Het feest
De klok kwam keihard aangestormd. Het was een reusachtig staand horloge op rolschaatsen, met een slinger die luid tikkend de seconden aangaf. Het gebeurde niet elke dag dat Ophelia zo’n imposant meubelstuk in volle vaart op zich af zag komen. ‘Neemt u het hem niet kwalijk, lieve nicht!’ riep een meisje dat de klok aan een riem vasthield en hem uit alle macht probeerde af te remmen. ‘Normaal gesproken doet hij niet zo enthousiast. Maar dat komt omdat Mama hem niet zo vaak uitlaat, dus hij kan er niks aan doen. Mag ik een wafel alstublieft?’ Ophelia keek behoedzaam naar de klok, die met zijn rolschaatsen krassende bewegingen over de tegelvloer maakte. ‘Met een scheutje esdoornsiroop?’ vroeg ze terwijl ze een knapperige wafel van de toonbank pakte. ‘Nee, dank u, nicht. Vrolijk Tik-Tak!’ ‘Vrolijk Tik-Tak,’ zei Ophelia mat terwijl ze keek hoe het meisje met haar grote klok in de menigte verdween. Als er één feest was dat ze totaal niet wilde vieren, was het wel dit. Midden op de ambachtelijke markt van Anima moest ze het wafelkraampje bemannen en ze zag de hele tijd een stroom van koekoeksklokken en wekkers voorbijkomen. Het voortdurende kabaal van al die slaande klokken en iedereen die elkaar ‘Vrolijk Tik-Tak!’ toeriep, weergalmde tegen de grote ramen in de hal. Het leek net alsof al die wijzers alleen maar draaiden om Ophelia te herinneren aan datgene waaraan ze 13
juist niet herinnerd wilde worden. ‘Twee jaar en zeven maanden.’ Ophelia keek naar tante Rosalinde, die met deze woorden een stapel dampende wafels op de toonbank kwakte. Ook zij werd niet echt vrolijk van het Tik-Takfeest. ‘Dacht je dat madame onze brieven zou beantwoorden?’ siste tante Rosalinde zwaaiend met haar beslaglepel. ‘Welnee, madame heeft wel wat beters te doen.’ ‘Dat is niet eerlijk,’ zei Ophelia. ‘Brunhilde heeft vast geprobeerd om contact met ons te zoeken.’ Tante Rosalinde legde haar beslaglepel op het wafelijzer en veegde haar handen aan haar keukenschort af. ‘Natuurlijk is dat niet eerlijk. Na alles wat er op de Pool gebeurd is, zou het mij niets verbazen als de Doyennes onze brieven onderscheppen. Maar ik zou me tegenover jou niet zo moeten beklagen. Voor jou zijn de afgelopen twee jaar en zeven maanden nog veel stiller geweest dan voor mij.’ Ophelia had geen zin om erover te praten. De gedachte alleen al gaf haar het gevoel dat ze de wijzers van een klok had ingeslikt. Ze haastte zich om een juwelier te bedienen, die zich met zijn mooiste zakhorloges had uitgedost. ‘Nee maar!’ zei hij geërgerd toen zijn horloges allemaal tegelijk begonnen te klepperen. ‘Waar zijn jullie goede manieren gebleven, dames? Moet ik jullie soms naar de winkel terugbrengen?’ ‘U moet niet boos op ze zijn,’ zei Ophelia, ‘het komt door mij dat ze zo doen. Een scheutje siroop?’ ‘Nee, alleen een wafel. Vrolijk Tik-Tak!’ Ophelia keek de juwelier na en zette de fles met siroop die ze bijna had omgegooid weer op de toonbank. ‘De Doyennes hadden me niet achter een kraam moeten zetten. Het enige wat ik doe, is wafels uitdelen die ik niet 14
eens zelf kan bakken. Bovendien heb ik er al behoorlijk wat op de grond laten vallen.’ Ophelia’s onverbeterlijke onhandigheid was binnen de hele Animistenfamilie bekend. Niemand durfde het aan om haar een scheutje esdoornsiroop te vragen met al die uurwerken in de buurt. ‘Ik zeg het met tegenzin, maar voor één keer kan ik de Doyennes geen ongelijk geven. Je ziet er heel erg slecht uit en ik denk dat het goed is dat je iets omhanden hebt.’ Tante Rosalinde keek haar nichtje streng aan, nadrukkelijk doelend op haar afgematte gezicht, haar fletse brillenglazen en haar vlecht, die zo’n kluwen vormde dat geen kam er iets mee kon beginnen. ‘Ik voel me prima.’ ‘Nee, je voelt je niet prima. Je komt de deur niet meer uit, je eet niet gezond, je slaapt op de gekste momenten en je bent nog niet eens naar het museum geweest,’ zei tante Rosalinde ten slotte op ernstige toon, alsof ze dat laatste nog het zorgelijkste vond. ‘Ik ben er wel geweest,’ sprak Ophelia haar tegen. Zodra ze van de Pool was teruggekeerd, was ze er direct heen gegaan, zelfs zonder eerst even thuis haar koffer neer te zetten. Ze had met haar eigen ogen de vitrines willen zien, waaruit de wapencollectie was verdwenen, de ronde ruimte waar geen enkel militair vliegtuig meer te vinden was, de muren waaraan geen keizerlijke banieren meer hingen en de nissen die er zonder de pronkharnassen akelig kaal uitzagen. Ze was er ondersteboven vandaan gekomen en nooit meer teruggegaan. ‘Het is geen museum meer,’ zei ze met opeengeklemde tanden. ‘Het verleden beschrijven zonder over oorlogen te vertellen is hetzelfde als liegen.’ 15
‘Jij bent een lezeres,’ zei tante Rosalinde op vermanende toon. ‘Je gaat toch niet zitten duimendraaien totdat... totdat... Kortom, je moet door.’ Ophelia zei maar niet dat ze niet meer duimen zat te draaien en dat ze geen behoefte had om door te gaan. Ze had de afgelopen maanden zonder haar bed uit te komen veel onderzoek gedaan en alleen maar met haar neus in aardrijkskundeboeken gezeten. Hoezo moest ze door? Ze moest wég, alleen zou ze niet weten hoe. Niet zolang de Doyennes haar dag en nacht in de gaten hielden. Niet zolang God haar in de gaten hield. ‘Je had je horloge beter thuis kunnen laten tijdens het Tik-Takfeest,’ zei tante Rosalinde opeens. ‘Het brengt alle andere uurwerken van de wijs.’ Er waren allemaal klokken voor het wafelkraampje samengedromd. Ophelia legde onwillekeurig een hand op haar zak en gebaarde toen naar de wijzerplaten dat ze elders moesten gaan tikken. ‘Dat is nou typisch Anima. Je kunt geen horloge dragen dat van slag is of alle uurwerken in de buurt laten hun afkeuring blijken.’ ‘Je zou het naar een horlogemaker moeten brengen.’ ‘Dat heb ik gedaan. Maar het is niet kapot, alleen erg ontregeld. Vrolijk Tik-Tak, oom.’ Ophelia’s oudoom was uit de menigte opgedoken, diep weggedoken in zijn winterjas terwijl de smeltende sneeuw van zijn dikke snor droop. ‘Jaja, vrolijk feest, Tik-Tak en de hele mikmak,’ mompelde hij en hij liep meteen om de toonbank heen om zelf een warme wafel te pakken. ‘Het wordt zo langzamerhand een beetje belachelijk, al die flauwekul! Zilverfeest, Muziekinstrumentenfeest, Laarzenfeest, Hoedenfeest... Elk jaar staat er een nieuwe partij op de kalender! Straks vieren ze ook 16
nog een Pispottenfeest. In mijn tijd werden voorwerpen niet zo verwend als tegenwoordig, en dan is men ook nog verbaasd dat ze kuren krijgen. Stop dit gauw weg,’ fluisterde hij tegen Ophelia terwijl hij haar een envelop aanreikte. ‘Hebt u er nog een gevonden?’ Terwijl ze de envelop in haar schortzak verstopte, voelde Ophelia hoe haar hart sneller ging kloppen dan alle klokken op het feest. ‘En niet zomaar één, meiske. Er eentje opduikelen is niet zo moeilijk. Maar om het te doen zonder dat de Doyennes het merken, dat is andere koek. Ze houden me bijna net zo scherp in de gaten als jij. Wel oppassen trouwens,’ bromde de oudoom snuivend door zijn snor. ‘Ik heb de rapportrice met haar verdraaide parkiet hier al zien rondstruinen.’ Tante Rosalinde hoorde hen knarsend met haar paardentanden aan. Ze wist donders goed wat ze in hun schild voerden, en hoewel ze het maar niks vond omdat ze bang was dat Ophelia opnieuw in de problemen zou komen, bood ze hun toch vaak een helpende hand. ‘Het wafelbeslag is bijna op,’ zei ze bits. ‘Ga jij nog even wat halen alsjeblieft.’ Dat liet Ophelia zich geen twee keer zeggen en ze liep snel naar de provisiekamer. Het was er ijskoud, maar hier kon tenminste niemand haar zien. Ze suste haar sjaal, die aan een kleerhanger hing en ongeduldig naar haar zwiepte, keek om zich heen om zeker te weten dat ze alleen was en maakte toen de envelop van haar oudoom open. Er zat een briefkaart in. Op het fotobijschrift stond XXIIE INTERFAMILIALE TENTOONSTELLING en de poststempel was meer dan zestig jaar oud. Als rasechte familiearchivaris had haar oudoom zijn relaties aangeboord om die kaart te bemachtigen. Het ging Ophelia vooral om de foto. Het was een afdruk in zwart-wit, hier en 17
daar met de hand ingekleurd, waarop de stands van de exposanten en de exotische bezienswaardigheden in de wandelgangen van een reusachtig gebouw te zien waren. Het leek net de hal van Anima, maar dan honderd keer zo imposant. Ophelia duwde haar bril omhoog en hield de kaart tegen het licht. Eindelijk vond ze wat ze zocht: achter de grote ramen van het gebouw, bijna onzichtbaar in de mist die buiten hing, stond een standbeeld zonder hoofd. Voor het eerst sinds lange tijd kleurden Ophelia’s brillenglazen donker van de emotie. Haar oudoom had haar het bewijs van al haar vermoedens geleverd. ‘Ophelia!’ riep tante Rosalinde. ‘Je moeder heeft je nodig!’ Toen ze dat hoorde, stopte ze haastig de briefkaart weg. De opwinding die zich even van haar meester had gemaakt, verdween onmiddellijk om plaats te maken voor frustratie. Of eigenlijk was het erger dan dat. Door al dat eindeloze wachten was er een gat binnen in haar ontstaan. Een gat dat dag na dag, week na week, maand na maand alleen maar groter werd. Soms vroeg Ophelia zich af of ze er uiteindelijk niet zelf in zou verdwijnen. Ze haalde haar zakhorloge tevoorschijn en deed heel voorzichtig het dekseltje open. Het arme uurwerk had al genoeg te verduren gehad, dus ze moest goed oppassen dat ze niet iets onhandigs deed. Sinds ze het tussen Thorns spullen had aangetroffen, vlak voordat ze naar Anima werd teruggehaald, had het nooit meer de juiste tijd aangegeven. Of liever gezegd: het gaf voortdurend alle tijdstippen tegelijk aan doordat de wijzers alle kanten op wezen zonder dat er ook maar enige logica in te ontdekken viel: tweeëntwintig minuten over vier, acht over halfacht, vijf over een... En tikken, ho maar. Twee jaar en zeven maanden stilte. Sinds Thorns ontsnapping had Ophelia niets meer van 18
hem vernomen. Geen enkel telegram of brief. Ze kon zichzelf nog zo vaak voorhouden dat het te gevaarlijk voor hem was om een teken van leven te geven, dat hij gezocht werd door justitie, misschien wel door God in eigen persoon, maar vanbinnen zat ze zich op te vreten. ‘Ophelia!’ ‘Ik kom eraan.’ Ze pakte een pot met wafelbeslag en liep naar buiten. Aan de andere kant van de kraam stond haar moeder in een enorme pofjurk. ‘Nee maar, eindelijk verwaardigt mijn dochter zich om uit bed te komen! Dat werd tijd, nog even en je zou in een nachtkastje zijn veranderd. Vrolijk Tik-Tak, lieve kind. Kun je de kleintjes een wafel geven?’ Ophelia’s moeder wees op een hele stoet kinderen die ze bij zich had. Te midden van alle gezichten herkende Ophelia haar broertje, haar zusjes, haar neefjes, haar achterneefjes en -nichtjes en de staande klok uit de woonkamer. In haar ogen waren ze eigenlijk niet meer zo klein. Hektor had de afgelopen maanden zo’n groeispurt gemaakt dat hij Ophelia allang had ingehaald. Toen ze hen zo allemaal bij elkaar zag staan, met hun lange lijven, hun rossige haren en hun sproeten, vroeg ze zich af of ze eigenlijk wel familie van hen was. ‘Ik heb over je situatie gesproken met Agaath,’ zei Ophelia’s moeder terwijl ze zich met haar weelderige boezem over de kraam heen boog. ‘Je zus is het met mij eens, je moet iets te doen krijgen. Ze heeft het erover gehad met Charles en ze vinden het goed dat je in de fabriek komt werken. Kijk nou eens naar jezelf, kind! Zo gaat het echt niet langer. Je bent nog zo jong! Er is niets wat je nog verbindt aan... je weet wel... hem.’ Ophelia’s moeder had dat laatste woord gezegd zonder het uit te spreken. Niemand in de familie had het ooit over 19
Thorn, alsof het onderwerp taboe was. Meer in het algemeen had niemand het ooit over de Pool. Er waren dagen dat Ophelia zich afvroeg of alles wat ze daarginds had meegemaakt wel echt gebeurd was. Ze zou haast geloven dat ze nooit huisknecht, vicevertelster of grote familie-lezeres was geweest. ‘Zeg maar tegen Agaath en Charles dat ik het heel aardig van hen vind, mama, maar het antwoord is nee. Ik zie mezelf niet kantklossen.’ ‘Ze mag wel bij mij in het archief komen werken,’ bromde de oudoom in zijn snor. Ophelia’s moeder kneep haar lippen zo stijf op elkaar dat haar gezicht net een blaasbalg leek. ‘U hebt een vreselijke invloed op haar, oom. U bent alleen maar bezig met het verleden, het verleden en nog eens het verleden! Mijn dochter moet aan haar toekomst denken.’ ‘Ja vooral!’ zei hij spottend. ‘Je zou willen dat je dochter net zo degelijk werd als die brave boekjes uit de bibliotheek, hè? Dan kun je het arme kind net zo goed naar Verweggistan sturen.’ ‘Ik zou vooral willen dat ze voor de verandering eens een goede indruk maakt op de Doyennes en op Artemis.’ Ophelia raakte zo geïrriteerd dat ze per ongeluk een wafel aan de familieklok aanbood. Het haalde allemaal niets uit: hoe vaak ze ook tegen iedereen zei dat de Doyennes niet te vertrouwen waren, niemand luisterde naar haar. Ze had hen voor nog zoveel andere dingen willen waarschuwen! Vooral voor God. Maar ze had met niemand over hem gesproken: noch met haar ouders die haar constant het hemd van het lijf vroegen, noch met tante Rosalinde die zich zorgen maakte om haar stilzwijgen, noch met haar oudoom die haar hielp met haar speurwerk. De hele familie wist dat er iets gebeurd was in Thorns gevan20
geniscel – degenen die er het minst van wisten, dachten dat Ophelia zelf in de gevangenis had gezeten – maar ze had niemand ooit het fijne van de zaak verteld. Ze kon er niet over praten, niet na wat ze over God had ontdekt. Moeder Hildegard had zelfmoord gepleegd vanwege hem. Baron Melchior had anderen vermoord voor hem. Thorn was bijna vermoord door hem. Gods bestaan was op zich al een gevaarlijke waarheid. Zolang het nodig was, zou Ophelia dat geheimhouden. ‘Ik weet dat jullie je allemaal zorgen maken om mij,’ zei ze, ‘maar het is míjn leven. Ik hoef aan niemand rekenschap af te leggen, zelfs niet aan Artemis, en het zal me een zorg zijn wat de Doyennes denken.’ ‘Jij durft, lieve kind!’ Ophelia verstijfde toen ze een vrouw van middelbare leeftijd ontdekte die stiekem naar de kraam toe was gelopen. Ze droeg geen enkel horloge en had geen enkele klok bij zich, maar ze was uitgedost met een volstrekt bizarre hoed waarop een windwijzer in de vorm van een ooievaar pijlsnel ronddraaide. Haar twee uitpuilende ogen, die alles in de gaten hielden wat de Animisten in het algemeen en Ophelia in het bijzonder deden, leken door haar gouden bril nog groter dan ze al waren. Als de Doyennes de handlangsters waren van God, dan was de rapportrice de handlangster van de Doyennes. ‘Jouw dochter is een vrijbuiter, lieve Sophietje van me,’ zei ze met een minzame glimlach naar Ophelia’s moeder. ‘Die heb je nu eenmaal in elke familie! Ze wil niet meer in het museum werken? Dan moeten we haar keuze respecteren. Ze wil niet in een kantfabriek werken? Dan moeten we haar niet dwingen. Laat haar maar haar eigen vleugels uitslaan... Misschien heeft ze behoefte aan een heel andere omgeving.’ In één beweging draaiden de ogen van de rapportrice en 21
de ooievaar op haar hoed zich naar Ophelia toe. Die moest zichzelf dwingen om niet te voelen of de briefkaart van haar oudoom soms uit haar schortzak stak. ‘Moedigt u mij aan om Anima te verlaten?’ vroeg ze wantrouwig. ‘O, we willen je helemaal nergens toe aanmoedigen!’ haastte de rapportrice zich haar te verzekeren voordat Ophelia’s moeder, die haar mond al opensperde, iets kon zeggen. ‘Je bent nu een volwassen jongedame en vrij om te gaan en staan waar je wilt.’ Die vrouw was echt allesbehalve subtiel; dat was ook precies de reden waarom ze nooit zelf een Doyenne zou worden. Ophelia wist heel zeker dat ze zich maar op een luchtschip zou hoeven inschepen of ze zou worden gevolgd en in de gaten worden gehouden. Ze wilde Thorn terugvinden, ja, maar ze was beslist niet van plan om God naar hem toe te leiden. Op dit soort momenten betreurde ze het meer dan ooit dat ze geen spiegels kon gebruiken om Anima te verlaten: haar familiekracht kende helaas zijn grenzen. ‘Dank u wel,’ zei ze nadat ze alle kinderen een wafel gegeven had. ‘Maar ik geloof dat ik dan nog liever in mijn slaapkamer blijf. Vrolijk Tik-Tak, mevrouw.’ De glimlach van de rapportrice bevroor. ‘Onze zeer gewaardeerde moeders bewijzen jou een ongelooflijke eer – een ongelooflijke eer, begrijp je? – door zich met jouw persoontje bezig te houden. Dus hou op met je geheimzinnige gedoe en neem hen in vertrouwen. Zij zouden je kunnen helpen, en veel meer dan je denkt.’ ‘Vrolijk Tik-Tak,’ zei Ophelia nogmaals bits. De rapportrice deed abrupt een stap naar achteren, alsof ze een stroomstoot had gekregen. Ze staarde Ophelia eerst stomverbaasd en toen verontwaardigd aan, en lichtte ver22
volgens haar hielen. Haastig liep ze naar een groepje oude dames dat tussen de stoet klokken stond. De Doyennes. Ze luisterden rustig knikkend naar wat de rapportrice hun te vertellen had, maar de blik die ze Ophelia vanuit de verte toewierpen, was ronduit ijzig. ‘Je hebt het gedaan!’ riep Ophelia’s moeder woedend uit. ‘Je hebt die verschrikkelijke kracht uitgeoefend! Op niemand minder dan de rapportrice!’ ‘Ik deed het niet expres. Als de Doyennes me niet gedwongen hadden de Pool te verlaten, had Brunhilde me kunnen leren hoe ik mijn klauwen onder controle moet houden.’ Ophelia had het fluisterend gezegd terwijl ze de toonbank geërgerd met een lap schoonveegde. Ze kon maar niet aan die nieuwe toverkracht wennen. Tot nu toe had ze niemand verwond – ze had geen enkele neus opengesneden en geen enkele vinger eraf gehakt – maar als iemand een al te sterke antipathie bij haar opwekte, gebeurde er altijd hetzelfde: íéts in haar kwam in beweging en duwde die ander weg. En dat was beslist niet de beste manier om een meningsverschil op te lossen. ‘Zo makkelijk kom je er niet vanaf,’ siste Ophelia’s moeder terwijl ze een rode nagel op haar richtte. ‘Ik heb er mijn hoed van vol om te zien hoe je maar in bed blijft liggen en onze zeer gewaardeerde moeders tart. Morgenochtend ga je naar de fabriek van je zus en daarmee basta!’ Ophelia wachtte tot haar moeder met de kinderen vertrokken was. Toen leunde ze met beide handen op de toonbank van de wafelkraam en haalde diep adem. Het gat binnen in haar was nog groter geworden. ‘Je moeder kan zeggen wat ze wil,’ bromde de oudoom, ‘maar je mag gerust in het archief komen werken.’ ‘Of bij mij in het restauratieatelier,’ deed tante Rosalin23
de op bemoedigende toon een duit in het zakje. ‘Ik weet geen dankbaarder werk dan een vel papier van wormen en schimmel ontdoen.’ Ophelia gaf geen antwoord. Ze wilde helemaal niet werken, niet in de kantfabriek, niet in het familiearchief en ook niet in het restauratieatelier. Wat ze het allerliefste wilde, was ontsnappen aan de waakzaamheid van de Doyennes om naar de plaats te gaan die op de briefkaart stond. Daar waar Thorn misschien op dat moment was. Eerste tussenverdieping. Heren-wc. Vergeet je sjaal niet: je vertrekt. Ophelia richtte zich zo pardoes op dat ze de fles esdoornsiroop op de toonbank omgooide. Met vuurrode wangen keek ze tussen de keukenklokken en astronomische uurwerken om haar heen naar degene die deze drie gedachten in haar hoofd had laten opkomen. Hij was al uit het zicht verdwenen. ‘Welke speld heeft jou geprikt?’ vroeg tante Rosalinde verbaasd toen ze zag dat Ophelia haastig haar jas over haar schort heen aantrok. ‘Ik moet naar de wc.’ ‘Ben je ziek?’ ‘Ik heb me nog nooit zo goed gevoeld,’ zei Ophelia met een brede glimlach. ‘Archibald komt me halen.’
24
De sluipweg
Terwijl Ophelia onopvallend samen met haar oudoom, tante Rosalinde en haar sjaal de trap op liep, had ze geen flauw idee hoe Archibald hier beland was, midden op een Animistenfeest, noch waarom hij haar in de wc wilde spreken. ‘Je vertrekt,’ had hij haar ingefluisterd. Als hij van plan was om haar van Anima te laten vertrekken, was het dan niet beter geweest om ergens buiten af te spreken, zo ver mogelijk uit de buurt van de menigte en de Doyennes? ‘U had bij de kraam moeten blijven,’ fluisterde Ophelia. ‘Zodra ze merken dat er niemand meer wafels maakt, gaan ze ons zoeken.’ Dat zei ze tegen tante Rosalinde, die alles wat ze in het overhaaste vertrek had kunnen pakken in haar armen meesjouwde. ‘Dat meen je niet,’ reageerde die verontwaardigd. ‘Als er ook maar een schijn van kans is om weer naar de Pool te gaan, dan ga ik mee!’ ‘En uw werk in het atelier dan? Wat u me net zei over wormen en schimmels?’ ‘Brunhilde moet het in haar eentje tegen slangen en gifkikkers opnemen sinds wij weg zijn gegaan. Zij is mij veel meer waard dan een vel papier.’ Ophelia voelde haar hart opspringen toen ze Archibald aan de andere kant van de tussenverdieping opmerkte. Hij stond rustig te wachten voor de deur van de wc, gehuld in een oude, verstelde reismantel en met zijn hoge hoed scheef 25
op zijn hoofd. Hij probeerde zich niet eens te verstoppen, wat toch geen overbodige voorzorgsmaatregel geweest zou zijn: ook al zag hij eruit als een landloper, hij was zo’n soort man die alle blikken naar zich toe trok, vooral die van de dames. ‘Het is toch geen valstrik?’ bromde Ophelia’s oudoom terwijl hij haar bij haar schouder vastpakte. ‘Is die kerel wel te vertrouwen?’ Het leek Ophelia beter om zich daar maar niet over uit te laten. Ze vertrouwde Archibald tot op zekere hoogte wel, maar hij was nou niet bepaald de meest deugdzame man die ze kende. Ze liep door de wandelgang van de tussenverdieping, maar lette goed op dat ze niet te dicht bij de balustrade kwam. Vanaf hier was van het feestgedruis alleen nog maar een deinende zee van hoeden en wijzerplaten te zien, waarin alles en iedereen elkaar zei hoe laat het was, zijn horloge opwond en elkaar ‘Vrolijk Tik-Tak!’ wenste. ‘Ik had je gewaarschuwd, mevrouw Thorn!’ zei Archibald bij wijze van begroeting. ‘Als jij niet naar de Pool komt, dan komt de Pool naar jou.’ Hij opende de deur van de wc-ruimte alsof hij het portier van een rijtuig openhield, en noodde hen allemaal met een zwierig gebaar naar binnen. ‘Wat gebeurt hier? Wie is die figuur?’ Buiten adem omdat ze zo snel als ze kon naar boven was gelopen, verscheen de rapportrice opeens op de tussenverdieping, met haar windwijzer strak op hen gericht. ‘Gauw naar binnen,’ zei Archibald en hij duwde Ophelia de wc in. Tante Rosalinde en de oudoom haastten zich achter haar aan en glibberend over de tegelvloer keken ze of er een nooduitgang was, maar er waren alleen pisbakken. Ophelia wilde Archibald vragen hoe ze geacht werden hier weg te 26
komen, maar hij had het helaas te druk met ervoor te zorgen dat de rapportrice niet op haar beurt de wc-ruimte binnenkwam. Ze was zo snel dat ze met een van haar laarsjes de deuropening blokkeerde. ‘Zeer gewaardeerde moeders!’ riep ze met een hoge en schelle stem. ‘Ze probeert te ontsnappen. Doe iets!’ Die woorden ontketenden een heidens kabaal in de wcruimte. De pisbakken, de wc-potten en de wastafels lieten met een afgrijselijk gegorgel hun water over de vloer stromen. Het animisme van de Doyennes begon al te werken. Alle openbare gelegenheden gehoorzaamden aan hun wil. De hal waar de ambachtelijke markt werd gehouden, was daar geen uitzondering op. ‘We kunnen hier niet eindeloos blijven,’ riep Ophelia boven het kabaal van het water uit. ‘Wat is uw plan?’ ‘Die deur dichtdoen.’ Archibald zei dit terwijl hij bleef glimlachen, alsof het allemaal maar een kleine tegenslag was. ‘En daarna?’ drong Ophelia aan. ‘Daarna ben je vrij.’ Ophelia begreep het niet. Ze staarde naar de hand van de rapportrice, die inmiddels door de kier van de deur heen stak; ze kende Archibald goed genoeg om te weten dat hij nooit de vingers van een dame zou breken. ‘Ga opzij, man!’ zei haar oudoom nors. ‘Ik zal me wel over die lastpak ontfermen, zorg jij maar dat het kind kan ontsnappen.’ Daarop stormde hij de wc uit en sleurde de rapportrice in zijn vaart mee. Archibald sloeg de deur dicht en plotseling werd het doodstil. Een bovennatuurlijke, onbegrijpelijke stilte. Er stroomde geen water meer uit de leidingen. Het gegil van de rapportrice was niet meer te horen. Al het getiktak van 27
het feest was verstomd. Ophelia begon zich af te vragen of Archibald de tijd soms stil had gezet. Toen ze de wc weer uit kwamen, was er geen tussenverdieping, geen oudoom, geen rapportrice of markthal meer te bekennen. In plaats daarvan was er een verlaten winkel waarvan de schappen ook leeg leken te zijn. De sterke stoflucht deed vermoeden dat hij al tijden gesloten was. ‘Let op het afstapje,’ waarschuwde Archibald. Ophelia en tante Rosalinde stapten voorzichtig uit de wcruimte, die wat hoger was dan de vloer van de winkel. Toen ze achteromkeken, begrepen ze hoe dat kwam: ze kwamen uit een kast. ‘Hoe hebt u dat klaargespeeld?’ ‘Ik heb een sluipweg opgeroepen,’ zei Archibald alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was. ‘Daar is niks knaps aan, hij is maar tijdelijk. Kijken jullie zelf maar.’ Hij deed de kastdeur dicht en toen weer open. In plaats van de mannen-wc zagen ze allemaal oude troep. Je vroeg je af hoe drie personen uit zo’n volgepropt meubel hadden kunnen komen. ‘De hal heeft zijn heren-wc terug,’ zei Archibald met een vrolijk gezicht. ‘Wat zal die dame met haar windwijzer op haar neus kijken als ze ons daar niet meer ziet staan.’ Ophelia wrong haar kletsnatte sjaal uit en schoof de gordijnen voor het winkelraam een stukje opzij. De ruit was beslagen, maar ze meende een half besneeuwd klinkerstraatje te zien waar allemaal dik ingepakte voorbijgangers hun best deden om niet uit te glijden. Wat lager, onder een fletse hemel, bewoog een aak zich langzaam voort over het gedeeltelijk bevroren water van een vaart. ‘Ik ken deze plek,’ zei tante Rosalinde, die over haar schouder keek. ‘We zijn niet ver van de Grote Meren.’ Ophelia was een beetje teleurgesteld. Hun vlucht was zo 28
wonderbaarlijk verlopen dat ze even gehoopt had dat ze Anima al hadden verlaten. ‘Hoe hebt u dat klaargespeeld?’ vroeg ze nogmaals. Archibald was een bijzonder vindingrijke man, die net zo goed in het hoofd van mensen als in het hart van dames wist door te dringen, maar dit sloeg alles. ‘Dat is een lang verhaal,’ zei hij terwijl hij de versleten zakken van zijn reismantel doorzocht. ‘Geloof het of niet, maar ik heb nieuwe mogelijkheden, nieuwe ambities en nieuwe liefdes ontdekt!’ Terwijl hij dat zei, haalde hij triomfantelijk een sleutelbos tevoorschijn. Ophelia bekeek hem aandachtig in het halfduister van de winkel. De laatste keer dat ze hem gezien had, bij de aanlegplaats van de Hemelburcht, was hij nog maar een schim van zichzelf geweest. Nu scheen de zon weer in zijn hemelsblauwe ogen, maar die glans had een heel ander karakter dan de bitterzoete onbeschaamdheid waarmee hij daarvoor altijd uit zijn ogen had gekeken. Onwillekeurig verstarde Ophelia. Was dit wel Archibald die ze blindelings volgde? Sinds haar confrontatie met God in de gevangeniscel van Thorn had ze niet meer met hem te maken gehad, maar ze was niet vergeten dat hij het gezicht van wie hij maar wilde kon aannemen. ‘Hoe wist u waar ik te vinden was?’ ‘Dat wist ik niet,’ antwoordde Archibald. ‘Ik heb net twee uur op een ijskoude veerboot gezeten en daarna ben ik nog een uur bezig geweest om in dat dalletje van jullie naar de weg te vragen. Toen ik eindelijk het huis van je ouders had gevonden, was je daar niet. Ik kan alleen maar sluipwegen oproepen tussen twee plaatsen waar ik al eens geweest ben. Kortom, je hebt het me behoorlijk moeilijk gemaakt! Als de dames nu zo goed willen zijn om mij te volgen,’ zei hij er in één adem achteraan terwijl hij naar de ruimte achter de winkel liep. 29
Maar Ophelia had niet zo’n zin meer om haast te maken. ‘Waarom hebt u ons hiernaartoe gebracht?’ ‘Is Brunhilde hier ook?’ vroeg tante Rosalinde op haar beurt. ‘En Thorn?’ kon Ophelia niet nalaten te vragen. ‘Rustig aan, rustig aan,’ zei Archibald proestend. ‘Ik heb jullie hiernaartoe gebracht omdat ik op deze plek ben aangekomen. Mijn mogelijkheden voor het oproepen van sluipwegen zijn beperkt. Die lieve Brunhilde is niet meegekomen, nee. Ze weet niet eens dat ik hier ben... En ze zal me in mootjes hakken als ik niet snel naar de Pool terugkeer,’ zei hij met een blik op zijn horloge. ‘Wat de ongrijpbare meneer Thorn betreft: sinds zijn ontsnapping hebben we niets meer van hem vernomen.’ De hoop die zich door het weerzien met Archibald van Ophelia meester had gemaakt, zakte als een pudding in. Eén krankzinnig ogenblik had ze gedacht dat Thorn deze ontvoering op touw had gezet. Ze wierp een wantrouwige blik in de ruimte achter de winkel waar Archibald naartoe gelopen was: die leek nog langer leeg te staan dan de winkel zelf. ‘Bent u op deze plek aangekomen? Dat begrijp ik niet.’ Archibald moest verschillende sleutels in het slot steken voordat het met een klik openging. ‘Na u, dames!’ In tegenstelling tot wat Ophelia had gedacht, leidde de deur niet naar een kelder, maar kwamen ze terecht in een ronde ruimte die zo groot was als een stationshal. Door de hoge ramen in het koepeldak scheen een bleek, bijna onwerkelijk licht naar binnen. De hele vloer bestond uit een reusachtig mozaïek: het was een ster met acht punten die wezen naar deuren die windrichtingen leken aan te geven. Zo groezelig als de belendende winkel eruit had gezien, zo schitterend was deze ruimte. 30
Op diverse verzilverde uithangborden was dezelfde boodschap te lezen: WIJ WENSEN U EEN GOEDE DEURREIS. ‘Een windroos,’ fluisterde Ophelia. Aan de kolossale afmetingen te zien moest het een interfamiliale zijn. Het was voor het eerst dat Ophelia er een betrad. Jammer dat ze nu net kletsnat was gespetterd door al het water uit de wc, want bij elke stap die ze zette klonk er een soppend geluid, wat niet bepaald een nette indruk maakte. ‘Ik had gehoord dat er ook een paar op Anima waren, maar eigenlijk geloofde ik dat maar half.’ Hoewel Ophelia een zachte stem had, weergalmde die door de hele hal. ‘Er is er maar één,’ legde Archibald uit, en hij draaide de deur achter zich weer op slot. ‘En net als bij elke zichzelf respecterende Windroos is de plek waar die zich bevindt geheim. Maar het zou wel gescheeld hebben als hij ietsepietsie dichter bij jullie in de buurt was geweest.’ Midden in de hal stond een toonbank waarop Ophelia tot haar verbazing een klein meisje ontdekte. Ze lag languit op haar buik en was heel geconcentreerd aan het tekenen. Ze was zo stil dat je haar haast niet opmerkte. ‘Dames, wat jullie hier zien zijn mijn nieuwe mogelijkheden en mijn nieuwe ambities,’ verklaarde Archibald en hij wees met een bezitterig gebaar naar de hele ruimte. ‘En ziehier mijn nieuwe liefde!’ Hij tilde het meisje van de toonbank en zwaaide met haar alsof ze een trofee was. ‘Mijn kleine Victoria, mag ik je voorstellen aan je peettante, en aan de peettante van je peettante.’ Tante Rosalinde was zo verbaasd dat ze alles liet vallen wat ze bij zich had: paraplu, mof, omslagdoek en beslaglepel. ‘Alle kinderwagens nog aan toe, het kleintje van Brunhilde! Twee druppels water!’ 31
Ontroerd en ook een beetje onzeker nam Ophelia het meisje op, dat hen met grote, heldere ogen aankeek. Brunhildes ogen. Verder leek Victoria eigenlijk meer op haar vader. Haar gezicht was net zo sprookjesachtig bleek en haar haar, dat voor iemand van haar leeftijd abnormaal lang was, leek eerder wit dan blond. Ze had ook diezelfde wonderlijke gewoonte om haar mond half te openen zonder ook maar enig geluid voort te brengen, wat Ophelia deed denken aan de eindeloze stiltes van Faroek. ‘Ze kan nog steeds niet praten of lopen,’ waarschuwde Archibald hen, en hij schudde Victoria heen en weer alsof ze een opwindpop was die het niet meer deed. ‘Haar familiekracht doet het ook nog niet, maar jullie moeten niet denken dat ze dom is. Ze begrijpt al meer dingen dan al mijn ex-zusters bij elkaar.’ Tante Rosalinde fronste argwanend haar wenkbrauwen. ‘Weet Brunhilde wel dat haar dochter hier is? O, u bent nog altijd even roekeloos!’ riep ze boos toen ze de glimlach op Archibalds gezicht breder zag worden. ‘Het kind van een familiegeest! Wilt u soms een diplomatiek incident veroorzaken? Werkelijk, u bent een prul van een ambassadeur!’ ‘Ik ben geen ambassadeur meer. Mijn ex-zuster Patientia bekleedt die positie nu. Mijn clan heeft me uit het register van de levenden geschrapt sinds dat ene.’ Archibald maakte een knippend gebaar met zijn vingers. ‘U moet mij niet te hard vallen, mevrouw Rosalinde. Victoria heeft een moeder die haar het liefst in de wieg zou houden en een vader die nooit weet hoe ze heet. Het is mijn taak als peetoom om haar leven een beetje op te vrolijken... En luister vooral niet naar al die kwaadsprekers die beweren dat je oliedom bent, jongedame!’ zei Archibald opeens terwijl hij Victoria’s hoofd onder zijn hoge hoed liet verdwijnen. ‘Ik voorspel je dat je grote daden zult verrichten.’ 32
Ophelia voelde een schok door zich heen gaan. Het waren niet precies dezelfde woorden die haar oudoom tegen haar had gezegd toen hij hoorde dat ze verloofd was, maar het leek er wel sterk op. Opeens bedacht ze dat als de Doyennes niet hadden ingegrepen, ze Victoria misschien had zien opgroeien en zelf ook een echte peettante voor haar had kunnen zijn. Wie weet had ze Thorn dan allang teruggevonden. In elk geval had ze niet twee jaar in haar slaapkamer opgesloten gezeten terwijl de rest van de wereld gewoon doordraaide. ‘Hoe werkt deze Windroos en waar kan die ons naartoe brengen? Ik zou graag zo veel mogelijk afstand tussen de Doyennes en...’ Het woord ‘mij’ bestierf op Ophelia’s lippen. Met een theatraal gebaar had Archibald een gordijn achter de toonbank opzijgetrokken, en daar stond een grote ronde tafel waar Gwen en Rein zich overheen bogen. Ze maakten aantekeningen en hielden allebei, onder een bontmuts met oorlappen, een dubbel vergrootglas voor hun ogen waardoor ze onherkenbaar waren. Een dikke rode kater, van wie Ophelia vermoedde dat het Oelewapper was, streek langs hun benen om aandacht te krijgen, maar ze waren allebei zo geconcentreerd bezig dat er buiten de tafel voor hen niets leek te bestaan. Althans, dat dacht Ophelia, totdat Rein haar tussen twee aantekeningen door een knipoog gaf, die door het vergrootglas werd uitvergroot. Met zijn gespierde lichaam, zijn borstelige wenkbrauwen en zijn dikke, rossige bakkebaarden leek hij meer dan ooit op een vlammend haardvuur. ‘Hallo, bazin. We maken even deze berekeningen af en dan komen we bij u. Want als we nu stoppen, kunnen we straks weer van voren af aan beginnen en daar zou mijn andere bazin niet erg vrolijk van worden.’ 33
‘Hou op met dat “gebazin”,’ bromde Gwen zonder met haar vergrootglas van de tafel op te kijken. ‘Je bent een vakbondsman, praat dan ook als een vakbondsman.’ ‘Ja, bazin.’ Hoe later het werd, hoe meer Ophelia zich afvroeg of ze niet achter haar wafelkraam in slaap was gevallen en aan het dromen was! ‘Mijn reisgenoten!’ legde Archibald uit terwijl hij de kleine Victoria nog steeds op een arm in evenwicht hield. ‘We kunnen elkaar niet luchten of zien, maar verder vormen we een prima team. Ik spoor de Windrozen op en zij decoderen ze. Zeven van de acht deuren hier leiden naar andere arken, waar weer andere toegangspoorten zijn. Elke Windroos lijkt precies op deze: acht deuren, een toonbank en een tafel met reisroutes. Jullie hebben geen idee hoeveel doorgangen we hebben moeten nemen om alleen al van de Pool naar Anima te komen, en dan heb ik het nog niet over de keren dat we een verkeerde afslag namen.’ Ophelia keek aandachtiger naar de ronde tafel en zag nu dat het marmeren oppervlak helemaal vol stond met getallen, symbolen en lijnen die richtingen aangaven. De kaart van de Windrozen was een puzzel die je de ergst denkbare hoofdbrekens bezorgde. Rein en Gwen wezen elkaar lijnen aan, gebruikten meetinstrumenten en maakten haastig notities. Ze raakten elkaar niet aan, keken elkaar niet aan en praatten niet met elkaar. Maar door de manier waarop ze naast elkaar stonden, wíst Ophelia hoe het zat. Ze vond het ineens ongemakkelijk om zo naar hen te kijken, alsof ze hen als stelletje aan het bespieden was, en ze wendde gauw haar blik af. Ze aaide Oelewapper, die bij haar probeerde te krijgen wat hem elders niet lukte, maar het speet haar dat hij ook al zo groot geworden was. Ze kon zich niet aan de onplezierige indruk onttrekken dat 34
ze een trede had overgeslagen. Misschien zelfs een hele trap. ‘Wat is dat, een vakbondsman?’ vroeg ze aan Archibald. Hij had Victoria weer op de toonbank neergezet en het meisje ging prompt verder met haar tekening. ‘O, dat is een nieuwe mode bij ons. Rustdagen, loonsverhoging, werktijdvermindering: je zou haast denken dat de oude Hildegard nog springlevend is en dat zij de bedienden op al die gekke ideeën heeft gebracht. Er is hier wel wat veranderd sinds je weg bent.’ ‘U bent zelf ook veranderd,’ merkte Ophelia op. ‘Gaat u me nog uitleggen hoe u dat voor elkaar krijgt om sluipwegen op te roepen en Windrozen te ontgrendelen? Ik dacht dat alleen de Arkadiërs daartoe in staat waren.’ Archibald pakte zijn hoed van Victoria’s hoofd en liet hem om zijn vinger draaien. ‘Ik heb je al eens verteld over mijn overgrootvader Augustijn. En over zijn flirt met de oude Hildegard. Weet je nog?’ Ophelia keek Archibald verbijsterd aan. Ze zat nog steeds op haar hurken voor de kat, met haar hand halverwege een aai, zonder te merken dat die inmiddels met haar sjaal zat te ruziën. ‘U en mevrouw Hildegard? U zou haar...’ ‘Achterkleinzoon zijn, ja,’ zei Archibald grinnikend. ‘O, dat is een schandaal dat zorgvuldig in de doofpot is gestopt. Ik zou het zelf nooit geweten hebben als ik niet opeens goochelkunstjes was gaan uithalen. Het begon afgelopen jaar, toen ik op een middag met een behoorlijke hoofdpijn wakker werd na een bruiloftsfeest waarvan ik je de details zal besparen. Ik ging naar mijn badkamer en in plaats daarvan belandde ik in het badhuis van de courtisanes. Zomaar ineens,’ zei hij en hij knipte met zijn vingers, ‘van het ene naar het andere uiteinde van de Hemelburcht. En daarna gebeurde dat nog een paar keer en begon ik steeds vaker 35
doorgangen te creëren. Geef me een deur, een afgesloten ruimte, en ik maak er een sluipweg van. Daardoor ben ik op een keer bij een heuse Windroos aanbeland. Die zat verborgen in een rimpel in de ruimte en ik... het is moeilijk te beschrijven... ik voelde dat hij daar zat, snap je? Vraag me niet hoe het werkt, maar als ik een sleutel omdraai in het slot van een deur vlak bij een Windroos, hocus pocus, en we staan erin! Welke sleutel van welke deur dan ook. Het is nogal een vergezochte familiekracht die de oude Hildegard mij heeft nagelaten, maar ik vind het geweldig.’ Terwijl ze de kat en de sjaal van elkaar probeerde te scheiden, moest Ophelia behoorlijk haar best doen om Moeder Hildegard zoals ze zich haar herinnerde, terug te zien in de man die voor haar stond. ‘En iets wat zo overduidelijk is, was u nooit eerder opgevallen?’ mengde tante Rosalinde zich met haar gebruikelijke nuchterheid in het gesprek. Archibald tikte op de traanvormige tatoeage tussen zijn wenkbrauwen. ‘Deze andere familiekracht is pas actief geworden toen de band met het Web verbroken werd. Hij was sluimerend in mij aanwezig, geduldig wachtend op zijn kans. En jij, mevrouw Thorn?’ vroeg hij plompverloren. ‘Wat heb jij de afgelopen twee jaar allemaal gedaan?’ Ophelia deed haar mond open en toen weer dicht. Archibald had een nieuwe kracht leren gebruiken, Rein was een vakbondsman geworden, maar zij, wat had zij met haar tijd gedaan? Ze had gevangengezeten in een soort intermezzo waar geen einde aan kwam. Nee, het was zelfs erger dan dat. Ze had een stap terug gedaan door weer te kruipen in de huid van de eenzame tiener die ze vroeger was geweest. En tot overmaat van ramp was ze ook nog een paar kilo aangekomen. 36
‘Ik heb gelezen,’ antwoordde ze uiteindelijk. ‘Goed, genoeg geleuterd,’ onderbrak Gwen hen bars. ‘Er is een urgentere kwestie waar we ons over moeten buigen.’ Eindelijk keek ze op van de routetafel en blies de donkere krullen uit haar gezicht. Haar tweekleurige ogen, de een zo zwart als de nacht en de ander zo blauw als de dag, werden door het dubbele vergrootglas enorm uitvergroot. Maar hoe verschillend ze ook waren, ze straalden dezelfde kille woede uit toen ze zich door Ophelia’s bril heen boorden. ‘Bestaat God?’
37