Skip to main content

Het eilandhotel fragment

Page 1

1 Dag en nacht ploegen de grote tankers door het ijskoude water van de noordelijke Atlantische Oceaan. Hoewel de schepen van dichtbij enorme gevaartes van twee, driehonderd meter lang zijn – gevuld met auto’s, hobbelpaarden, knuffelberen, barometers, ventielen, zonnehoedjes en thee – lijken het op de uitgestrekte oceaan net speelgoedbootjes. De schepen komen uit westelijke wateren en passeren denkbeeldige grenzen die de landrotten in hun knusse huizen alleen kennen uit de marifoonberichten waarbij ze in slaap vallen: Rockall, Hebrides en de noordgrens van Fair Isle. Uiteindelijk doemen ze op voor de kust van Mure, het piepkleine eilandje tussen de Shetland- en Faeröer-eilanden met vijftienhonderd inwoners (in een goed jaar). Het dorp en de haven van Mure bevinden zich op het meest zuidoostelijke puntje van het eiland. De zeelui op de tankers – die dikwijls uit de Filippijnen of Thailand komen, de grote zeevarende naties van de zuidelijke zeeën, en bijna niet verder van huis kunnen zijn – kijken vaak naar dat ene lichtpuntje in de oceaan, hun ogen hunkerend naar iets anders dan de eindeloze donkere golven. Melancholische zielen zijn ongeschikte zeelui: als zeeman leef je ver bij je familie vandaan, in krappe vertrekken die je moet delen met andere mannen, en dat negen of tien maanden per jaar, dus het is zaak dat je positief bent ingesteld. Maar zelfs de grootste zeerotten verlangen af en toe naar huis, al helemaal als ze de verrekijker erbij pakken en de lichtgrijze, roze, blauwe en gele huisjes van Mure lukraak op de kade zien staan. De huisjes en gebouwen staan in groepjes bij elkaar en lopen vanaf de waterkant in een ongedwongen, willekeurig patroon de 7


heuvel op, alsof ze tegen elkaar aan kruipen om elkaar warm te houden op het kale eiland met zijn uitgestrekte, lege, lichtgele stranden en plat geblazen duingras. Mure heeft geen diepe haven. Geen van de grote containerschepen zal er ooit aanmeren. Maar menig bemanningslid kijkt in het voorbijgaan graag naar het eiland, aangezien Mure het laatste stukje land is dat ze tot aan Bergen zullen zien. Als je op een heldere zomerdag door de verrekijker kijkt, kun je de kinderen op het eiland soms zien zwaaien. Maar nu, op een pikdonkere, vroege winterochtend, is het eilandje een geruststellend lichtpuntje in de donkere wereld en tuffen de schepen ongehinderd door de daverende golven; de bemanning is zo vertrouwd met de wiegende beweging dat ze later op het vasteland moeite met lopen zullen hebben. Het eiland is zo klein dat het met een snelheid van twintig knopen al snel weer uit het zicht verdwijnt, waarna Apostil, Danilo of Jésus zich weer over de radar of de faxmachine buigt. Ze varen verder door de Viking-regio, richting North Utsire, tot ze uiteindelijk de uitgestrekte, machtige fjorden van Noorwegen bereiken en het stille eiland opnieuw alleen achterblijft onder de koude sterren. In de boerderij van de MacKenzies, op het zuidelijkste puntje van het eiland, brandt het vuur echter al in de open haard, staat de koffie te pruttelen op het fornuis en voeren Flora MacKenzie en haar broer Fintan een felle discussie. ‘Coltons Bar,’ herhaalde ze. ‘Geen denken aan. Ik bedoel, ik begrijp je gedachtegang, maar dat klinkt als een bar waar de meisjes hotpants, kleding met franjes en cowboylaarzen dragen en je begroeten met “howdy”, en waar een mechanisch rodeopaard staat.’ ‘Er is helemaal geen sprake van een mechanisch rodeopaard,’ gromde Fintan, de geur van zijn koffie en de broodjes in de oven inademend. Hij keek op. ‘Hm,’ zei hij. ‘Een mechanisch rodeopaard.’ 8


‘Moet ik die koffie van je afpakken?’ Fintan rolde met zijn ogen. ‘Alsjeblieft niet.’ Fintans echtgenoot Colton was pas een jaar geleden overleden aan kanker. Fintan had goede en slechte dagen. Dit beloofde geen goede dag te worden. Die waren overigens schaars. Colton had Fintan The Rock nagelaten, het hotel dat hij had willen openen op het eiland en dat ondertussen bijna af was. Maar Fintan moest nog een miljoen kleine details regelen en dat vond hij werkelijk stomvervelend. Het hotel had een doel gediend: Fintan was er zo ontzettend druk mee geweest dat het zijn verdriet op afstand had gehouden – alleen door pure uitputting wist hij in zijn eentje in een gigantisch bed in slaap te vallen. En ze hadden reserveringen voor Kerstmis. Ze moesten open, en snel. Technisch gezien had Flora daar niets mee te maken. Maar aangezien zij als eigenaresse van Annie’s Café, dat aan de kade lag, de nodige cateringervaring had, kon ze het niet laten zich ermee te bemoeien. Daarnaast hoorde ze met zwangerschapsverlof te zijn, waardoor ze volgens Fintan (en niet alleen volgens hem) veel te veel tijd omhanden had om haar neus in andermans zaken te steken. ‘Luister,’ zei ze.‘Ik vind Rogers Bar een prima naam. Minder opzichtig, weet je wel?’ Fintan keek verongelijkt. In de deuropening van de keuken klonk kabaal. Fintan woonde tegenwoordig in de boerderij, net als zijn broer Innes en zijn gezin. Innes’ vijfjarige dochter Agot stapte met een ernstige gezichtsuitdrukking in haar pyjama de keuken in. Uit de gang achter haar kwam een zacht gejammer. ‘Bugliss Binder is wakker,’ zei ze snuivend. ‘Bugliss is een stoute baby, tante Flora. Hij is heel boos.’ ‘Douglas,’ zei Flora voor de negenhonderdste keer.‘Hij heet Douglas.’ Agot en Fintan schonken haar dezelfde droge blik. ‘Wat?’ zei Flora. ‘Ze kijkt ik weet niet hoe vaak naar Hey 9


Duggee. Die hond heet ook Douglas, dus die naam moet ze kennen.’ ‘Hey Duggee is een hele brave hond,’ zei Agot hard. En toen: ‘Ik weet niet of Bugliss dat ook is.’ Ze beende naar de gepensioneerde schaapherdershond Bramble en de twee gingen naar buiten om de moestuin te inspecteren. Als Agot groentes moest eten had ze er een grote afkeer van, maar ze vond het fantastisch om ze te zien groeien, zelfs in deze tijd van het jaar. ‘Dat doet ze expres,’ zei Flora terwijl ze de keuken uit liep. ‘Ze kan prima praten.’ ‘Dat klopt,’ antwoordde Fintan. ‘En toch laat je je door haar op de kast jagen.’ Flora liep naar de achterkamer, hoewel de baby nauwelijks huilde. Ze vond dat Agot zich belachelijk gedroeg, maar besefte toen dat ze haar tijd verspilde aan een denkbeeldige discussie met haar vijfjarige nichtje. Niet dat ze verder iets te doen had: toen ze de achterkamer in stapte had Joël Douglas al opgepakt en was de baby al stil. Douglas leek ontzettend op zijn vader: hij had zwarte ogen en – zelfs al was hij pas vijf maanden oud – een flinke bos zwarte krullen, wat eerlijk gezegd een hilarisch gezicht was. Bijna iedereen die hem ontmoette kreeg de neiging hem een bril op te zetten. Flora bleef even in de deuropening naar hen staan kijken. Douglas lachte niet vaak, hij was geen vrolijke baby. Zijn gezichtje stond ernstig en serieus, alsof hij bij zijn geboorte op de hoogte was geweest van alle mysteries uit een ander universum die hij op den duur langzaam zou vergeten. Daarnaast gedroeg hij zich al net zo serieus als zijn vader en was hij oplettend en behoedzaam. Flora had lang gedacht dat Joëls persoonlijkheid was gevormd door zijn moeilijke jeugd: hij had al vanaf zijn vroege kindertijd in het ene na het andere pleeggezin gezeten. Ze begon echter te vermoeden dat Joëls karaktertrekken waren aangeboren, want geen enkele baby ter wereld werd overladen 10


met zoveel liefde als Douglas. Hij verbleef regelmatig in een klein huisje met zijn vier ooms en zijn opa Eck, die hem aanbad en vaak op hem paste. En dan had hij nog zijn New Yorkse adoptie-opa en -oma, Mark en Marsha, die hem gigantische pakketten met belachelijk dure, uit Frankrijk geïmporteerde babykleding stuurden. Hun kleertjes waren eigenlijk te mooi voor het modderige erf en het wispelturige klimaat van een eilandje in het hoge noorden van Schotland, maar Flora fotografeerde Douglas plichtsgetrouw in alle pakjes. Joël betuttelde Douglas niet en zong geen liedjes voor hem. Hij ging gewoon met hem op bed liggen en maakte vervolgens oogcontact met hem. Dat was heel vreemd om te zien, alsof de twee iets ontastbaars uitwisselden met behulp van hun blik. Joël stak een grote hand uit zodat Douglas zijn handje om een van zijn vingers kon klemmen en dan hadden ze alleen nog maar oog voor elkaar. Flora wist niet of dit normaal was, maar het was lief. Soms mocht Douglas van Joël tegen zijn grote gouden horloge slaan. Meestal lagen ze na een kwartier allebei te slapen, het lange lichaam voorzichtig om het kleine gekruld. Flora hoorde met zwangerschapsverlof te zijn; ze had tot haar lichte ongenoegen gemerkt dat Isla en Iona het café met zijn tweetjes prima draaiende hielden. Maar uiteindelijk genoot Joël, haar aan zijn werk verslaafde vriend, meer van het ouderschapsverlof dan zij en onwillekeurig was Flora soms een beetje jaloers op hem. Wat natuurlijk nergens op sloeg. Alles ging prima. Top. Geweldig. Ja, als zij Douglas vasthield huilde hij en bij Joël was hij volkomen ontspannen, maar dat vond ze niet erg. Helemaal niet.

11


2 ‘Tja, welke van de twee is beter?’ Isla Donnelly’s moeder Vera keek haar dochter aan over de oude gebloemde theepot waarvan een stukje uit het deksel was. Kijkend naar de theepot besefte Isla iets wat ze nog nooit onder woorden had gebracht: ze had een hekel aan die theepot. Al was het eigenlijk belachelijk om een hekel te hebben aan een theepot. Misschien kwam het doordat haar moeder het ding behandelde als een kostbaar erfstuk waar ze heel voorzichtig mee moest zijn in plaats van als een gewone, stomme, goedkope theepot. Ze nam een slokje van haar thee. ‘Dat weet ik niet, mam,’ zei ze opnieuw terwijl ze zich niet probeerde op te winden, want dat zou niet helpen. ‘Dus de MacKenzies zoeken iemand om in hun nieuwe chique hotel te werken?’ Vera Donnelly snoof luid. Ze vond het nieuwe hotel maar niets. Ze hadden op Mure helemaal geen behoefte aan zo’n soort tent, vond Vera, die overal een mening over had. Het hotel was veel te deftig en te duur.Wie zat daar nou op te wachten? Desondanks zou het hotel met Kerstmis opengaan en Flora had Fintan aangeboden te helpen door een van de personeelsleden van haar café aan het werk te zetten in het hotel. Isla zuchtte. Eigenlijk was ze doodsbang, maar dat ging ze haar moeder echt niet vertellen. Die munitie zou ze haar niet geven. ‘Tja, een van ons krijgt meer verantwoordelijkheid in Annie’s Café en de ander gaat naar The Rock.’ Isla en haar beste vriendin Iona werkten al jaren in Annie’s Café en geen van twee stond te springen om van elkaar te worden gescheiden. Isla was de verlegene van de twee en zag 12


er ontzettend tegen op om haar brutale handlanger te moeten missen. ‘Ja, maar welke báán is het beste?’ ‘Dat weet ik niet.’ Vera tilde haar geliefde theepot uiterst behoedzaam op en schonk zichzelf elegant nog wat thee in. ‘Ik wil gewoon niet dat ze misbruik van je maken,’ zei ze. ‘Die Flora behandelt je als een keukenmeid.’ ‘Dat is omdat ik alles al doende heb geleerd,’ zei Isla, die Flora geweldig vond en minder hoge verwachtingen van zichzelf had dan haar moeder. Het was niet makkelijk om Vera’s enige kind te zijn. Ze vond het afschuwelijk om haar telkens weer teleur te stellen. Isla wilde Vera’s aandacht dolgraag bij haar vandaan leiden. ‘Wat ga je vandaag doen, mam?’ ‘Homes under the Hammer kijken, natuurlijk!’ ‘Er is vanavond ook een koorrepetitie... daar zou je naartoe kunnen.’ ‘Die bemoeizuchtige roddeltantes. Nee, dank je hartelijk!’ Isla deed haar jas aan en trok haar tam-o-shanter over haar weerbarstige, kastanjebruine krullen, die alle kanten uit stonden. Haar haarkleur was ongebruikelijk op het eiland, waar iedereen blond of rossig was, afhankelijk van of ze afstamden van de Kelten of de Vikingen. Er was ooit een gerucht geweest dat de Spaanse veroveraars helemaal tot in Mure waren gekomen, wat haar groene ogen beter zou verklaren, al was Isla’s bleke huid, waarop ’s zomers lichte sproetjes verschenen, tot haar grote ongenoegen puur Schots. De noordwestenwind die vanuit het poolgebied recht over Mure heen blies maakte het lastig om in een rechte lijn vooruit te komen, maar het was niet ver naar Annie’s Café, dat twee straten verderop aan de kade lag. In het kleine café was het altijd warm: de ovens achterin koelden nooit echt af en zelfs voordat Isla de gouden lampen aanknipte die het café samen met de vrolijk gestipte tafelkleden 13


en de mooie foto’s aan de muur zo uitnodigend maakten, was het er op ijskoude winterochtenden al knus.Waarschijnlijk was Iona al koffie aan het zetten en samen zouden ze beginnen aan de scones, taarten, gebakjes en cakes voor die dag terwijl Mrs. Laird haar versgebakken brood kwam afgeven, het koffiezetapparaat geruststellend siste en reutelde en de dag van start kon. En niet lang daarna zou de eerste verkleumde arbeider het café binnenstappen, net klaar met melken of vissen of wachtend op de eerste veerboot. ‘Dag, mam,’ zei ze. ‘Aye. Succes dan maar,’ zei haar moeder met tegenzin toen Isla vertrok. Isla hield zichzelf voor dat haar moeder zo rot deed omdat ze van haar hield en het beste voor haar dochter wilde. Maar fijn was het niet.

14


3 Driehonderd kilometer naar het oosten waren de dure dekens op een bed omgewoeld en gekreukt. Boven op die dekens lag een bleke figuur zorgeloos luid te snurken. In de kamer hing de indringende geur van verschaalde alcohol. Een kleine man met een uitzonderlijk keurig geknipt kapsel kwam de kamer binnen, ging voor het bed staan en kuchte luid. Er gebeurde niets. ‘Ahúm,’ zei de man. Uit het bed klonk een akelig, droog gehoest, gevolgd door gesnuif en gekreun. De liggende persoon stak een lange arm uit, greep de glimmende sprei en gooide hem over zijn hoofd. ‘Johann, ga weg,’ klonk het schor en gedempt vanonder de dekens. ‘Johann is weggestuurd,’ zei de stem. In de kamer was het even stil. ‘Hè?’ De jonge man die onder de dekens vandaan kwam had blond haar dat werkelijk alle kanten op stond en een heel licht stoppelbaardje. Er lag een verwarde blik in zijn ronde, blauwe ogen, die nog ronder werden toen hij zag tegen wie hij sprak. ‘Vader,’ zei hij. Zijn stem trilde hoorbaar en hij pakte de dekens stevig vast. De man die naar hem keek maakte een teleurgestelde indruk. Alweer. ‘Eh,’ zei de jongen in het bed. ‘Ik bedoel, hallo.Wat fijn u te zien. Normaal gesproken komt u niet...’ Hij keek de grote, weelderige suite rond. In alle hoeken van de ruimte stond een decoratieve pilaar, de kroonlijsten waren verguld en een van de muren bestond uit grote, oude spiegels. De vloer was echter bezaaid met onderbroeken en sokken, 15


lege flessen, boeken en een snuivende, varkensachtige hond genaamd Bjårk. De hond sliep nog, maar had eerder modderige pootafdrukken achtergelaten op het peperdure kleed, de zwart-witte vloertegels en minstens vier handdoeken. ‘Normaal gesproken kom ik hier niet, nee,’ zei de vader van de jongen, die Konstantin heette. Ook de jongen zelf heette Konstantin. Sterker nog, er waren al Konstantins sinds het begin van de zeventiende eeuw, toen ze voor het eerst graaf van Hordeland waren geworden en het grote kasteel op het prachtige schiereiland Folgefonna hadden gebouwd. In theorie bestonden er in Noorwegen geen adellijke titels meer, maar was de familie bij iedereen bekend. Een ononderbroken lijn. Die, zo bedacht de oudere Konstantin droevig, op het punt stond onderbroken te worden als hij zijn losbandige enige zoon de honderdachttien marmeren, gebogen treden van de grote trap in de ontvangsthal af zou trappen. ‘Omdat het een walgelijke varkensstal is.’ ‘Dat komt door Bjårk.’ Het harige beest bleef doodstil liggen. ‘Herinner je je nog wat er gisteravond op het staatsbanket is gebeurd?’ Konstantin fronste.‘Het sneeuwbalgevecht,’ zei hij uiteindelijk.‘Ja, was dat niet geweldig?’Toen ze doodop, ijskoud, kletsnat en gierend van de lach naar buiten waren gerend hadden er felle lichten geschenen achter de ramen van het paleis, herinnerde hij zich. ‘Het was helemaal niet geweldig,’ zei zijn vader. ‘Je hebt de aartsbisschop op zijn oor geraakt.’ ‘Tja, dan had hij maar moeten meedoen.’ ‘Je hebt een hand sneeuw in de nek van mijn financieel adviseur gewreven.’ Konstantin haalde zijn schouders op.‘Die vent is oud en saai.’ Zijn vader schudde zijn hoofd. ‘Nee. Je hebt je schofterig gedragen.’ ‘We hadden gewoon plezier!’ 16


‘En erger nog, je hebt mensen getreiterd die ouder en zwakker waren dan jij.’ ‘Met snééuwballen.’ Maar zijn vader was niet meer te stoppen. ‘En dat na dat gedoe bij de ijsraces.’ ‘Toen struikelde ik per ongeluk over...’ ‘Het hele professionele team...’ ‘Ze stonden in de weg!’ De jongen duwde zijn onderlip naar voren en leek opeens een stuk jonger dan vierentwintig. Zijn vader schudde zijn hoofd. ‘Weet je, als je moeder nog had geleefd, had ze dit nooit geaccepteerd.’ De jongen begon nog heviger te pruilen.‘Dat is niet eerlijk,’ zei hij, maar zijn antwoord klonk zacht en verdrietig. ‘We waren te lief voor je... daarna,’ ging de man verder. ‘Ik wilde je leven niet verder overhoopgooien... Ik wilde je niet dwingen om fanatiek te gaan studeren of een baan te zoeken of keihard te werken. En kijk eens wat daarvan is gekomen. Je bent ondertussen vierentwintig en ligt midden op een dinsdag nog in bed.’ Hij schudde droevig zijn hoofd. ‘Ik heb het verkeerd aangepakt. Ik heb het helemaal verkeerd aangepakt.’ Hij draaide zich om en liep weg met een tred die zijn jongere jaren aan de koninklijke militaire academie verraadde. Konstantin staarde hem verslagen na. Bij de deur draaide zijn vader zich een laatste keer om. ‘Eigenlijk wil ik je onterven.’ ‘Nee! Om een sneeuwbal! Doe niet zo gek, vader, dat kunt u niet menen.’ ‘Dit is een belangrijke baan. En jij doet niets, leert niets, werkt nergens aan. Het enige wat je doet is champagne drinken en met die dikke luie hond van je spelen.’ Konstantin fronste en legde zijn handen over Bjårks oren. ‘Tegen mij mag u zo gemeen zijn als u wilt, maar laat Bjårky met rust.’ ‘Dit is allemaal één grote grap voor je, hè?’ zei de oudere man. ‘Eén grote grap. En daar ga ik iets aan doen.’ 17


Hij trok de zware witte deur aan de vergulde handgreep open en liet hem hard achter zich dichtvallen. De jongere Konstantin zat rechtop in bed terwijl Bjårk onder zijn handen lag te snuiven. Dit zou wel weer overwaaien, toch? Vast wel. Zijn vader had om de haverklap van dit soort ideeën: de ene keer moest hij gaan studeren, de andere keer moest hij het leger in of een baan vinden, maar uiteindelijk kwam er nooit iets van zijn vaders plannen terecht. Konstantin was zijn zeer geliefde enige kind dat hij pas op latere leeftijd had gekregen en dat op zijn veertiende zijn moeder had verloren... Toch was Johann nog steeds nergens te bekennen. Dat was vreemd. Konstantin keek op de staande klok in de hoek. Er stond ook geen ontbijt. Normaal gesproken had hij vier sterke koppen koffie en een paar plakken uitmuntend, dik met boter besmeerd roggebrood nodig voordat hij ook maar kon overwegen een stomend heet bad te nemen of het sportkatern van de krant te lezen. Zelfs zijn krant lag er niet. Hij fronste en strekte zich uit naar de bel. Maar er kwam niemand.

18


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook