Skip to main content

Falcones - Schilder van Barcelona

Page 1

DEEL EEN


1

Barcelona, mei 1901

I

n de oude binnenstad weergalmde het geschreeuw van honderden vrouwen en kinderen. ‘Staakt allen! Sluit de winkels! Houd de wagens tegen! Doe de blinden dicht!’ De vrouwen, die een mobiele stakerspost hadden gevormd, velen met een kleintje op de arm of worstelend met een kind aan de hand dat zich probeerde los te rukken om zich bij de grotere kinderen te voegen die vrij rondliepen, trokken door de straten van de oude binnenstad om arbeiders en koopmannen die hun werkplaats, zaak of winkel nog niet hadden gesloten, op te roepen het werk onmiddellijk neer te leggen. De meesten lieten zich overtuigen door de stokken en ijzeren staven die de vrouwen in de lucht hieven, al moest daarvoor soms wel eerst een etalageraam sneuvelen of een felle woordenwisseling plaatsvinden. ‘Het zijn vrouwen, hoor!’ riep een oude man vanaf een balkon op de eerste verdieping, pal boven het hoofd van een boze winkelier die tegen een groepje vrouwen tekeerging. ‘Ja Anselmo, maar…’ De koopman keek naar boven. Zijn uitvlucht werd gesmoord door de joelende, scheldende mensen die stonden toe te kijken vanaf andere balkons van de oude, dicht op elkaar staande huizen met afgebladderde muren vol scheuren en vochtplekken die bewoond werden door arbeiders en eenvoudige mensen. De man perste zijn lippen op elkaar, schudde zijn hoofd en sloot zijn zaak terwijl een aantal vuile, armoedig geklede kinderen erbij stond te juichen en de draak met hem stak. Sommige omstanders zagen de plagerijen van deze stakers in de dop breed glimlachend aan; de winkelier was niet geliefd in de wijk. Hij verkocht door hem zelf vervaardigde espadrilles. Op de pof verkopen deed hij niet. Hij glimlachte nooit en groette ook nooit.

9


Het troepje kinderen bleef hem uitjouwen totdat de politie die de mobiele stakerspost volgde, hen bijna genaderd was. Toen stoven ze weg, achter de meute aan die de tocht nog steeds voortzette door het middeleeuwse Barcelona, met zijn stegen die even kronkelig als donker waren. Het schitterende voorjaarslicht van die meimaand reikte in de nauwe stadsbebouwing niet verder dan de hoogste verdiepingen van de gebouwen die zich boven het plaveisel verhieven. De mensen op de balkons hielden zich stil toen de agenten van de guardia civil langskwamen, sommigen te paard, met hun sabel in de schede, de meesten met een strak gezicht en een spanning die af te lezen was aan hun bruuske bewegingen. Beide partijen waren zich bewust van het dilemma waar deze mannen voor stonden: ze dienden illegale stakersposten uiteen te drijven, maar waren niet bereid vrouwen en kinderen te lijf te gaan. In Barcelona waren de arbeidersrevoltes nauw verbonden met vrouwen en kinderen. Het kwam vaak voor dat zij hun mannen zeiden in de luwte te blijven bij het voeren van gewelddadige acties. ‘Tegen ons durven ze niet op te treden, en wij krijgen de zaak wel plat,’ was hun argument. En zo ging het ook in deze meimaand van 1901, toen de arbeiders de straat op waren gegaan nadat de trammaatschappij eind april de werknemers die staakten had ontslagen en daarvoor in de plaats werkwilligen had aangenomen. Van de algemene staking die de arbeidersbonden voor ogen hadden om de belangen van de tramconducteurs te beschermen was nog lang geen sprake en al hadden er zich wat gewelddadigheden voorgedaan, de guardia civil leek de situatie in de stad onder controle te hebben. Opeens steeg er uit honderden vrouwenkelen een luid geschreeuw op nadat zich onder hen het bericht had verspreid dat er op de Ramblas een tram reed met werkwilligen erin. Ze begonnen te schelden en te dreigen: ‘Onderkruipers! Klootzakken! Eropaf!’ In looppas, en soms zelfs bijna rennend, trokken de vrouwen door de Carrer de la Portaferrissa om op de Rambla de les Flors uit te komen, langs de Boqueria, een markt die niet zoals die van Sant Antoni uit een bestemmingsplan was voortgesproten, maar was ontstaan doordat verkopers het plein van Sant Josep hadden bezet, een schitterende, door portalen omsloten ruimte. Uiteindelijk kregen deze marktkooplui hun zin en werd het plein overdekt met provisorische daken en zeildoek,

10


waardoor de portalen van de omringende gebouwen dienstdeden als muren van de nieuw ontstane markt. De traditionele, uit gietijzeren constructies opgetrokken bloemenkraampjes die aan weerszijden langs de hele Rambla de les Flors stonden, waren gesloten. Niettemin bleven de bloemenverkoopsters, velen met hun handen in de zij, uitdagend naast hun nering staan om die waar nodig te verdedigen. Alleen op dit stuk van de Ramblas werden bloemen verkocht. Op de markt van de Boqueria stonden onafzienbare rijen huifkarren met paarden stil, op slechts enkele passen afstand van de tramrails. De dieren reageerden nerveus op alle geschreeuw en de toestromende vrouwen. Maar die letten nauwelijks op de onrust van de steigerende paarden en de heen en weer hollende knechten en kooplieden. De tram die van de Rambla de Santa Mònica naar Grà cia reed kwam eraan. Dalmau Sala had op zijn route door de binnenstad samen met vele andere mannen zwijgend de mobiele stakerspost van vrouwen en kinderen gevolgd, achter de guardia civil aan. Hier, in de open ruimte die de Ramblas bood, had hij meer overzicht. De chaos was er compleet. Paarden, wagens en kooplui; nieuwsgierig rondrennende omstanders; agenten die zich in formatie opstelden tegen de brede rij vrouwen en kinderen tegenover hen, een menselijk schild dat hen scheidde van de gelederen van de vrouwen die op de tramrails stonden om het voertuig tegen te houden. Dalmau voelde een rilling over zijn hele rug gaan toen hij zag dat sommige vrouwen hun kleintjes in de lucht staken, naar de agenten toe. De wat grotere kinderen hielden zich met grote ogen angstig aan de rok van hun moeder vast en keken niet-begrijpend om zich heen, terwijl de door de sfeer overmoedig geworden pubers de agenten begonnen uit te dagen. Het was nog maar een jaar of vijf geleden dat Dalmau zelf zo brutaal tegen de politie had gedaan. Zijn moeder, die achter hem stond, had gerechtigheid en sociale hervormingen geÍist en hem aangespoord tot de strijd, net als de meeste moeders die hun kinderen voor zich zetten om voor zaken te vechten die ze nog belangrijker achtten dan hun eigen lichamelijke integriteit. De schreeuwende vrouwen brachten Dalmau heel even in een roes, die hij kende van de keren dat hij als een blok voor de agenten was gaan staan. Ze hadden zich toen goden gevoeld. Ze vochten voor de

11


arbeiders! De guardia civil en het leger hadden een paar keer naar hen uitgehaald, maar dat zou vandaag niet gebeuren, zei Dalmau bij zichzelf terwijl zijn blik naar de vrouwen gleed die een front tegen de tram vormden. Nee. Dit was geen dag waarop de sterke arm der wet vrouwen zou aanvallen. Hij voorvoelde het, wist het. Het duurde niet lang voor hij hen in het oog kreeg. Op de eerste rij, vóór alle anderen, met uitdagende blik, alsof ze alleen al daarmee de tram naar Gràcia konden tegenhouden. Hij glimlachte. Was er iets wat zulke blikken niet voor elkaar kregen? Montserrat en Emma, zijn zus en zijn verloofde, onafscheidelijk, verenigd in het ongeluk, verenigd in de arbeidersstrijd. De naderende tram liet zijn bel horen. De zon, die door het bladerdek van de bomen op de Ramblas heen glipte, ontlokte vonken aan de wielen en andere metalen onderdelen van het treinstel. Slechts een enkele vrouw liep achteruit. Dalmau maakte zich lang. Hij was niet bang dat hun iets overkwam. De tram zou beslist stoppen. De vrouwen en de agenten hielden zich stil, waren alert. Nieuwsgierige omstanders hielden hun adem in. De vrouwen op de rails leken boven zichzelf uit te groeien, onverzettelijk, koppig, bereid om te worden overreden. Hij stopte. Er barstte een gejuich uit terwijl de weinige passagiers die het hadden gewaagd de tram te nemen en op het bovendeel van de wagon in de openlucht in de zon waren gaan zitten, struikelend naar beneden kwamen om achter de machinist en de conducteur aan te ontsnappen, allemaal werkwilligen die al van de tram waren gesprongen voordat deze tot stilstand was gekomen. Dalmau keek naar Emma en Montserrat, die beiden glimlachend een gebalde vuist in de lucht hieven, en samen met de andere vrouwen euforisch hun overwinning vierden. Nog geen minuut later liepen de honderden vrouwen op de tram af. ‘Kom op! Weg met dat ding!’ De agenten van de guardia civil wilden hen tegenhouden, maar zagen het schild van kinderen voor zich opdoemen.Vele handen leunden tegen de zijkant van het treinstel. Degenen die niet bij de tram konden komen, duwden tegen de ruggen van de staaksters voor hen. ‘Duwen!’ riepen een paar vrouwen in koor. ‘Harder!’

12


De tram wankelde op zijn ijzeren wielen. ‘Harder! Harder, harder…’ Eén, twee… De tram schommelde mee op het steeds snellere tempo waarin de vrouwen elkaar opzweepten.Vlak voor het treinstel kantelde klonk er een luid gebrul op uit de honderden kelen. Door dit kabaal heen waren de geluiden te horen van versplinterend hout en tegen elkaar ketsend ijzer. De tram en de vrouwen werden omgeven door een wolk van stof. De relatieve stilte na het omvallen van de tram werd door een kreet verbroken. ‘Op onze gezondheid en de revolutie!’ ‘Leve de anarchie!’ ‘Algemene staking!’ ‘Dood aan de geestelijken!’ Meer werk en een beter dagloon. Inkorting van de uitputtende werkdagen. Stop de kinderarbeid. Weg met de macht van de kerk. Meer zekerheid. Fatsoenlijke woningen.Verdrijving van de geestelijken. Gezondheid. Openbaar onderwijs. Betaalbare levensmiddelen… Op de Rambla de les Flors weerklonken in duizendvoud allerlei eisen die werden overgenomen door een steeds groter wordende massa van eenvoudige mensen die zich bij de arbeidersvrouwen voegden en vurig voor hen applaudisseerden. Emma en Montserrat stonden zwetend en met vuile, zwarte gezichten van het opwaaiende stof opgewonden te springen, ze vuurden de andere vrouwen aan en maakten aanstalten om boven op de tram te klauteren. Dalmau kreeg kippenvel toen hij de twee jonge vrouwen zag. Dapper! Betrokken! Hij dacht terug aan de keren dat ze samen met de moeders en de vrouwen van de arbeiders de straat op waren gegaan om op te komen voor bepaalde rechten. Hij was nog geen twee jaar ouder dan zij, maar toch waren deze twee meisjes, alsof ze daar als vrouw toe verplicht waren, dapperder dan hij geweest, en hadden ze tegen de guardia civil geschreeuwd en gescholden en die zelfs uitgedaagd. En nu stonden ze boven op een tram die ze eigenhandig omvergeworpen hadden. Dalmau beefde, hief toen een vuist en voegde zich bij de eisen en leuzen schreeuwende mensen.

13


Het kabaal en de emoties gierden nog steeds door Dalmau heen terwijl hij de Passeig de Gràcia af liep, op weg zijn naar zijn werk in de op een open terrein gelegen keramiekfabriek in Les Corts, aan de rand van de Riera de Bargalló. Hij had niet met de twee meisjes kunnen praten, want toen hij dat eenmaal had willen doen, was de guardia civil inmiddels zo nerveus geworden dat de vrouwen van de stakerspost zich gedwongen zagen uit elkaar te gaan en zich met hun kinderen alle kanten op te verspreiden. Misschien waren Montserrat en Emma wel erg opgevallen, bedacht Dalmau.Vast en zeker, zei hij bij zichzelf en hij schopte glimlachend tegen een afgevallen boomblad. Wie zou die twee boven op de tram staande vrouwen over het hoofd hebben kunnen zien? Toch hadden ze zich snel onder de andere vrouwen begeven die op de markt van de Boqueria en in de Ramblas liepen. Vrouwen als alle andere, in een lange, op de enkels vallende rok, een hemd met veelal opgerolde mouwen, en daaroverheen een schort.Veel oudere vrouwen droegen een – meestal zwarte – hoofddoek, anderen hielden hun haar in een knot bijeen en bedekten hun hoofd niet. Het waren totaal andere vrouwen dan de rijke, elegante vrouwen die je op de Passeig de Gràcia kon zien flaneren. Iedere dag, op de heen- of terugweg door die grote verkeersader van Barcelona, de gravenstad, genoot Dalmau ervan om naar zulke dames te kijken die trots met hun peuters tussen paarden en koetsen en hun in het wit geklede kindermeisjes liepen. Borsten, buik en billen. Aan de hand van deze drie vormen moest je de ideale vrouwenfiguur bepalen, werd er gezegd. Net als de architectuur en andere kunsten had de vrouwenmode de ontwikkeling van het modernisme gevolgd en waren de stijve, middeleeuwse elementen, die aan het eind van de vorige eeuw nog in zwang waren, vervangen door ontwerpen die levendige vrouwen toonden, met korsetten die de natuurlijke vrouwelijke vormen in een soort wonderlijke kronkeling benadrukten: naar voren staande borsten, platte, ingehouden buiken, en billen die naar achteren sprongen, alsof ze elk moment konden aanvallen. Wanneer hij tijd had ging hij op een van de banken langs de allee zitten en maakte hij met houtskool schetsen van deze vrouwen, al droegen ze in zijn verbeelding nooit kleding en tekende hij ze naakt. Voeten, benen, enkels, vooral fijne, slanke enkels, met pezen strak als koorden, handen en armen. En halzen! Waarom alleen maar die drie

14


vormen, borsten, buik en billen? Hij hield van het vrouwelijk naakt, maar helaas kreeg hij niet de gelegenheid om met echte naakten te werken. Zijn baas, don Manuel Bello, had dat verboden. Mannelijke naakten mocht wel, maar vrouwelijke, nee. Als hij het als baas niet deed, zo zei don Manuel, dan Dalmau ook niet. Heel begrijpelijk als je de vrouw van don Manuel kende, dacht Dalmau glimlachend. Ze was kleinburgerlijk, reactionair, conservatief, en verstokt katholiek, tot in haar merg. Met deze eigenschappen, die haar echtgenoot allemaal met haar deelde, hield deze vrouw vast aan kleding die al een aantal jaren niet meer in de mode was en droeg ze nog steeds een tournure, een soort aan de ceintuur vastgeknoopte, opgevulde drapering die haar rokken aan de achterkant deed opbollen. ‘Net een slak,’ spotte hij toen hij Emma en Montserrat erover vertelde. ‘Helemaal voorovergebogen, en achter haar kont hangt het huisje dat ze overal met zich meedraagt. Echt, ik kan me haar niet naakt voorstellen!’ De twee lachten. ‘Heb je nog nooit het huisje van een slak af gehaald?’ vroeg zijn zus. ‘Je zet wat plukjes haar in plaats van voelsprieten op die slijmslak, en daar heb je je naakte rijke burgervrouwtje, slijmerig en wel, net als al die lui.’ ‘Hou op! Bah!’ riep Emma terwijl ze Montserrat een duw gaf. ‘Maar waarom zou jij je andere vrouwen naakt moeten voorstellen?’ vroeg ze toen, zich tot Dalmau wendend. ‘Zijn de vrouwen in je huis niet goed genoeg?’ De laatste woorden sprak ze langzaam uit, met zachte, verleidelijke stem. Dalmau trok haar naar zich toe en kuste haar op de lippen. ‘Jazeker zijn die goed genoeg,’ fluisterde hij. Eigenlijk had hij alleen maar gebruikgemaakt van erotische foto’s voor zijn studies van het vrouwelijk naakt, dat zijn leermeester hem verbood, en was Emma de enige die naakt voor hem geposeerd had. Toen Montserrat daarvan hoorde, wilde zij ook. ‘Ik kan mijn zus toch niet naakt schilderen?’ had hij gezegd. ‘Het gaat toch om kunst?’ had Montserrat gezegd en ze wilde haar hemd al uittrekken, maar Dalmau had haar hand gepakt om dat te verhinderen. ‘Ik vind de tekeningen die je van Emma hebt gemaakt, geweldig! Ze zijn zo… zinnelijk! Zo vrouwelijk! Ze lijkt wel een

15


godin! Je zou niet zeggen dat ze kokkin is. Zo wil ik er ook uitzien, niet als een ordinaire arbeidster die in een fabriek voor textielbedrukking werkt.’ Dalmau had even zijn ogen gesloten toen zijn zus aan haar gebloemde rok had geplukt alsof ze hem uit wilde trekken. ‘Ik zou willen dat je mij ook zo tekende,’ herhaalde Montserrat. ‘Zou moeder dat wel leuk vinden?’ had hij gevraagd. Montserrat trok een pruillip en schudde berustend haar hoofd. ‘Je hoeft je niet naakt te laten schilderen om te weten dat je net zo mooi bent als Emma,’ had Dalmau troostend gezegd.‘Wie wordt er nou niet verliefd op jou! Iedereen is gek van je, ze staan voor je in de rij.’ Op de dag van de neergehaalde tram op de Ramblas was het al vrij laat toen Dalmau naar zijn werk ging en had hij geen tijd om zich te vermaken met het denkbeeldige naakt van de vrouwen van de burgerij die zich op de Passeig de Gràcia lieten zien. Hij had evenmin tijd om naar de modernistische bouwwerken te kijken die werden opgetrokken in de Eixample, de wijk waarmee Barcelona werd uitgebreid. In dit gebied buiten de stadsmuren was het omwille van militaire verdediging eeuwenlang verboden geweest om te bouwen, maar in de negentiende eeuw, toen de muren weggehaald waren, was het verstedelijkt geraakt. Mijnheer Bello moest niets hebben van de modernistische stijl, al deed hij wel goede zaken met de aannemers daar, die keramiek van zijn fabriek kochten. ‘Jongen,’ zei Bello toen Dalmau het eens waagde om hem op die tegenstrijdigheid te wijzen, ‘zaken zijn zaken.’ Hoe dan ook had het modernisme, net als met vrouwenkleding gebeurd was, na de Wereldtentoonstelling van 1888 in Barcelona voor grote veranderingen gezorgd, een ontwikkeling die conservatieve lieden liever negeerden. In de laatste tien jaar van de vorige eeuw waren vrouwen – hoewel bevrijd van de tournure die hen op slakken deed lijken – stijve, middeleeuws aandoende kleding blijven dragen. In hetzelfde decennium hadden ook architecten hun inspiratie in dat tijdperk gezocht in een poging de grootsheid van het middeleeuwse Catalonië te evenaren. Door de architect Domenèch i Montaner werden technieken zoals bijvoorbeeld schoon metselwerk met materialen uit eigen streek in ere hersteld. Hiermee construeerde hij het café-restaurant van de tentoonstelling van 1888, een imposant, oosters aandoend kasteel

16


met kantelen. Als eigenzinnige toets liet hij op de buitenmuren witte schilden van keramiek aanbrengen – een stuk of vijftig in plaats van de meer dan honderd die hij beoogd had – waarop de producten stonden afgebeeld die binnen geconsumeerd konden worden: een zeeman die jenever dronk, een juffrouw met een ijsje, een kokkin die een kop chocola maakte… Een paar jaar later had de architect Puig i Cadafalch de bouw van Casa Amatller in de Passeig de Gràcia op zich genomen, een huis met gotische elementen dat met de symmetrie en het classicisme brak en Barcelona zijn eerste coloristische gevel gaf. Evenals Domenèch met zijn café-restaurant had gedaan speelde ook Puig met decoratieve elementen en verwerkte hij de voorliefdes van de eigenaar van het gebouw in een reeks bizarre diervoorstellingen: een hond, een kat, een vos, een geit; een vogel en een hagedisje als wachters; een kikker die glas blaast en een andere die het glas heft, een paar varkens die een vaas boetseren, een ezel die een boek leest en een andere die door zijn bril heen naar hem kijkt; een leeuw die idolaat is van fotografie naast een beer met een paraplu, een konijn dat metaal aan het smeden is terwijl een ander het dier water brengt, en een aap die op een aambeeld slaat. Deze twee werken waren, naast vele andere die verandering, een andere opvatting van architectuur inluidden, volgens de leermeester van Dalmau de voorlopers van Casa Calvet in de Carrer Casp waarmee Antoni Gaudí afscheid begon te nemen van de historistische benadering, waar hij zich in de laatste decennia van de negentiende eeuw door had laten inspireren. Hij zocht naar architectuur waarin de materie beweging kreeg. ‘Beweging, in stenen!’ riep don Manuel Bello met een confuus gezicht uit. ‘Vrouwen en bouwwerken,’ zo vertrouwde hij Dalmau eens toe, ‘zullen zich stukje bij beetje losmaken van hun positie, hun uiterlijk, hun waardigheid en hun geschiedenis, en zich prostitueren. De eersten worden kronkelende slangen en de laatste onsamenhangende materie.’ Zuchtend en steunend ging hij met de rug naar Dalmau toe staan, alsof de wereld verging. Dalmau vertelde hem niet dat hij van vrouwen met slangenwelvingen hield en dat hij de mensen bewonderde die smeedijzer, steen en zelfs aardewerk ogenschijnlijk in beweging konden zetten. Alleen een tovenaar, een magiër, een uitzonderlijk

17


schepper kon materie er voor de toeschouwer vloeiend uit laten zien! Een grote, zwaar met klei beladen wagen die langzaam langszij kwam, bedaard getrokken door vier sterke percherons met krachtige, indrukwekkende hoofden, nekken en achterhanden en dikke, behaarde benen, deed de aarde trillen en haalde Dalmau uit zijn overpeinzingen. Toen hij opkeek zag hij de boordevolle achterkant van de wagen afsteken tegen de twee hoge schoorstenen van de fabrieksovens die voor hem opdoemden. manuel bello garcía. tegelfabriek. Dit stond te lezen op het uithangbord van blauw-wit keramiek boven de grote toegangspoort. Daarachter bevond zich een groot terrein met waterreservoirs en droogplaatsen, evenals pakhuizen, een kantoor en ovens. Het was een middelgrote fabriek waar serieproductie werd gedraaid maar waar ook bijzondere stukken werden gemaakt die architecten en bouwmeesters ontwierpen voor hun bouwwerken of voor allerhande bedrijven zoals winkels, apotheken, hotels en restaurants, die keramiek als een decoratief element bij uitstek beschouwden. Het was Dalmaus werk: tekenen. Eigen ontwerpen maken die vervolgens in serie werden geproduceerd en in de catalogus van het bedrijf kwamen te staan; het ontwikkelen en concretiseren van de ideeën die bouwmeesters voor ogen hadden voor hun gebouwen of bedrijven, en die zij slechts schetsmatig weergaven; en ten slotte het uitvoeren van de modellen die de grote, modernistische architecten al perfect tot in detail hadden uitgewerkt. ‘Neemt u me niet kwalijk, don Manuel…’ Dalmau meldde zich op het kantoor annex atelier van zijn baas naast de burelen van de fabriek, op de eerste verdieping van een van de gebouwen van het complex. ‘Het was werkelijk een chaos in de binnenstad. Betogingen, charges van de politie.’ Hij dikte de zaak wat aan. ‘Ik moest bij mijn moeder en zus blijven.’ ‘We moeten goed voor onze vrouwen zorgen, jongen.’ Don Manuel, die in streng, sober zwart gekleed ging zoals het betaamde, met daarbij een donkergroene, in een reusachtige knoop gestrikte das, knikte hem vanachter zijn mahoniehouten tafel toe. Zijn brede, dichte bakkebaarden en zijn eveneens dikke snor, die naadloos in elkaar overgingen, vormden een onberispelijke, scherp begrensde haarpartij die zijn kin en hals onbebaard liet.‘Ze hebben ons nodig. Goed zo. Die anarchisten en vrijdenkers maken ons land kapot! Ik hoop dat de guardia civil

18


korte metten met ze heeft gemaakt. De harde hand! Dat verdienen die ondankbare schepsels. Geen zorgen, jongen. Ga aan je werk.’ De werkkamer van Dalmau grensde aan die van zijn leermeester. Ook hij werkte niet samen met de andere werknemers, maar had een eigen plek, een tamelijk grote ruimte waarin hij zich goed kon concentreren op zijn werk, dat op dat moment bestond uit het ontwerpen van een tegelserie met oosterse motieven: lotusbloemen, waterlelies, chrysanten, bamboestengels, vlinders, libellen… Het had hem verscheidene jaren van zijn opleiding gekost aan de Llotja, de kunstacademie van Barcelona, om het tekenen van bloemen onder de knie te krijgen. Bloemen naar de natuur, bloemen van opzij gezien, bloemen in de schaduw… Eerst leerde hij ze tekenen, om ze uiteindelijk met olieverf vast te leggen. Op de Llotja-academie, waar hij op zijn tiende naartoe was gegaan en waar les werd gegeven in onder meer rekenkunde, geometrie, figuurtekenen, lijntekenen, siertekenen, tekenen naar de natuur en schilderen, was het vak toegepast tekenen een van de belangrijkste; tekeningen die werden gebruikt in de kunstnijverheid en fabricage. Zo was de Llotja-school ontstaan, om arbeiders die dit voor hun werk nodig hadden creatieve vaardigheden te leren die ze konden toepassen in de industrie. Halverwege de negentiende eeuw begon de voorkeur echter uit te gaan naar de zuivere kunst boven de toegepaste, al werd de laatste – waarvan het tekenen van bloemen onderdeel was – nog steeds beoefend om de industrie van modellen te voorzien. In de gotische kunst hadden vooral botanische elementen als versiering gediend en aangezien er inspiratie was gezocht in de middeleeuwen werden deze nu gebruikt voor versiering van stoffen en kleding, de industrie waar Catalonië van leefde, en in de modernistische architectuur ook voor tegels en zuilen, mozaïek, smeedwerk, meubels en glaswerk, en eveneens voor de duizenden gipsen sculpturen die de gebouwen sierden. Dalmau trok een stofjas aan over zijn beige, tot de knieën reikende kiel die samen met zijn van linnen en wol gemaakte broek van een onbestemde donkere kleur, een pet en zwarte, enkelhoge leren schoenen zijn gebruikelijke uitdossing vormde. Wanneer hij achter de berg schetsen op zijn bureau ging zitten en zijn potloden ordende verdwenen de stemmen, het gelach en geroep en de andere, soms harde geluiden uit de fabriek naar de achtergrond. Al zijn zintuigen

19


waren op zijn Japanse tekeningen gericht zodat hij zich een oosterse techniek eigen kon maken die niet realistisch was maar een gestileerde schoonheid nastreefde, zonder schaduw, naar westerse maatstaven geheel afwijkend, maar die zeer gewild was op een roerige markt die het andere zocht, het exotische, het moderne. Zoals hij zich voor alle geluid had afgesloten, zo had ook de stilte die ’s avonds over Barcelona viel in de al verlaten gebouwen geen vat op de geheel in zijn werk opgaande Dalmau. Bijna zonder iets te proeven had hij het middageten dat ze hem hadden gebracht opgegeten, alsof het iets hinderlijks was, en later kregen de mensen die hun hoofd om de deur staken om te zeggen dat ze naar huis gingen niet meer dan wat gebrom van hem ten antwoord. Don Manuel, die als een van de laatsten wegging, vormde daarop geen uitzondering. Nadat deze met zijn tong had geklakt, waarvan niet was te zeggen of dat van tevredenheid of van misprijzen was, keerde hij Dalmau, die niet op hem reageerde en zelfs niet van zijn tekeningen opkeek, de rug toe. Nog een paar uur later werden de gaslampen waarmee zijn atelier verlicht werd lager gedraaid, zodat hij bijna in het donker kwam te zitten. ‘Wat is dat nou?’ vroeg Dalmau. ‘Wie is daar?’ ‘Ik ben het, Paco,’ zei de nachtwaker, die het gas opdraaide zodat de werkkamer zich weer in licht hulde. Het schijnsel van de lamp viel op de oude, gedrongen man. Het was een prachtkerel, maar hij mocht hier niet komen. Don Manuel had het personeel de toegang ontzegd tot de ateliers, waar half voltooid werk en schetsen en ontwerpen lagen die alleen mensen mochten zien die hij helemaal vertrouwde. ‘Wat doe jij hier?’ vroeg Dalmau verbaasd. ‘Don Manuel heeft gezegd dat ik je eruit moest gooien als je te lang bleef hangen.’ De man liet een tandeloze glimlach zien. ‘Het is onrustig in de stad, de mensen zijn erg van slag, en je moeder zal zich zorgen maken.’ Misschien had Paco gelijk. Hoe dan ook was door zijn komst de maag van Dalmau in opstand gekomen tegen het hongergevoel en aangezien hij plotseling ook voelde dat zijn ogen vermoeid waren besloot hij een eind aan de werkdag te maken. ‘Doe het licht maar uit,’ zei hij tegen de nachtwaker terwijl hij

20


zijn stofjas naar de kapstok in de hoek van de kamer wierp waar die ternauwernood aan een van de mouwen bleef hangen. ‘Is er nog wat gebeurd in de stad?’ Hij deed zijn schrijftafel dicht. ‘De toestand is verslechterd. De mobiele stakersposten van vrouwen en kinderen hebben overal in de binnenstad fabrieken en werkplaatsen met stenen bekogeld om ze tot sluiten te dwingen. Het schijnt dat ze vanochtend een tram omver hebben gehaald en daar zijn ze overmoedig van geworden.’ Dalmau slaakte een diepe zucht. ‘In het district Sant Martí is er ook zoiets gebeurd met de grote fabrieken daar. Er zijn politiebureaus overvallen. Kleine kinderen zagen hun kans schoon om streken uit te halen en hebben belastingkantoren in brand gestoken die ze waarschijnlijk eerst leeggeroofd hadden. Het is allemaal nogal chaotisch.’ Ze liepen via de trap naar het magazijn op de eerste verdieping. Alvorens naar het uitgestrekte omringende fabrieksterrein te lopen waar overdag met klei werd gewerkt zei Dalmau gedag tegen twee kinderen die zeker niet ouder dan tien waren en op een deken op de grond woonden en sliepen. In de winter lagen ze vlak bij de warmte van de twee ovens, waar ze zich van verwijderden naarmate het weer beter werd. Het waren niet eens leerjongens. Ze deden van alles: schoonmaken, een boodschap doen, water halen… Allebei hadden ze familie, dat beweerden ze althans: arbeiders die in Sant Martí werkten, het Manchester van Catalonië, en die met meerdere gezinnen, opeen gepropt in gedeelde appartementen, een armoedig bestaan leidden. Sant Martí was hier een eind vandaan en het stoorde don Manuel niet dat deze kinderen in zijn fabriek woonden en een paar centen verdienden. Hij eiste alleen van ze dat ze ’s zondags naar de mis gingen in de parochie van de Heilige Maria del Remei. Het leek hun familie niet te deren dat de twee in een fabriek woonden, want er was nog nooit iemand naar hen komen vragen. Er waren kinderen die er slechter aan toe waren, bedacht Dalmau terwijl hij op weg naar de uitgang door het verwarde haar van een van hen streek. Een heel leger van zulke straatschoffies, waarschijnlijk meer dan tienduizend, zwierf bedelend en stelend door de straten van Barcelona en sliep in de openlucht, waar ook maar een plekje was om te liggen. Het ging om wezen of gewoon om verwaarloosde kinderen zoals deze twee,

21


die niet door hun familie konden worden gevoed of verzorgd. ‘Goedenavond, mijnheer,’ zei het ene kind. In zijn stem klonk geen enkele ironie door, de aanspreektitel was oprecht bedoeld. Dalmau draaide zich om, beet op zijn lippen, zocht in zijn broekzak en wierp allebei een munt van twee cent toe. ‘U bent gul!’ Nu was er wel enige spot waarneembaar. ‘Kon je geen centen vinden?’ riep de andere jongen. ‘Je weet wel… de allerkleinste muntjes.’ ‘Ondankbare schepsels!’ bromde de nachtwaker. ‘Laat maar,’ zei Dalmau glimlachend. ‘Besteed jullie geld goed.’ Hij ging mee in hun grappenmakerij. ‘Laat ik niet merken dat je je volpropt met eten.’ ‘Wat zegt u nou,’ zei de eerste jongen, ‘mijnheer wil vast wel met ons mee-eten.’ ‘Nee, dank je, een andere keer. Nodig vanavond je meisje maar uit,’ vervolgde Dalmau lachend terwijl hij naar de deur liep. ‘Met die vier cent kunnen we wel een hele lamsrug naar binnen werken!’ hoorde Dalmau achter zijn rug zeggen. ‘Met een flinke plas wijn erbij!’ ‘Brutale donders,’ zei de nachtwaker nog eens. ‘Nee, Paco,’ protesteerde Dalmau, ‘het is toch al mooi dat kinderen die door hun familie in de steek zijn gelaten het leven met humor bezien?’ De oude man zweeg, terwijl Dalmau onder het keramieken uithangbord van de fabriek door liep en zijn ogen aan het licht van de maan liet wennen die over het open veld en de straten scheen waar nog steeds geen verlichting langs was aangebracht. Hij ademde de frisse nachtlucht in. De stilte om hem heen was gespannen, alsof het geroep van de demonstrerende stakers nog steeds in de lucht hing. Hij keek naar het landschap voor hem dat zich naar zee uitstrekte. Honderden hoge schoorstenen staken tegen het maanlicht af. Barcelona was een industriestad vol fabrieken, pakhuizen en allerlei soorten werkplaatsen. Sinds de negentiende eeuw werd er gebruikgemaakt van stoomenergie voor werkzaamheden die elders nog met mankracht werden uitgevoerd, wat samen met de invloed van buurlanden zoals Frankrijk en een eeuwenoude handels- en ondernemingsgeest tot gevolg had dat de stad zich kon meten met de meest ontwikkelde Europese ste-

22


den. De belangrijkste industrie van Barcelona was die van de textiel. Daarin was de helft van de arbeiders werkzaam. Niettemin waren in deze stad van inmiddels een half miljoen inwoners ook de metaal-, voedsel- en chemische industrie van belang, evenals de hout-, leeren schoenenindustrie en de papier- en grafische industrie. De rijke industriëlen en de gegoede burgerij lieten het breed hangen, maar voor het gewone volk, de arbeiders, zag het er heel anders uit. Zeven dagen per week tien tot twaalf uur werken, tegen een armzalig loon. De afgelopen dertig jaar waren de lonen met dertig procent gestegen terwijl de prijzen van levensmiddelen zeventig procent hoger waren geworden. Er kwam steeds meer werkloosheid; de gemeentelijke slaaphuizen waren ’s nachts tjokvol, en in de gaarkeukens werden er dagelijks duizenden rantsoenen voedsel uitgedeeld. Barcelona, zo bedacht Dalmau hoofdschuddend, was werkelijk bijzonder wreed voor degenen die hun gezondheid en hun leven, hun familie en hun kinderen opofferden om de stad groot te maken. Montserrat was niet thuis en Emma ook niet. Die waren ongetwijfeld het succes van hun protestdemonstratie aan het vieren, misschien ergens op een bijeenkomst waar ze de acties voor de volgende dag lachend en juichend voorbereidden. Dalmau had er nog aan gedacht om naar het eethuis niet ver van de markt van Sant Antoni te gaan, maar hij kwam tot de slotsom dat, al was het eethuis misschien niet gesloten vanwege de staking, Emma daar nu toch niet aan het werk was. Dalmau woonde met zijn moeder op de tweede verdieping van een oud gebouw midden in het historische centrum van de stad, in de Carrer de Bertrellans, een nauw steegje in de buurt van de Santa Anna-kerk, die ze bezig waren uit te breiden. Hun woning leek precies op al die andere dicht opeengepakte woningen in wijken als Sants, Gràcia, Sant Martí… Woningen in donkere, vochtige gebouwen van een stuk of vijf verdiepingen die via een nauwe trap te bereiken waren, zonder riolering, gas of elektriciteit.Voor stromend water waren ze afhankelijk van een gemeenschappelijk reservoir op het dak. Op iedere overloop bevonden zich een gedeeld privaat en diverse eendere woonhuizen: deze hadden een nauw gangetje dat naar een keuken annex eetkamer leidde die meestal ventilatie vanuit een binnenplaats kreeg, een kamertje met blinde muren en nog een kamer met een raam.

23


In die laatste kamer, die op de straat uitkeek, was zijn moeder – als altijd – aan het naaien, nu bij het licht van een miezerig kaarsje. Dat leek het duister nog eerder te benadrukken dan dat het licht bood aan zijn moeder, die werktuiglijk steeds weer het pedaal intrapte van de naaimachine die ze bij meneer Escuder gekocht hadden, in de Carrer d’Avinyó. Ze moest de hele dag aan het werk zijn geweest, waarschijnlijk wel zo’n dertien uur lang. ‘Hoe gaat het, moeder?’ Dalmau gaf haar een kus op het voorhoofd. ‘Z’n gangetje,’ was haar reactie. Dalmau stond een tijdje naar haar te kijken en ging toen achter haar staan, terwijl hij haar onderarmen streelde. Hij voelde het trillen van de machine in zijn moeders armen en schouders, die meebewogen op het ritme. Terwijl ze haar ogen op haar werk gericht hield plooide ze haar lippen tot een glimlach, maar ze zei niets en bleef het pedaal bedienen en de stof onder de naald door halen. Ze was bezig met losse witte boorden en manchetten voor overhemden. Dit werk was haar aangeboden door de handelsagent van de grote warenhuizen waar ze zouden worden verkocht. Losse witte boorden en manchetten waren de slechtst betaalde klussen voor een naaister. Na een eindeloze werkdag zou ze ongeveer één peseta krijgen. Een stokbrood kostte veertig cent. De agent had haar een partij broeken en zelfs handschoenen toegezegd, maar vandaag kon hij haar alleen boorden en manchetten voor de witte overhemden van de rijken bieden. Josefa – zo heette zijn moeder – maakte zich er niet al te veel illusies over dat hij woord zou houden. Misschien was het anders als ze zich door hem liet betasten, bepotelen. Nee, dacht ze bij zichzelf, zelfs dan niet. Er waren vrouwen die voor hem neerknielden en hem afzogen, of hun rok en schort tot boven hun middel optrokken en hem lieten begaan. En die waren jonger en mooier dan zij! Ze kende die vrouwen, soms hoorde ze hen op vermoeide toon fluisterend overleggen: wie was er vandaag aan de beurt? Want het kon er maar één zijn, de man was seksueel niet erg vaardig. Binnen de kortste keren spoot hij het zaakje eruit en dan had hij er meteen genoeg van. Josefa veroordeelde de vrouwen niet en voelde evenmin enige rancune. Die vrouwen hadden kinderen, en honger. Ze zuchtte. Dalmau merkte het en kneep zachtjes in haar onderarmen. Josefa kon op haar zoon rekenen. De meeste naaisters – en zelfs

24


niet-naaisters – waren jaloers op haar en begonnen te smoezen als ze haar zagen. Zij merkte dat wel en vond het niet prettig. Ze voelde zich niet beter dan de rest: ze was weduwe van een anarchistisch arbeider die ten onrechte was veroordeeld en in ballingschap was overleden aan de gevolgen van de martelingen die hij had ondergaan, zo was haar meegedeeld. Een weduwe met steeds slechter wordende ogen die net als alle andere naaisters leed aan de bronchitis die hen verwoestte en die urenlang zwijgend achter haar naaimachine zat, altijd uitgeput en ondervoed, de smerige lucht inademend die uit de vloer optrok en intussen voelend hoe het vocht van de woning in haar botten trok, alleen maar om ervoor te zorgen dat de gegoede burgerij witte boorden en manchetten kon dragen. Maar met Dalmau werd op zijn werk wel rekening gehouden en hij had een goed salaris bij de ‘tegelkwezel’, zoals de vrouwen in huis, Emma incluis, zijn baas noemden. ‘Stop toch met naaien, moeder,’ zei Dalmau vaak tegen haar. Maar zij wilde niet op zijn kosten leven. Dalmau zou trouwen, zijn eigen wensen hebben. Hij hielp haar veel, zeker, zoveel dat ze zich de wellust van die agent niet hoefde te laten welgevallen. Ook zijn zus hielp hij en zelfs zijn oudste broer,Tomás, die net als zijn dode vader anarchist was: een idealist, vrijdenker, utopist; kanonnenvoer, net als zijn verwekker. ‘Waar is zusje?’ vroeg Dalmau toen, die met dit koosnaampje naar Montserrat verwees. Hij gaf zijn moeder een laatste knuffel en ging toen op het bed zitten waarin de twee vrouwen van het huis samen sliepen, naast de naaimachine. ‘Wat dacht je! Vast en zeker de demonstratie van morgen aan het voorbereiden. Ze is hier geweest, ze zei dat ze een tram omver hadden gehaald.’ Dalmau knikte. ‘In mijn tijd liepen er heel wat paarden voor een tram. Die kreeg je niet zomaar omver,’ grapte Josefa. ‘Heeft Emma nog iets laten horen?’ ‘Ja.’ Het verbaasde Dalmau dat hij een resoluut bevestigend antwoord kreeg. De trekken van zijn moeder verzachtten zich. ‘Montserrat en zij kwamen samen. Ze had een pan met eten bij zich. Een van je lieve-

25


lingskostjes,’ zei ze knipogend. ‘Daarna gingen ze weer verder met de strijd.’ Op de plaat gebakken klipvis! Dat was inderdaad een gerecht waar Dalmau erg van hield, en Emma kon het heel lekker maken. Ontzilte klipvis – niet geheel ontzilt, maar zodanig dat hij nog steeds naar zee smaakte – die door bloem gehaald en gebakken werd. Wanneer de vis gaar was, werden in de bakplaat met zijn hoge opstaande randen in de achtergebleven olijfolie een aantal in schijfjes gesneden knoflookteentjes en stukjes rode paprika gebakken. Om te voorkomen dat deze verbrandden werd er wijn toegevoegd. Nadat alles een paar minuten had gesudderd werd het over de vis gegoten… Josefa warmde het eten op boven het houtskoolvuur van het in de muur ingebouwde fornuis, en diende het in de eetkamer op samen met wat brood en een karaf rode wijn. Zelfs nadat ze de vis hadden gegeten en op straat de stemmen te horen waren van mensen die hun erbarmelijke woningen waren ontvlucht om in de buitenlucht wat te kletsen, te wandelen, een sigaret op te steken of samen wijn te drinken, lukte het Dalmau niet om zijn moeder bij de naaimachine weg te houden. ‘Er ligt nog zoveel werk,’ luidde haar verontschuldiging. Hij had de neiging te vragen: komt er ooit een dag dat er geen werk ligt? Maar dat zou alleen maar leiden tot dezelfde eindeloos herhaalde argumenten: stop er toch mee, moeder. U hoeft niet te werken. Ik zal u geld geven. U zult niets tekortkomen. Ooit had hij eens voorgesteld: ‘We zouden zelfs kunnen verhuizen.’ ‘Hier heb ik met je vader gewoond, en hier zal ik sterven,’ had zijn moeder ongewoon kortaf gezegd. ‘Voor jullie als kinderen is dit misschien een… krot,’ had ze er met een snik in de keel aan toegevoegd,‘maar deze muren hebben het lachen en het huilen van je vader gehoord. En dat van jullie uiteraard ook. Dalmau, geen vocht, stank of duisternis kan het geluk uit mijn geheugen wissen dat ik hier met hem heb beleefd, met jou en met je broer en zus. Zijn inspanningen om jullie drieën vooruit te helpen, de drie gelukkige overgeblevenen van de vijf kinderen die ik heb gebaard. Zijn betrokkenheid in de strijd voor arbeiders, daklozen, gerechtigheid. Al onze tegenslagen en beproevingen. Dat heeft zich hier allemaal afgespeeld, jongen, in dit hol. Het geluid van het voetpedaal en de naalden van de naaimachine

26


waar jij soms zo nerveus van wordt…’ Ze maakte een afwerend gebaar met haar handen. ‘Ik zal niet zeggen dat het muziek is, maar ik ben er zo vertrouwd mee dat het me terugvoert naar die gelukkige dagen met je vader en jullie kindertijd. Ik heb alleen het naaien nog over!’ Achter in haar keel borrelde een lach op, maar meer dan hoesten was het niet. ‘Na een uitputtende werkdag weten mijn handen beter wat ze moeten doen dan mijn vermoeide ogen.’ Ze slaakte een zucht. ‘En zolang mijn handen bezig zijn, voert het geluid van de naaimachine me terug naar het verleden, naar je vader…’ Dalmau aarzelde toen de woorden in haar keel bleven steken en de tranen over haar wangen biggelden. Ze was die avond kwetsbaarder dan anders, hulpeloos. Staande voor haar hield hij haar hoofd tegen zijn buik gedrukt en wiegde haar alsof ze een kind was. Later, toen hij in zijn slaapkamer was, het kamertje zonder ramen, en hij door zijn gevoelens verscheurd werd, probeerde hij bij kaarslicht het gezicht van zijn moeder te tekenen. Hij verfrommelde en verscheurde de ene na de andere schets. Zijn moeder was niet zo oud dat haar leven alleen nog maar uit herinneringen kon bestaan! Hoezeer hij zich ook met de houtskool inspande om het portret te voorzien van een glimlach en een levendige blik, steeds weer bracht het eenzelfde uitdrukking over: die van een trieste vrouw. De volgende ochtend vond Dalmau op de eetkamertafel de resten van de klipvis, die zijn moeder voor hem had bewaard als ontbijt. Het was nog niet licht buiten, maar op straat kwamen de eerste geluiden al op gang. Hij waste zich bij de lampetkom en alvorens de vis op te eten opende hij de deur naar de andere slaapkamer op een kier, waar zijn moeder en zus nog tussen verfrommelde lakens lagen te slapen. Op straat was het fris. Boven de hoogste verdiepingen van de huizen begon het al licht te worden, alsof zich daar een schone, gezonde wereld bevond, heel anders dan het lawaai, de somberte, het vocht, het vuil en de stank waardoor de bewoners van de oude binnenstad omringd werden. Niet dat ze een hekel hadden aan hun woonomgeving. Integendeel, de meesten hielden net als zijn moeder van hun geboortegrond, waar ze in hun kindertijd hadden gewoond of als volwassene hadden gewerkt. Nee, het waren niet de mensen die dit zeiden. Het was de gemeente die in haar medische berichtgeving stelde

27


dat de grond en bodem van Barcelona vervuild waren. De overheid beweerde dat de kleibodem onder Barcelona het water vasthield, zodat deze voortdurend vochtig was en zich er vuil water, in ontbinding verkerend organisch materiaal en uitwerpselen in vastzetten; dat de riolering in erbarmelijke staat verkeerde, dat er in het hele netwerk lekken en onjuiste afvoerplekken zaten; dat het schoonhouden van de stad en de afvalophaal niets voorstelden; dat er geen watervoorziening was en dat de vele putten waar de Barcelonezen gebruik van maakten vuil en besmet waren. Aan tyfus en andere besmettelijke ziekten die endemisch waren geworden overleed een groot aantal mensen. En zijn moeder wilde er niet weg, dacht Dalmau terwijl hij voorbij de Santa Anna-kerk de Plaça de Catalunya op liep, een reusachtig, braakliggend terrein dat sinds de Wereldtentoonstelling van 1888 was voorbestemd voor de aanleg van een plein dat, al lag het er nog steeds niet, door iedereen wel al zo genoemd werd. Hij liep om de modderpoelen en hopen vuil heen die overal lagen en liep het plein rond tot hij voor Casa Pons stond, een schitterend neogotisch gebouw van vijf verdiepingen met op de hoeken twee grote torens met een puntdak. Het was in de laatste jaren van de vorige eeuw gebouwd, waarbij al gebruik was gemaakt van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de industriële kunst, glaswerkkunst, smeedwerk, schrijnwerk, en zelfs van de keramiek die Dalmaus baas maakte. Dit gebouw van de architect Enric Sagnier aan het begin van de Passeig de Gràcia zette niet alleen de modernistische fase van Barcelona in, maar legde ook zo’n duidelijke, overweldigende grens vast tussen twee verschillende werelden dat Dalmau er altijd even voor bleef staan en diep ademhaalde, nu eens achter zich kijkend, waar hij vandaan kwam en waar zijn moeder en zus waren, die al waren opgestaan; dan weer voor zich uit, naar de brede, met bomen omzoomde allee waar hij doorheen liep op weg naar zijn werk. Daar kwam de zon wel. Daar scheen de zon. Op de grond, op het plaveisel! En er hing niet zo’n weerzinwekkende stank. De rijken hadden het rioleringsprobleem eigenlijk ook niet weten op te lossen en je rook nog steeds de beerputten, maar door het windje dreven de dampen af, vast en zeker naar de oude binnenstad, vreesde Dalmau. Op dit tijdstip liepen er nog geen jonge burgerdames op de allee te fl aneren. In plaats daarvan zag je bakkers die brood rondbrachten,

28


bezorgers, dienstmeisjes, van wie de meesten mooier en frisser waren dan hun bazinnen, met een boodschappentas aan de arm; werklui op weg naar hun werk, veel bouwvakkers; winkeliers van beiderlei kunne, en groepjes paupers die in rijen voor de dienstingang van grote huizen stonden, want het was aalmoezendag. ‘Staat van oorlog!’ Een jongen die met kranten liep te venten haalde Dalmau uit zijn gedachten. ‘Barcelona verkeert in staat van oorlog!’ riep de snotaap, zo luid als zijn longen het toestonden. Dalmau liep naar hem toe. ‘Een krant graag,’ zei hij, net als veel anderen die zich om de jonge verkoper begonnen te verdringen. De met kranten beladen jongen deelde ze uit en inde zijn geld zonder zijn aanprijzingen te onderbreken. ‘De burgerregering draagt de leiding over aan het leger!’ Dalmaus ogen verslonden het bericht. Het was waar! De jongen bleef al schreeuwend de inhoud van zijn waar prijsgeven: ‘De gouverneur is niet in staat de rellen van de arbeiders in de hand te houden en draagt de leiding van de stad over aan de militairen! De kapitein-generaal heeft de staat van oorlog uitgeroepen! Burgerrechten zijn opgeschort!’ Dalmau verwijderde zich van het ordeloze groepje dat door de eerste editie van de krant van die dag ontstaan was en, alsof de realiteit de herhaalde kreten van de ventende jongen wilde bevestigen, reed er een tram de Passeig de Gràcia op die werd geëscorteerd door een detachement cavaleristen met getrokken sabels. Er deden zich die dag her en der nog wel wat schermutselingen voor, maar door de komst van de versterkingstroepen uit diverse plaatsen in Catalonië verloor de staking aan kracht en nam de strijdbaarheid af totdat de toestand in de stad weer normaal was, al werd daarmee de staat van oorlog niet opgeheven. Dalmau ging in de fabriek inmiddels al helemaal op in de schetsen voor de tegels met Japanse motieven. Het werd tijd voor het middageten en toen Dalmau weer eens niet reageerde, gaf don Manuel een van de leerjongens opdracht hem aan zijn mouw te trekken en hem te zeggen dat hij zich op de binnenplaats moest melden, in de koets, om bij hem thuis te gaan eten. Met enige regelmaat nodigde don Manuel Dalmau bij zich thuis uit. Als welgestelde industrieel woonde hij aan

29


de Passeig de Gràcia, in een reusachtig appartement met bijzonder hoge plafonds. Dalmau had er evengoed naartoe kunnen lopen, maar zijn baas ging graag met de koets, waar hij met hetzelfde air in- en uitstapte als waarmee hij de monumentale trap naar het Koninklijk Paleis in Madrid op zou lopen en waar hij net zo in ging zitten als hij in de betere restaurants kon doen. Met de zilveren knop van zijn wandelstok tikte hij tegen het dak van het rijtuig, en de koetsier zette de paarden in beweging. Ze waren nog niet van het fabrieksterrein af of don Manuel wees Dalmau met een afkeurend gebaar weer eens op zijn kleding. En Dalmau haalde weer eens zijn schouders op. ‘Ik betaal je meer dan voldoende,’ zei zijn baas met nadruk. ‘Je zou je volgens je positie kunnen kleden.’ ‘Neemt u me niet kwalijk, don Manuel, maar zo heb ik me altijd gekleed. U weet toch dat ik uit een eenvoudig gezin kom. Ik zie mezelf niet als een jongeheer.’ ‘Dat hoeft ook niet. Maar met een nette broek, een overhemd en colbert, en een fatsoenlijke hoed in plaats van die pet van…’ Opnieuw gebaarde hij, nu in de richting van Dalmaus pet, die hem in een van zijn handen verfrommelde. ‘Van stro… zou mijn lieve echtgenote je wel aan tafel willen hebben.’ Dalmau voerde hetzelfde excuus aan als altijd wanneer zijn baas hem op zijn armoedige kleding wees en op de mogelijkheid om samen met zijn echtgenote en twee dochters te eten – hun jongste zoontje at nog met het kindermeisje – en van tijd tot tijd ook met broeder Jacint, een monnik die lesgaf aan de piaristenschool in Sant Antoni. Ze aten aan de grote mahoniehouten tafel in de eetkamer van het huis, omringd door bedienden, met zilveren bestek dat om schitterende porseleinen, in levendige kleuren versierde borden heen lag, linnen servetten en fijne, elegante kristallen glazen waarvan Dalmau vreesde dat ze al in zijn handen zouden breken als hij er alleen maar iets te lang naar keek. ‘Don Manuel, u weet dat ik niet in staat ben aan uw verwachtingen te voldoen, en nog minder aan die van doña Celia. Ik zou haar niet willen krenken. Ik heb niet de juiste manieren,’ zei hij weer eens. ‘Ja, ja,’ gaf zijn meerdere toe. ‘Maar je kleren…’ Don Manuel begon opnieuw te gebaren.‘Dat zijn gewoon kleren voor in de werkplaats! Je

30


bent tweede tekenaar van de fabriek! De eerste na mij. Je zou het goede voorbeeld moeten geven.’ Dat was een van zijn andere klaagzangen. Moest hij soms zo’n boord dragen? Misschien was het er wel eentje die zijn moeder had zitten naaien bij het vale licht dat door het raam van hun huis naar binnen viel. Nee! Die boorden en manchetten zou hij nooit dragen, net zomin als de overhemden, colberts en broeken die het leven van zijn moeder verwoest hadden! Dalmau dacht met verdriet terug aan zijn kindertijd, die verlopen was op het ritme van de naaimachine. Als kind was hij soms wakker geschrokken van dat geratel, dat hem tot in de verste hoeken van hun woninkje achtervolgde. ‘Het voelt ongemakkelijk, don Manuel,’ zei hij op zowel beleefde als besliste toon. ‘In zulke kleren kan ik me niet op mijn werk concentreren. Het spijt me.’ Zonder op een reactie te wachten keek hij uit het raampje van de koets naar de bewegingen op straat. Op dat uur van de dag had in de Eixample, de rijke wijk waar ze doorheen reden, de staat van oorlog die de kapitein-generaal had uitgeroepen geleid tot absolute rust. Hij zag een paar soldaten werkeloos van de voorjaarszon en de voorbijlopende vrouwen genieten in plaats van alert te zijn op niet-bestaande stakingen en opstootjes. Emma en Montserrat waren weer aan het werk gegaan. De een in het eethuis, de ander in de fabriek. De twee waren, net als de meeste arbeiders, even woedend als teleurgesteld dat het leger had ingegrepen. Glimlachend bedacht hij dat hij ze vanavond weer zou zien. De geluiden van de paardenhoeven en het tuig van de koetsier hielden op toen de koets tot stilstand kwam voor de grote toegangsdeur van het gebouw aan de Passeig de Gràcia waar don Manuel met zijn gezin woonde. Dalmau stond erop dat zijn baas als eerste uitstapte, om te voorkomen dat hij hem moest helpen bij het uitstijgen en don Manuel geheel overbodig op zijn arm zou leunen of zijn stem zou verheffen om publiekelijk te genieten van zijn hulp, alsof hij een bediende was, als een soort straf voor zijn kleding. Want direct daarna, in die grote patriciërswoning met haar hoge, met keramiek versierde plafonds, vele meubels, schilderijen en beelden en alle mogelijke nuttige en nutteloze voorwerpen ter decoratie, zou don Manuel zich heel anders tegen hem opstellen. De waardering die hij mogelijk voor Dalmau had werd niet gedeeld door zijn vrouw, doña Celia, die haar minachting voor eenvoudige

31


mensen – laat staan revolutionairen – nooit had verheeld. Voor haar deed de gave voor de schilderkunst van iemand die de zoon was van een anarchist die voor moord was veroordeeld, er weinig toe. ‘Er zullen honderden jongens zijn die net zo goed zijn als hij, die ook van eenvoudige komaf zijn,’ preekte ze tegen don Manuel. ‘Ik heb niets tegen arbeiders, zolang ze maar katholiek zijn en niet atheïstisch, zoals deze jongen.’ Dat zijn vrouw Dalmau hatelijk bejegende maakte don Manuel weinig uit, want hij nodigde Dalmau alleen maar uit voor het eten omdat hij diens mening wilde horen over werk dat hij niet in de fabriek maakte, maar in zijn atelier in een van de kamers van zijn huis. Schilderijen.Werken die niets met keramiek van doen hadden. Meestal landschappen, hoewel hij zich ook een enkele keer had gewaagd aan gewijd werk en soms zelfs aan een portret. Don Manuel was een uitstekend schilder die niet alleen in Catalonië, maar in het hele land erkenning genoot. Hij combineerde zijn vele maatschappelijke en culturele activiteiten met zijn functie van docent aan de Llotja-academie. Daar voorvoelde en constateerde hij dat de jonge Dalmau uitmuntende kunstzinnige kwaliteiten had, waardoor hij hem bijna als zijn kind had aangenomen. Hij hielp Dalmau zelfs financieel ten tijde van de ballingschap en de dood van zijn vader na de rechtszaak te Montjuïc, een schertsvertoning die door de autoriteiten werd aangegrepen om de anarchistische beweging te decimeren naar aanleiding van een bomontploffing precies voor de kerk van de Heilige Maria van de Zee op Sacramentsdag 1896. Dat de vader van Dalmau een revolutionair anarchist was geweest leek don Manuel niet te deren; hij zag het als een kans om de zoon van een moordenaar en gewelddadig vrijdenker warm te maken voor het christelijk geloof en de christelijke leer. Don Manuel had Dalmau als leerjongen aangenomen nog voordat die zijn opleiding aan de Llotja-academie had voltooid. En het doel van de jongen was: zo veel mogelijk leren over de fabricage van tegels en daarnaast óók over het invoegen van de tegels in een bouwwerk. Fabrikanten konden het zich niet veroorloven dat onbekwame metselaars goed werk verknoeiden en dat aannemers uiteindelijk hun de constructiefouten in de schoenen schoven. Daarom boden alle belangrijke ondernemingen ook het plaatsen van tegels in een bouwwerk aan. Ze leefden in een tijd dat portlandcement inmiddels voor

32


een omwenteling had gezorgd in de aanhechting van tegels. Dalmau had geleerd hoe dik de zandlaag moest zijn voor vloertegels, en hoe dik voor wandtegels; hoe je tegels op een trap aanbracht en welke breedte voegen je moest aanhouden voor de draagkracht; hoe je tegels op houten vloeren kon leggen nadat je op de geprepareerde vloer cement had gestort. Hij leerde hoelang tegels in de week moesten staan voor ze konden worden geplaatst; hoe je altijd in het midden van een kamer begon en de afwerking bewaarde voor de hoeken. Hij leerde, kortom, alles wat er maar te leren viel over het plaatsen van tegels en mozaïek, totdat hij op zijn negentiende wegens deze verdiensten ná zijn baas eerste ontwerper en tekenaar van de fabriek werd. Daar kwam natuurlijk de nodige jaloezie en ruzie van, want heel wat mensen hadden er moeite mee om te luisteren naar een jongen die niet eens een colbert en hoed droeg en die kortgeleden nog naast hen op de knieën had gewerkt, maar het gemopper hield al snel op toen Dalmau liet zien wat hij waard was. Doña Celia begroette hem met een snauw en een boze blik toen hij zijn baas door de zitkamer van het huis naar diens atelier volgde. ‘Goedemiddag, señora,’ zei hij niettemin beleefd.‘Señorita’s,’ voegde hij er met een klein knikje in de richting van de twee dochters aan toe, die zo’n twee, drie jaar jonger waren dan hij en die bij de grote ramen die op de Passeig de Gràcia uitkeken, verveeld de tijd zaten te doden. Het zoontje zou wel in de speelkamer zijn. Úrsula, de oudste dochter, beantwoordde zijn groet met een geheimzinnig glimlachje dat hem wat van zijn stuk bracht. Het was niet de eerste keer. Dat glimlachje, die half geloken ogen, de onbeschaamdheid die ze zich een fractie van een seconde veroorloofde, erop bedacht dat niemand het zou zien of merken, riepen bij Dalmau heel wat anders op dan een gewone begroeting zou doen wanneer je door een woonkamer liep. ‘Dalmau!’ De uitroep van zijn baas, die al voor de deur van zijn atelier stond, verjoeg zijn gedachten. ‘Wat vind je ervan?’ vroeg don Manuel terwijl hij met een zwierig gebaar naar zijn laatst voltooide werk wees. ‘Ik denk erover om het de nieuwe bisschop als welkomstgeschenk aan te bieden.’ Realistisch, te realistisch. Maar dat zei Dalmau niet. Hij zweeg en

33


deed alsof hij geconcentreerd naar het schilderij keek. Erg lang hoefde hij niet te kijken. Het was goed… maar gedateerd, het was net als die donkere schilderijen die je in kerken zag. Het was een stadslandschap met daarin een kerk en op de voorgrond twee eenvoudige vrouwen die deze binnenliepen. Maar het ontbrak aan licht. Het licht van de impressionisten, waar uiteindelijk zelfs veel collega’s van zijn baas in hun werk mee waren gaan spelen. Misschien vond de nieuwe bisschop het mooi, het had iets nostalgisch.Verder bracht het schilderij weinig gevoel over, behalve vroomheid en geloofsijver. Wat vind je ervan? Het was altijd hetzelfde, zijn oordeel zou hem alleen maar in de problemen brengen. Hij zat aan zijn baas vast. Niet alleen wat het werk in de fabriek betrof. In januari van dat jaar had in Barcelona de loting plaatsgevonden voor de dienstplicht van negentienjarigen, zíjn lichting, die de gelederen van het leger moest komen versterken. Dalmau had geen geluk, zijn naam zat erbij. Twaalf jaar vastzitten aan het leger! De eerste drie jaar in actieve dienst ergens in een kazerne. Dan nog drie jaar als actief reservist en de laatste zes jaar bij de tweede reserve. Een ramp voor iedere jonge man. Zijn ontwikkeling en leven werden erdoor onderbroken, en ook zijn werk; werk dat vaak zo broodnodig was binnen een arbeidersgezin, in ieder geval tijdens die eerste drie jaar actieve dienst. Zijn moeder had een kleine flauwte gekregen toen ze het bericht hoorde. Montserrat en Emma gingen tekeer tegen de staat, het leger, de rijken en de geestelijken, en begonnen vervolgens te huilen. Emma was ontroostbaar toen ze begreep dat ze haar verloofde zou verliezen. Maar don Manuel mopperde, uitte een ingehouden vloek, zoals het een goed christen betaamde, zuchtte, en na even te hebben nagedacht, bood hij Dalmau het bedrag aan dat nodig was om het af te kopen. Het recept waarmee rijken zich van het leger vrijwaarden en degenen die niet zo rijk waren zich hopeloos in de schulden staken: vijftienhonderd gouden peseta’s! Dalmau besprak het aanbod thuis. Ze gingen ermee akkoord, al beschouwden ze zijn baas als een verstokt katholiek, een bourgeois, een vermogende industrieel, alles waar ze tot dusver tegen gevochten hadden en waarvoor Tomás, de vader van Dalmau, ten onrechte was gestorven. Don Manuel was niet meer dan de incarnatie van deze macht, die de arbeiders onderdrukte, bestal en uitbuitte, en waartegen de jonge vrouwen nu in opstand kwamen.

34


‘En wat denk je er zelf van, jongen?’ vroeg Josefa, een eind makend aan het gemopper van de andere twee. Dalmau spreidde zijn armen, de handpalmen naar boven gekeerd. ‘Het enige wat ik wil is tekenen, schilderen en bij jullie zijn,’ somde hij op. ‘Wat kan het mij schelen of ik daarvoor van hem, of van deze of gene vijftienhonderd peseta’s moet lenen om me uit het leger vrij te kopen?’ Ze ondertekenden een leenovereenkomst die door de advocaat van don Manuel was opgesteld. Met zijn drieën gingen ze aan een lange tafel zitten die bedoeld was als vergadertafel voor veel meer mensen. De noodzakelijke ondertekening van het document, dat de advocaat in zijn handen hield alsof het een onbelangrijk papiertje was, leek ondergeschikt aan het gebabbel van hem en don Manuel over hun beider gezinnen en allerlei onbenulligheden, alsof Dalmau niet aanwezig was. Ten slotte, alsof ze er beiden tegelijkertijd achter kwamen hoeveel tijd ze verdaan hadden, beëindigden ze hun gesprek en stelden ze voor tot ondertekening over te gaan. De advocaat bladerde door het document en knikte bij alles wat door zijn stagiair was opgeschreven. ‘De gangbare, gebruikelijke bepalingen. Juist. Precies,’ zei hij steeds maar. ‘Je hebt geluk, jongen,’ zei hij later tegen Dalmau, en hij wees met zijn vinger waar die zijn handtekening moest zetten, ‘dat je zo’n vrijgevige baas hebt als don Manuel.’ Dalmau moest jaarlijks honderd peseta’s, plus rente, terugbetalen. Zoveel had hij nog wel begrepen op het advocatenkantoor. Ook later had hij geen zin om de rest van de meerdere bladzijden tellende overeenkomst te lezen. Nadat hij hem door zijn moeder had laten tekenen – met zijn negentien jaar werd hij nog als minderjarig beschouwd – bewaarde hij zijn exemplaar in de map voor documenten en legde hij dat voor zijn baas opzij om de volgende dag aan hem te overhandigen. Hoe belangrijk was het helemaal wat erin stond? Hij werkte voor don Manuel, die goed betaalde, en juist aan degene die hem betaalde was hij het geld verschuldigd. En nu moest hij een oordeel vellen over het schilderij dat was gemaakt door de man die hij dankbaar moest zijn dat hij niet in een of andere uithoek van het land in een kazerne zat. Het schilderij sprak hem niet aan. Het was somber en gedateerd, het bracht geen enkele sensatie over. Maar hoe kon hij nou zijn echte mening geven? Hij

35


zocht naar iets wat niet helemaal een leugen was. ‘Je kunt die twee kerkgangsters bijna hóren bidden,’ zei hij met zware stem, maar zachtjes, alsof hij de twee vrouwen niet wilde storen. Don Manuels gezicht plooide zich tot een brede, gelukzalige glimlach die zelfs zijn bakkebaarden en dichte snor niet konden verhullen. Hij groeide helemaal. Diezelfde dag, tegen de avond, liep Dalmau verdwaald rond tussen de menigte in de wijk Sant Antoni. Hij had Paco gevraagd om hem te waarschuwen voor het donker werd, en de oude waker genoot ervan opnieuw het kraantje van de gaslamp in het atelier dicht te draaien terwijl Dalmau nog helemaal opging in zijn werk. ‘Wie doet dat?’ vroeg Dalmau toen hij geen licht meer had. Toen wist hij het weer. Hij lachte, gooide zijn stofjas over het haakje en liep naar het eethuis waar Emma werkte, een uitspanning vlak bij de markt van Sant Antoni, waar hij vanuit de wijk Les Corts, waar de fabriek stond, naartoe liep. In normaal tempo deed hij er ongeveer een halfuur over, hij liep dan bijna in een rechte lijn naar de zee. Wanneer de zon nog scheen maakte hij soms een omweg via de oude binnenstad naar de Passeig de Gràcia of de Rambla de Catalunya om naar de modernistische gebouwen en naar de rijken te kijken die daar wandelden. Maar wanneer het al schemerde, zoals nu, genoot hij meer van de atmosfeer in de armere wijken, van de voortdurende drukte en van de herrie die de meubelwerkers en de timmerlieden maakten. Heel anders dan in Les Corts, dat verder van het centrum verwijderd was, was er in Sant Antoni van alles te zien: tussen de hoedenfabrieken, de werkplaatsen waar hazenvellen werden gesneden, de fabrieken waar sterkedrank of brandewijn werd gestookt, de lampenfabrieken en de smederijen zaten kleermakers, zadelmakers, barbiers, blikslagers… De bestuurlijke grenzen van Sant Antoni waren duidelijk afgebakend, maar geografisch werd er in het algemeen een uitgebreid gebied onder begrepen dat begon bij de afgebroken stadsmuur van Barcelona ter hoogte van de haven, en aan de westzijde bij de rondweg naar het slachthuis; aan de noordzijde liep het tot de Carrer de Corts, al hielden sommigen een noordelijker punt aan; en naar het zuiden en oosten werd het begrensd door de Avinguda del Parallel en de Plaça de la Universitat. De wijk maakte deel uit van de Eixample, aangezien

36


de stedelijke uitbreiding er was begonnen na het wegvallen van de stadsmuur en het vrijkomen van alle omringende terreinen waar om militaire redenen niet mocht worden gebouwd. Anders dan de Passeig de Gràcia, de Rambla de Catalunya en soortgelijke straten, waar de rijken en de burgerij in een ijdele competitie bezig waren met het laten verrijzen van neoklassieke en nu zelfs modernistische gebouwen, was Sant Antoni een conglomeraat van allerlei soorten nijverheid, grote en kleine fabrieken die willekeurig waren opgetrokken tussen nietszeggende gebouwen voor bewoning en nog onbebouwde terreinen. Op de binnenplaatsen van de huizenblokken, die in het oorspronkelijke plan van de stedenbouwkundige Cerdà bedoeld waren voor tuinen en recreatie, waren aan weerszijden van de paden die erdoorheen liepen werkplaatsen en armzalige woningen gebouwd. Er liepen voortdurend mensen de winkels en werkplaatsen in en uit, rustig, alsof er geen staat van oorlog was die door een paar rondlopende soldaten laks gehandhaafd werd. Trams, door muildieren getrokken wagens, huurkoetsen, paarden en fietsen reden gevaarlijk door elkaar heen en deden het stof van de ongeplaveide straten opwaaien. Overal klonk gelach en geroep, soms een woordenwisseling, geluiden die zich vermengden met de duizenden geuren die in de lucht hingen: gepekelde waren, zuren die je bijna beletten te ademen, zoals vitriool en salpeterzuur, vernis, brandewijn, azijn, mest, vet, leer van allerlei dieren… Dalmau merkte dat zijn zintuigen tot het uiterste geprikkeld werden: het licht, de mensen, de kleuren, lawaai, drukte, vrolijkheid… Hij zou het graag ter plekke geschilderd hebben, al die gewaarwordingen willen vangen en overbrengen op doek, door elkaar heen, zoals je ze nu kon opmerken: flitsen van leven. Toen hij bij Ca Bertrán aankwam zoals het eethuis heette waar Emma werkte, bevond hij zich in een merkwaardige gemoedstoestand waarvan hij niet kon zeggen of die plezierig of verontrustend was. Ca Bertrán bevond zich in een gebouw van slechts één verdieping dat was opgetrokken uit ruw bouwmateriaal. Een grote ruimte met onder het dak dat aan twee kanten op zuilen rustte, een groot aantal in drie rijen gerangschikte tafels. Tussen de zuilen door liep je zo de openlucht in, naar een kaal stuk grond dat aan één kant grensde aan de muur van een zeepfabriek. Het was er zoals gewoonlijk vol, omdat

37


je er in deze eenvoudige wijk goedkoop kon eten.Voor slechts dertig cent kregen de gasten al een bord vol kikkererwten met wat vlees of kabeljauw en brood en wijn voorgezet door de twee dochters van Bertrán. Anderen betaalden een paar cent meer om de traditionele Catalaanse stoofpot te kunnen bestellen. Dalmau keek de drukke zaak rond. Hij zag Emma niet, maar Bertrán wel, die vanuit een hoek alles rustig in de gaten hield. Zijn magere postuur weerlegde het gebruikelijke beeld van eethuiseigenaren met omvangrijke buiken. Bij wijze van groet glimlachte hij naar Dalmau en maakte een hoofdbeweging naar de keuken. Dalmau groette hem ook en liep ernaartoe. Hij genoot hier bepaalde voorrechten, niet alleen omdat hij Emma’s verloofde was maar ook vanwege een houtskoolportret dat hij van Bertráns vrouw en dochters had gemaakt en dat naar diens zeggen op een prominente plek in hun eetkamer hing. Dalmau liep de keuken in, die zich achter in de zaak bevond. Een tijd geleden had Bertrán hem gevraagd om nog een portret te maken, nu van hemzelf, en dat hing pontificaal boven de deur van de ruimte waar de sterkedrank en het geld werden bewaard en geteld. Hij zag Emma ook niet tussen de stuk of vijf mensen die koortsachtig in de keuken aan het werk waren. Hun aantal leek onvoldoende voor het aantal maaltijden dat in de eetzaal geserveerd werd. Er stonden drie komforen van zwart ijzer met elk vier pitten die op kolen werkten. Bijna alle pitten stonden aan en verwarmden ijzeren potten en pannen. In een hoek van de keuken brandde nog gewoon een vuur op de grond, waarboven aan een ketting met een haak een grote, borrelende pot hing. ‘Ze is buiten met de vaat bezig,’ zei een van de dochters van Bertrán tegen hem toen ze langs hem liep. Het hele gezin werkte in de zaak. ‘Sta hier niet zo in de weg!’ zei iemand anders. ‘Ga als de bliksem naar je verloofde en val ons verder niet lastig,’ bemoeide de moeder zich er op gebiedende toon mee. Dalmau gehoorzaamde en liep naar de buitenplaats aan de achterkant, waar kolen en allerlei nergens toe dienende spullen lagen opgeslagen die Bertrán met alle geweld wilde bewaren. Het werd al donker. De zon liet een rood spoor in de lucht achter waardoor het gevoel waarmee hij de zaak was binnengelopen weer in hem wakker

38


werd. Hij herkende Emma in het silhouet dat met de rug naar hem toe stond, gebogen over een berg zand waarmee de vuile vaat werd schoongemaakt.Twee jochies, die later die avond restjes mochten eten, hielpen haar. Dalmau kwam onhoorbaar dichterbij, vatte haar om haar middel en drukte zijn kruis met kracht tegen haar billen. ‘Hé!’ riep Emma terwijl ze overeind schoot. Dalmau liet haar niet los. ‘Ik zou me zorgen maken als je niet verrast was,’ fluisterde hij in haar oor terwijl hij haar nog steviger tegen zich aan drukte. ‘Zo reageer ik wanneer ik van achteren word aangevallen,’ zei Emma droogjes. ‘Gaan jullie eens door met boenen!’ zei ze tegen de twee jochies, die hen aanstaarden. Dalmau wreef zijn harde penis tegen haar aan. ‘Is hier niet ergens een mooi plekje voor ons?’ vroeg hij, en hij zoende haar in haar hals. ‘Ik zal toch eerst de vaat moeten doen.’ Met Dalmau nog koppig om haar heupen geklemd boog Emma zich weer over de vaat, gooide een handvol zand in een bord en wreef het ermee in tot alle etensresten verdwenen waren. ‘Hou ’s op!’ maande ze Dalmau toen zijn handen haar borsten zochten. Samen met de etensresten gooide ze het vuile zand op een andere hoop. Het was zacht, kleihoudend zand, dat op de berg Montjuïc in overvloed aanwezig was. ‘Stoppen nou!’ Ze voelde een hand om haar ene borst. Ze zag dat er niets meer op het bord te zien was en haalde het door de teil met water. ‘Waarom laat je die twee de vaat niet doen?’ vroeg Dalmau. ‘Omdat, zodra ik me heb omgedraaid, ze de borden, de teil en zelfs het zand zouden meenemen. Rustig nou, ik ben bijna klaar… als je me laat doorwerken. Dat snap je toch wel?’ Hij bleef haar vasthouden, maar verslapte zijn greep, alsof hij haar wel haar werk wilde laten doen. ‘Je zou ook kunnen meehelpen…’ zei Emma verwijtend. ‘Ik? Een kunstenaar?’ grapte hij. ‘Mijn handen…’ ‘Moet ik je vertellen wat die handen vanavond gaan aanraken?’ Met Dalmaus hulp was het werk zo gedaan en ze namen snel afscheid van Bertrán en zijn vrouw en dochters, zodat die geen gelegenheid hadden Emma te vragen nog iets te doen. Ze haastten zich

39


naar het huis van Emma’s oom, waar ze woonde sinds ze wees was geworden. ‘Hij moet vanavond wachtlopen bij het slachthuis,’ zei Emma. ‘En zijn kinderen?’ Emma haalde haar schouders op. ‘Als ze opduiken, zullen ze het wel begrijpen. En als ze het niet begrijpen, zullen ze het maar moeten accepteren.’ Het was een gehuurde woning, een van de duizenden die de rijken in de Eixample hadden laten bouwen om ze te verhuren aan de arbeidende massa, die maar bleef groeien dankzij de toestroom van mensen die op zoek waren naar een beter leven in de grote stad. Het waren stenen panden die eerst ‘huizen met trap’ werden genoemd, later ‘Catalaanse eenheden’, waar bij het bouwen zuinigheid de boventoon had gevoerd en de zwakke stenen muren tot wel zeven verdiepingen moesten dragen.Volgens de aannemers die de huizen opleverden waren er op de hele wereld nergens zulke dunne muren te vinden die zoveel gewicht moesten dragen. Ook was er in de panden bij het bouwen van beneden naar boven een kwaliteitsrangorde aangehouden. Op de bel-etage, de hoofdetage, de eerste boven de winkels, woonde gewoonlijk de eigenaar. Deze etage had hoge plafonds, een groot balkon, en grote ramen… Naarmate je hoger kwam, waren de woningen kleiner, met lagere plafonds, hadden ze minder balkons en ramen, en op de hoogste verdieping waren helemaal geen ramen en balkons meer te vinden, terwijl de kwaliteit van de bouwmaterialen navenant minder was geworden. Het huis van Emma’s oom bevond zich op een van de hogere verdiepingen, maar desondanks was het aanzienlijk ruimer en beter geventileerd dan een huis in de oude binnenstad. Emma sloot de deur van een van de twee slaapkamers, een kamer die ze met haar nicht deelde, stak een paar kaarsen aan, en toen ze zich omdraaide duwde ze hard tegen Dalmau aan, die haar borsten vasthield, zodat die het evenwicht verloor en zittend op het bed terechtkwam. Ze ging voor hem staan en drukte zijn hoofd tussen haar benen. ‘Waar is dat vuur van jou nu?’ vroeg ze, terwijl ze zijn gezicht tegen zich aan wreef. Dalmau knielde voor haar neer, deed haar rok en schort omhoog en met zijn handen om haar billen begon hij haar onder haar rok te likken, eerst haar schaamheuvel en toen haar vulva.

40


Met Dalmau onder haar rok verborgen leek het of Emma alleen in de kamer stond. Het genot dat hij haar verschafte vulde ze aan door zichzelf over haar hele lichaam te strelen: haar buik, haar borsten, haar hals… Ten slotte kwam ze met een ingehouden kreet klaar. ‘Doe je kleren uit,’ zei ze toen. Ze kleedde zichzelf ook uit, zodat haar twee grote, stevige borsten met naar boven wijzende tepels zichtbaar werden, haar platte buik, smalle middel en ronde heupen. Haar weelderige lichaam was goed geproportioneerd. ‘Wat heb je toch een mooi lijf,’ zei Dalmau, met een klap tegen haar billen. Dankzij het werk van haar oom in het slachthuis en haar werk in het eethuis kregen ze goed te eten, iets waar de meerderheid van Barcelona’s inwoners het zonder moest stellen. Zoals altijd wanneer hij haar naakt zag, schudde Dalmau zijn hoofd, in vervoering gebracht omdat hij niet kon geloven dat het echt was wat hij zag. ‘Je bent mooi. Zo mooi.’ In het schijnsel van de kaarsen lichtte Emma’s glimlachende gezicht op, dat parelde van het zweet. Het was ovaal van vorm, met twee grote, kastanjekleurige ogen erin, volle lippen, iets uitstekende jukbeenderen en een rechte, krachtige neus, die haar besluitvaardige, onafhankelijke karakter verried. Dat was voor iedereen die haar zag meteen duidelijk. ‘Jij mag er ook zijn,’ zei ze, terwijl ze zijn harde penis streelde. ‘Je hebt zeker geen kapotje bij je?’ ‘Helaas.’ ‘Je had anders genoeg tijd om er eentje te halen,’ zei ze verwijtend terwijl ze hem achteroverdrukte op het bed, zodat hij op zijn rug kwam te liggen.Vervolgens ging ze schrijlings op hem zitten en manoeuvreerde ze zijn penis bij haar naar binnen. ‘Waarschuw me als je klaarkomt,’ zei ze, terwijl ze ritmisch op hem begon te bewegen en met haar handen zijn tepels stimuleerde. ‘Anders vermoord ik je.’ Dalmau pakte haar bij haar middel om met haar mee te kunnen bewegen. ‘Ik hou van je,’ fluisterde Emma met gesloten ogen, waardoor hun gehijg en gekreun even onderbroken werd. Ze hield haar hoofd helemaal achterover voor nog meer genot, om hem nog dieper in zich te voelen. ‘En ik van jou.’

41


‘Hoeveel?’ Ze voelde een rilling door haar hele lijf gaan. ‘Oneindig…’ Emma kreunde. ‘Leugenaar,’ zei ze toen. ‘O?’ Dalmau stootte hard, alsof hij haar wilde breken. Ze schreeuwde. Eén stoot, nog een… Hij hoefde haar niet te waarschuwen. Zijn bijna stuiptrekkende bewegingen maakten duidelijk dat hij op het punt stond te ejaculeren. Ze gleed van hem af en bevredigde hem met haar mond. Uiteindelijk lagen ze alle twee zwetend en hijgend in het bed. Dalmau trok Emma naar zich toe, zodat ze met haar hoofd op zijn borst kwam te liggen. Hij luisterde hoe haar gejaagde ademhaling rustiger werd. Emma… Bij de gedachte dat ze elkaar al sinds hun kindertijd kenden, glimlachte hij. Ja, zelfs toen al grapte zijn zus soms dat ze verloofden zouden worden en maakte ze toespelingen, vooral tegen Emma, die dan rood werd en een andere kant op keek.Wat kon Montserrat zich nog meer wensen dan dat haar lieve broer de verloofde werd van haar beste vriendin? Op een dag was Emma ineens geen klein meisje meer, niet meer de vriendin van zijn zus of de dochter van de maat van zijn vader, maar was ze een aantrekkelijke, zinnelijke vrouw geworden, onafhankelijk, hardwerkend, sterk en intelligent. Wanneer en hoe het begonnen was zou hij niet kunnen zeggen. Hij had er vaak over nagedacht. Het was niet per se haar voluptueuze lichaam geweest waardoor hij anders naar haar was gaan kijken. Misschien was het een van haar gevatte opmerkingen geweest; ze kon in gesprekken droog en scherp uit de hoek komen. Misschien een grap of haar uitbundige, zorgeloze lach, die niets aanstellerigs had. Misschien was het gebeurd toen hij haar in het eethuis aan het werk zag, of die avond dat ze zomaar bij zijn moeder voor de deur had gestaan met een pan met gebraden konijn. Ze had Josefa, Montserrat en Dalmau verrast met de woorden: ‘Aan tafel!’ Of misschien was het haar moedige optreden op straat, waar ze opkwam voor de rechten van arbeiders. Of haar geur, dat subtiele, muskusachtige aroma dat hij op een avond bij haar bespeurde en hem op een onthutsende manier trof. Was dit dezelfde Emma als gisteren? Nee, hij wist niet meer wanneer hij verliefd was geworden op deze… godin. Hij drukte haar tegen zich aan. Ze bleef maar spelen met zijn

42


borsthaar, dat ze met een paar haartjes tegelijk om haar vinger wond en vervolgens plotseling uittrok. ‘Wat gemeen!’ zei Dalmau. Zij? ‘Ik ben altijd al verliefd op je geweest,’ had ze een keer bekend. ‘Altijd al? Hoezo?’ wilde hij weten. ‘Ik was nog heel klein. Maar toen al trok je gevoeligheid mij aan. Weet je nog dat je tekeningen voor me maakte?’ Hij knikte. ‘Toen waren ze nog heel slecht…’ Ze lachte. ‘Maar ik heb ze allemaal nog.’ Ze had hem die tekeningen nog nooit laten zien. ‘Misschien wil je ze dan wel terug,’ was haar excuus. ‘Kunstenaars zijn rare wezens.’ Nadat ze uitgespeeld was met zijn borsthaar en een aantal haren had uitgetrokken, bleef hij nog een tijdje naar haar ademhaling luisteren. ‘Heb je nog wat van Montserrat gehoord?’ vroeg hij toen.

43


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Falcones - Schilder van Barcelona by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu