Skip to main content

De weg die wij gaan - Catalijn Claes.9789401905619

Page 1

W

anneer Kars Lansink terugkeert na zijn diensttijd in Nederlands-Indië, kan wat hem betreft het echte leven beginnen. Huisje-boompje-beestje, daar verlangt hij naar. Kars gaat op zoek naar een baan en naar de liefde. Helaas wil dat laatste niet zo lukken. Hij trouwt met Anna, de dochter van zijn baas, maar het wordt geen gelukkig huwelijk. En als Anna overlijdt wordt ook zijn tweede huwelijk, met zijn vroegere buurmeisje Cora, geen succes. Op de een of andere manier blijft Kars’ verleden in Indië zich roeren. Wat is daar toch gebeurd dat hem verhindert om nu het ware geluk te vinden? Catalijn Claes schrijft familieromans met een historisch tintje. In Morgenstond schreef ze over een Duitse soldaat die zijn weg probeert te vinden tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, nu in De weg die wij gaan over de oorlogswonden van een Indië-veteraan. Treffend en nog steeds actueel.

Catalijn Claes De weg die wij gaan

Het lijkt Kars Lansink maar niet te lukken om het liefdesgeluk te vinden

Catalijn Claes

De weg die wij gaan Roman

ISBN 978 94 0190 561 9 NUR 344

9 789401 905619 w w w.zomerenkeuni ng.nl

cover_C.Claes_De weg die wij gaan_2.indd 1

18-11-15 10:18


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 3

Catalijn Claes

DE WEG DIE WIJ GAAN

Uitgeverij Zomer & Keuning


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 4

Recent verschenen van deze auteur: Morgenstond Open einde De liefde van Jabba

ISBN 9789401905619 ISBN e-book 9789401905626 NUR 344 Š 2015 Uitgeverij Zomer & Keuning Postbus 13288, 3507 LG Utrecht Omslagontwerp Liesbeth Thomas, t4design www.zomerenkeuning.nl Alle rechten voorbehouden


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 7

Hoofdstuk 1

Kars Lansink, de plunjezak over de schouder, kijkt verwonderd naar de versierde ereboog die voor zijn ouderlijk huis staat opgesteld, ter ere van de Indiëganger die na drie jaar diensttijd naar patria is teruggekeerd. Jawel, een ereboog van slingers, rood papieren rozen, waartussen een bungelend bordje met daarop de tekst Welkom thuis. Nou, daar staat hij dan in de vroege ochtend, en niemand die hem op dit uur verwacht. Dat komt door sergeant Boendermaker, die half hangend uit het portier hem toeriep: ‘Kwak je plunjezak in de laadbak en kom voorin zitten.’ Hij had tijdens de rit gevraagd: ‘Woont u ook die richting uit? Nooit geweten.’ Boendermaker, met een grijnzende snuit: ‘Een jongen van het platteland, net als jij, daarom kon ik zo goed met die “raddraaiers” opschieten, beter dan Kwaaitaal.’ Kwaaitaal was de inlichtingenofficier. Als je het met hem aan de stok kreeg, was je nog niet jarig, en menigeen heeft een ‘Douwtje’ opgeknapt… Boendermakers ratel stond niet stil, hij prees patria de hemel in alsof hij in het beloofde land was teruggekeerd… Hij was niet ingegaan op Boendermakers enthousiaste gepraat. Zijn gedachten omcirkelden zijn achterliggende dienstjaren, en worstelden met de vraag: hadden de Nederlanders van toen met hun mentaliteit van koopman-dominee, het geestelijke moraal en zielen7


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 8

leven van het volk aldaar kapot gebeukt door opgelegde dwang en overheersing? Boendermaker had gevraagd: ‘Je zegt niet veel, neef.’ Hij had een blik opzij geslagen. Boendermaker, een beste vent, leefde met de jongens mee, maar was soms een ‘ouwe drans’ die tot vervelens toe kon blijven doorzeuren… Hij had een blik door het raam geslagen, de vrachtwagen snorde langs fleurige bloemenvelden die in volle glorie stonden te pronken, en in de sloten staken gele lissen hun koppen boven het water uit. Hij had gezegd: ‘Holland, ik zal er weer aan moeten wennen.’ Boendermaker, met een brede grijns: ‘Dat went gauw genoeg, als je straks je meid knuffelt.’ Je meid… Cora danste door zijn geest, het buurmeisje, een kop met blonde krullen, blauwe ogen en een rode mond en parelwitte tanden als ze lachte, en Cora lachte veel, behalve op het moment toen ze hoorde dat hij voor vrijwilliger had getekend en voor drie jaar naar Indië zou worden uitgezonden. Ze had timide gevraagd: ‘Zul je af en toe wat van je laten horen?’ Hij had geplaagd: ‘Dan moet ik er wel aan denken, met al die mooie meisjes om me heen.’ Een por tegen zijn arm: ‘Rotjong.’ Hij lachte en schold terug: ‘Klein kreng.’ Cora reageerde kortaf: ‘Ik hoor het al, uit het oog, uit het hart.’ Hij, onthutst door wat ze tegen hem zei, maar ook met een tikkeltje vreemd pijnlijk aandoend plezier omdat ze op zijn praat zo fel reageerde: ‘Nou, vooruit, jij je zin, om de maand een brief.’ Een blijde lach: ‘Da’s goed, ja.’ O… hij wist allang dat hij haar niet koud liet, maar hij haar…? Een opgewekt kind en een aardig smoeltje… Maar toch… en die brievenschrijverij, ja, heel in het begin, van háár welteverstaan, maar van hem? En na de vierde brief was het over en uit. De vrachtwagen stopte, twee paar stevige knuisten grepen in elkaar. ‘Geniet van je vrijheid, Kars.’ ‘Da’s wederzijds, sergeant.’ 8


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 9

‘En knuffel je liefie niet dood.’ Plots een grauw: ‘Indië… foetsie na driehonderd jaar, ik zal d’r nooit aan wennen… Nou, tabee makker, en maak er wat van.’ Boendermaker had gas gegeven, de vrachtwagen trok op, verdween in de verte, sloeg de hoek om en was verdwenen. En nu staat hij hier, voor dag en dauw thuis, en kijkt naar het bungelende bordje boven in de sierboog, waarop in sierlijk geschilderde letters Welkom thuis. Welkom, na drie jaar hardvochtige, nietsontziende politionele acties, tegen de hardnekkig vechtende guerrillastrijders, die geloofden in hun overwinning op het kolonialistische bewind, en de kreet ‘Merdeka1’ was niet van de lucht. Bam… de kerkklok van het baptistenkerkje slaat. ‘Maranatha’ staat er op de grauwgrijze gevel. Hij telt de slagen mee. Een… twee… Zes bronzen slagen galmen over de spitse, rode daken van de kleine huizen met hun verweerde geveltjes en vierkanten ruiten, waarin de opkomende zon zich rozerood weerspiegelt. Kleine huizen met smalle tuintjes waarin afgebonden stokrozen, zonnebloemen en kleurige dahlia’s, typerend voor dit arbeidersbuurtje, waarvan hij de meeste bewoners kent: eenvoudige, hardwerkende mensen, zes dagen in de week vroeg op en laat thuis. Hij zakt op het muurtje neer en kijkt in het rond. De meesten van hen kent hij, werkende vaders, zorgende moeders, met ieder zijn eigen familiegeschiedenis. Op nummer acht woont Kees Kraal, voorman op een houthandel. Kees is er een van ‘Gods water over Gods akker’, tot wanhoop van zijn tien jaar jongere vrouw. Haar klaagzang: ‘Nog even en we kunnen thuis een elftal beginnen.’ Naast Kraal woont de weduwe Smitje. Ze runde vroeger een snoepwinkeltje op de Spoorgracht, en alle kinderen uit de buurt waren met hun zondagse snoepcent haar vaste klantjes. Nogablokken, wijnballen en duimdrop gingen in aantallen over de toonbank. Maar kleine kinderen worden groot en de klandizie liep terug, en van de ene op de andere dag hield vrouw Smitje het voor gezien, ze sloot Javaanse vrijheidskreet. ‘De merdeka’ is de bevrijding van Indonesië van de koloniale overheersing.

1

9


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 10

de winkel en verkocht heel het zaakje aan boterhandelaar Slikker, die het verbouwde tot een pakhuis waar hij voorraad en zijn bakfiets in kon stallen. Vrouw Smitje trok in een huurhuisje, nam twee katten en een papegaai, en bracht al haar vrije tijd door met hark en schoffel in haar tuintje, dat ze omtoverde tot een klein paradijsje vol kleurenpracht. Naast haar woont Neel Brad, en dat geeft me nogal een verschil met het heldere, schone, geschrobde straatje van vrouw Smitje. Neel is er een van ‘eerst het plezier en dan het werk’, en neemt het doorgaans niet zo nauw, tot ergernis van haar propere, heldere buurvrouw. Dus… harrewarren. Maar Neel heeft ook een gouden ‘gouwe’ hart, want is vrouw Smitje een dag niet lekker, wie loopt haar na met een bakkie leut en een bakkie soep? Juist, Neel. Naast Neel woont Dorus Smak. Hij heeft in de Binnensteeg een handeltje in lompen en metalen. Dorus, een eerlijke, harde werker, vroeg op, laat naar bed, en weduwnaar. In de week vlak voor Kars naar Indië vertrok, stierf Dorus’ vrouw aan een langdurige nierziekte. Nu runt Dorus’ dochter zijn huishouden. Bregje, een stoere, mollige meid en kraakhelder, waar geen kerel naar kijkt want Bregje heeft een hazenlip en spreekt door haar neus. En voor menig kerel geldt: ‘Het oog wil ook wat.’ Zonde voor die meid, ze verdient beter, maar wie krijgt op voorhand wat hij verdient? Dat zijn er weinig. Neem alleen zichzelf. Wist hij veel, hij dacht: in dienst zit ik goed, m’n kostje is gekocht. Nou, mooi niet dus, na drie jaar terug in de burgermaatschappij, met wat voor vooruitzicht? Goed, hij heeft koppie-koppie, haalde met gemak zijn mulodiploma, mocht van zijn ouders doorleren, maar hij voelde daar niet voor, zocht het meer in spanning en avontuur. Nou, dat heeft-ie geweten. Hitte, stof, knokken, en met harde hand orde handhaven, de opstandige ‘katoentjes’ moesten weer in het gareel en de verwinning weer aan Den Haag. Jawel, goed uitgekiend, maar het liep anders. Indië vrij, en Den Haag; de weduwe ben jij. Want die hadden het nakijken. Ja, wie had dat gedacht? En hij, Kars Lansink, die dacht: onder lands wapenrok zit ik goed. Mooi niet dus, weer terug in de burgermaatschappij en een baantje zoeken, als arbeider op een conservenfa10


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 11

briek, staand aan de lopende band conservenblikken inpakken, waarin sperziebonen, snijbonen, grauwe en groene erwten en kapucijners, hup in de pan en klaar. ‘Luiewijvengroenten’ noemt zijn moeder het en pal daarop: ‘Mij niet gezien, er gaat niks boven vers.’ Ze is dan ook een trouwe klant van Geervliet, het groentewinkeltje op de hoek van de Stakmanbossestraat. Oude vrouw Geervliet, tachtig jaar en nog goed ter been, staat haar zoon dagelijks bij. Dirk verkoopt voor in de winkel verse groenten, en Ootje in het achterhuis: withouten klompen, ragebollen, zinken emmers en zeemleren lappen. En Dirks mening: ‘Zo heeft ieder zijn eigen werk en je houdt er de vrede bij.’ Jawel, ieder zijn eigen werk, en hij de dienst uit, en wat dan? Als pennenlikker op een of ander kantoor? Want met alleen een mulodiploma zijn de kansen niet zo erg groot. Een vlaag drift slaat door hem heen. Jawel, hij mocht doorleren van zijn ouders, zag er het nut niet van in, en nu komt hij zichzelf tegen. Nee, dan zijn broer Sjaak: vier jaar ambachtsschool. Sjaak, geen leerhoofd zoals hijzelf, maar wel een taaie volhouder en doorzetter, en op het eindexamen slaagde hij met zevens en achten. Vader was vol trots: ‘Zoon, je bent er.’ Vader… Hij verzinkt in gepeins. Vader is voltooid verleden tijd. Hij was nog maar net drie maanden in Indië of hij kreeg van thuis het bericht dat Lansink senior aan een hartinfarct was overleden, en de eerste gedachte die door hem heen ging, was: nu zijn Sjaak en ik de kostwinnaars. Sjaak, die met zijn behaalde diploma naar de Hendrik de Keizerschool wilde. Vader was vol verbazing: ‘Voor wat?’ ‘Studeren voor bouwkundig tekenaar.’ Vader, op een voorzichtig toontje: ‘Hoe wil je dat versieren? Het geld groeit je moeder en mij niet op de rug, en het heeft ons al genoeg gekost.’ Sjaak reageerde rustig en zeker: ‘Dat weet ik, vader, ik heb me verhuurd bij Gielens.’ Verbazing alom: ‘Wat? Jij? Werken bij Gielens?’ Gielens was een kleine aannemer-metselaar. Sjaak vroeg: ‘Nou én? Op school heb ik metselen geleerd, nu kan 11


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 12

ik het in de praktijk brengen.’ Het eind van het liedje was: vader stemde toe, moeder sputterde tegen, en aan Sjaak de overwinning: overdag werken bij Gielens en twee keer in de week een driejarige avondcursus op de Hendrik de Keizerschool in Amsterdam. Nog een maandje, dan zit het er voor Sjaak op, en als het even meezit loopt hij met een witte boord om zijn nek. Sjaak, een taaie volhouder, en hij, Kars, hij slaat een blik in het verleden. Een vaag verdriet glijdt door zijn hart. Toen was hij een bolleboos in het leren, jawel, en toch een grote stommerd, die het niet zag of liever: het niet wilde zien. Bam… halfzeven, de melkwagen van Jacobs rolt door de straat. Verwonderd kijkt de man op als hij Kars op het muurtje ziet zitten. Hij roept: ‘Zo, Indiëganger,’ en wijzend op de sierboog: ‘De mare ging je vooruit.’ Kars lacht: ‘De rode loper zijn ze vergeten, foei toch. Doe de groetjes aan je vrouw.’ Jacobs is net als Kees Kraal, ook voor hem geldt het motto: van de omzet moet het komen. De zevende koter is daar op komst, althans, dat schreef zijn moeder. Moeder, die hem al die jaren daar in Indië met het wel en wee van het buurtje op de hoogte hield, wat hem in wezen totaal niet interesseerde, maar om daar tegenover haar eerlijk voor uit te komen, daar heeft hij de moed niet toe. Moeder, een hart als een bloemkool, voor iedereen een stronkie, en haar motto: ‘Doe goed en zie niet om.’ Moeder, stil opgaand in eigen vrolijkheid, maar ook moeder die het zich danig aantrok dat Kars het vertikte om door te leren. Moeder met een belerend wijsvingertje: ‘Je komt jezelf nog weleens tegen, jongen, maar kom niet bij mij klagen.’ Hij schuifelt wat heen en weer, het muurtje is hard en de stenen geven niet mee. Hij kijkt naar links en naar rechts. Dit is de straat waar hij is geboren, als jongen heeft gespeeld en is grootgebracht. De straat, een stukje apart in het grote geheel. Daar slaat de klok van de katholieke kerk in de Nieuwstraat. Hij luistert naar de intens bronzen nagalm, wat hem een onbestemd gevoel geeft, waar hij geen naam voor weet. Hij hoort het geluid van 12


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 13

openschuivende gordijnen en springt op van het muurtje. Moeder… Hij ziet haar achter het raam, haar nachtpon fladdert om haar lijf, de haren hangen verward over haar schouder. Hij leest verwondering in haar ogen. Dan rent ze naar de voordeur, ze rukt hem open, rent over het tuinpad naar hem toe, valt hem om zijn hals en stamelt verheugd: ‘Je bent weer thuis, jongen, je bent weer thuis!’ Hij slaat zijn arm om haar schouders. ‘Ja, moeder, ik ben weer thuis. Ik stond om zes uur al voor de deur, maar de gordijnen waren nog dicht en ik wilde je niet wakker maken.’ Hoort ze wel wat hij zegt? Ze ratelt aan één stuk door. ‘En je vader…’ Ze zwijgt, maar haar ogen spreken: ‘Zo gezond, zo dood, en van de ene op de andere minuut was ik weduwe…’ En met een diepe zucht: ‘Zo gaat het in het leven, de mens zijn dagen zijn geteld… van je vader… van mij… van jou… van iedereen.’ Juist, de mens zijn dagen zijn geteld, ook van zijn gesneuvelde vrienden ver weg in de Oost. Omdat Jan Soldaat uit order van hogerhand daar de orde moest herstellen onder het mom van vaderlandsliefde, wat menig soldaat de kop heeft gekost. Vaderlandsliefde, daar weet hij intussen alles van, murw gebeukt door opgedrongen primitieve gedachten van de ‘hoge heren’, die ondanks verscherpte waakzaamheid op eigen drempel na ruim drie eeuwen hun macht door de vingers zien glippen. Dus de zweep erover en niet zo zuinig ook, en je was als vrijwilliger gekraakt voor je het wist. Wat kletst z’n moeder nu? ‘Het was een mooie begrafenis met veel bloemen en ook nog een rouwkrans van al zijn collega’s van zijn werk.’ En een tikkeltje trots: ‘Je vader was een gezien man, jongen.’ Jaja, als je moeder zo hoort, van de doden niets dan goeds, maar net als iedereen, vader had ook zijn opstandige dagen, en hoe. ‘En ik heb geen zorg meer nodig.’ ‘Hij laat me een pensioentje na,’ zegt moeder. ‘Ik kan er weliswaar geen bokkensprongen mee maken, maar ik hoef geen honger te lijden, en dat is voor een weduwe een hele geruststelling.’ Juist, een hele geruststelling. Achteraf een geluk in zijn voordeel, 13


