Skip to main content

Wintereiland - Jenny Colgan

Page 1

1 Op Mure, een eilandje hoog boven de noordelijkste kust van Schotland, halverwege op weg naar IJsland (of de Noordpool zou je soms denken als de wind uit het westen komt), is het in de winter ’s ochtends lang donker. Als er geen wolken zijn en de zon schijnt, dan is het er prachtig; ongelofelijk puur en helder met een strakblauwe hemelkoepel, maar in de winter zijn de nachten er heel, heel lang. Honden malen er natuurlijk niet veel om of het donker of licht is. Ze weten alleen wanneer het ongeveer tijd is om op te staan en te beginnen aan hun zware dagelijkse taken: snuffelen, bedelen om eten en op onderzoek uitgaan naar ‘mmm, wat stinkt daar zo lekker?’ Natuurlijk is het geen noodzaak om een hond te hebben als je op Mure woont, maar er is ook geen enkele reden om géén hond te willen. Zo denken alle Murianen erover. Mure is tenslotte veilig, er rijden maar weinig auto’s, en de auto’s die er rijden, kunnen sowieso niet hard op de landweggetjes vol hobbels en kuilen. Voor een hond is Mure heerlijk: er zijn spannende velden om doorheen te rennen en stranden en baaitjes om te zwemmen, eindeloos veel takken die je in je bek kunt nemen, zeerobben om tegen te blaffen, schapenpoep om lekker in te rollen, en talloze andere honden om mee te spelen. Bovendien hoef je er bijna nooit aan de lijn, mag je in de pub mee naar binnen en zijn er heerlijk warme vuren om uitgestrekt voor te gaan liggen als je moe bent van alle avonturen. Kortom: Mure is een paradijs voor honden. En niet alleen voor honden. Ook de meeste mensen vinden het een heerlijke plek. 11


De meeste honden slapen in een schuur, waar ze tevreden indommelen op het zachte hooi terwijl de warme koeienadem over hun flanken strijkt en ze af en toe – als er een schaap hun dromen binnen danst – even met hun poten trekken. Zo ook op de boerderij van de MacKenzies, die op een kleine heuvel lag, vlak bij de zuidelijkste punt van het eiland, in het verlengde van de dorpsstraat met een rij felgekleurde roze, gele en blauwe winkeltjes, die een vrolijk tegenwicht vormden voor de donkere winterhemel. Alleen voor Bramble, de oudste schaapsherdershond die al jaren met pensioen was, werd een uitzondering gemaakt: iedereen was dol op hem en niemand misgunde hem zijn plekje in de keuken – zo dicht bij het vuur als mogelijk was zonder vlam te vatten. Hij snurkte en snoof luidruchtig in zijn slaap en stond altijd vroeg op, iets wat Flora, die ook op de boerderij woonde, belachelijk vond. Bramble was een oude hond die twintig uur per dag sliep, dus waarom moet hij dan per se tussen vijf en zeven uur ’s ochtends al opstaan? Hoewel Flora zelf ook vroeg op moest om naar Annies Café in de dorpsstraat te gaan, vergeleken met vroeger in Londen een piepklein eindje forenzen. In het dorp waren de souvenirwinkels geel en blauwgroen van kleur, was de drogist lichtblauw, de schoonheidssalon een fel fuchsia dat niemand mooi vond en de vishandel zacht oranje. De Harbour’s Rest was zwart-wit, maar de verf was oud en bladderde af. Het was een wat verwaarloosd hotel dat ook dienstdeed als bar en dat een zaal had voor speciale gelegenheden: trouwerijen, begrafenissen, verjaardagsfeesten of koperen, zilveren, gouden en diamanten bruiloften. Het etablissement werd nogal nonchalant uitgebaat door Inge-Britt, een IJslandse die géén hond had omdat ze graag lang in bed lag ’s ochtends(ook al stonden de bierglazen op de vuile tafeltjes in de pub intussen steeds plakkeriger te worden). Twee deuren verderop was de lichtroze pui van Annies Café. Het was alweer een jaar geleden dat Flora terugkeerde op Mure. 12


Ooit was ze van het kleine eiland vertrokken om naar de grote stad – Londen – te gaan, waar ze een baan als juridisch medewerker had gevonden. Maar toen was ze door de advocatenfirma waarvoor ze werkte voor een klus teruggestuurd naar het eiland waarop ze was geboren en getogen, terwijl ze had gedacht er nooit meer een voet aan wal te zetten; ze had er zelfs vreselijk tegen opgezien er weer naartoe te moeten. Maar het was anders gelopen, zoals dat wel vaker gebeurt in het leven... De rechtszaak was niet erg succesvol geëindigd, maar Flora was weer verliefd geworden op het eiland van haar voorouders. En op Joël Binder, haar baas, de man die haar naar Mure had gestuurd. Joël.Tja. Een gecompliceerde man. Desondanks (en misschien ook een beetje dankzij) hield ze van hem, wat vooralsnog een behoorlijke uitdaging was. Ze stapte met moeite haar bed uit omdat ze wist dat haar vader haar anders vóór zou zijn en ze niet wilde dat hij met zijn oude artrosevoeten over de ijskoude tegels in de keuken liep en dus het vuur moest opstoken en water moest opzetten zodat hij wakker kon worden van het gefluit van de ketel. Flora was een bijzondere verschijning. Niet zozeer op Mure, maar in het algemeen; door generaties lang vermenging van Gaelisch- en Vikingbloed, had ze een onvoorstelbaar bleke, haast doorschijnend lichte huid – zo wit als de kuiven op de golven. Haar haren waren niet blond of bruin maar bijna kleurloos, en haar lichte ogen veranderden doorlopend van tint: van blauw naar groen naar grijs en weer terug. In Londen viel ze niet echt op, daar vervaagde ze als het ware tussen alle schreeuwende kleuren, maar hier kwam ze tot haar recht en werd haar schoonheid juist benadrukt door de wilde, schuimende zee, de bleke kliffen en de witte zeevogels. Ze was één met het landschap. De oude, slaperige Bramble was al op. Op dit tijdstip van de dag was hij altijd vol leven en veegde hij, als hij met zijn enorme staart kwispelde, alles wat op staarthoogte lag zonder er erg in te 13


hebben op de vloer. Flora sloeg haar armen even om zijn warme, harige borstkas, pookte het vuur op, zette de ketel op de aga en ging snel onder de douche. Joël was er niet: hij zat in New York en kwam tegen Kerstmis terug, wat Flora op het moment eigenlijk wel goed uitkwam. Een tijdje later liepen ze samen, Flora en Bramble, de heuvel af naar het dorp. Flora was met haar hoofd bij de planning voor Isla en Iona, de twee jonge, knappe Mure-meiden die bij haar werkten.Vandaag moesten er cakes, taarten en pasteitjes gebakken worden – en er moest een traditionele Christmas cake gemaakt worden natuurlijk. Daar was Flora begin november al mee begonnen: elke dag een Schotse kerstfruitcake maken, omdat die tijd nodig had om te ‘rijpen’, zodat ze in december per plak verkocht konden worden. Het was best een risico er elke dag een te maken omdat natuurlijk niet te voorspellen viel of er animo voor was en er uiteindelijk geld aan te verdienen viel – het was lastig om aan de ingrediënten te komen op Mure en dus waren die best prijzig – of dat ze in januari met bergen onverkochte Christmas cakes zou zitten. Maar gelukkig gingen ze sinds begin december (nu pas een week geleden) als warme broodjes over de toonbank. Er waren zelfs klanten die elke dag een plak kwamen halen en Flora overwoog ze op rantsoen te zetten – louter ter bescherming van hun dichtslibbende aderen en dus voor hun eigen gezondheid. Ondanks de dure ingrediënten – die stuk voor stuk van absolute topkwaliteit waren – en haar beroemde kortingskaart (waardoor ze de toeristen en dagjesmensen hogere prijzen kon rekenen en de bewoners van Mure, die er veel minder warmpjes bij zaten, daar geen nadeel van ondervonden), verdiende ze genoeg aan haar Christmas cakes, en dus bleef ze elke dag een nieuwe maken zodat de cakes drie weken konden liggen en alle smaken goed konden intrekken. Bramble mocht maar tot de deur van Annies Café en geen stap verder, wat hij ook probeerde. Hij wist donders goed dat hij niet naar binnen mocht, Flora was heel streng wat betreft de 14


hygiëne. Dat laatste gold echter niet voor Inge-Britt van de Harbour’s Rest, daar mocht Bramble gelukkig altijd binnenkomen om onder de tafeltjes naar oude pinda’s te zoeken, maar die was zo vroeg helaas nog niet open; Inge-Britt sliep graag uit. Dus draaide Bramble zich, net als elke ochtend, gelaten om, en begon hij aan zijn dagelijkse route door het dorp. Zoals altijd op dit vroege tijdstip, waren Mrs. MacPherson en haar Schotse terriër, Brandy, de eersten die hij tegenkwam. Mrs. MacPherson heeft Flora ooit eens verteld dat ‘een mens na z’n zeventigste niet meer slaapt’, waarop Flora haar best had gedaan vol begrip te glimlachen, terwijl ze zich stiekem afvroeg hoeveel Mrs. MacPherson zou slapen als ze ’s morgens gewoon in bed bleef liggen en er niet zo vroeg uit kwam. Op maandagen, als Annies Café gesloten was, lag Flora zelf minstens tot een uur of twaalf in bed. En als Joël er was, probeerde ze hem zelfs te verleiden de hele dag in bed te blijven... Wat dan weer tot allerlei andere dingen dan slapen leidde. Maar daar mocht ze nu niet verder over wegdromen; ze had een drukke dag voor de boeg en andere dingen aan haar hoofd! Bramble rook beleefd aan Brandy’s achterste om hem goedemorgen te wensen en vervolgde zijn weg naar de krantenwinkel, waar Iain, de eigenaar, hem de krant van gisteren gaf, die altijd met de eerste veerboot van acht uur aankwam. Flora’s vader vond het geen enkel punt dat het ‘oud nieuws’ was. Hoewel hij de krant tot de laatste letter uitspelde, bleef hij volhouden dat er alleen maar onzin in stond, en dus maakte het niet uit van welke dag hij was. Iains hond, Rickson, lag achter in de winkel.Toen hij Bramble zag, gromde hij een beetje lui. Rickson had jaren- en jarenlang de krant rondgebracht met zijn baas en te veel honden meegemaakt die woest tegen hem begonnen te blaffen. En daarbij had hij zijn hele leven kleine jochies moeten afschrikken die snoep wilden jatten uit de winkel, waardoor hij een humeurige chagrijn was geworden. En om eerlijk te zijn, gold hetzelfde voor zijn baas. Ze pasten goed bij elkaar. 15


Bramble liep, zoals altijd, met een wijde boog om Rickson heen, waarna Iain een paar klapjes op zijn kop gaf en de Highland Times naar hem uitstak. Met de krant in zijn bek draafde Bramble zelfverzekerd terug over de dorpsstraat, langs Pickle, de tot op het bot verwende jack russell van Mrs. McCrorie; ‘Hij eet alleen gegrilde kip,’ vertelde ze tot afschuw van de op Mure geboren en getogen Murianen altijd. (De meeste honden op het eiland waren geen verwende schoothondjes maar werkhonden die bij het boerenleven hoorden, en veel Murianen herinnerden zich de tijd nog goed waarin er dagelijks vis of zeehond op het menu stond en kip een luxe was die alleen bij speciale gelegenheden werd gegeten – iets wat overigens voor velen nog steeds zo was. Bij de haven passeerde Bramble Grey, een gigantische hond met bleke ogen van onbekende afkomst (het verhaal ging dat Grey een geschoren wolf was), die altijd naar de eindeloze horizon lag te staren, maar even opkeek toen hij zag dat het Bramble was wiens nagels hij over de oude keitjes achter zich hoorde. Grey was een zwerfhond die op de een of andere manier op Mure was terechtgekomen; waarschijnlijk vanaf een Russische vissersboot. Hij had op de kade rondgehangen tot de vissers hem adopteerden en hem de restjes voerden die zelfs de vogels lieten liggen. Daarna liep Bramble ook langs Endless Beach, het strand dat voor de oude pastorie aan de noordkant van de dorpsstraat begon, waar tegenwoordig Saif Hassan woonde, een vluchteling uit Syrië, met zijn twee zoontjes Ash en Ibrahim. Saif was een van de twee artsen op het eiland (de andere was vrijwel opgehouden met werken). Saif wist dat Kerstmis in aantocht was – een feit dat nauwelijks te missen viel met alle televisiereclames en de nogal onbegrijpelijke stroom briefjes van school over theedoeken en kalenders en iets wat ‘het kerstspel’ werd genoemd – waarvan hij zelfs na meerdere keren googelen nog niet begreep wat het was. Maar de jongens waren enthousiast en opgewonden over het aankomende feest en hij was van plan hun een fantastische kerst te bezorgen – als het hem tenminste lukte om uit te vogelen hoe dat precies 16


moest. De jongens en hij waren tenslotte twee lange jaren van elkaar gescheiden geweest, dus een feestje was zeker op z’n plaats. Verderop op Endless Beach had Bramble – als hij wat minder lui was geweest en het strand niet links had laten liggen – Milou met zijn bazinnetje Lorna MacLeod nog tegen kunnen komen, die een frisse neus haalde voor de school begon waarvan zij het hoofd was, hoewel het in deze tijd van het jaar nog aardedonker was en er maar heel vaag een roze schijnsel aan de hemel viel te ontdekken. Lorna zorgde er angstvallig voor dat ze niet in de buurt van de pastorie kwam aan de andere kant van het strand. Ze was al een jaar verliefd op Saif, maar Saif was getrouwd en hield van zijn vrouw, hoewel hij geen idee had waar ze was, of ze ergens in oorlogsgebied zat en niet weg kon, of ergens gevangen werd gehouden, of misschien zelfs wel dood was, of nog erger... Lorna keek met weemoed terug op het voorbije jaar en de periode voor de jongens terecht waren en op het eiland aankwamen, toen Saif en zij elkaar ’s morgens altijd op het strand tegenkwamen, waar hij ’s ochtends vroeg voor zijn werk te vinden was om te wachten op de komst van de veerboot en eventueel nieuws over zijn familie, en zij Milou uitliet. Zo raakten ze in gesprek en leerden ze elkaar kennen; ze werden zelfs vrienden. Echte vrienden. Ze keken er allebei naar uit, naar die ontmoetingen zo ’s morgens vroeg, weer of geen weer. Soms stormde het, soms was het ijskoud, andere keren was het weer zo helder dat je kilometers ver kon kijken en de hemel zich als een enorme koepel eindeloos uitstrekte tot aan de horizon – dagen die zo puur en wonderschoon waren, met hoog opspattend water van het getij en gekrijs van zeemeeuwen, dat je bijna niet kon geloven dat er achter die horizon de vreselijkste dingen gebeurden. In ieder geval was ze toen zo stom geweest haar gevoelens voor hem te laten blijken. En dat was niet goed afgelopen. Helemaal niet goed... Dus nu bleef Lorna uit de buurt van Saifs kant van het strand. En trouwens, hij had het druk met het grootbrengen van zijn twee jongens. Ze gingen naar háár school en begonnen er lang17


zaam, heel langzaam steeds meer bij te horen; hun aarzelende manier van spreken en nervositeit verdwenen stukje bij beetje – zeker bij Ash. De half verhongerde, te kleine, meelijwekkende jochies die zonder een woord Engels te spreken op een koude dag in de lente op Mure arriveerden, waren haast onherkenbaar veranderd. Ze waren dikker geworden door het gezonde, voedzame eten op Mure (dat meestal afkomstig was van de boerderij van de MacKenzies); Ib was zelfs vijf centimeter gegroeid en begon elke dag meer op zijn vader te lijken. Dus. Dat was goed, toch? Zo moest ze ertegen aankijken. Positief, dat was positief. Behalve, bedacht Lorna een beetje somber, voor haar. Bij uitzondering was het zelfs voor Milou te koud om een duik te nemen. Lorna zette de capuchon van haar parka op en keerde om om aan de terugweg te beginnen. Op school was het, zo vlak voor Kerstmis, de drukste tijd van het jaar. En ze had nog ongelofelijk veel te doen. Bramble liep intussen langs de afslag naar The Rock – een ambitieus hotel-met-golfbaanproject van Colton Rogers – dat helaas vrijwel stillag, en zeker niet vooruit werd geholpen doordat Bramble zijn achterpoot optilde en een lange plas deed tegen het bewegwijzeringspaaltje. Colton was een luidruchtige Amerikaan die op Mure was gearriveerd met het doel het eiland vol te plempen met windmolens en er een winstgevende onderneming van te maken. Maar uiteindelijk was hij gevallen voor de rust en de schoonheid van de natuur en er komen wonen. Hij had een stel bespottelijke honden: doorgefokte husky’s met prachtige blauwe ogen, die beter pasten op een hondenshow dan op koude sneeuwvlaktes. Ze waren angstwekkend dom, hoewel dat niet uitmaakte omdat ze alleen maar als een stel witte standbeelden naast Colton op het witte grind van de oprijlaan moesten staan en zo’n beetje in zijn buurt moesten zijn als iemand duidelijk moest worden gemaakt dat hem iets niet beviel en eraan herinnerd moest wor18


den hoeveel geld hij wel niet in het eiland pompte. Dat was voordat Colton ziek werd. Hij leed aan een gemeen soort kanker en werd verzorgd door Flora’s broer Fintan, met wie hij afgelopen zomer was getrouwd. De honden werden door het personeel van het grote huis verzorgd, Fintan had alleen maar aandacht voor Colton. Tot op dat moment hield Colton zich aan zijn eigen onofficiële recept voor palliatieve medicatie, dat bestond uit zoveel morfine als hij te pakken kon krijgen – en dat was veel als miljardair – en zoveel goede whisky als hij kon drinken – wat ook veel was, met als resultaat dat hij de meeste tijd onder zeil was. Fintan had zijn werk min of meer opgegeven om voor hem te zorgen, maar eigenlijk had hij weinig te doen: er waren verpleegsters voor de lastige dingen, dus bestond zijn taak louter uit het niet verder dan een uitgestoken hand van Colton vandaan zitten op het moment dat hij wakker werd. Maar het was de zwaarste taak van zijn leven. Bramble liep gestaag door, terug de heuvel op naar de boerderij, waarbij hij Bran en Lowith, twee van de jongere herdershonden die de hele dag in de heuvels mochten loslopen maar absoluut niet het privilege hadden om zich voor het vuur uit te strekken, hooghartig negeerde. Toen Agot, Flora’s nichtje, nog heel klein was, had ze nooit gewaarschuwd hoeven worden dat ze niet in de buurt van het vuur mocht komen – Bramble duwde haar altijd zonder pardon opzij. Zo had ze geleerd zich dicht tegen Brambles warme vacht te nestelen, die functioneerde als een enorme, ietwat stinkende deken. Hoewel ze inmiddels vier was, deed ze dat nog steeds. En Bramble vond het allemaal best. Bramble liep het modderige pad naar de boerderij op. De vrieskou kraakte in de velden, de plassen waren stevig dichtgevroren en de lucht was zo koud dat ademhalen bijna pijn deed in je keel. Hij duwde de oude deur van de boerderij open en liep met de krant nog steeds in zijn bek over de oude plavuizen de keuken binnen. Eck, Flora’s vader, keerde zich langzaam om van het fornuis – koude ochtenden betekenden tegenwoordig dat hij zich een oude, roestige machine voelde; het leek eeuwen 19


te duren voor hij op gang was. Bramble tilde zijn kop gedienstig op zodat Eck de krant tussen zijn kaken uit kon pakken en op precies datzelfde moment sprong het overheerlijke brood van Mrs. Laird op uit de broodrooster. Eck besmeerde het dik met de fantastische boter die zijn jongste zoon Fintan op hun boerderij maakte en even later zaten ze samen met een kop thee erbij te ontbijten bij het vuur. Een boterham voor Eck en een boterham voor Bramble – die hem geroutineerd naar binnen werkte. Samen gaven ze zich vredig over aan hun vroege-ochtend-overpeinzingen. Een nieuwe dag op Mure was aangebroken.

20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook