd die anderhalf jaar in sneeuwbanken begraven hadden gelegen. Thuis in Ievoli bracht het slechte groeiseizoen maar de helft van de gebruikelijke tarweoogst op; nadat de oorlogsbelasting was opgehaald, barstte Assunta in huilen uit. Ze wilde dat ze kon geloven dat de tarwe die van haar was afgenomen op een of andere manier bij Antonio aan het Oostenrijkse front terecht zou komen, maar toen de ezel van de belastingambtenaar zijn kar over de weg naar Pianopoli trok, kon ze het idee niet van zich afzetten dat hij gewoon een bandiet was die mensen bedreigde met een verzegeld bevel van de koning in plaats van met een geweer. Assunta’s orto kwijnde weg in de abnormaal koude zomer; aardappelen waren klein en tomaten weigerden rijp te worden en verdroogden aan de plant. Naarmate de zomer verschrompelde tot de herfst, was er bijna niets meer te eten. Er gingen verhalen rond over huisvrouwen die de poederige pleisterkalk van hun muren schraapten als vervanging voor het meel dat ze niet hadden. Maar Assunta’s muren waren niet gepleisterd, en het waren sowieso haar muren niet. In haar zeventien jaren had Assunta nooit dit soort honger meegemaakt. Ze had geen geld, geen vader of echtgenoot om voor haar te zorgen en geen mogelijkheid om zelf geld te verdienen. Ze had geen macht over het weer en kon niet zorgen dat de tuin vruchten ging dragen. Ze voelde zich zo hulpeloos als een kind, maar nu had ze zelf een
30
kind. Elke dag leek het of het niet erger kon worden, maar soms werd het dan toch nóg erger. Kleine Stella was opgegroeid tot een verlegen, zachtaardige peuter die zelden huilde. Zonder te klagen at ze de vreemde en telkens wanhopigere dingen op die Assunta haar voorzette: de ene dag geprakte tuinbonen, de volgende dag een minestra van de overgebleven peulen. Uien gebakken in olijfolie, maar geen brood om ze mee op te eten. Bouillons getrokken van dennenschors of bittere bergkruiden. Onrijpe sinaasappelen die ze stal uit de greppels langs de weg naar Tracci en die ze stoofde tot de schil zacht genoeg was om door te slikken. Assunta kookte het laatste restje van haar voorraad kastanjes uit de herfst, waarna zij het bijna smakeloze kookwater dronk en de kastanjes pas aan kleine Stella gaf als ze zacht waren geworden. Vaak at Assunta helemaal niets en dan genoot ze van het geknor in haar maag als bewijs dat ze alles had opgeofferd voor het welzijn van haar bambina. Assunta deed haar best. Ze kwam rond; haar baby groeide. Toen Stella te groot werd voor haar kinderjurkje, was er geen stof om een grotere jurk voor haar te maken. In plaats daarvan naaide Assunta oud keukenlinnen aan elkaar en leerde Stella lopen in een jurk waarmee ooit de tafel was afgenomen. Om hen heen verschraalde het hele dorp. Er waren telkens minder dieren op de boerderijen en uiteindelijk verdwenen ze, zelfs degene die normaal niet opgegeten werden – de ezels bijvoorbeeld. Calabrezen hielden meer van hun ezels dan van hun vrouwen, zoals het oude liedje gaat. Zelfs Maria’s oude ciucciu overleefde de oorlog niet. Ik weet niet precies wat er met haar is gebeurd – ik kan me niet voorstellen dat Maria of de sentimentele Ros haar gedood en klaargemaakt heeft, maar ik heb dan ook nooit honger gehad. De donkere jaren gingen voorbij en Ievoli bad. Een voor een vervingen de nieuwe weduwen en treurende moeders hun rode pacchiana-rokken door zwarte rouwkleren. De oorlog tegen Oostenrijk eindigde op 3 november 1918. Een boodschapper te paard reed met het nieuws naar alle dorpen langs de weg vanaf Nicastro. Bij zonsondergang luidden de klokken in de campanile van alle kerken en het land weergalmde van de dankzegging van de
31
levenden en de gebeden voor de doden. Ievoli had elf jongemannen verloren – een verschrikkelijke prijs voor een klein gehucht. Eén familie, Angelo en Franceschina, die aan de weg naar Pianopoli woonden, verloor alle drie de zonen evenals twee neven, een aan zijn kant, een aan de hare. Assunta en Ros namen de kleine Stella mee naar Feroleto om de trein op te wachten die de soldaten naar huis bracht. Assunta wist niet zeker op welk tijdstip hij zou aankomen en was bang dat ze te laat zou zijn, dus vertrokken de vrouwen toen het licht werd. Deze keer was er geen ezel om Antonio’s bagage te torsen. Stella legde de halve tocht op haar eigen korte, dikke beentjes af en liet zich voor de rest door Assunta dragen. Assunta was lichtelijk in paniek over het vooruitzicht haar man weer te zien. Ze wist niet zeker of ze zich herinnerde hoe hij eruitzag. Ze zong een liedje voor Stella en liet het meisje op haar heup wippen om haar eigen zenuwen te onderdrukken. Het station was vol vrouwen en oude mannen, bijna allemaal helemaal in het zwart gekleed. Terwijl ze op de trein wachtten, liep Assunta met Stella heen en weer over de geplaveide chiazza, die in een bocht om de berg liep als een vestingpoort die een strategisch oogje hield op de vallei eronder. Assunta en Stella bekeken de ateliers van de ambachtslieden. De bambina groette hen heel beleefd, buon jurno, zoals ze geleerd had, en de mannen lachten en zeiden dat het meisje heel slim was, benedic’, godzijdank. De trein liep binnen vlak nadat de klokken van de Santa Maria tien uur hadden geslagen. Hij had de hele nacht en de nacht ervoor doorgereden, een slopend langzame reis van Triëst naar Rome en daarna naar Napels, waarbij hij in elk dorp stopte om veteranen en doodskisten te lossen. Uiteindelijk had de trein Calabrië bereikt, de plek van het schiereiland die het verst weg lag van waar de oorlog was gevoerd, om de laatste overlevenden af te zetten. De terugkerende soldaten uit Feroleto, Pianopoli en al de kleinere, omringende dorpen liepen in een rij de trein uit. Assunta keek onderzoekend naar hun gezichten en vroeg zich af wie Antonio was, wat weer een golf van angst meebracht. Ze zagen er allemaal uit of hij het kon zijn, maar toch zag geen een er precies goed uit. Assunta bleef zwijgend staan, maar de slimme Rosina riep Antonio’s bijnaam, ‘Tonnon!’, waarna een man met grote passen op hen af liep.
32
Deze Antonio leek op de oudere, magerdere broer van de Antonio met wie Assunta was getrouwd. Zijn gezicht stond gespannen en zijn silhouet was smaller. Hij was niet langer de stoere, lijvige jongeman die de oorlog in was getrokken. Maar hij vertoonde geen zichtbare littekens behalve, als je heel goed keek, de altijd schilferige huid aan de bovenkant van zijn oren, die ooit bevroren waren geweest. ‘Antonio,’ zei Assunta. Ze probeerde te lachen, maar ze hikte van de tranen. Ze had hem zich niet als knap herinnerd, maar daar stond hij, zo knap, sterk hoewel vermagerd, met amberkleurige ogen waarin duisternis sprankelde. Ze had haar man terug terwijl zoveel vrouwen de hunne nooit weer zouden zien. Moge God haar vergeven dat ze genoten had van zijn afwezigheid. Hij kuste haar op haar wangen, links en daarna rechts. Hij had een stoppelbaard van vele dagen. ‘Is dit mijn dochter?’ vroeg hij. Hij kuste Stella’s wang. ‘Mariastella, mijn dochter.’ Stella draaide zich weg en drukte haar gezicht tegen Assunta’s borst. Ros lachte en greep Antonio bij de arm om hem voorover te laten buigen en haar op de wangen te zoenen. ‘Ze is verlegen,’ zei Ros tegen hem. ‘Maar ze is heel blij dat je thuis bent. Toch, Stella, klein sterretje van me?’ Stella gluurde naar haar tante Ros, maar wilde haar vader niet aankijken. ‘Ze heeft het de hele morgen al over je gehad. “Zo dadelijk zie ik papa, waar is papa?” Nietwaar, Stella?’ Het was het soort leugen dat tantes vertellen.
33