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 14

want hij moet de dienst uit, en die grijpstuiver die hij straks als pensioen vangt, hoe moet hij daar zijn moeder van onderhouden? Dat te weten vreet als een diepe schaamte in zijn hart, en hij voelt weer die heimelijk schrijnende pijn van ‘had ik maar doorgeleerd’. Nee, dan Sjaak, uren leren in het kleine zolderkamertje waar ze beiden sliepen in een tweepersoons ledikant, een tafel waarop een rood pluchen kleedje, twee rieten stoelen, een boekenrek aan de wand, een oude linnenkast waar vader de planken uit had geslagen en er een klerenkast van had gemaakt, dat was hun domein. Waar Sjaak met taaie volharding meer uren in had doorgebracht dan hij, en waarvan moeder zei: ‘Had je maar de helft van de wilskracht van je broer.’ Sjaak, taai en vlijtig, en maar blokken, net zolang tot het in zijn hersens lag gestampt, en nooit tijd voor een verzetje. Kars had half lachend, half spottend tegen moeder gezegd: ‘O, dus u ziet mij als een bekrompen, onnozele gans.’ Moeder reageerde gepikeerd: ‘Dat zijn jouw woorden, niet de mijne.’ Juist, zijn woorden, niet de hare. Maar juist die woorden van toen zetten hem nu aan het denken. ‘We verwachtten je pas in de loop van de dag,’ zegt moeder nu. ‘Ik kon met sergeant Boendermaker meerijden, vandaar.’ ‘Ach zo.’ En met een blik op de versierde ereboog zegt moeder: ‘Ze hebben er allemaal aan meegewerkt.’ ‘Wie ze?’ ‘Toe zeg, ben je in die drie jaar je naaste buren vergeten? Da’s De Haas, Brouwers en Schippers en de familie Bols.’ O ja, de familie Bols, de ouders van Cora. Cora, met haar lachende snuit en blonde krullen. Zou ze nog zo verkikkerd op hem zijn? ‘En Dorus Smak kwam met de ijzeren boog aansjouwen.’ Ach zo, Dorus… Het gaat zijn ene oor in en het andere uit. Moeder zegt met een glimlach: ‘Stuk voor stuk fijne buren, en Cora…’ Veelbetekenend kijkt ze naar hem op: ‘Een fijne meid, denk er nog maar eens over na.’ ‘Ga je koppelen?’ 14


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 15

Een naam ruist door zijn geest. Adinda, gekleed in sarong en kabaja, donkere ogen in een matbruin gezichtje. Hij ziet in gedachten weer hoe hij haar donkere haren streelde en in zijn steenkoolmaleis koeterwaalde: ‘Je bent mooi.’ Een mysterieuze glimlach, een zachte stem: ‘Blanda’s2 kunnen goed vleien en beloven veel.’ ‘Verhip,’ ontviel het hem, ‘je spreekt Hollands.’ Weer dat mysterieuze lachje: ‘Dat heb ik geleerd op de Maleise school.’ Ach zo, de Maleise school. Wat wist hij van Indië en het Indische volk, alleen dat wat hem was bijgebleven van zijn schooltijd: een wandplaat waarop rijstvelden en een jongetje met zijn karbouw onder een dadelpalm, en dat was het. En in de vierde klas kwam Indië met zijn vele eilanden weer op de kaart. Java, Sumatra, Celebes, Timor… Indië met zijn zeventig miljoen inwoners, zijn vele rassen met hun eigen taal en cultuur, en hij de Nederlandse soldaat uit dat kleine kikkerlandje aan de Noordzee, en hun cultuur van houten klompen en boerendansen en Volendamse klederdracht. Hij voelt moeders hand die zijn wang streelt, hoort haar stem: ‘Je bent zo bruin als een halfbloed.’ Halfbloed, het woord rukt aan zijn herinnering. Adinda… kind uit de gordel van smaragd. Haar beeld roept emotie in hem op. Al zijn vrije tijd bracht hij bij haar door, pratend over zijn eigen land, zijn bewoners met hun cultuur en gewoonten en zeden, en zij al luisterend hoorde het enthousiasme in zijn woorden, keek naar zijn gezicht dat glansde in het maanlicht, en zweeg. Totdat haar zwijgen hem opviel, en hij naïef opmerkte: ‘Wat ben je stil, interesseert het je niet?’ Ze toonde een zweem van een glimlach: ‘Ik luister.’ Hoe kon ze hem uitleggen hoe ver haar eigen volk van het zijne afstond, vooral in aard en gewoonte, en hij door vele jonge fanatieke landgenoten, met hun diep giftige haat, wordt gezien als de onderdrukker. Ze had het hem heel voorzichtig gezegd, om hem geen pijn te doen. 2

Blanda = witte man. 15


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 16

Hij was door haar woorden verward: ‘Denk jij ook zo?’ Ze had haar hoofd geschud: ‘Iedereen denkt niet hetzelfde.’ Nee, vertel mij wat, had hij gedacht, en ook: daar gaan we weer. Toen hun gesprek op dat punt beland was, verschool ze zich en ze liet hem niet binnen in de intimiteit van haar gedachten, maar sloot zich af en trok zich terug. Met een vleugje pijn in zijn hart had hij kortaf gezegd: ‘Onder elk volk zitten schoften.’ Ze had haar hoofd geschud en was ertegenin gegaan: ‘Ik zie het zo: een onderdrukt volk dat zijn houvast kwijtraakt, verliest zijn ziel en verdwaalt.’ Ze hield de handen om haar knieën geslagen, slanke brons-bruine handen en smalle polsen uit de mouwen van haar wit linnen kabaja. Hij speelde met de gedachten hoe ver ze beiden in het wezenlijke van hun geest van elkaar afstonden, en had gezegd: ‘Dus zo denk jij?’ Ze haalde haar schouders op en ging op zijn woorden in: ‘Na alles wat ons volk heeft meegemaakt, voelen sommigen zich doodongelukkig, en zij zien elke buitenlander als hun vijand.’ Hij had honend gelachen: ‘Dus goedbeschouwd zien jullie ons, Hollandse soldaten, als de vijand van jullie volk? Fraai is dat.’ Ze schoot in de lach. ‘Je vergist je, Kars. Naast de gewone schoolvakken leerden wij ook de cultuur van de Nederlanders, en ook om respect te hebben voor elkaar, waardoor ik heb geleerd van hen te houden.’ Scherp keek hij haar aan. Wat moest hij van die woorden denken? Maar ze onderging rustig zijn zoekende blik, en hij zei opgelucht: ‘Dus jij draagt Jan Soldaat geen kwaad hart toe. Hoe oordeel je over mij?’ Spanning doortrilde hem. Wat zou ze zeggen? Soms voelde hij zich tegenover haar elegante uitstraling een boerenheikneuter. Ze lachte zacht. ‘Vis je naar een complimentje of vraag je wijze raad?’ Hij voelde spanning. ‘Beide.’ Hij werd warm tot onder zijn haarwortels, voelde zich tegenover haar onbeholpen en plomp, en 16


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 17

snauwde: ‘Laat maar.’ Hij zag haar zacht glanzende ogen van dichtbij, haar hand op zijn arm. Ze keek naar hem op. Kars Lansink, stoer verlegen, soms onbeholpen en stug, wiens opdracht luidde: ‘Orde op zaken stellen, vooral tegen die Merdeka-aanhangers, die zich zien als de vrijheidsstrijders van het eerste uur.’ Arme vrijheidsstrijders en arme Hollandse soldaten. Ze bevonden zich beiden in een politiek spel waarin winnaars en verliezers waren. Maar wie, o wie? Ze had gezegd: ‘Ik zie het zo, Kars: de Hollandse soldaat en de Merdeka-strijder zijn beiden slachtoffer van de nationale belangen. Maar houd daarbij één ding goed voor ogen: hij die gelooft, dwaalt niet af.’ Hij was totaal verrast geweest: ‘En dat zeg jij?’ Moeder brengt hem weer terug in het hier en nu. Ze staat voor het raam, wijst naar het tropische aquarium op het salontafeltje en zegt: ‘Ik heb goed op je vissen gepast.’ Hij grijnst tegen zijn weerkaatsend beeld in het vensterglas. Hij ziet zijn wat groezelig gekreukte uniform, zijn groene baret op zijn volle blonde haardos, en zegt: ‘Het allereerste wat ik doe is naar de kapper gaan.’ Moeder lacht vertederd: ‘Je hebt net zo’n dikke haardos als je vader.’ Ze stapt naar binnen en stiefelt door naar de slaapkamer, al pratend: ‘Even m’n jurk aan, haren kammen, dan drinken we daarna samen een koppie thee.’ ‘Doe dat, moeder.’ Na drie jaar is hij weer thuis. Hij gooit zijn plunjezak neer en kijkt in het rond. Alles is nog bij het oude: de gehaakte gordijntjes voor de ramen, de kleurige strook langs de pannenplank, het petroleumstel op het hoekje van het aanrecht voor de wekelijkse sudderlappen, het keukentafeltje waarop het theeblad, rondom de vier houten stoelen met fleurige kussentjes, en Job, de zwarte kater met witte snorharen. Hij streelt het zachte kattenvelletje. ‘Zo, Job, je bent er nog.’ Hoe oud zal Job zijn? Tien, twaalf jaar? Zijn vader hield niet van katten, maar duldde het dier voor moeder. Maar Job leeft nog, en 17


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 18

vader is gehemeld. Is het dan toch zoals men beweert: een kat heeft negen levens? Moeder, met een blauw schortje voor, stapt over de drempel. Ze stiefelt op de gootsteen af, doet een greep naar het washandje. ‘Even een lik over m’n gezicht halen.’ Ze grabbelt in het zeepbakje, foetert: ‘Wat stinkt die afvoer weer, dat voorspelt regen.’ Kars denkt: voor zover ik me kan herinneren was dat drie jaar terug ook al zo, en nu is het nog steeds zo. Het zeepwater slobbert pruttelend in het afvoerputje, en moeder, al babbelend, doet een greep naar de handdoek en wrijft haar gezicht droog. ‘Vroeger hield je vader het putje schoon, nu wordt het een karweitje voor jou.’ Hij ruikt de duffe afvoerlucht en moppert: ‘Da’s werk voor de huisbaas.’ Moeder houdt de ketel onder de kraan: ‘De huisbaas? Die ouwe duitendief loopt zo hard niet.’ ‘Dan houd je toch een paar weken de huur in?’ zegt Kars. Meulenveld danst op zijn netvlies, de eeuwig klagende huisjesmelker, die zijn centjes had binnengehaald met de vrachtvaart, het geld opnieuw in huizen stak, en nu zijn geluk zoekt in het verhuren van de oude, opgeknapte pandjes. ‘Ik zal wel weer eens met hem praten,’ zegt moeder, ‘maar eerst moet die stank weg.’ En ze gooit meteen een scheut bleekwater door het putje. ‘Ik zal je wel helpen herinneren.’ Moeder zwijgt. Ze strijkt een lucifertje af, zet de waterketel op het gas en zegt: ‘Zo hebben we straks een lekker bakkie thee.’ Ze trekt een stoel onder de tafel uit en gaat erbij zitten. ‘En nou jij,’ zegt ze. ‘Hoe heb je het daar gehad? Twee brieven in drie jaar is niet veel.’ ‘Ik ben geen schrijver, dat weet je,’ zegt Kars stug. Het ligt op het puntje van zijn tong: ‘Vraag maar aan Cora.’ Maar hij slikt zijn woorden in en zegt: ‘Je weet niet wat het zeggen wil, moeder. Dag in, dag uit patrouille lopen, en dat in veertig graden, een hondenbaan.’ 18


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 19

Moeder is niet onder de indruk: ‘Je wilde het toch zelf? Vader en ik waren het met je keus niet eens, maar koste wat het kost zette je je zin door, dus moet je achteraf niet klagen.’ Pats, pal in de roos, da’s moeder, of je het leuk vindt of niet. Hij zegt nors: ‘Ik klaag ook niet.’ ‘Waar praten we dan over?’ Het water kookt, een wolk wasem trekt door het keukentje. Moeder veert overeind, draait het gas uit, pakt de theepot uit de keukenkast, thee erin, water erop. Vertederd zegt ze: ‘Zo, Kars, wij samen een bakkie thee, da’s een lange tijd geleden, jongen.’ ‘Drie volle jaren, moeder.’ ‘Da’s niet mis, en hoeveel malen ik om jou in mijn rats heb gezeten, en anders je vader wel. Het vrat aan hem dat je toentertijd zonder meer ons voorbij bent gelopen.’ Vader… scherpe, grijze ogen in een strak gelaat, en een die op zijn strepen stond. En misschien is dat de reden dat hij toen… En nu… Indië sluipt zijn geest binnen. Indië, de parel in de gordel van smaragd. Zijn vingers trommelen een mars op het keukentafeltje. Van hun peloton zijn tijdens nachtelijke patrouilles zeker twaalf jongens doodgeschoten. Zo pief-paf vanuit een klapperboom. Als apen zat dat tuig tussen de dadelpalmen, wachtend op hun kans. Ze lieten een patrouille voorbijgaan en schoten ze vanachter neer. ‘Dekken!’ riep Boendermaker die over hen de leiding had. Ze lagen al en Boendermaker opende het vuur. Een kort, hevig vuurgevecht, ze dropen af. Boendermaker kwam overeind, sloeg het stof van zijn kleren, grinnikte en zei: ‘Daar hadden die ploppers niet van terug.’ Hij voelt moeders hand op zijn schouder: ‘Hier, een bakkie, jongen, en niet zo prakkiseren. Wat geweest is, is geweest.’ Hij zucht, glimlacht: ‘Ja, moeder.’ Ze doet een greep naar het kannetje: ‘Melk in je thee, jongen?’ ‘Dat weet je toch wel? Nooit.’ ‘Ach ja, da’s waar ook. Maar na drie jaar ben ik het een beetje vergeten. Hier, een koekje, vanillewaaiers van Jamin.’ ‘Haal je nog altijd bij Jamin?’ 19


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 20

‘Wat dacht je, de banketbakker is te duur voor mijn portemonnee.’ Kars plaagt grijnzend: ‘En je hebt een pensioentje.’ ‘Net wat je zegt: “tje”, en ik blijf je vader eeuwig dankbaar.’ Dat is moeder: gauw blij, gauw dankbaar, en zo makkelijk heeft ze het bij vader niet gehad. Vader, kort door de bocht, en van ‘zo moet het en zo zal het’. In die dagen heeft moeder voor de lieve vrede heel wat moeten slikken. Maar het moet gezegd: vader stond voor zijn gezin. Moeder komt van haar stoel overeind: ‘Haal je staken binnenboord, dan kan ik de kat een bakkie melk geven.’ Hij trekt zijn benen terug en kijkt naar moeder. Ze gooit wat melk op het schoteltje. De kat springt van de stoel, lebbert genietend de melk naar binnen en likt het schoteltje schoon. Moeder zegt met een vertederende glimlach: ‘Na je vaders dood vond ik veel troost bij dat dier.’ ‘Bij jou heeft hij altijd een potje kunnen breken.’ Moeder peinst hardop: ‘Dat weet ik, dat weet ik, maar nu was het anders; hij vulde een lege plaats op.’ ‘Loop heen, die kat,’ zegt Kars onthutst. ‘Sjaak is er toch ook?’ Moeder antwoordt: ‘Sjaak en jij zijn mijn zoons, je vader was mijn man, die gevoelens liggen heel anders.’ ‘Kom nou, vader was lang geen lekkertje.’ ‘Hoor wie het zegt. Je bent zelf ook zo’n eigenwijs endje mens, die koste wat het kost zijn zin doordrijft. Nee jongen, je hebt meer van je vader dan je zelf weet.’ ‘Nee hoor, ze zeggen dat ik op jou lijk.’ Moeder met de kat op haar arm: ‘Dat zeggen ze, maar wie kent zijn kind beter dan een eigen moeder? Je bent voor tachtig procent je vader, hoor.’ Hup, de kat op de stoel. ‘En nou jij weer.’ Hij slaat een blik in het spiegeltje boven de gootsteen. Hij heeft zichzelf nooit zo goed bekeken als nu. Een ovaal gezicht, gebruind door de tropenzon, een dikke haardos, benige wenkbrauwen, een scherpe oogopslag, kenmerken van zijn vader. Vader, stug, terughoudend. En hijzelf? Zijn dienstmakkers noemden hem ‘de binnenvetter’, maar soms voelde hij zich tegenover hen – ondanks zijn 20


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 21

stoere praat – onbeholpen en verlegen, al had hij het nooit laten merken. Moeder rommelt in de keukenkast. Hij ziet haar brede handen met kleine zwarte groefjes in de vingertoppen; werkhanden, die je als jongen zijnde een stevig mep om je oren konden geven, maar ook liefdevol je wangen konden strelen. ‘Zoek je wat, moeder?’ ‘Ik kijk of ik genoeg meel heb om pannenkoeken te bakken, je lievelingskostje.’ Iets vertederends glijdt door hem heen. ‘Dus dat ben je toch niet vergeten.’ ‘Al wat mijn jongens betreft vergeet ik niet. Jij pannenkoeken met stroop, Sjaak bloemkool met saucijzen.’ Hij grijnst: ‘Mijn smaak is een stuk duurder. Hoe gaat het met hem?’ ‘Hèhè, ik dacht dat je het nooit zou vragen. Hij heeft een goedbetaalde baan als bouwkundig tekenaar, bij een projectontwikkelaar in Zwolle.’ ‘Zwolle, da’s ver van huis.’ ‘Zwolle of ergens anders, hij heeft zijn doel bereikt,’ zegt moeder vol trots. Zo, dus Sjaak heeft zijn doel bereikt. Sjaak, de taaie doorzetter, die geheel opging in zijn studie van meet- en natuurkunde, differentiaal en integraal rekenen. Hoe zei hij dat ook weer? ‘Leren is een lening op de toekomst.’ Nou, zo te horen zit die toekomst wel snor voor Sjaak. En hij is straks de werkloze soldaat, terug in de burgermaatschappij, met in de toekomst een mager pensioentje, net als zijn vader. Plots staat zijn vader hem levensgroot voor de geest: een stoere kerel als los-vaste steensjouwer op de bouw, dan hier, dan daar. Hij ziet nog steeds vaders grove knuisten en rode polsen uit de mouwen van zijn overall steken en met een tas stenen op zijn schouder trap op, trap af, jaar in, jaar uit. Vader, een man als zovelen, arbeiders waar geen pardon voor was. In al die jaren was hij nooit ziek geweest, maar opeens kreeg hij een acute hartstilstand en weg was 21


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 22

vader, uit, afgelopen, net toen Kars in Indië zat. Maar toch, als je erop doordenkt: het was een mooie dood, geen lang ziekbed, geen pijn, geen gemartel, net als die gesneuvelde dienstkameraden tijdens die nachtelijke patrouille: hup, fluitje poep de pijp uit, geen tijd om na te denken. Voor hen is het gebeurd, en hij zit hier aan tafel. De veldprediker had gezegd: ‘God heeft u welgedaan.’ Jaja, het is maar hoe je het bekijkt. Plots voelt hij iets van een schuldeloze schuld tegenover die gesneuvelde kameraden, en breekt het zweet hem aan alle kanten uit. Zij liggen daar in een aangeharkt graf, onder een wit houten kruis waarop de naam en het regiment, daar voor eeuwig onder die snikhete tropenzon. En moeder praat de blaren op haar tong over Sjaak en dat hij sinds kort verkering heeft met een keurig net meisje, de secretaresse op het kantoor waar hij werkt, en een dametje, hoor. Enfin, hij zal het wel zien als ze meekomt met Sjaak. Moeder glundert. Kars, met de herinneringen aan Indië, zegt kribbig: ‘Ach, mens, schei er toch over uit.’ ‘Tuttut, ben je jaloers?’ ‘Ik, jaloers op mijn broer? Wees wijzer.’ ‘Nou, het zou kunnen. Je zult het wel zien, Sjaak is een hele heer.’ ‘O, nou, ik ben benieuwd.’ Moeder zegt enthousiast: ‘Aanstaand weekend komt hij, en z’n meisje komt mee.’ ‘Kijk eens aan, dan kan ik mezelf overtuigen.’ ‘En nu dacht ik zo: jij heelhuids thuis uit Indië, dat moeten we maar eens met z’n allen vieren.’ ‘Wie allen?’ Verdomme, een feestje, jawel, en hij straks werkloos, en in de toekomst misschien als zijn vader, steensjouwer, afhankelijk van arbeid en patroons willekeur. En zijn diploma dan? Als kantoorklerk hier of daar? Dag in, dag uit opgesloten in een muf kantoortje, hij moet er niet aan denken. Nee, dan Sjaak. ‘Ik ga naar de ambachtsschool.’ Die was leper dan hij. ‘Nou, eh… jij, ik, Sjaak, Tabitha…’ 22


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 23

Hij gniffelt. ‘Tabitha… is dat even een dure naam.’ Moeder lacht toegevend: ‘Een bijbelse naam.’ En ze telt op haar vingers af. ‘Laat eens kijken: de buren van hiernaast, en nog eens vier, en met ons erbij wordt twaalf man, enne… o ja, Cora niet te vergeten.’ En met een jolige knipoog: ‘Ze had vroeger een oogje op je, weet je nog?’ Hij reageert kribbig: ‘Houd daar toch eens over op!’ Adinda danst door zijn geest. Ze wandelden samen, boven hen de twinkeling van duizenden sterren. Hij had zijn arm om haar schouders geslagen, en zei het eerste het beste wat in hem opkwam: ‘Ik moest je kunnen meenemen naar Holland.’ Hij zag haar donkere ogen waarin de ziel van Indië, hij voelde haar lichaamswarmte door de stof van haar kabaja. Als hij haar nu eens vroeg dat hij en zij… Zijn maats zeiden: meisjes hebben ook gevoel, net als jongens. Ach wat. Hij was de kuise Jozef en had geen enkele ervaring. ‘Nou?’ drong ze aan. ‘Dan, dan…’ Hij sloeg een blik opzij, wist dat ze verlangde naar zijn kussen en liefkozende woorden. Goed, maar verder… Adinda, een rustende baken in een over en weer genadeloos geweld. Voor hij het wist, had hij het uit zijn mond laten vallen: ‘Dan trouwen.’ ‘Wat…? Wij trouwen?’ Nerveus viel hij uit: ‘En waarom niet? Dominees prevelen altijd: blank en bruin zullen elkaar niet haten.’ Haar mond vertoonde een zweem van een glimlach. Ze had haar schouders opgehaald: ‘Ja, dominees. Maar ik zeg jou, als wij zouden trouwen, krijg je daar vele vijanden voor terug.’ Zijn arm gleed van haar schouder, en verward door haar woorden zei hij aarzelend: ‘Ik denk heel anders. Ik zou een mooi huis voor je bouwen.’ ‘Een huis? Daarvoor is de prijs te hoog van wat de mensen van ons zouden verwachten.’ Hij begreep haar en voelde dat hij kleurde. Hij keek naar haar brons-bruine gezichtje, maar de trek van spot die hij verwachtte zag 23


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 24

hij niet, wel een blik van diepe warmte in haar ogen. Ook in hem was een diep gevoel van genegenheid en verlangen, en dat zei hij haar. Een zweem van een glimlach gleed over haar gelaat toen ze zei: ‘Pas op, Kars, jij droomt een wezen in mij dat niet bestaat, en genegenheid is gevaarlijk als de tijd verslijt waarin we ons gelukkig wanen.’ Mooi gesproken woorden, maar wat waren dat voor vreemde gedachten? Gods handboek is moeilijk te lezen, laat staan te begrijpen. Toch hadden ze een aantal weken later hun eerste geslachtsgemeenschap, waar over en weer zacht fluisterende woorden gesproken werden, van warmte, liefde en geluk. Hij was haar eerste man, zij zijn eerste vrouw. Pal daarop kwam de ontnuchtering. Van hogerhand kwam het bevel: binnen vierentwintig uur inschepen voor terugkeer naar patria, de strijd was gestreden en de ‘merdeka’ werd werkelijkheid. Indië kreeg na driehonderd jaar koloniale overheersing zijn vrijheid terug. Adinda had hij niet meer gezien, laat staan gesproken. Wat overbleef was het beeld dat hij in zijn hart meenam. Een zacht, zeurend verdriet dat hij hardnekkig weerde, want alles was voorbij. En dat moest ook maar zo blijven. ‘En Cora…’ Moeder geeft hem een por tegen zijn schouder. ‘Luister je wel?’ ‘Jaja, ik luister. Je hebt het over Cora.’ ‘Juist, Cora.’ Moeder, ze heeft haar mond vol over het feestje, maar het meest over Cora, zijn buurmeisje. Hij grijnst: ‘Toe zeg, prijs haar maar de hemel in.’ ‘Ze is een engel, die meid, iedereen loopt met haar weg.’ ‘Kijk eens aan, draagt ze ook vleugeltjes?’ ‘’t Is zonde.’ Moeder schiet in de lach. ‘En pas jij maar op; spotters krijgen spottersloon. Weet je, ze is sinds kort waarnemend directrice op de fröbelschool.’ ‘Weet je? Ik ben ruim drie jaar weggeweest, moeder.’ Cora. Het enige wat hij zich van haar herinnert is dat ze vroeger kinderoppas was voor heel de buurt. En die praat van zijn moeder wordt hij langzamerhand zat. Hij komt overeind, ziet zijn weerkaat24


De weg die wij gaan 4-10-2015 - Z&K_14x21,5 04-11-15 12:17 Pagina 25

send beeld in het keukenspiegeltje, denkt: Jan Soldaat op zijn retour, en zegt: ‘Ik ga m’n burgerkloffie eens aantrekken.’ Moeder vraagt een tikkeltje teleurgesteld: ‘En als de buren komen?’ ‘Dan hijs ik me weer in het pak van Jan Soldaat, dan kun je met je zoon pronken.’

25


W

anneer Kars Lansink terugkeert na zijn diensttijd in Nederlands-Indië, kan wat hem betreft het echte leven beginnen. Huisje-boompje-beestje, daar verlangt hij naar. Kars gaat op zoek naar een baan en naar de liefde. Helaas wil dat laatste niet zo lukken. Hij trouwt met Anna, de dochter van zijn baas, maar het wordt geen gelukkig huwelijk. En als Anna overlijdt wordt ook zijn tweede huwelijk, met zijn vroegere buurmeisje Cora, geen succes. Op de een of andere manier blijft Kars’ verleden in Indië zich roeren. Wat is daar toch gebeurd dat hem verhindert om nu het ware geluk te vinden? Catalijn Claes schrijft familieromans met een historisch tintje. In Morgenstond schreef ze over een Duitse soldaat die zijn weg probeert te vinden tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, nu in De weg die wij gaan over de oorlogswonden van een Indië-veteraan. Treffend en nog steeds actueel.

Catalijn Claes De weg die wij gaan

Het lijkt Kars Lansink maar niet te lukken om het liefdesgeluk te vinden

Catalijn Claes

De weg die wij gaan Roman

ISBN 978 94 0190 561 9 NUR 344

9 789401 905619 w w w.zomerenkeuni ng.nl

cover_C.Claes_De weg die wij gaan_2.indd 1

18-11-15 10:18


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De weg die wij gaan - Catalijn Claes.9789401905619 by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu