De zogenaamde politionele acties van de Nederlandse regering in Indonesië (1945-1949) waren niets anders dan een keiharde koloniale oorlog. Duizenden Nederlandse burgers en militairen en vele tienduizenden Indonesiërs kwamen om. De Nederlandse autoriteiten hebben – met succes – er alles aan gedaan om begane oorlogsmisdaden in de doofpot te stoppen en vervolging van de daders te voorkomen. Hoe anders werd er door dezelfde autoriteiten opgetreden tegen landgenoten die om uiteenlopende redenen dienst weigerden. Tot diep in de jaren vijftig werden alle mogelijke middelen ingezet om de duizenden weigeraars op te sporen en hen vervolgens hard te straffen. Gratie of eerherstel werd nooit verleend. Zeven decennia later is het verbijsterend te lezen hoe verbeten de autoriteiten en grote delen van de bevolking zo vlak na de Tweede Wereldoorlog reageerden op weigeraars. Dienstweigeraars waren landverraders; zij die wél gingen ware patriotten. Tegen deze cultuur was geen kruid gewassen. Auteur Antoine Weijzen onderzocht waarom Indië-weigeraars zich verzetten tegen hun uitzending, maar vooral vanuit welke vooringenomen motieven militaire, politieke, juridische, medische en kerkelijke autoriteiten tot hun harde opstelling kwamen. Een onthullend boek.
NUR 694
ANTOINE WEIJZEN DE INDIË-WEIGERAARS
Vergeten slachtoffers van een koloniale oorlog: een cultuurhistorie
DE INDIËWEIGERAARS Vergeten slachtoffers van een koloniale oorlog
www.omniboek.nl
WEIJZEN_Indiëweigeraars_wt.indd 1
ANTOINE WEIJZEN 27-08-15 15:16
Antoine Weijzen
De IndiĂŤ-weigeraars vergeten slachtoffers van een koloniale oorlog
omniBWindieweigeraars0815P.indd 3
01-09-15 15:14
Van deze auteur is eerder verschenen: De gewone man als oorlogsmisdadiger, Davidsfonds, Leuven, 2013
Š Antoine Weijzen, 2015 Uitgeverij Omniboek Postbus 13288 3507 LG Utrecht www.omniboek.nl ISBN 9789401905930 ISBN e-book 9789401905947 NUR 694 Omslagontwerp Studio Jan de Boer Ontwerp binnenwerk Garage BNO Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieÍn, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
omniBWindieweigeraars0815P.indd 4
01-09-15 15:14
hoofdstuk
omniBWindieweigeraars0815P.indd 16
1
01-09-15 15:14
Het onderzoek
Voor dit onderzoek is uitgegaan van de bestaande literatuur. Vrijwel alle boeken, doctoraalscripties en brochures die betrekking hebben op Indiëweigeraars zijn geschreven vanuit een politiek perspectief. Verenigingen van dienstweigeraars concentreren zich op de politiek gemotiveerde principiële dienstweigeraars, al dan niet door de ministeriële adviescommissie erkend. Politiek nog explicieter zijn de boeken die vanuit een communistische invalshoek zijn geschreven. De informatie uit de literatuur is aangevuld met de resultaten van archiefonderzoek.15 Dat onderzoek heeft zich uitgestrekt tot alle instellingen die bij de beoordeling van de Indië-weigeraars betrokken zijn geweest. Het heeft inzicht gegeven in de cultuur van waaruit door deze instellingen naar de Indiëweigeraars is gekeken. Daarmee is het vraagstuk van de Indië-weigeraars in een breder dan alleen maar een politiek perspectief geplaatst.
Kwaliteit van de archieven Tijdens het archiefonderzoek werd al heel snel duidelijk dat archivering in de krijgsmacht geen hoge prioriteit heeft gehad. Van de officiële bronnen was met name een deel van de archieven van militaire rechtbanken, de inlichtingendienst en de veiligheidsdienst geheel of gedeeltelijk vernietigd.16 Van alle militaire detentiecentra, depots en gevangenissen ontbraken de beleidsmatige gegevens. Dat maakte het moeilijk een volledig beeld te krijgen van de discussies die er intern over het toe te passen beleid zijn gevoerd. Van de correspondentie tussen de ministeries van Oorlog en van Justitie enerzijds en de militaire autoriteiten anderzijds waren geen systematisch geordende stukken beschikbaar. Sommige gaten in de informatie konden worden gedicht met stukken die in niet voor de hand liggende archieven waren ondergebracht. 15 Zie Bijlage: Geraadpleegde archieven. 16 Scagliola, S.I., Last van de oorlog: de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun verwerking, p. 142.
omniBWindieweigeraars0815P.indd 17
01-09-15 15:14
18 | De Indië-weigeraars
Over betrekkelijk onbelangrijke zaken waren de stukken wel bewaard. Zo leren we de zorgen van de commandanten kennen over het gebruik van vulpen en ballpoint, en over de vraag of gedetineerde militairen hun trouwring mochten blijven dragen. Ook weten we wanneer het christelijk zangkoor uitvoeringen heeft gegeven en welke streekromans wel en welke niet geschikt werden geacht voor de gestichtsbibliotheken. Het archiefonderzoek leverde weliswaar informatie op, maar die informatie was bepaald niet eenduidig. De bronnen spraken elkaar regelmatig tegen. Dit gold met name voor kwantitatieve gegevens. Een verklaring daarvoor ligt in het feit dat de verschillende instanties een verschillende inhoud gaven aan het begrip ‘Indië-weigeraar’. De verschillende definities leidden tot verschillende aantallen. Nog ingewikkelder werd het, wanneer eenzelfde instantie zoals bijvoorbeeld het ministerie van Oorlog verschillende aantallen noemde. Dat de kwantitatieve gegevens door de verschillende instellingen over verschillende perioden werden geteld – perioden die elkaar soms gedeeltelijk overlapten – maakte het extra gecompliceerd. Wat geldt voor het aantal weigeraars, geldt evenzeer voor het aantal vonnissen en de zwaarte ervan. Er werden verschillende perioden aangehouden. Sommige bronnen hadden alleen betrekking op de vonnissen van de Krijgsraden te Velde, terwijl andere bronnen zich beperkten tot de sententies van het Hoog Militair Gerechtshof. In de klappers van de gevangenissen en detentiekampen waren de gegevens te vinden van de weigeraars die hun straf uitgezeten hadden. Die informatie kwam niet altijd overeen met de gegevens van de ministeries van Oorlog en van Justitie. Bij de registratie van de opgelegde straffen hanteerden de instellingen verschillende criteria. De ene instantie deelde de vonnissen in twee categorieën in, namelijk minder dan drie jaar en meer dan drie jaar. Een tweede instelling registreerde de vonnissen per jaar. Een derde vermeldde de vonnissen met het aantal maanden, en als daar sprake van was met het aantal jaren. Slechts één van de bronnen ordende de vonnissen over de hele periode van 1946 tot en met 1951.17 Helaas vermeldden de schrijvers van het rapport niet exact op basis van welke bronnen zij tot de vaststelling van hun aantallen waren gekomen. Dat was een nalatigheid die zwaar woog, omdat sommige van hun aantallen aantoonbaar onjuist waren. 17 Het rapport dateert uit oktober 1952 en is geschreven door reservelegerpredikant majoor dr. D.K. Wielenga en luitenant-kolonel ds. A.W.T. Nijenhuis.
omniBWindieweigeraars0815P.indd 18
01-09-15 15:14
Het onderzoek | 19
De dossiers van de weigeraars die niet in hoger beroep gingen, zijn grotendeels verdwenen. Wat restte waren eenvoudige staten met summiere informatie. Deze staten waren ingevuld door de militaire autoriteiten en waren daardoor niet geheel vrij van subjectiviteit, met name als het ging om het motief voor de weigering. Van de 233 weigeraars die in hoger beroep gingen bij het Hoog Militair Gerechtshof (HMG) in Den Haag, was het dossier wel bewaard gebleven. De inhoud van de dossiers was wisselend. In de meeste gevallen bevatten ze de uitspraken van de krijgsraad en de uitslag van het hoger beroep. In sommige gevallen was de pleitnota of het psychiatrisch rapport erin terug te vinden. Van beide kon worden vastgesteld dat het in veel gevallen om een standaard pleitnota en psychiatrisch rapport ging. Een geoefend onderzoeker kon al na het lezen van de eerste regels van het psychiatrisch rapport bedenken welke psychiater het onderzoek had gedaan. In een klein aantal gevallen zaten er brieven in het dossier, geschreven door de weigeraar, familie of vrienden. Dat waren de enige stukken waarin de weigeraars zelf aan het woord kwamen. Op de kaft van de dossiers was door de auditeur-militair18 vanuit zijn perspectief de inhoud van het dossier samengevat.
Mondelinge overlevering De meeste weigeraars waren geboren tussen 1924 en 1929 en zijn dus inmiddels tussen de 85 en 90 jaar. Velen zullen niet meer in leven zijn. Toch is er een poging gewaagd de weigeraars een stem te geven. In het kader van dit onderzoek zijn er advertenties geplaatst in dagbladen en huis-aan-huisbladen in de drie noordelijke provincies. Daarin werden weigeraars of hun familie opgeroepen met de onderzoeker contact op te nemen. Die oproep heeft niets opgeleverd. Bij een rondreis door de drie noordelijke provincies was het niet moeilijk om contact te leggen met de plaatselijke bevolking. De bezochte plaatsen waren op basis van de dossiers van de krijgsraden aselect per provincie gekozen. De meeste mensen die werden aangesproken, waren niet bekend met het onderwerp, maar waren er wel in ge誰nteresseerd. Menigeen pakte de telefoon om familieleden te bellen. Wanneer zij geen informatie kon18 Dat is de benaming voor de officier van justitie bij de krijgsraad.
omniBWindieweigeraars0815P.indd 19
01-09-15 15:14
20 | De Indië-weigeraars
den geven, gaven zij namen van andere mensen op. Desondanks leverde dit geen informatie op. Bij een bezoek aan de verschillende dorpen stuitte ik met grote regelmaat op namen die ik ook in de dossiers van de krijgsraden was tegengekomen. Het was helaas niet mogelijk direct op die mensen af te stappen, omdat de voorwaarde voor inzage in de gesloten archieven dat de personen die erin voorkwamen geanonimiseerd moesten worden, dat verhinderde. Wellicht een gemiste kans. Uit de gesprekken die gevoerd zijn, werd duidelijk dat in de kleine gemeenschappen iedereen wist wat er speelde. Als een jongeman verdwenen of ondergedoken was, wist iedereen wat er aan de hand was. Weigeraars doken onder bij hun ouders of bij familieleden. Het feit dat iedereen op de hoogte was, wilde niet zeggen dat er ook over werd gesproken. Het is niet duidelijk geworden of dienstweigeren en desertie als een taboe werd beschouwd. Het was in ieder geval geen taboe voor de twee weigeraars Maassen en Van Luyn. Zij hebben in 2013 tevergeefs geprobeerd de Hoge Raad tot herziening van hun rechtszaak te bewegen. Om juridisch-technische redenen werd dat verzoek niet gehonoreerd.
Terminologie De term ‘Indië-weigeraars’ wordt in deze studie gereserveerd voor die dienstplichtige militairen die zich doelbewust onttrokken aan hun uitzending naar Nederlands-Indië. Sommigen van hen keerden niet terug van inschepingsverlof en doken onder. Anderen keerden niet terug van inschepingsverlof en meldden zich weer bij hun onderdeel zodra het schip waarmee ze naar Nederlands-Indië zouden gaan, was vertrokken. Weer anderen onttrokken zich aan de dienstplicht voordat ze bericht hadden ontvangen dat ze voor uitzending naar Nederlands-Indië waren bestemd. Strikt genomen vallen principiële dienstweigeraars buiten het bestek van dit onderzoek. Bij hen speelde de uitzending naar Nederlands-Indië geen rol. Zij keerden zich tegen elke vorm van gewapende dienst. Toch zal er aandacht aan hen besteed worden, omdat in kringen van de politieke en militaire autoriteiten de opvatting bestond dat de Wet betreffende de dienstweigering van 1923 misbruikt werd om aan uitzending naar Nederlands-Indië te ontko-
omniBWindieweigeraars0815P.indd 20
01-09-15 15:14
Het onderzoek | 21
men. Sommigen van de principiĂŤle weigeraars werden als dienstweigeraar door de minister erkend, maar velen ook niet. Wanneer zij volhardden in hun weigering, werden ze beschouwd als IndiĂŤ-weigeraar en als zodanig behandeld. Daarom zal aan deze groep aandacht worden besteed. Er was ook een groep dienstplichtigen die zich bewust aan inscheping onttrok, maar die na het uitoefenen van enige psychologische druk, het regelen van een adequate kostwinnersvergoeding of de afhandeling van een rekwest, zonder tussenkomst van de krijgsraad zich alsnog liet inschepen. Deze groep wordt buiten beschouwing gelaten.
omniBWindieweigeraars0815P.indd 21
01-09-15 15:14
hoofdstuk
omniBWindieweigeraars0815P.indd 22
2
01-09-15 15:14
De krijgsmacht
De organisatie De krijgsmacht is een gesloten organisatie. De samenleving moet zoals bij een internaat buitengesloten worden ter bescherming van de militairen. Binnen dit gesloten instituut vindt de vorming van de rekruten plaats. Deze vorming is erop gericht de identiteit van de rekruten te veranderen. Sociologen spreken van ‘resocialisatie’. Tijdens dit resocialisatieproces wordt de oude identiteit letterlijk en figuurlijk afgelegd. De uniformering zorgt ervoor dat de uiterlijke verschillen tussen rekruten verdwijnen. Het uniform maakt de rekruten letterlijk eenvormig. Het afleggen van de oude identiteit wordt bereikt door een combinatie van vernederingsrituelen en isolatietechnieken. Met name vernedering blijkt een effectief instrument te zijn om conformisme af te dwingen. Degradatie is voor een officier die zijn strepen kwijtraakt de uiterste vorm van vernedering. Effectief is ook het uitstoten uit de groep, het sociale isolement. Van Doorn heeft het als volgt beschreven: ‘Het internaat is primair een sociale pressure-cooker, en als zodanig ongetwijfeld één van de meest geniale uitvindingen inzake mensenbeheersing. Het isolement van de buitenwereld, de uniformering en indoctrinatie, de voortdurende controle, de geleding in jaarklassen volgens hiërarchisch principe – dit totaal van sociale technieken schept een optimale, in ieder geval een maximale garantie tot het kneden van de persoonlijkheid van de leden overeenkomstig de bedoelingen van de leiding.’19 Wanneer dit proces is voltooid, wordt er gewerkt aan de opbouw van een nieuwe, aan de krijgsmacht aangepaste identiteit. Deze ‘nieuwe’ identiteit wordt bekrachtigd door het privilegesysteem (de mate van gehoorzaamheid en aanpassing wordt uitgedrukt in de toedeling van beloning en straf ).
19 Doorn, J.A.A. van, Beroepsvorming in internaatsverband. Sociologische beschouwingen en specifieke ervaringen, pag. 66.
omniBWindieweigeraars0815P.indd 23
01-09-15 15:14
24 | De Indië-weigeraars
De dienstweigeraar daagt de organisatie uit. De extreemste provocatie is wel de weigering het uniform aan te trekken. Met deze weigering houdt de weigeraar zijn eigen identiteit in stand. Hij blijft zich onderscheiden van de ander. Het is de krijgsmacht niet gelukt deze dienstplichtigen te resocialiseren. Niet alle weigeraars gaan zo ver, maar hun keuze heeft één ding gemeen: het raakt de krijgsmacht in het diepst van zijn ziel, de door discipline af te dwingen, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.
Discipline Discipline is de ziel van de militaire dienst. Het onvoorwaardelijk opvolgen van een dienstbevel is daar de uitdrukking van. Niemand zal het belang van discipline voor het functioneren van de krijgsmacht ontkennen, maar de vanzelfsprekendheid ervan is tegelijkertijd de valkuil. Discipline is het anker van de beroepsmilitair. Het geeft hem duidelijkheid én het geeft hem macht over zijn ondergeschikten. Die macht is onbeperkt. Aan die duidelijkheid en aan die macht mag niet gemorreld worden. Gebeurt dat wel, dan raakt de beroepsmilitair los van zijn anker. Hij raakt op drift. Aan autonome soldaten bestaat – buiten strikt genomen de gevechtssituaties – geen behoefte. Mondige soldaten zouden voor discussie en daaruit voortkomend verdeeldheid binnen de krijgsmacht zorgen. Die angst bestond niet alleen in het Nederlandse leger, maar in alle legers. Zo verbood de Amerikaanse legerleiding tijdens de Tweede Wereldoorlog haar psychologische dienst enquêtes te houden onder dienstplichtigen: ‘Anonieme meningen of kritiek, positief of negatief, hebben een destructief effect op de militaire organisatie.’20 De militair socioloog Morris Janowitz onderscheidde twee manieren om met discipline om te gaan.21 De eerste manier gaat uit van manipulatie, overtuiging en het toepassen van groepsdruk. De tweede manier is gebaseerd op het rigide vasthouden aan de regels, waarbij de bevelvoerende officier niet terug moet deinzen voor extreme maatregelen. Zachte heelmeesters maken immers stinkende wonden. Wordt bij de tweede manier vooral gebruikgemaakt van negatieve sancties zoals straf, bij de eerste methode wordt uitgegaan van positieve prikkels. De eerste manier paste bij de eerste commandant van het Algemeen De20 Madge, J., The Origins of Scientific Sociology, pag. 288. 21 Janowitz, M., The Professional Soldier, pag. 80.
omniBWindieweigeraars0815P.indd 24
01-09-15 15:14
De krijgsmacht | 25
pot Koninklijke Landmacht (ADKL) in Schoonhoven, kolonel Termaten. De tweede manier herkennen we in zijn opvolger, kolonel Sluyter. Die laatste benadering had uiteindelijk de voorkeur van de minister van Oorlog en de chef van de generale staf. Om het belang dat in de krijgsmacht gehecht wordt aan discipline in perspectief te plaatsen, maken we een uitstapje naar het jaar 1971 (!). In dat jaar werd de dienstplichtig soldaat Rinus Wehrmann door de krijgsraad veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, omdat hij geweigerd had zijn haar te laten knippen. De krijgsraad legde dat uit als het weigeren van een dienstbevel.22 Over het dienstbevel staat in het Handboek voor de soldaat het volgende: ‘Ook een onredelijk of onbillijk dienstbevel van een meerdere, dat een dienstbelang betreft, blijft echter een dienstbevel, dat door U moet worden opgevolgd. De mindere, die niet altijd objectief kan beoordelen of het dienstbevel onredelijk of onbillijk is, heeft niet het recht om op die grond de opvolging van het bevel te weigeren.’23 Er worden vervolgens enige voorbeelden gegeven, die duidelijk moeten maken dat het bevel om een oorlogsmisdaad te plegen niet opgevolgd diende te worden. ‘Uit deze voorbeelden blijkt, dat in de Nederlandse krijgsmacht het principe “bevel is bevel” niet geldt.’ Maar – zo wordt eraan toegevoegd – deze voorbeelden zijn zo uitzonderlijk, dat in het algemeen kan worden gesteld dat een dienstbevel moet worden opgevolgd. Dat is in de meeste gevallen in Indonesië ook gebeurd. Oorlogsmisdaden waren ervan het gevolg.24 Niettemin had de Nederlandse regering zich gecommitteerd aan het Landoorlogsverdrag en het Landoorlogsreglement van 1907 en de eerste drie Conventies van Genève, die er juist op gericht waren oorlogsmisdaden te voorkomen. Als zo’n betrekkelijk onbenullige kwestie nog in 1971 tot zo’n zware straf leidde, zal het weinig moeite kosten te begrijpen hoezeer er in de periode 1945-1949 gehecht werd aan discipline. Dienstweigering en desertie waren van een heel andere categorie dan de weigering het haar te laten knippen. De krijgsmacht werd erdoor in 22 In hoger beroep werd hij veroordeeld tot een week gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en onmiddellijk in vrijheid gesteld. Vrij kort daarna werd de haardracht vrijgegeven. 23 Handboek voor de soldaat, 6-2a. 24 Weijzen, A., De gewone man als oorlogsmisdadiger, pag. 51.
omniBWindieweigeraars0815P.indd 25
01-09-15 15:14
26 | De Indië-weigeraars
zijn wezen geraakt. Dat moest voorkomen worden door het toepassen van de zwaarst mogelijke straffen. Dit hebben de weigeraars ondervonden. Talloos zijn de verhalen van Indië-weigeraars die door het beroepskader werden uitgescholden en vernederd. Ze werden bedreigd met gevangenisstraffen tot vijftien jaar, uit te zitten in een gevangenis in Maastricht, zo ver mogelijk verwijderd van familie en vrienden. De weigeraars werden met enige regelmaat na een lange dag van fysieke inspanning nog eens gestraft met een nachtelijke oefening. Zoals de socioloog Pareto schrijft in zijn verhandeling over elites: ‘De elite die niet bereid is haar positie tot het uiterste te verdedigen, is voorbestemd om ten onder te gaan.’25 Dat was de politieke en militaire elite in Nederland niet van plan. Daarom kozen ze voor de harde benadering van de weigeraars.
De rekrutering van de beroepsofficier Officieren werden traditioneel gerekruteerd uit de hogere en hoogste sociale lagen. Dat voedde het gevoel tot de maatschappelijke elite te behoren. In de periode 1918-1923 was 41% van de officieren afkomstig uit de hoogste sociale lagen. Dat was tot 1995 niet veranderd. Het gevoel tot een elite te behoren werd in gezinnen van vader op zoon doorgegeven. Van 30% van de aspirant-officieren in Nederland in de periode 1918-1923 was de vader beroepsmilitair of beroepsmilitair geweest. Kenmerkend voor de elitaire houding was de anekdote dat de eerste gouverneur van de KMA na de Tweede Wereldoorlog voetballen op de KMA verbood. Voetbal was geen kadettensport.26 Janowitz concludeerde uit onderzoek in verschillende landen dat de beroepsmilitair gekenmerkt werd door conservatisme en een sterk gevoel van nationalisme.27 Naarmate een officier hoger in de hiërarchie opklom, kreeg hij meer met politieke kwesties te maken. Het aantal beroepsmilitairen met een uitgesproken politieke opvatting beperkte zich tot een minderheid. Gezien de maatschappelijke groep waaruit de top van de krijgsmacht werd gerekruteerd, stelde Janowitz dat zij conservatief van aard waren. Een onderzoek 25 Zeitlin, I.M., Ideology and the Development of Sociological Theory, pag. 168. 26 Schilt, J.T. van, Herfsttij van het militaire elitegevoel, pag. 16. 27 Janowitz (1964), pag. 233.
omniBWindieweigeraars0815P.indd 26
01-09-15 15:14
De krijgsmacht | 27
onder 576 Amerikaanse officieren toonde aan dat de conservatieve houding in alle krijgsmachtonderdelen overheersend was. Landmacht
Zeemacht
Luchtmacht
Conservatief
25,1
23
14,7
Enigszins conservatief
44,5
45,2
46,5
Enigszins liberaal
21,3
18,3
31,8
Liberaal
5,3
6,3
3,2
Geen antwoord
3,8
7,2
3,8
Politieke identificatie officieren (%)
Kenmerkend voor dit conservatisme waren twee elementen: • Sociale relaties dienen gebaseerd te zijn op orde en gehoorzaamheid aan het gezag. Materialisme kan een hindernis zijn voor het aanleren van deugden als patriottisme, plichtsbesef en zelfopoffering. Het zal duidelijk worden dat een groot deel van de Indië-weigeraars niet binnen dit conservatieve denken paste. • Politici verdienen weinig respect. Zij zijn uitsluitend bezig met het sluiten van compromissen. Volgens de erecode van de beroepsmilitair stond hij boven de politiek. In een democratische samenleving behoorden zij geen politieke voorkeur te uiten. Beroepsmilitairen moesten dienstbaar zijn aan de wettige regering. De periode 1945-1949 laat voor wat betreft Nederland zien dat er sprake was van een grote spanning tussen de theorie van de neutraliteit en de praktijk ervan.
De geest van de beroepsmilitair Mensen hebben een aantal bewuste en onbewuste waarden. Willen mensen psychologisch kunnen functioneren, dan moeten die waarden een evenwichtig geheel vormen. Als dat psychologisch evenwicht wordt verstoord, is er sprake van wat de sociaalpsycholoog Festinger ‘cognitieve dissonantie’ noemde. Zo’n situatie wordt door mensen als onaangenaam ervaren. Het maakt mensen onzeker, vooral wanneer het gaat om centrale waarden. Dat is precies wat de Indië-weigeraar deed: onzeker maken. Hij ondermijnde de centrale waarden van de krijgsmacht. Weigeraars onttrokken zich aan de discipline. Zij onttrokken zich aan het dienstbevel. Zij onttrokken
omniBWindieweigeraars0815P.indd 27
01-09-15 15:14
28 | De Indië-weigeraars
zich aan de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid die van elke militair als vanzelfsprekend werd verwacht. Mensen zullen alles in het werk stellen om aan die onwenselijke psychologische situatie een eind te maken. Daartoe zijn er twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid bestaat uit het toelaten van andere waarden om aldus een nieuw evenwicht tot stand te brengen. De tweede mogelijkheid is de veroorzaker van de psychologische verwarring elimineren. Binnen een gesloten systeem zoals dat van de krijgsmacht, bestond er geen neiging om zich open te stellen voor andere waarden zoals die vertegenwoordigd werden door de Indië-weigeraars. Daardoor bleef alleen de tweede mogelijkheid over. Er moest hard tegen de Indië-weigeraars worden opgetreden. Zij moesten tot conformisme worden gedwongen of – als dat niet lukte – moest hun het zwijgen worden opgelegd. Lange gevangenisstraffen moesten dat doel dienen. De harde aanpak van dienstweigeraars en deserteurs was niet in de eerste plaats een kwestie van discipline, maar een van bedreigde existentie. De krijgsmacht was een organisatie die bij uitstek de cultuur van mannelijkheid uitstraalde. Het leger maakte van jongens mannen! Wie zich als jonge man tegen oorlog en wapens keerde, was dus geen echte man. Ook zij die de fysieke inspanningen niet aankonden, werden belachelijk gemaakt en als slappelingen weggezet. Smalend werd er gesproken over moederskindjes, die niet los konden komen van de pappot. Kolonel Termaten – een invoelende commandant en beslist geen houwdegen – sprak over de weigeraars uit het noorden: ‘De aldaar heersende lamlendigheid wordt onvoldoende tegemoet getreden.’ De hoogleraar mr.dr. Hazewinkel-Suringa sprak over landverraders. Naast mannelijkheid stond de krijgsmacht ook voor andere deugden zoals moed, kameraadschap en vaderlandsliefde. Dienstweigeraars en deserteurs vertegenwoordigden vanuit de krijgsmacht bekeken het tegenovergestelde: lafheid, egoïsme en landverraad. Het was een groot taboe om over angst te spreken. De dienstplichtige mocht zijn angst om te sneuvelen voor zich houden. ‘Iedereen is weleens angstig. Zet je eroverheen,’ zo adviseerde ds. Brokken. Ook ouders mochten de angst om hun zonen niet uiten. Die angst groeide alleen maar naarmate de lijst van gesneuvelde militairen groeide. Binnen het stereotiepe denken over mannen en vrouwen werd de angst van moeders
omniBWindieweigeraars0815P.indd 28
01-09-15 15:14
De krijgsmacht | 29
om hun zonen nog wel getolereerd. Een aalmoezenier wijdde er enige woorden aan, maar kwam toch tot de conclusie dat moeders de dood van hun zonen moesten beschouwen als een offer aan het vaderland. Serieus genomen werd het niet in die zin dat het aanleiding was tot reflectie over de oorlog in Nederlands-Indië. Van vaders werd het uiten van hun angst absoluut niet geaccepteerd. Zij moesten zich door het verstand laten leiden, om dan onvermijdelijk tot de conclusie te komen dat deze oorlog noodzakelijk was. In plaats van hun angst te tonen, moesten ze hun zonen sterken in hun plicht naar NederlandsIndië te vertrekken. Het verschil in houding tussen mannen en vrouwen werd treffend weerspiegeld in de resultaten van een onderzoek door het NIPO. Uit dat onderzoek bleek dat beduidend meer mannen dan vrouwen de oorlog in Nederlands-Indië noodzakelijk vonden. Ten slotte waren er nog militair psychiaters, die in de ingestorte soldaat een latent homofiel zagen, die impotent was of seksueel labiel.28 Voor hen was geen plaats in de krijgsmacht.
28 Binneveld, H., Om de geest van Jan Soldaat, pag. 155.
omniBWindieweigeraars0815P.indd 29
01-09-15 15:14
De zogenaamde politionele acties van de Nederlandse regering in Indonesië (1945-1949) waren niets anders dan een keiharde koloniale oorlog. Duizenden Nederlandse burgers en militairen en vele tienduizenden Indonesiërs kwamen om. De Nederlandse autoriteiten hebben – met succes – er alles aan gedaan om begane oorlogsmisdaden in de doofpot te stoppen en vervolging van de daders te voorkomen. Hoe anders werd er door dezelfde autoriteiten opgetreden tegen landgenoten die om uiteenlopende redenen dienst weigerden. Tot diep in de jaren vijftig werden alle mogelijke middelen ingezet om de duizenden weigeraars op te sporen en hen vervolgens hard te straffen. Gratie of eerherstel werd nooit verleend. Zeven decennia later is het verbijsterend te lezen hoe verbeten de autoriteiten en grote delen van de bevolking zo vlak na de Tweede Wereldoorlog reageerden op weigeraars. Dienstweigeraars waren landverraders; zij die wél gingen ware patriotten. Tegen deze cultuur was geen kruid gewassen. Auteur Antoine Weijzen onderzocht waarom Indië-weigeraars zich verzetten tegen hun uitzending, maar vooral vanuit welke vooringenomen motieven militaire, politieke, juridische, medische en kerkelijke autoriteiten tot hun harde opstelling kwamen. Een onthullend boek.
NUR 694
ANTOINE WEIJZEN DE INDIË-WEIGERAARS
Vergeten slachtoffers van een koloniale oorlog: een cultuurhistorie
DE INDIËWEIGERAARS Vergeten slachtoffers van een koloniale oorlog
www.omniboek.nl
WEIJZEN_Indiëweigeraars_wt.indd 1
ANTOINE WEIJZEN 27-08-15 15:16