Skip to main content

Cole, Daniel - Mimic - leesfragment

Page 1

Van Daniel Cole zijn verschenen:

Ragdoll Marionet De wolven Mimic


Daniel Cole

Mimic Vertaald door Roelof Posthuma

uitgeverij luitingh-sijthoff


De beide citaten op pagina 317 zijn afkomstig uit Ovidius, Metamorphosen, Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2011, I.539, blz. 22, vertaling M. D’Hane-Scheltema

c 2021 Daniel Cole All rights reserved c 2021 Nederlandse vertaling Uitgeverij Luitingh ~ Sijthoff B.V., Amsterdam Alle rechten voorbehouden Oorspronkelijke titel: Mimic Vertaling: Roelof Posthuma Omslagontwerp: Roald Triebels Omslagbeeld: Getty Images (Netherlands) BV isbn 978 90 245 9489 4 isbn 978 90 245 9490 0 (e-book) isbn 978 90 245 9631 7 (luisterboek) nur 332 www.lsamsterdam.nl www.boekenwereld.com Uitgeverij Luitingh-Sijthoff vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van dit boek is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat dit niet tot bosvernietiging heeft geleid.


De Dag Dat de Dood Op Bezoek Kwam n zo keerde de oude man terug naar huis, waar hij de Dood, die eindelijk voor hem was gekomen, sluimerend aantrof in zijn stoel. Maar, dacht de oude man, is de Dood niet gewoon de zoveelste vijand? Een vijand die moe en alleen is? Dus stapte hij geruisloos over de mantelplooien die als rivieren van teer over de vloer uitgespreid lagen, zocht in zijn kleine huis een mes op en besloop zijn slapende gast met de heimelijke gang van de Dood zelf. Dronken van verlangen naar eeuwig leven hief de man zijn handen hoog op en stootte het metaal hard tot diep in de asgrauwe ingewanden. Maar hij had de Dood alleen maar gewekt, die opstond en wraakzuchtiger en wreder dan ooit boven de jammerende man uittorende, zonder zich te bekommeren om het mes dat nog in de stoel stak. ‘Probeer je mij te ontlopen?’ lachte hij. ‘Je hoeft het maar te vragen. Ik kan je verzekeren dat je mijn genade nóóit zult smaken. Want alleen de levenden kunnen lijden zoals jij zult lijden.’ Na die woorden verliet de Dood het huis. Hij had nog veel te doen.

E

Bijna op de dag af zeven jaar later keerde de Dood terug naar het kleine huis, waar hij de man sluimerend in zijn stoel aantrof, met een bekend mes op zijn schoot. En dus stapte hij geruisloos over het bloed dat zich als rode linten over de vloer verspreidde en pakte de gerimpelde armen vast. Toen de oude man de kilte van zijn greep voelde, kwam hij bij en met tranen in zijn ogen keek hij naar zijn geheelde wonden. 5


‘Alsjeblieft!’ huilde hij. ‘Je hebt me alles toch al afgenomen? Heb ik niet genoeg geleden?’ Vergenoegd boog zijn bezoeker zich voorover en fluisterde in zijn oor: ‘Nee, mijn oude vriend… Nog niet.’ Na die woorden verliet de Dood het huis. Want hij had nog steeds veel te doen.

6


Donderdag 1 Februari 1989


I

De richtingaanwijzers klikten luid en lieten vormen oplichten en weer in schaduwen verdwijnen alsof een onzichtbaar publiek in het donker lucifers afstak. Op de wenk van een slungelig ogend silhouet draaide rechercheur Benjamin Chambers zijn stuur richting Hyde Park. De gestalte liep snel naar voren om de poort te openen, zijn donkergroene jas van de plantsoenendienst gevangen in het licht van de koplampen terwijl hij aan het slot morrelde. Nadat hij het bevroren metaal met zijn blote handen had overwonnen, wenkte Chambers’ gids hem mee en liep op een sukkeldrafje vooruit. De rechercheur onderdrukte een geeuw, schakelde, reed de niet schoongeveegde weg door het park op en hoorde het geluid van de banden veranderen toen het natte beton plaatsmaakte voor een compacte ijslaag. ‘Rijd hem niet dood… Rijd hem niet dood,’ mompelde hij binnensmonds, er niet van overtuigd dat de auto ook zou stoppen wanneer zijn escorte besloot te blijven staan. Hoe dieper ze het grote Londense park in reden, hoe meer en regelmatiger de wielen slipten. Plotseling verloor de man voor hem zijn evenwicht en verdween met een verontrustende bonk ergens onder de motorkap. Het rempedaal trilde voordat de auto traag tot stilstand kwam. Chambers huiverde, boog zich voorover in zijn stoel en keek bezorgd naar het uiteinde van de motorkap… Maar plotseling dook er een vrolijk gezicht tussen de koplampen op, en de verlichte badge op zijn borst vermeldde trots de naam van de eigenaar: deano. ‘Het spijt me!’ gebaarde de man, terwijl hij weer opstond. 9


‘Het spijt jóú?!’ riep Chambers ongelovig terug. Hij schudde zijn hoofd. ‘Het is net voorbij die bomen!’ schreeuwde Deano, die niets van zijn les had geleerd en zijn positie op drie hachelijke stappen voor de auto weer innam. Aarzelend trok Chambers weer op. Hij hield flink afstand en parkeerde uiteindelijk naast een patrouillewagen, waarin twee agenten in uniform schuilden tegen de koude wind, die naar binnen sloeg zodra hij het portier opende. Knarsetandend stapte hij uit en trok de kraag van zijn jas omhoog. Zijn gids van de plantsoenendienst keek hem verrast aan. ‘Ik heb nog nooit eerder een zwarte rechercheur ontmoet,’ zei hij tegen Chambers, die zich weinig aantrok van de onnozele opmerking. ‘Voor alles is een eerste keer. Maar als je het mij vraagt ben ik in feite heel, heel, héél donkerbruin,’ antwoordde hij sarcastisch, de omgeving al afspeurend naar een lichaam. Deano grinnikte: ‘U hebt gelijk. Daarom bent u natuurlijk de rechercheur.’ ‘Zoiets.’ Chambers fronste, omdat hij alleen een verzameling voetafdrukken rond de stenen sokkel van een standbeeld zag. ‘Alles draait om de details… Details als: waar is het dode lichaam waar ik naar zou moeten kijken?’ Achter hen sloeg een autoportier dicht: een van de geüniformeerde agenten had eindelijk de moed verzameld om weer naar buiten te stappen. De donkerblonde man met zijn achterovergekamde haar was een dikke tien jaar jonger dan Chambers, hooguit eenentwintig. Hij stak het restant van een chocoladereep in zijn zak voordat hij doorliep om zich voor te stellen. ‘Rechercheur Chambers?’ vroeg hij met een Zuid-Londens accent. ‘Adam Winter. En dat’ – hij gebaarde naar zijn partner, een Viking-achtige lange vrouw die met forse tegenzin achter hem aan was gekomen – ‘is Reilly.’ De andere agent knikte kort en wijdde zich weer aan de taak om niet dood te vriezen. ‘We hebben elkaar al eerder ontmoet,’ zei Winter. ‘Dat geval van die springer.’ Chambers knikte: ‘Met dat…’ ‘Ding.’ ‘En dat…’ 10


‘Ding.’ ‘Weet ik nog.’ Het gesprek stokte even toen beide mannen een ijskoude windvlaag die tussen de bomen vandaan kwam te verwerken kregen. ‘Allemachtig,’ kreunde Winter, die rilde van de kou. ‘Ik had begrepen dat je een lichaam onder een standbeeld had gevonden,’ merkte Chambers losjes op, ervan overtuigd dat hij een vergeefse rit had gemaakt. ‘Eén grote geruchtenmachine, die controlekamer,’ grapte hij, zonder de jonge agent ook maar iets te verwijten – hij had al genoeg vijanden. ‘Wat u zegt,’ zei Winter, die hem uitnodigde om zijn eigen voetafdrukken toe te voegen aan de tientallen die al in het gras stonden. ‘Eh… Het lichaam ligt niet onder het standbeeld… Het lichaam ís het standbeeld.’ Chambers trok sceptisch zijn wenkbrauwen op en keek naar de bevroren figuur die drie meter boven hen op de stenen sokkel stond. ‘De eerste die het merkte was een jogger, ongeveer om halftwaalf.’ Chambers keek op zijn horloge. ‘… vanochtend,’ vulde Winter aan. ‘Vanochtend om halftwaalf.’ Nog verbaasder deed Chambers een paar stappen achteruit om het geheel beter te kunnen overzien. Met half dichtgeknepen ogen keek hij naar wat volgens hem toch eerder een verweerd kunstwerk was: een gespierde en naakte mannelijke figuur die als in gedachten verzonken met zijn kin leunend op de knokkels van zijn rechterhand op een rotsblok zat. IJskristallen bedekten de meest aan de wind blootgestelde delen als een zachte vacht; de meer beschutte onderdelen hadden een onmenselijk blauwachtige tint. De rechercheur leek niet overtuigd. Ondertussen vertelde Winter verder. ‘Ze zei dat ze wel honderd keer langs die beelden was gekomen zonder ze echt op te merken, maar dat het deze keer anders voelde. Het bleef de hele dag door haar hoofd spelen, tot ze vanavond terugkwam en besefte dat er inderdaad iets niet in de haak was, en vooral: dat het een bevroren lijk was.’ ‘Dus dat zou hier de hele dag hebben gestaan?’ vroeg Chambers, 11


die om de sokkel heen liep om een betere positie te zoeken. ‘En het is niemand anders opgevallen?’ ‘Zou u het gezien hebben?’ ‘Dat heb ik nog steeds niet,’ gaf hij toe, naar boven turend. ‘Weet je wat ik denk?’ begon Winters intimiderende collega, van wie hij de naam alweer vergeten was. ‘We kunnen het afdoen als “bizarre zelfmoord” versie zeven-miljoen-en-één. Komt vaak voor in de parken. Maar ja, wat weet ík ervan? Dat moeten júllie beslissen in jullie oneindige wijsheid.’ De vrouw had kennelijk iets tegen hem, maar Chambers had het te koud en was te moe om erop in te gaan. ‘Sorry daarvoor.’ Winter schudde zijn hoofd naar zijn partner. ‘Ze is eigenlijk een schat, als je haar goed leert kennen – toch, Kim?’ riep hij de vrouw na, die reageerde met een opgestoken middelvinger. ‘Heb je daarboven gekeken?’ vroeg Chambers. ‘Ik wilde de plaats delict niet verontreinigen.’ De grijnzende Winter speelde zijn kaart ‘Verlaat de gevangenis zonder betalen’ perfect. ‘Bovendien hadden we niet het idee dat hij snel zou weglopen.’ Chambers zuchtte ijzig: ‘Ik kan niet veel beginnen zonder lad...’ ‘Er is een ladder in de sokkel ingebouwd,’ zei de meeluisterende Deano behulpzaam. ‘Aan de achterkant.’ Winter deed geen poging om de grijns van zijn gezicht te halen. Chambers keek daarentegen alsof hij wel in huilen kon uitbarsten. ‘Geweldig.’ De klim van vijftien sporten had veel langer aangevoeld door de bijtende wind, die sterker en sterker werd met elke decimeter die Chambers hoger kwam. Met zijn kleine zaklantaarn tussen zijn tanden geklemd klauterde hij de vlakke top van de sokkel op. De met zijn brede rug naar hem toe gekeerde gestalte leek nog steeds even levenloos en perfect als van beneden. Voorzichtig kroop hij er over het ijs naartoe, haalde de zaklantaarn uit zijn mond en liet de lichtbundel over de ondoorzichtige vacht van ijs glijden, nog altijd niet zeker waar hij naar keek… Tot hij de plooien in de elleboog van het standbeeld bereikte: een gerimpeld gebiedje van blauwe huid – onmiskenbaar huid. Hij was er min 12


of meer op voorbereid, maar schrok toch en liet de zaklantaarn vallen, die van de sokkel rolde en als een vallende ster door de lucht tolde. ‘Shit,’ fluisterde hij opgelaten. ‘Alles goed daarboven?’ riep Winter. ‘Prima!’ riep hij terug. Ondertussen kwam hij voorzichtig op zijn knieën overeind om bij het licht van de maan naar het bevroren gezicht te kijken. De man was knap, filmster-knap, volkomen gaaf. Misschien een acteur geweest, dacht Chambers. Dat zou in elk geval goed passen bij het verlangen naar aandacht dat je moest hebben om in zo’n pose naakt op een sokkel te gaan zitten totdat je was veranderd in een standbeeld. Iets zekerder van zijn grip op de ondergrond ging hij rechtop staan en boog zich ver voorover naar de gestalte om te kijken of er iets bijzonders te ontdekken was waaraan hij geïdentificeerd kon worden. Met zijn gezicht op een paar centimeter van dat van het beeld weerspiegelden zijn ademwolkjes op de glanzende huid. Er klopte iets niet… iets waar hij de vinger niet helemaal op kon leggen… Iets met de ogen misschien? IJsblauw… Intens… Doordringend. Niet de glazige blik van een leeg omhulsel. Hij keek strak in de ogen, volkomen in hun ban… toen er een hand naar hem greep. Chamber, die instinctief achteruitdeinsde, rukte zijn arm los uit de greep en voelde hoe hij viel en van schrik alle lucht uit zijn longen werd geslagen zodra hij de grond raakte. ‘Rechercheur!’ riep Winter, die als eerste op hem afrende. ‘Hij…’ hijgde Chambers, naar de nachtlucht kijkend. ‘Hij…’ ‘Wat? Ik versta u niet. Stil blijven liggen!’ Hij draaide zich om naar zijn partner: ‘Bel een ambulance!’ Chambers probeerde rechtop te gaan zitten. ‘Alstublieft, sir. Blijf liggen!’ ‘Hij… Hij… leeft nog!’ hijgde de rechercheur, waarna hij weer naar adem happend ging liggen en de verbijstering van de anderen overging in koortsachtige activiteit. Chambers kon al die tijd niets anders doen dan liggen en naar de twinkelende sterren en de tragische maar onwerkelijk mooie figuur boven hem staren. 13


Winter had zijn jas over de roerloze schouders van de man gedrapeerd – een vriendelijke geste met het effect van een spons op een tsunami. Ze hadden geprobeerd hem te verplaatsen, maar merkten dat het grootste deel van zijn gewrichten op slot zat, en de onhandige pose dwarsboomde elke poging om hem zonder hulp naar beneden te brengen. En dus was Winter op de sokkel bij de man gebleven en doodde hij de tijd met een monoloog van geruststellingen en onoprechte beloften, totdat er een stoet van blauwe zwaailichten achter Deano aan tussen de bomen door trok. Chambers kwam net op tijd weer overeind om ruimte te maken. Twee brandweerlieden op een hoogwerker pakten de bevroren man in dekens in, tilden hem van zijn rotsblok en zetten hem in een rolstoel, waarbij hun patiënt nauwelijks van houding veranderde. Zodra ze al ratelend weer naar de grond waren afgedaald, gaven ze de man over aan de ambulancebroeders, die hem onmiddellijk in de ziekenwagen zetten. ‘Ik hoop dat u de volgende zes maanden toch al niet wilde slapen,’ grapte Winter, die bij Chambers kwam staan en naar de ambulancebroeders keek toen die haastig al hun apparatuur aansloten. ‘Volgens mij heb ik het vanavond behoorlijk verknald.’ Chambers antwoordde niet. Eigenlijk mocht hij de praatgrage agent wel, maar het was moeilijk om tegen zijn accurate zelfreflectie in te gaan. ‘Ik bedoel, we waren hier ruim een uur voordat u kwam,’ ging de agent verder. ‘Ik had naar boven moeten gaan… Toch?’ Chambers keek hem aan. Hij was ouder en wijzer, en dit was een van die perfecte momenten om een pareltje van wijsheid te debiteren dat de jongeman nog jarenlang kon koesteren: ‘Ja.’ Het was zonneklaar dat Winter het zichzelf kwalijk nam, maar hij praatte desondanks door: ‘Geen tekenen van geweld?’ ‘Niet dat ik gezien heb.’ ‘Wie zou zichzelf zoiets aandoen?’ Chambers wilde antwoorden, maar op dat moment ontstond er commotie in de ambulance. ‘Paddels!’ Er klonk een monotoon gezoem vanaf de open plek waar de hulpverleners hulpeloos in een kring stonden toe te kijken. ‘Los!’ 14


‘Schok!’ Het lichaam bewoog nauwelijks, ondanks de stroomstoot die erdoorheen joeg. ‘Geen pols!’ ‘Laden!’ Terwijl de anderen naar de onvermijdelijke gebeurtenissen keken, draaide Chambers de vergeefse reanimatiepogingen de rug toe en liep naar de lege sokkel. ‘Wat denkt u?’ vroeg Winter, die achter hem aan liep. ‘… sir?’ ‘Wie zou zichzelf zoiets aandoen?’ mompelde hij als antwoord, nog steeds in gepeins verzonken. Hij volgde de voetafdrukken rond de grote stenen basis. ‘Het is extreem. Ongetwijfeld. Maar toch, het voelt een beetje…’ Hij probeerde het juiste woord te vinden, terwijl de man over wie ze spraken nog geen twintig meter verderop het leven liet. ‘… achteloos.’ ‘Achteloos?’ vroeg Winter. Hij klonk maar een klein beetje van zijn stuk gebracht. ‘Die jogger had het twaalf uur eerder kunnen melden,’ betoogde Chambers, die de donkere bosschages in keek alsof daar iemand zou kunnen zitten. ‘Dan had het heel anders kunnen zijn.’ ‘Dat is waar.’ ‘En waarom hier?’ ging hij verder. ‘Het is een openbare plek, maar ook van bijna alle kanten afgeschermd door bomen en drie meter hoog in de lucht. Als het de bedoeling was om er groots en meeslepend uit te stappen, waarom koos hij dan niet voor de zuil van Nelson of althans een plek waar meer publiek komt?’ ‘… achteloos,’ zei Winter opnieuw, terwijl hij geboeid naar de rechercheur keek. ‘Achteloos,’ beaamde Chambers, die zich eindelijk van de bomen losmaakte. Toen de laatste routinematige hartmassage geleidelijk aan werd opgegeven, zuchtte Winter: ‘Heeft hij toch nog gekregen wat hij wilde.’ ‘Nou,’ antwoordde Chambers, die op zijn knieën ging liggen om een paar voetafdrukken beter te kunnen bekijken, ‘daar ben ik niet zo zeker van.’

15


Vrijdag


2

‘Rechercheur…? Rechercheur?’ Chambers schoot met een schok wakker, greep de laboratoriumjas van de vrouw beet en keek haar verwilderd aan. ‘Ho! Ho!’ zei dr. Sykes, hoofdpatholoog van New Scotland Yard. Hij moest de kale omgeving waarin hij zich bevond even tot zich door laten dringen voordat hij de dokter losliet en over zijn gezicht wreef. ‘Sorry.’ ‘Niets aan de hand,’ glimlachte Sykes, die waarschijnlijk nog maar een jaar of twee te gaan had voor haar pensioen en die het ’s ochtends vroeg heel goed zonder wilde aanvallen kon stellen. ‘Lange nacht, zeker?’ ‘Kun je wel zeggen,’ antwoordde Chambers, zoals altijd met geen woord te veel. ‘Bijna klaar?’ Hij keek op zijn horloge: ‘Twee uur geleden.’ Ze trok haar wenkbrauwen op. ‘Eerst maar eens koffie dan?’ De ambulancebroeders hadden officieel de verantwoordelijkheid voor de patiënt overgenomen en transporteerden het ontdooiende lichaam volgens protocol naar St. Mary’s Hospital, wat betekende dat Chambers de rest van zijn dienst had moeten verspillen aan pogingen om het lijk naar het forensisch laboratorium te laten overbrengen om het te laten onderzoeken. Toen het hem eindelijk was gelukt, was hij op een van de plastic stoeltjes in de gang in slaap gevallen, totdat hij gewekt werd door degene op wie hij had zitten wachten. ‘Ik loop nu al achter,’ zei Sykes tussen twee slokken koffie door. 19


‘Londen is de afgelopen week nogal van het “koudmaken” geweest.’ ‘Kijk even naar het rapport. Dat is het enige wat ik vraag.’ ‘Rechercheur, ik…’ ‘Kijk alleen even.’ Duidelijk geïrriteerd zette de patholoog haar kopje neer en pakte de fotokopie van het politieverslag en de bijbehorende ambulanceformulieren op. Ze fronste terwijl ze de eerste bladzijde doornam. ‘Ik geef toe: het is een vreemd geval,’ zei de dokter nadat ze het hele rapport had gelezen. ‘En je vermoedt dat het niet in de haak is?’ ‘Onderbuikgevoel.’ ‘Ik kan geen voorrang geven aan een onderbuikgevoel,’ zei Sykes. Ze hield de documenten op haar schoot en wachtte op nadere uitleg. ‘Ik…’ Chambers aarzelde. Hij had zijn gedachten nog niet helemaal op een rijtje. ‘Er waren tientallen schoenafdrukken op die plek, maar geen enkele van blote voeten. Ik heb agenten de hele nacht het gebied laten uitkammen en alle afvalbakken in de buurt laten onderzoeken. Nergens is schoeisel of kleding gevonden.’ ‘Volgens je rapport heeft hij daar minstens twaalf uur gezeten. Dat is meer dan genoeg tijd voor voetafdrukken om verstoord te worden of helemaal te vervagen, vooral op het warmste deel van de dag. Is het gisteren nog boven nul geweest?’ ‘Nauwelijks.’ De dokter haalde haar schouders op alsof ze zeggen wilde: daar heb je het al. ‘Ik zie niet voor me hoe hij naakt zo ver een Londens park in kan zijn gelopen zonder te worden opgemerkt.’ ‘Er zijn wel vreemdere dingen gebeurd,’ meende Sykes, die kennelijk genoot van haar rol als advocaat van de duivel. ‘Goed. Het zou kunnen.’ ‘Kan hij zijn kleding ergens hebben begraven?’ Chambers wilde die suggestie van de hand wijzen, maar bedacht dat het eigenlijk een heel goed punt was. Hij leunde achterover op zijn stoel en wreef weer over zijn vermoeide gezicht met het gevoel dat hij een verloren strijd voerde. 20


‘Goed, goed,’ zei Sykes. ‘Ik zal vanochtend naar hem kijken. Ga naar huis. Ga slapen. Bel me rond de middag.’ De rechercheur glimlachte uitgeput: ‘Ik sta bij je in het krijt.’ Stom genoeg had het Chambers een goed idee geleken om op weg naar buiten langs zijn eigen afdeling te gaan, waar hij tijdens zijn dienst geen contact mee had gehad. Hij liep het kantoor in en zag dat iemand de verlepte kerstdecoraties had gebruikt om een sneeuwman van anderhalve meter op zijn stoel te zetten en zijn computer onder een wattendeken te bedelven. Verwachtingsvolle gezichten braken uit in een gemeenschappelijk lachsalvo toen hij zijn bovenste bureaula opentrok, die ook vol zat met kunstsneeuw. Hij plakte een glimlach op zijn gezicht en knikte als een sportief slachtoffer naar alle kanten, hoewel de aangerichte puinhoop haast aanvoelde als een aanslag. ‘Bukken. Bukken. Bukken,’ waarschuwde inspecteur Graham Lewis, ooit zijn instructeur met de zachte stem, nu een van de weinige vrienden die hij nog overhad. ‘De baas zoekt je.’ Chambers dook weg achter de sjofele sneeuwman, terwijl Lewis beminnelijk glimlachte: ‘Goedemorgen, baas.’ ‘Hou op met die kontlikkerij, Lewis.’ ‘Goed, sir… Oké. Hij is weg.’ Chambers kwam weer tevoorschijn en wees naar zijn bureau. ‘Ik neem aan dat jullie het gehoord hebben?’ Lewis knikte. ‘Je weet hoe het is. Nieuwtjes gaan als een lopend vuurtje rond.’ Hij aarzelde. Kennelijk moest hij altijd de boodschapper van slecht nieuws zijn, en nu was het zijn taak om met zijn ervaring de bureaucratische shitstorm die zijn vriend over zich heen zou krijgen zo veel mogelijk te ontkrachten. ‘Je klom naar boven om het lichaam te onderzoeken zodra dat je veilig leek. Wat je ook doet, zeg niet: “Ik dacht dat hij dood was”, of: “Hij leek dood”, of iets in die geest. Er gaan hier koppen voor rollen en Hamm aast op die van jou. En nu wegwezen hier voordat hij…’ ‘Chambers!’ ‘Shit,’ fluisterde Lewis. ‘Ja, baas?’ riep Chambers door het kantoor. Zijn collega’s begonnen weer even verwachtingsvol te grijnzen als toen hij naar zijn winterwonderlandbureau was gelopen. 21


‘Mijn kantoor! Nu!’ ‘Zodra het je veilig leek,’ benadrukte Lewis nog eens zacht. Hoofdinspecteur Hamm bekleedde zijn functie nog maar achttien maanden – kort genoeg om door zijn groep van vriendjes en voormalige collega’s nog als ‘een van de jongens’ te worden beschouwd, een oude loyaliteit waarop alle kritiek op zijn schaamteloze vriendjespolitiek en twijfelachtige promotiecriteria afketste. Hij was wel zo verstandig geweest om zijn verbale agressie en beledigende gedrag ten opzichte van Chambers te matigen sinds hij hoofdinspecteur was, maar dat had zijn aanvallen alleen maar minder voorspelbaar gemaakt. ‘Zit.’ Chambers deed wat hem gezegd werd. ‘Nou… what the fuck?’ ‘Het staat allemaal in het verslag, sir.’ De rechercheur huiverde. Zo sarcastisch had hij het niet willen zeggen. ‘Ik kwam ter plaatse aan, waar de situatie werd uitgelegd. Zodra het me veilig leek ben ik naar boven geklommen, naar het slachtoffer.’ ‘Slachtoffer?’ snoof Hamm, hoorbaar kauwend op de kauwgom die altijd en eeuwig in zijn mond leek te zitten. ‘Er waren “geen sporen van geweld” en hij zat daar gewoon maar; hij heeft dit duidelijk zichzelf aangedaan. Dat is hetzelfde als mijn dikke reet een “slachtoffer” noemen van Kentucky Fried Chicken.’ ‘De “overledene” dan,’ zei Chambers. ‘Ik constateerde op dat moment dat hij nog in leven was en heb onmiddellijk een ambulance laten komen.’ ‘Mm-mm,’ bromde Hamm terwijl hij zijn ondergeschikte met grote ogen onderzocht op tekenen van zwakte of twijfel. ‘Met alle respect, sir.’ Alweer, bedacht hij met een rilling over zijn rug. Hij moest het afleren dat steeds te zeggen. ‘Mijn dienst was tweeënhalf uur geleden voorbij. Ik ben kapot.’ Na een kinderlijke poging om hem als eerste te laten wegkijken stuurde Hamm de rechercheur met een misprijzend gebaar weg. ‘Wegwezen dan.’ Chambers stond op en wilde de deurkruk al vastpakken. ‘Nog een laatste vraag,’ gooide Hamm eruit. Chambers bleef als aan de grond genageld staan. ‘Wat vond je van het optreden van agent Winter?’ 22


Chambers’ gezicht betrok. De leiding zocht duidelijk een zondebok. Hij zette een onaangedaan gezicht en draaide zich weer om naar zijn baas. ‘Wie?’ ‘Adam Winter. Hij staat in jouw rapport als de eerste agent ter plaatse,’ zei Hamm, die het rapport van zijn bureau pakte. ‘O ja. Gedeelde eerste,’ corrigeerde Chambers. ‘Hij was samen met zijn partner.’ ‘Doet er niet toe. Het was Winters taak… Nou?’ Snel ging Chambers zijn beperkte mogelijkheden na. ‘Incompetent,’ zei hij hard. ‘Ik ben eigenlijk van plan om zelf een klacht tegen hem in te dienen. Typisch iemand die graag voor rechercheur wil spelen – niet in staat zijn eigen ego lang genoeg te vergeten om ook maar de meest elementaire taken te verrichten. Ik raad u ernstig aan om ervoor te zorgen dat hij ontslagen wordt vanwege deze puinhoop.’ Hamm leek enigszins verrast door zijn felle reactie. ‘Zozo. Raad je dat aan?’ ‘Ja… sir.’ Welbewust, dit keer. ‘Nou, ik zal je advies zeker meenemen. Je kunt gaan.’ Chambers knikte, deed de deur achter zich dicht en hoopte dat zijn vernietigende oordeel over een collega-politieman zijn chef zou overhalen om de juiste beslissing te nemen. Om vijf over halfelf in de ochtend stommelde Chambers zijn loft in Camden binnen, een ongelukkige maar goed getimede erfenis die hem een behulpzaam sportje hoger had gebracht op de gierend uit de hand lopende Londense vastgoedladder. Met een van streek geraakte maag die knorde van de honger liep hij naar de keuken, waar een briefje op de deur van de koelkast prijkte: Moest weg slaap lekker E X Chambers glimlachte, haalde het papiertje van de deur en stopte halverwege toen hij het in de prullenbak wilde gooien, overvallen door een irrationeel schuldgevoel omdat hij iets weggooide wat 23


Eve hem had gegeven, hoe onbelangrijk het ook was. Hij trok een keukenla open en stopte het briefje onder de gebruiksaanwijzingen van de magnetron en het antwoordapparaat, waar ze het hopelijk nooit zou vinden. ‘Wat is er met jou aan de hand?’ mopperde hij op zichzelf terwijl hij de restjes uit de koelkast verzamelde en meenam naar de slaapkamer. Hij had nog maar net zijn hemd uitgetrokken en zijn tanden gepoetst toen de telefoon ging. Uitgeput als hij was, was hij vergeten om de stekker uit het contact te trekken. Met een verlangende blik op zijn bed liep hij terug door de gang en pakte de hoorn op. ‘Ja?’ ‘Hallo? Rechercheur? Met Charlotte Sykes… van het werk.’ ‘O. Hallo.’ Chambers vroeg zich af hoe de patholoog aan zijn nummer was gekomen. ‘Sorry dat ik je thuis bel. We kunnen het er ook later over hebben, als je dat liever wilt.’ ‘Nee. Ga je gang.’ Hij geeuwde en strekte zijn vrije arm uit naar de houten balk boven zijn hoofd. ‘Ik dacht dat je wel zo snel mogelijk zou willen horen dat je helemaal gelijk had.’ ‘Gelijk?’ ‘Je onderbuikgevoel. Want het is fysiek gesproken volkomen onmogelijk dat deze man zichzelf zou hebben omgebracht. Iemand heeft hem dit aangedaan.’ Doodmoe wreef hij in zijn prikkende ogen. ‘Ik kom zo snel mogelijk.’

24


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Cole, Daniel - Mimic - leesfragment by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu