Skip to main content

Inkijkexemplaar Zomer in de Kleine bakkerij - Jenny Colgan

Page 1

JENNY COLGAN

Zomer in de kleine bakkerij 'Pure verwennerij van begin tot eind.'

Sophie Kinsella

.., f' .: ·" ';" '; '"Tl-' 1

·.:� -,L,�.. 1•. ,:� ..

}:'I

\'\

\, t I

I/JI

I

.

'

i , · �--' I I I

Ls

----- :_:;.i;···

t

·b_ -


1 ‘Klaar nu,’ zei Polly op waarschuwende toon.‘Dit is niet grappig.’ Neil negeerde haar en tikte net zolang met zijn snavel tegen het raam tot ze naar hem toe kwam en hem iets te eten gaf. Hij vloog om de vuurtoren, waar ze een maand eerder met zijn drietjes hun intrek hadden genomen: Polly, Neil de papegaaiduiker en Huckle, Polly’s Amerikaanse vriend, wiens motor met zijspan aan de voet van de toren geparkeerd stond. Dat was hun enige vervoersmiddel. De vuurtoren was heel lang onbewoond geweest, al sinds eind jaren zeventig, toen men de lampen op afstand kon gaan bedienen. De toren had maar vier verdiepingen en langs de muur liep een wenteltrap waardoor het, zoals Huckle al vaak had gezegd, de tochtigste plek in de menselijke geschiedenis was. Dankzij al het op en neer lopen op de trap waren ze onderhand beiden topfit. Op een van de verdiepingen stonden de grote apparaten waarmee de lampen vroeger waren bediend – die konden niet worden weggehaald. Op de bovenste verdieping, net onder het licht zelf, was hun woonkamer, die uitkeek over de hele baai en, aan de andere kant, op Mount Polbearne, het getijdeneiland waar ze woonden en werkten en dat aan het vasteland was verbonden door middel van een toegangsweg die met eb droogviel en met vloed onder water liep. Vanuit die ramen had je uitzicht op de kleine bakkerij aan het strand, de vergane winkel die door Polly nieuw leven was ingeblazen toen ze iets meer dan twee jaar geleden naar het dorp was verhuisd om een failliet bedrijf en een mislukte relatie te verwerken. Ze had verwacht dat ze op Mount Polbearne haar wonden zou likken tot ze klaar was om terug te keren naar haar drukke leventje 13


en aan een nieuwe kantoorbaan te beginnen. Het was geen moment in haar opgekomen dat haar favoriete hobby – brood bakken – haar zou helpen om in het bouwvallige appartement boven de winkel weer op te bloeien en dat ze er zelfs haar baan van zou kunnen maken door de oude, gesloten bakkerij te heropenen. Als bakker verdiende ze geen riant salaris en ze maakte lange dagen, maar de locatie was prachtig en haar werk werd ontzettend gewaardeerd door zowel de dorpelingen als de toeristen, waardoor ze iets veel bevredigenders dan geld had ontdekt: haar levensmissie. Nou ja, het was niet altijd bevredigender. Soms keek ze naar de eenvoudige keuken die ze in de vuurtoren had laten plaatsen (haar oude appartement in Plymouth was verkocht en ze had de vuurtoren tegen een dumpprijs kunnen kopen, voornamelijk omdat alleen een gestoorde gek in die tochtige, onbereikbare toren met zijn martelende lichtbaken zou willen wonen, aldus Lance de makelaar) en vroeg ze zich af of ze ooit genoeg geld zou hebben om de kozijnen te repareren, de eerste taak op een to-dolijst van zo’n vierduizend dingen die nodig moesten worden gedaan. Huckle had geopperd om de vuurtoren samen te kopen, maar dat had ze geweigerd. Ze had keihard gestreden voor haar onafhankelijkheid. En ze had al eens eerder alles met iemand gedeeld, had haar financiën al eens met die van iemand anders verweven. Aangezien dat niet goed was afgelopen, vond ze dat niet voor herhaling vatbaar. Momenteel wilde ze niets liever dan met een kop thee en een kaasstengel in haar ooievaarsnest op de bovenste verdieping van de vuurtoren zitten en simpelweg genieten van het uitzicht: de aldoor veranderende zee, de wolken die zo dicht langs haar ramen dreven dat ze ze kon aanraken, de vissersbootjes die als vage groene en bruine vlekjes in de verte op het water dobberden en hun zware lier en netten achter zich aan sleepten, klein en breekbaar op de uitgestrekte zee. Ze zou nog vijf minuutjes genieten van de stilte en dan zou ze naar de bakkerij gaan om haar collega Jayden te helpen. 14


Neil, de kleine papegaaiduiker die op een stormachtige nacht haar leven in was gebuiteld en nooit meer was verdwenen, dacht daar anders over. Hij kreeg er nooit genoeg van om haar door het raam te kunnen zien terwijl hij buiten hoog in de lucht vloog. Soms maakte hij een rondje rond de vuurtoren en vloog vervolgens in tegenovergestelde richting weer terug, andere keren tikte hij met zijn snavel tegen het glas omdat Huckle het grappig vond om hem vanuit het raam te voeren, al had Polly gezegd dat hij dat niet moest doen. Polly legde haar boek neer en liep naar het raam. Ze verbaasde zich nog altijd over de schaduwen die de zilveren zon op de golven wierp als ze af en toe achter de wolken vandaan kwam piepen, het zachte gekras van de meeuwen en de fluisterende wind, die op winterdagen kon uitgroeien tot een woeste storm. Ze vroeg zich af of ze het uitzicht ooit zat zou worden en trok aan de zware hendel van het ouderwetse raam van enkel glas. ‘Kom dan,’ zei ze, maar Neil fl adderde opgewonden in de lucht en pikte naar haar vingers in de hoop dat ze iets lekkers voor hem had. ‘Nee!’ zei ze.‘Je bent al een veel te dikke papegaaiduiker. Kom binnen en houd op met dat getik.’ Neil vond het een geweldig spelletje en vloog opnieuw vlug een rondje rond de vuurtoren om haar zijn kunstje te laten zien. Hij landde op het raamkozijn en keek haar met zijn grote zwarte ogen verwachtingsvol aan. ‘O, allemachtig,’ zei Polly en – als Huckle er was geweest had ze dit nooit gedaan – ze leunde naar voren om hem een flinter van haar kaasstengel te geven, die de vogel vrolijk verslond, waarna hij in de achtergebleven kruimels begon te pikken. Dat deed hij zo woest dat hij achteruithupte en van het raamkozijn gleed. ‘Neil!’ riep Polly. Toen de vogel met zijn vleugels sloeg en weer naar het raam fladderde, voelde ze zich een beetje stom. ‘Ik schrok me dood,’ zei ze. ‘Kom binnen of blijf buiten, een van de twee.’ Neil koos voor binnenkomen. Hij landde op de grond en 15


waggelde door de kamer om de vloer zorgvuldig te inspecteren, voor het geval Polly een paar kruimels had gemist. ‘Goed,’ zei Polly. ‘Ik ga werken. Gedraag je.’ Ze keek de woonkamer rond om zich ervan te vergewissen dat ze al haar spullen had. Je wilde niet aan de voet van de vuurtoren ontdekken dat je iets was vergeten en weer helemaal naar boven moeten. Huckle wilde een brandweerpaal installeren, maar daar was Polly fel op tegen. Er stonden maar weinig meubels in het ronde kamertje; een ervan was Polly’s geweldige chique bank die ze had meegenomen uit Plymouth en die ze volledig uit elkaar hadden moeten halen om hem boven te krijgen. Dat had hun bijna een hele dag gekost, maar de bank was alle moeite dubbel en dwars waard geweest, vond Polly. Een verdieping lager bevond zich een slaapkamer met een badkamertje in een nis; daaronder had je de verdieping met machines en dan de begane grond met de eenvoudige keuken, een wc en nog een woonkamer. Er was ook een losstaand laag gebouwtje, een lelijk huisje van grindpleister met een plat dak en meerdere kamertjes, maar ze wisten nog niet zo goed wat ze daarmee wilden doen. Een kleine tuin liep tussen de rotsen door naar zee; die wilde Huckle binnenkort aanpakken, al betwijfelde hij of er meer dan mosselen en zeewier zou willen groeien. Iemand had de traptreden van de vuurtoren naar de hoofdweg versierd met rijtjes zeeschelpen, wat Polly een mooi gezicht vond toen ze over de treden naar de kinderkopjes sprong en langs de havenmuur naar de dorpskern van Mount Polbearne liep. Dat was geen lange wandeling, maar bij hoogtij of storm kon je toch aardig nat worden als de golven over de zeemuur sloegen en het zoute water door de lucht stoof. Vandaag was het echter winderig maar helder. Een paar kleine wolken joegen langs de hoge ramen van de vuurtoren en het waterige zonnetje, dat op het punt van doorbreken stond, liet zich uiteindelijk toch niet zien. Het was eb, dus de weg naar het vasteland was begaanbaar en toonde zijn glimmende bruine 16


keien. De wind rook sterk naar fris zeewater. Het dorpje op Mount Polbearne was heel onpraktisch tegen de schuine helling van het eiland aan gebouwd en de lukraak neergezette huisjes liepen helemaal tot aan de top van de heuvel, waar een vervallen kerk zonder dak stond. De geplaveide wegen waren steil en kronkelig en hoewel je met de auto tot in het dorp kon komen, was dat niet aan te raden. De meeste mensen parkeerden op de parkeerplaats op het vasteland en legden de laatste paar honderd meter te voet af. Een aantal vissers runde met hun boot een taxidienst voor degenen die het eiland echt niet meer af konden komen, maar het merendeel van de plaatselijke bewoners was net zo vertrouwd met de tijden van het getij als met die van de zonsop- en ondergang en pasten hun plannen aan aan het ritme van de zee. Ook was het leven op het eiland een stuk eenvoudiger. Dat moest wel, aangezien ze hier geen wifi hadden (Polly had meerdere keren te horen gekregen dat ze het moest laten aanleggen, maar de telefoonmaatschappij had beleefd uitgelegd dat ze dan een kabel onder de zee door zouden moeten trekken, wat zo’n honderdduizend pond zou kosten, en dat ze haar bijdrage graag tegemoet zagen, dus dat feest ging niet door) en je hier geen pakketjes kon laten bezorgen. Ook waren er geen nachtclubs, vrijgezellenfeestjes, overvliegende vliegtuigen of gratis kranten. Er waren wel straten met huisjes van grijze steen, die alsmaar verder omhoogkronkelden. Sommige woningen hadden een opzichtige nieuwe glazen uitbouw, een dakterras en balkons met hekwerk van spankabels. Die huizen waren van onverschrokken vakantiehuisjeseigenaars die in het weekend op het eiland woonden en door de dorpelingen werden bespot en afgezet. Er was een oude pub, de Red Lion, waar de bedrijvigheid zich afspeelde op de oude binnenplaats, waar de oude vastzetringen en drinkbakken voor de paarden nooit waren weggehaald. Je had Andy’s snackbar, waar een foto hing van een gigantische vis met daarachter alle vissers vrolijk lachend op een rij. Die verkocht de beste haring en de meest verse, knapperigste patat – met lekker 17


veel stukjes gefrituurd beslag – waaraan je je vingers brandde en waarvan het zout en de azijn in je huid prikten. Hij verkocht Fanta, Tizer en dandelion and burdock en als je een klein stukje verder door de geplaveide Beach Street liep kon je met je eten en drinken op de havenmuur naar het water gaan zitten kijken, al moest je dan wel oppassen voor de zeemeeuwen. Je had Muriels supermarkt, waar ze werkelijk alles verkochten, en Patrick de dierenarts, die zijn praktijk deelde met een jonge huisarts die Callie heette en maar twee keer per week aanwezig was, en de oude bakkerij, die vroeger werd gerund door mevrouw Manse. Toen Polly in Mount Polbearne was komen wonen, was mevrouw Manse haar huisbaas geweest en had de vrouw haar het leven zuur gemaakt door haar te verbieden brood te bakken. Nu was ze met pensioen en woonde ze bij haar al even chagrijnige zus in Truro, waardoor Polly met haar bakkerij kon doen wat ze wilde. Het laatste gebouw op de pier was een hip nieuw restaurant dat te prijzig was voor de oorspronkelijke bewoners, maar dat onder toeristen erg populair was. Het restaurant specialiseerde zich in de verse vis waarmee de vissers elke ochtend de haven binnenvoeren. Momenteel repareerden de mannen de netten en telden ze de vangst en een paar van hen zwaaide toen Polly langs de kade liep en vroeg wat voor michetta (een klein brood dat mateloos populair was onder de hardwerkende mannen) ze die dag verkocht. Toen groetten de vissers Neil, die, zo merkte Polly boos, haar opnieuw naar de bakkerij was gevolgd. Daar had hij niets te zoeken: de klanten stopten hem veel te veel toe en hoewel je dankzij Jayden, haar assistent, in de keuken van de vloer kon eten, zou ze grote problemen krijgen als een inspecteur van de voedsel- en warenautoriteit zelfs maar het vermoeden kreeg dat er een zeevogel in haar zaak rondliep. Ze had streng tegen Jayden gezegd dat het feit dat niemand Mount Polbearne ongezien kon betreden daar niets aan veranderde. Er was bijna een jaar verstreken sinds er praktisch uit het niets een zware storm was komen opzetten die de vloot tot zinken 18


had gebracht en tot de dood van Cornelius ‘Tarnie’ Tarnforth had geleid, de kapitein van de Trochilus, met wie Polly korte tijd had gedatet. Polly kon nog steeds niet langs de boten lopen zonder aan Tarnie te denken. Het had lang geduurd voordat het dorp weer de oude was. Polly liet de bel van de kleine bakkerij aan het strand rinkelen. Het gebouw had een mooie lichtgrijze gevel – geschilderd door haar ex Chris – waar in een prachtig cursief handschrift MEVROUW P. WATERFORD op stond. Vrijwel altijd als ze ernaar keek, zwol ze van trots.Voor de winkel stond al een kleine rij en ze zag Jayden net de warme broden uit de oven halen.Vandaag hadden ze dungesneden busbrood en een zwaar zuurdesem dat minder goed verkocht, maar dat werkelijk heerlijk was als je het roosterde. ‘Hé!’ zei Jayden. ‘Alles is goed gelukt. Behalve de, eh, de chorizo-michetta. Die heb ik moeten... eh, die heb ik moeten... Die was te donker.’ Polly keek hem streng aan. ‘Echt waar, Jayden?’ Ze trok haar jas uit, hing hem aan een haak en liep naar de andere kant van de toonbank om haar handen te wassen. Toen ze over haar schouder keek, zag ze Neil geduldig bij de deur staan en af en toe van zijn ene op zijn andere pootje huppen. Zo zou hij blijven staan tot een klant hem binnenliet, wat vroeg of laat zou gebeuren. Niet voor het eerst vroeg ze zich af of er gehoorzaamheidstrainingen voor papegaaiduikers bestonden. ‘Ja,’ zei Jayden, maar zijn bolle wangen werden verdacht rood. De klanten stonden geduldig te wachten en tuurden ondertussen naar de roombroodjes in de grote ouderwetse vitrines. Polly trok een wenkbrauw op. ‘Ze waren echt heel lekker,’ zei Jayden zachtjes. ‘Sorry. Het was echt mijn bedoeling om er maar eentje te eten.’ Jayden was een geweldige werknemer. Hij was vlug, beleefd, vriendelijk en efficiënt en hij kon verduveld goed schoonmaken; door zijn achtergrond in de visserij werkte hij heel precies en grondig. Hij was absoluut niet knap, maar wel ongelofelijk lief 19


en charmant en iedereen mocht hem graag. Daarnaast was hij ontzettend dankbaar voor het feit dat hij niet meer hoefde te vissen, want dat had hij afschuwelijk gevonden. Hij vond het fantastisch om binnen te werken en normale werktijden te hebben. Hij was te vertrouwen met geld en vriendelijk tegen de klanten (in elk geval tegen mensen uit het dorp, want hoewel hij steeds beter leerde omgaan met de nieuwkomers en de toeristen, was hij in hun buurt meestal nors of heel verlegen). Maar hij had wel de afschuwelijke gewoonte om de voorraad op te eten. ‘Ik weet heus wel dat je het doet,’ zei Polly. Ze gebaarde naar zijn buik, die onder zijn grijze schort steeds ronder werd. ‘Dat weet ik. Sorry.’ Te oordelen aan zijn knalrode gezicht had hij er ook echt spijt van. Hij bloosde tot aan de puntjes van zijn snor. Hij had vorig jaar voor Movember zijn snor laten staan en omdat iedereen had gezegd dat die hem zo goed stond – dat was ook zo – had hij hem niet meer afgeschoren. ‘Ik vind het niet erg als je af en toe iets opeet,’ zei Polly. ‘Maar daar zat vlees in. Dat is duur, weet je.’ Jayden sloeg zijn ogen neer, waardoor hij ondanks zijn snor net een jongetje van zeven leek. ‘Niet zo gemeen doen tegen die aardige jongeman, hoor,’ zei mevrouw Corning, de weduwe van de priester. ‘Die jongen is een zegen.’ De andere dames in de rij maakten instemmende geluiden. Polly vermoedde dat sommigen het flirterige praatje met Jayden beschouwden als het hoogtepunt van hun dag. ‘Een heel hongerige zegen,’ mopperde Polly. ‘En die vogel van haar mag ook alweer niet naar binnen,’ zei een andere vrouw afkeurend. De klanten begonnen tegen elkaar te mompelen. Polly wilde met haar ogen rollen, maar dat deed ze niet.Voor sommigen zou ze altijd het nieuwe meisje blijven. Ze richtte zich tot de volgende in de rij. 20


‘Wat kan ik voor u doen?’ vroeg ze beleefd. ‘Heb je nog van dat heerlijke brood met stukjes worst erin? Dat is echt topspul.’ ‘Nee,’ zei Polly en ze wierp een laatste boze blik op Jayden, die net deed alsof ze er niet was en het opeens heel druk had. ‘Dat is op.’ De deurbel rinkelde. ‘Hé, Pol, je bent Neil vergeten!’ bulderde een zware stem met een Amerikaans accent. Toen Huckles schaduw over de toonbank viel, voelde de toch al piepkleine winkel opeens nog kleiner. Huckle was heel lang en had lange benen en brede schouders en leek door zijn dikke bos blond haar nog groter dan hij al was. Nog steeds vond Polly het soms verbazingwekkend dat hij haar vriend was; hij leek rechtstreeks uit een advertentie met een heleboel woestijnzand, cactussen en cowboyhoeden te komen. ‘Arm beest,’ zei Huckle. Neil zat op de mouw van Huckles jack – dat deed hij anders nooit – en keek Polly gekwetst aan. ‘Ik was hem helemaal niet vergeten,’ antwoordde Polly vermoeid. ‘Vogels hebben niets te zoeken in een winkel. Hij hoort naar de rotsen te huppen om vrouwtjespapegaaiduikers te versieren.’ ‘Of mannetjespapegaaiduikers,’ zei Huckle. ‘Je mag er niet zomaar van uitgaan dat hij hetero is.’ Polly keek hem recht aan. ‘Noem je me nu een vogelhomofoob?’ ‘Ik wil alleen maar zeggen dat we Neils keuzes moeten accepteren.’ ‘Behalve zijn keuze om in de winkel te willen zijn!’ Huckle zuchtte. De oude vrouwen verzamelden zich rond Neil zodat ze hem beter konden bekijken (of, dacht Polly ondeugend, zodat ze met hun grijpgrage handjes aan Huckles biceps konden zitten).Toen ze eindelijk waren vertrokken leunde ze voorover en gaf ze haar vriend een kus. ‘Hé,’ zei ze. Ze rook zijn heerlijke warme geur, die dankzij 21


de motor waarop hij overal naartoe reed een zweem van olie bevatte. ‘Ben je vanochtend vrij?’ Huckle schudde zijn hoofd. ‘Nee. Ik kwam alleen even vertellen dat Dubose langskomt.’ Polly beet op haar lip. ‘Echt?’ Onwillekeurig begon haar hart iets sneller te kloppen. Ze had Dubose nog nooit ontmoet. Ook de rest van Huckles familieleden had ze nog nooit gezien. Dubose was zijn jongere broer en was schijnbaar het zwarte schaap van de familie. ‘Wat komt hij doen?’ Huckle rolde met zijn ogen. ‘Ik wil het niet weten. Blijkbaar moest hij er even tussenuit of zo.’ Polly keek hem verward aan. ‘Hij heeft een boerderij, toch?’ ‘Ja,’ zei Huckle.‘Precies. Als boer kun je er niet even tussenuit!’ ‘Als bakker ook niet,’ zei Polly. ‘Maar als boer is dat nog lastiger.’ ‘Vast wel.’ Huckle schudde zijn hoofd. ‘Hij heeft Clemmie gevraagd of ze de boel wil leiden.’ Clemmie was Dubose’ vriendin. ‘Maar dat kan ze helemaal niet.’ ‘Jawel! Dat kan ze prima. Maar een boerderij runnen... daar komt heel wat bij kijken.’ Huckle fronste. Hij keek niet vaak boos. Polly vond het schattig. ‘Wanneer komt hij precies?’ ‘Over een paar weken, geloof ik. Hij leeft “het vrije leven”.’ Huckle glimlachte gelaten. ‘Hij houdt niet van plannen maken en legt zich liever niet vast. Het is geen probleem als hij komt logeren, toch?’ ‘Nee, natuurlijk niet, maar wauw. Denk je dat hij me aardig vindt?’ Huckle rolde met zijn ogen. ‘Dubose vindt iedereen aardig,’ antwoordde hij. Polly keek hem aan. ‘Bespeur ik nou iets van jaloezie?’ vroeg ze hem sluw. ‘Komt er een nieuwe jongeman?’ vroeg mevrouw Corning. ‘O, dit is ook zo’n opwindende buurt geworden.’ 22


Toen Polly en Huckle elkaar ontmoetten, had hij ergens in de buurt bijen gehouden en had zij in haar winkel zijn honing verkocht. Toen hun eerste poging om een relatie aan te gaan op niets was uitgelopen, was hij teruggegaan naar Savannah en had een kantoorbaan gezocht. Maar na zes maanden in de frisse buitenlucht van Cornwall had hij niet meer kunnen wennen aan een airconditioned, ommuurd kantoorleven en was hij teruggekeerd. Zijn vader was geboren in het Verenigd Koninkrijk, dus hij had al een Brits paspoort. Veel mensen wilden tegenwoordig eenvoudiger leven en naar het platteland verhuizen, met alle geiten, kippen en bijenkorven van dien. Dit had Huckle de kans gegeven een reizende imker te worden: hij adviseerde en hielp mensen die bijen wilden houden en iets wilden doen aan de afnemende bijenpopulatie. Hij zorgde ook nog steeds voor de bijen bij zijn oude huisje; daar woonde nu een ouder echtpaar dat genoot van de bloemen en Huckle in ruil voor een paar potten honing per maand zijn gang liet gaan. Dat was een bijzonder vrolijke regeling. Hij verdiende niet veel, maar als je de diesel voor de motor en het grote groentepakket van een lokale boer niet meetelde, leefden hij en Polly vrij eenvoudig. Ze hadden maar weinig nodig.Toch bedacht hij af en toe dat het gigantisch veel geld zou kosten om de vuurtoren helemaal op te knappen en Polly’s bedrijf echt over te kopen – dat was officieel nog steeds van mevrouw Manse, die een groot deel van de winst opstreek. Maar dat geld hadden ze niet, en dat was helemaal niet erg, hield hij zichzelf voor, want eigenlijk hadden ze meer dan genoeg.

23


2 ‘Goed,’ zei Jayden. ‘Ik ga even naar de andere winkel. Om te kijken of alles goed gaat met die meid van het vasteland.’ Polly rolde met haar ogen. ‘Jayden, iedereen op deze aarde komt van het vasteland. Het vasteland heeft zeven miljard bewoners, Mount Polbearne maar zevenhonderd. Dat onderscheid werkt niet.’ Jayden zette net zijn bezem weg en te oordelen aan de rimpels in zijn voorhoofd was hij het niet met haar eens. ‘Ik ga wel,’ zei Polly. ‘Dan breng ik meteen Huckle naar zijn motor.’ ‘Ze wil me weg hebben,’ zei Huckle terwijl hij knipoogde naar de oude dames. ‘Ik wil je niet weg hebben,’ zei Polly.‘Ik wil Néíl weg hebben. Ik hoop gewoon dat hij je volgt.’ En ja, hoor: toen ze de winkel uit stapten, sprong Neil vrolijk in het zijspan. Hij was duidelijk gek op motorrijden. Huckle keek Polly met een brede lach aan. ‘Kook jij vanavond?’ vroeg ze. Huckle haalde zijn schouders op. ‘Of jij kookt en ik haal vier verdiepingen lager alle kruiden en zo die je bent vergeten te kopen.’ ‘Deal,’ zei Polly. Ze gaf hem nog een kus. Huckle keek op zijn horloge en sprong toen op de grote motor. Neil stak zijn kopje uit het zijspan om van de wind te kunnen genieten. ‘Die vogel heeft een identiteitscrisis,’ gromde Polly, al vond ze het eigenlijk heerlijk om hen met een hels kabaal af te zien stuiven op de toegangsweg, die nog begaanbaar was. De wolken dansten als schone was langs de hemel en terwijl ze de frisse, zilte ochtendlucht diep inademde vroeg ze zich af 24


wat voor man Huckles broer was. Misschien kon hij ook een soort broer voor haar worden. Ze liep door Beach Street. Het eiland was klein, maar toch waren er twee bakkerijen. De bakkerij van Polbearne, de oudste van de twee, verkocht nog altijd broodjes, tosti’s en traditionele lekkernijen zoals geglazuurde koekjes, cake en petitfours. In haar kleine bakkerij mocht Polly tegenwoordig echter doen wat ze wilde; daar bakte ze ambachtelijk brood, zoals bijzondere olijvenbroden en hartige taartjes. Nu mevrouw Manse met pensioen was, was Polly feitelijk de baas over beide winkels. Het was een kraakheldere lentedag. In de lente woonde je naar Polly’s idee nergens zo fijn als op Mount Polbearne. In de zomer trouwens ook niet, als je emmertjes en schepjes hoorde kletteren en het eiland naar zonnebrand en ijs rook en de havenmuur vol verloren roze en blauwe plastic zonnebrilletjes lag in de hoop dat hun eigenaar hen daar zou vinden. Ze hield ook van de herfst, als de surfers kwamen om de golven bij Breakwater Point te bedwingen en daarna verkleumd en hongerig in hun zwarte wetsuits haar bakkerij binnenstapten. Dan had ze genoeg tijd om koffie en hete soep voor ze te maken, aangezien de vakantiedrukte dan voorbij was en de kinderen weer naar school moesten. En ze hield van de winter, als het keihard waaide en het ijskoud was en je geen enkele reden had om naar buiten te gaan. Dan kropen zij en Huckle in hun adelaarsnest tegen elkaar aan en keken ze hele seizoenen van Amerikaanse series, aten geroosterd brood met boter en dronken liters thee terwijl het buiten stormde. Op een eiland kon je niet om de seizoenen heen; je kon jezelf onmogelijk afsluiten van de wereld, in tegenstelling tot in de stad, waar kantoren met klimaatbeheersing en tl-verlichting waren en het handjevol miniparkjes vol sigarettenpeuken lag. Hier vond ze alles geweldig. Twee jaar geleden, toen haar hele leven in puin lag, het een soort verkoolde, afgedankte huls was, had Polly zich niet kunnen voorstellen dat ze ooit zo tevreden zou kunnen zijn, zo 25


ingespeeld kon zijn op het ritme van de seizoenen en haar leven. Zelfs op de koudste ochtenden, of na slopende dagen bij de ovens die pas eindigden als ze ’s avonds laat al het geld had geteld of urenlang op haar btw-aangifte had gezwoegd en had moeten bepalen welk van haar baksels onder het hoge en welke onder het lage tarief vielen; zelfs als het dagen achtereen regende terwijl in de rest van het land de zon scheen of als ze nieuwe kleding wilde kopen maar besefte dat geen enkele bezorgdienst op het eiland bezorgde, de winkels te ver weg waren en ze zich ßberhaupt niets nieuws kon veroorloven; zelfs dan had ze nooit spijt van het feit dat ze haar leven had omgegooid en kon ze niet geloven wat een geluksvogel ze was. Ook vond ze dat ze haar dosis pech wel had gehad en dat er dus eigenlijk niets meer kon misgaan. Helaas heeft het universum over het algemeen maling aan dit soort redenaties.

26


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Inkijkexemplaar Zomer in de Kleine bakkerij - Jenny Colgan by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu