1
Op een kaart van Amerika leek het maar een kleine stad. Het was niet meer dan een bescheiden stip, aan een weg die als een rode meanderende lijn door een paar vierkante centimeter leeg papier liep. Maar van dichtbij en op ooghoogte bekeken bleken er een half miljoen mensen te wonen. De stad besloeg een oppervlak van meer dan tweehonderdvijftig vierkante kilometer en bestond uit bijna honderdvijftigduizend huishoudens. Er was achthonderd hectare parklandschap. De stad spendeerde meer dan een half miljard dollar per jaar en incasseerde bijna evenveel aan belastingen, heffingen en boetes. Het politiekorps was twaalfhonderd man sterk. De stad was ook zo groot dat de georganiseerde misdaad haar in tweeën had gedeeld. De westelijke helft van de stad werd gerund door Oekraïners, de oostelijke helft door Albanezen. De demarcatielijn was door beide partijen met evenveel gevoel voor eigenbelang getrokken als de grenzen van kiesdistricten. In grote lijnen liep de grens door Center Street, de hoofdstraat die van noord naar zuid liep en de stad in tweeën deelde, maar net als de snelweg op de kaart meanderde hij, pakte nu eens een blok huizen of een wijk voor de ene partij mee en dan weer voor de andere, al naar gelang aanspraken uit het verleden een dergelijke keuze rechtvaardigden. De onderhandelingen hadden onder spanning gestaan. Er waren kleine oorlogjes uitgevochten. Zo nu en dan was het ronduit onvriendelijk geworden, maar uiteindelijk waren ze tot overeenstemming gekomen. Het akkoord leek te werken. Beide partijen zorgden ervoor dat ze de andere partij niet voor de voeten liepen. Al geruime tijd hadden ze geen contact met elkaar gehad. Tot een ochtend in mei. De baas van de Oekraïners parkeerde zijn auto in een garage in Center Street en liep naar het oosten, het territorium van de Albanezen in. Alleen. Hij was vijftig en had de bouw van een in brons gegoten held uit de oudheid, lang, gespierd en massief. Hij liet zich Gregory noemen, want dichter in de buurt dan dat konden Amerikanen niet komen als ze probeerden de naam uit te spreken die hij bij zijn geboorte had meegekregen. Hij was ongewapend en droeg een strakke broek en een strak t-shirt om 7
dat te tonen. Hij had niets in zijn zakken, nergens iets verstopt. Hij sloeg links af, rechts af, steeds dieper het territorium van de Albanezen in, op weg naar een straatje achteraf. Daar runden de Albanezen hun zaken vanuit een paar kantoren achter een houthandel. Vanaf zijn eerste stap over de lijn werd hij in de gaten gehouden. Er werd gebeld om zijn komst aan te kondigen, zodat hij, toen hij er arriveerde, werd opgewacht door zes zwijgende mannen, die roerloos een halve kring vormden op het trottoir voor de poort van de houthandel, als schaakstukken in een verdedigende stelling. Hij bleef staan en hield zijn armen iets los van zijn lichaam. Hij draaide langzaam een keer helemaal om zijn as, de armen steeds licht gespreid. Een strakke broek, een strak t-shirt, geen bobbels, geen bulten, geen mes, geen pistool. Ongewapend tegenover zes mannen die ongetwijfeld wel gewapend waren. Maar hij maakte zich geen zorgen. De Albanezen zouden hem niet zonder provocatie aanvallen. Dat wist hij. Je diende je te houden aan bepaalde normen. Omgangsvormen waren omgangsvormen. Een van de zes zwijgende mannen deed een stap naar voren. Deels om de doorgang te blokkeren, deels om zich op te werpen als aanspreekpunt. ‘Ik moet Dino spreken,’ zei Gregory. Dino was de baas van de Albanezen. ‘Waarom?’ vroeg de man. ‘Ik heb informatie.’ ‘Waarover?’ ‘Over iets wat hij moet weten.’ ‘Ik kan je een telefoonnummer geven.’ ‘Dit moet ik hem rechtstreeks vertellen.’ ‘En moet dat nu meteen?’ ‘Ja.’ De man zei even niets, draaide zich om en stapte door een kleine deur in een groot rolluik dat de werkplaats van de houthandel afsloot. De andere vijf gingen iets dichter bij elkaar staan om het gat in het kordon op te vullen. Gregory wachtte. De vijf zwijgende mannen keken naar hem, zowel op hun hoede als gefascineerd. Dit was een unieke gebeurtenis. Iets wat je maar eens in je leven zou meemaken. De baas van de andere partij. Pal voor je neus. In het verleden hadden alle onderhandelingen plaatsgevonden op 8
neutraal terrein, op een golfbaan, een heel eind buiten de stad, aan de andere kant van de snelweg. Gregory wachtte. Vijf lange minuten later stapte de woordvoerder weer naar buiten door de deur in het rolluik. Hij liet de deur openstaan. Hij wenkte. Gregory kwam in beweging, boog zijn hoofd en stapte over de drempel. Hij rook de geur van vers gezaagd grenenhout en hoorde het janken van een cirkelzaag. ‘We moeten je fouilleren op afluisterapparatuur.’ Gregory knikte en trok zijn t-shirt uit. Zijn bovenlichaam was gespierd en zwaar behaard. Geen microfoontjes, geen draden. De man controleerde de naden van het t-shirt en gaf het shirt terug. Gregory trok het weer aan en haalde zijn vingers door zijn haar. ‘Deze kant op,’ zei de man. Hij liep met Gregory door een werkplaats in een romneyloods van ijzeren golfplaten. De andere vijf volgden. Ze kwamen bij een gladde stalen deur. Erachter lag een vertrek zonder ramen dat was ingericht als vergaderruimte. Vier tafels met een formicablad waren op een rij tegen elkaar aan geschoven als een barrière. Op een stoel midden achter de rij tafels zat Dino. Hij was een jaar of twee jonger dan Gregory, vijf centimeter kleiner, maar zwaarder gebouwd. Hij had donker haar, het litteken van een snee met een mes op de linkerkant van zijn gezicht, verticaal, kort boven de wenkbrauw en langer van zijn jukbeen tot zijn kin, als een omgekeerd uitroepteken. De man die tot nu toe het woord had gevoerd, trok voor Gregory een stoel bij tegenover Dino, liep om de tafels heen en ging rechts naast Dino zitten, als een trouwe vazal. Nog eens twee gingen daar weer naast zitten, terwijl de overige drie aan de andere kant van Dino plaatsnamen. Gregory bleef in zijn eentje achter aan zijn kant van de vergadertafel tegenover zeven mannen die hem onbewogen aanstaarden. Doodse stilte. Uiteindelijk nam Dino het woord. ‘Waaraan heb ik de eer te danken?’ Omgangsvormen waren omgangsvormen. ‘De politie krijgt een nieuwe korpschef,’ zei Gregory. ‘Dat weten we,’ zei Dino. ‘Na een interne procedure.’ ‘Dat weten we,’ zei Dino opnieuw. ‘Hij heeft aangekondigd dat hij hard zal optreden, tegen ons allebei.’ 9
‘Dat weten we,’ zei Dino voor de derde keer. ‘Wij hebben een mol in zijn omgeving.’ Dino zei niets. Dat wist hij niet. ‘Onze mol heeft een geheim bestand gevonden op een losse harde schijf, verborgen in een la.’ ‘Wat voor bestand?’ ‘Zijn actieplan voor het harde optreden.’ ‘En dat is?’ ‘Het is niet erg gedetailleerd,’ zei Gregory. ‘Voor een deel is het heel schetsmatig. Maar dat is geen reden tot zorg, want van dag tot dag, week na week, vult hij delen van de puzzel in. Omdat hij een constante stroom van informatie heeft van binnenuit.’ ‘Waarvandaan?’ ‘Onze mol heeft lang en hard gezocht en uiteindelijk een tweede geheime bestand gevonden.’ ‘Wat stond daarin?’ ‘Het was een lijst.’ ‘Een lijst? Met wat?’ ‘Een lijst met de namen van informanten die de politie het meest vertrouwt,’ zei Gregory. ‘En?’ ‘Er staan vier namen op die lijst.’ ‘En?’ ‘Twee ervan zijn mannen van mij,’ zei Gregory. Niemand zei iets. ‘Wat heb je met ze gedaan?’ vroeg Dino toen. ‘Dat kun je vast zelf wel bedenken.’ Weer zei niemand iets. ‘Waarom vertel je me dit?’ vroeg Dino uiteindelijk. ‘Wat heb ik ermee te maken?’ ‘De andere twee zijn mannen van jou.’ Stilte. ‘We zitten in hetzelfde schuitje,’ zei Gregory. ‘Wie zijn het?’ vroeg Dino. Gregory noemde de namen. ‘Waarom vertel je me dit?’ vroeg Dino. ‘Omdat we een akkoord hebben,’ zei Gregory. ‘Ik ben een man van mijn woord.’ 10
‘Jij profiteert enorm als ik van het toneel verdwijn. Dan heb je de hele stad voor jezelf.’ ‘Alleen op papier,’ zei Gregory. ‘Plotseling besef ik dat ik gelukkig moet zijn met de status quo. Waar zou ik genoeg betrouwbare mensen vandaan moeten halen om jouw zaken te runnen? Blijkbaar kan ik niet eens genoeg betrouwbare mensen vinden om mijn eigen zaken te runnen.’ ‘Dat geldt kennelijk ook voor mij.’ ‘Dus gaan we morgen met elkaar op de vuist en respecteren we vandaag het akkoord. Het spijt me dat ik je met dit bericht in verlegenheid heb gebracht. Maar ik heb mezelf tegenover jou ook in verlegenheid gebracht. Hopelijk heeft dat enige betekenis. We zitten in hetzelfde schuitje.’ Dino knikte. Hij zei niets. ‘Ik heb een vraag,’ zei Gregory. ‘Dan moet je hem stellen,’ zei Dino. ‘Zou jij het mij hebben verteld, als het jouw mol was geweest in plaats van de mijne?’ Dino zweeg geruime tijd. ‘Ja,’ zei hij toen. ‘Ja, om dezelfde redenen. We hebben een akkoord. En als er op die lijst namen van beide partijen staan, is dit niet het moment om rare dingen te gaan doen.’ Gregory knikte en stond op. De rechterhand van Dino stond ook op, om hem te begeleiden naar de straat. ‘Zijn we nu veilig?’ vroeg Dino. ‘Van mijn kant wel,’ zei Gregory. ‘Dat kan ik je garanderen. Sinds zes uur vanochtend. We hebben een mannetje bij het crematorium. We krijgen nog geld van hem. Hij wilde het vuur vanochtend wel een beetje vroeger opstoken.’ Dino knikte en zei niets. ‘Zijn we aan jouw kant ook veilig?’ vroeg Gregory. ‘Dat komt,’ zei Dino. ‘Tegen de avond. Wij hebben iemand bij de autopers.’ De rechterhand begeleidde Gregory naar buiten, door de werkplaats naar de lage deur in het rolluik, de straat op met het heldere zonlicht van de maand mei.
11
Op datzelfde moment zat Jack Reacher honderd kilometer daarvandaan in een Greyhound-bus op de snelweg. Hij zat links achterin aan het raam, boven de wielkast. Er zat niemand naast hem. Alles bij elkaar waren er nog negenentwintig passagiers. De gebruikelijke mengelmoes. Niets bijzonders. Zij het dat er één situatie was die in zekere zin interessant was. Aan de andere kant van het gangpad, in de rij voor Reacher, zat een man te slapen. Zijn hoofd hing scheefgezakt omlaag. Hij had grijs haar en moest nodig een keer naar de kapper. Zijn vel hing slap alsof hij veel gewicht had verloren. Hij was een jaar of zeventig. Hij droeg een kort blauw jack van een zware katoensoort. Misschien was het jack wel waterdicht. Een deel van een dikke envelop stak uit de zak. Het was een envelop van een soort die Reacher goed kende. Hij had vaak genoeg dergelijke enveloppen gezien. Soms liep hij, als een pinautomaat stuk was, de bank binnen om bij het loket geld op te nemen met zijn pinpas. De lokettist vroeg hem dan hoeveel geld hij wilde opnemen. Op zo’n moment dacht hij na en redeneerde hij dat hij gezien de onbetrouwbaarheid van de pinautomaat, maar beter twee of drie keer zoveel kon opnemen als normaal. Veel geld. Waarop de lokettist hem steevast vroeg of hij dat geld in een envelop wilde. Soms zei Reacher dan ja, domweg omdat je nu eenmaal ja en nee kon zeggen, en dan kreeg hij zijn geld in precies zo’n envelop als de envelop die nu uit de zak van de slapende man stak. Hetzelfde dikke papier, net zo groot, zelfde proporties, net zo dik, net zo zwaar. Een paar honderd dollar of een paar duizend, afhankelijk van de biljetten die erin zaten. Reacher was niet de enige wie het was opgevallen. De man die pal voor Reacher zat, had het ook gezien. Dat was duidelijk. Hij was enorm geïnteresseerd. Hij keek opzij over het gangpad en omlaag, en nog eens. Het was een schrale jonge kerel met vettig haar en een klein sikje. In de twintig, spijkerjasje. Amper uit de kinderschoenen. Opzij en omlaag gluren, peinzen, plannen. Hij likte zijn lippen. De bus reed verder. Reacher keek nu eens een tijdje naar buiten, dan weer naar de envelop en dan weer een tijdje naar de man die naar de envelop gluurde.
12
Gregory reed de garage in Center Street uit en het veilige territorium van de Oekraïners in. Zijn eigen hoofdkwartier lag achter een taxibedrijf tegenover een pandjeshuis, naast een bedrijfje dat leningen verstrekte voor borgstellingen, stuk voor stuk ondernemingen waarvan hij de eigenaar was. Hij parkeerde zijn auto en ging naar binnen. Zijn luitenants wachtten hem op. Vier man die op elkaar leken en ook op hem. Geen verwanten in de gebruikelijke zin, maar wel afkomstig uit dezelfde steden, dorpen en gevangenissen in het land van oorsprong, en dat was misschien nog wel een veel betere soort van verwantschap. Ze keken hem aan. Vier gezichten, de ogen wijd open, slechts één vraag. Een vraag die hij beantwoordde. ‘Honderd procent geslaagd,’ zei hij. ‘Dino trapte er volledig in. Man, wat is dat een stomme ezel. Ik had hem Brooklyn Bridge kunnen verkopen. Met die twee jongens van hem die ik heb genoemd, is het afgelopen. Het kost hem een dag om te reorganiseren. De deur staat wagenwijd open, vrienden. We hebben vierentwintig uur.’ ‘Zo zijn de Albanezen,’ zei zijn rechterhand. ‘Waar heb je die twee van ons gelaten?’ ‘Naar de Bahama’s gestuurd. Daar staat een casino van een man die ons geld schuldig is, met een aangenaam hotel.’ De groene federale borden langs de snelweg kondigden een stad aan. De eerste halte van vandaag. Reacher zag de man met de sik plannen. Er waren twee onbekende factoren. Was de man met het geld van plan uit te stappen in de stad die eraan kwam? En zo niet, zou hij dan wel wakker worden door het afremmen en het draaien en keren door de straten? Reacher bleef kijken. De bus nam de afrit en reed over een vierbaansweg naar het zuiden door vlak akkerland, dat nat was omdat het onlangs had geregend. Een rit zonder gehobbel, de banden maakten sissend geluid op het asfalt. De man met het geld sliep door. De man met de sik bleef opzij en omlaag gluren. Reacher vermoedde dat hij zijn plan klaar had. Hij vroeg zich af hoe goed het plan was. Het zou het slimste zijn om niet te lang te wachten met het jatten van de envelop, om die daarna goed te verstoppen 13
en vervolgens uit te stappen zodra de bus stil bleef staan. Zelfs als de oude man vlak voordat de bus stopte wakker zou worden, zou hij in eerste instantie nog in de war zijn. Misschien zou hij niet eens merken dat de envelop weg was. Niet meteen. En als dat wel het geval was, zou hij waarschijnlijk denken dat de envelop uit zijn zak gevallen was. Hij zou minstens een minuut bezig zijn om onder zijn stoel te zoeken, en onder de stoel voor zich, in de veronderstelling dat hij de envelop in zijn slaap misschien weg had getrapt. Pas als dat allemaal niets had opgeleverd, zou hij om zich heen kijken, met een vragende blik in de ogen. Tegen die tijd was de bus allang gestopt en zouden er mensen uitstappen en instappen. Drukte in het gangpad. Geen enkel probleem om weg te glippen. Dat zou het slimste zijn. Zou de man met de sik het ook zo bedacht hebben? Reacher kreeg nooit antwoord op die vraag. De man met het geld werd te vroeg wakker. De bus remde af en bleef voor een stoplicht staan met sissende remmen. Het hoofd van de man schoot omhoog, hij knipperde met zijn ogen en klopte op zijn zak, schoof de envelop er dieper in, zodat niemand hem nog kon zien. Reacher ontspande. De man met de sik ontspande. De bus reed verder. Aan beide zijden van de weg waren akkers met een groen waas van ontkiemend gewas. De akkers maakten plaats voor de eerste bedrijventerreinen met zaken die landbouwmachines verkochten, en personenauto’s. Grote bedrijfsterreinen met honderden glanzende machines, versierd met vlaggen en wimpels. Daarna kwamen de kantoren en een enorme supermarkt, en vervolgens de stad zelf. De vierbaansweg werd een tweebaansweg. Verderop stonden torens, maar de bus sloeg links af, reed met een gepaste boog om de duurdere wijken heen en stopte een kilometer verder bij het busstation, de eerste halte van vandaag. Reacher bleef zitten, hij had een kaartje gekocht tot de eindhalte. De man met het geld stond op. Hij knikte alsof hij zichzelf toesprak, hees zijn broek op en trok zijn jack strak. Allemaal dingen die een oude man doet die op het punt staat uit te stappen. Hij stapte het gangpad op en schuifelde naar voren. Geen tas. 14
Alleen de man, grijs haar, blauw jack, ĂŠĂŠn opbollende jaszak en een lege. De man met de sik had een nieuw plan bedacht. Het kwam zomaar bij hem op. Reacher kon bijna de raderen zien draaien in zijn achterhoofd. Als een fruitmachine, plotseling drie kersen naast elkaar. Een reeks conclusies op basis van nieuwe aannames. Busstations lagen nooit in de beste wijken van een stad. Ze lagen aan armoedige straten met de achtergevels van andere gebouwen, misschien braakliggende terreinen of onbewaakte parkeerterreinen. Straathoeken waarachter je je kon verbergen, verlaten trottoirs. Een kwestie van iemand van twintig tegen iemand van zeventig. Een klap op het achterhoofd. Een eenvoudige beroving. Dat gebeurde aan de lopende band, dus zo moeilijk kon het niet zijn. De man met de sik sprong overeind en haastte zich door het gangpad, twee meter achter de man met het geld. Reacher kwam ook overeind en volgde beiden.
15