Skip to main content

Leesfragment Dert13n van Steve Cavanagh

Page 1

proloog

Toen Joshua Kane op een gure decembermiddag om tien over vijf op zijn van karton gefabriceerde slaapplek voor het gerechtsgebouw van Manhattan lag, overwoog hij een man te vermoorden. Niet zomaar een man. Hij had een speciďŹ ek persoon in gedachten. Niet dat Kane er als hij in de metro zat of naar langslopende mensen keek nooit aan dacht een willekeurige, naamloze New Yorker te vermoorden die toevallig in zijn blikveld kwam. Het kon de blonde secretaresse zijn die een romannetje las op de k-lijn, een voorbijkomende Wall Street-bankier die zwaaiend met een paraplu zijn gebedel om kleingeld negeerde, of zelfs een kind dat aan zijn moeders hand het zebrapad overstak. Hoe zou het voelen om hen te vermoorden? Wat zouden hun laatste woorden zijn? Zouden hun ogen veranderen op het moment dat ze deze wereld verlieten? Als hij hieraan dacht voelde Kane een warme rilling van genot door zijn lichaam gaan. Hij keek op zijn horloge. Elf over vijf. Scherpe, torenhoge schaduwen tekenden zich af op straat terwijl de avond viel. Hij keek naar de lucht en zag tot zijn voldoening dat het licht afzwakte, alsof iemand een sluier over een lamp legde. Het halfduister paste beter bij zijn plannen. De schemering bracht zijn gedachten terug naar de moord. Liggend op straat had hij de afgelopen zes weken aan weinig anders gedacht. Urenlang had hij zich afgevraagd of deze man moest sterven. Naast het leven of de dood van de man, moest ook al het andere zorgvuldig worden voorbereid. Kane nam geen risico’s. Dat was de slimme aanpak. Om onopgemerkt te blijven moest je voorzichtig zijn, dat had hij lang geleden al geleerd. De man in leven laten was riskant. Wat als hun paden zich in 9


de toekomst ooit zouden kruisen? Zou hij Kane dan herkennen? Zou hij begrijpen hoe de vork in de steel zat? En als Kane hem doodde? Een moord bracht altijd risico’s met zich mee. Maar Kane wist wat de risico’s waren; hij had die al vaak met succes vermeden. Een bestelbus van de post kwam tot stilstand langs de stoep en parkeerde precies ter hoogte van Kane. De bestuurder, een zwaargebouwde man van achter in de veertig in een postbode-uniform, stapte uit. Stipt op tijd, zoals gewoonlijk. De postbode liep langs hem naar de dienstingang van het gerechtsgebouw en keurde hem geen blik waardig. Geen kleingeld voor de daklozen. Vandaag niet. Al zes weken lang niet. Nooit. En terwijl de postbode langs hem liep vroeg Kane zich, ook zoals gewoonlijk, af of hij hem moest vermoorden. Hij had twaalf minuten de tijd om een besluit te nemen. De postbode heette Elton. Hij was getrouwd en had twee kinderen in de puberleeftijd. Elton at eens per week in een veel te dure broodjeszaak als zijn vrouw dacht dat hij aan het hardlopen was, hij las paperbacks die hij voor één dollar bij een winkeltje in Tribeca kocht en droeg bontgevoerde pantoffels als hij op donderdag de vuilnis buiten zette. Hoe zou het voelen om hem te zien sterven? Joshua Kane genoot ervan om allerlei emoties bij mensen te zien. Op hem had de aanblik van gevoelens van rouw, verdriet en angst een verslavender en gelukzaliger uitwerking dan de beste drugs ter wereld. Joshua Kane was anders dan anderen. Er was niemand zoals hij. Hij keek op zijn horloge. Tien voor halfzes. Tijd om in actie te komen. Hij krabde aan zijn baard, die inmiddels behoorlijk lang was. Terwijl hij zich afvroeg of het vuil en zweet erin zichtbaar zouden zijn, kwam hij langzaam van het stuk karton overeind en strekte zijn rug. Nu hij bewoog, rook hij zichzelf. Zes weken lang geen schoon ondergoed of schone sokken, zelfs geen douche. Hij kokhalsde van de stank. Hij moest iets doen om niet aan zijn eigen vuiligheid te hoeven denken. Bij zijn voeten lag een smoezelige omgekeerde honkbalpet met een paar munten erin. Het voelde prettig als je missie haar voltooiing naderde. Als je wens gestalte kreeg, precies zoals je je dat had voorgesteld. En toch leek het Kane spannend om iets aan het toeval over te laten. Elton zou nooit 10


weten dat zijn lot op dat moment bepaald werd, niet door Kane, maar door het opgooien van een muntje. Kane pakte een kwartje uit zijn pet, gooide het in de lucht, ving het op en legde het op de rug van zijn hand. Terwijl de munt in de koude wolk van zijn adem rondtolde, had hij besloten dat kop betekende dat Elton moest sterven. Hij keek naar het kwartje dat glanzend en nieuw afstak tegen het aangekoekte vuil op zijn huid, en glimlachte. Drie meter naast de geparkeerde bestelbus stond een hotdogkraam. De verkoper was bezig met de bestelling van een lange man zonder jas. Waarschijnlijk iemand die zojuist op borgtocht was vrijgekomen en dat met een goede maaltijd vierde. De verkoper pakte twee dollar van de man aan en wees hem op een bord onder aan zijn kraam. Naast de plaatjes van gegrilde varkensworsten hing een advertentie van een advocaat, met eronder zijn telefoonnummer. Ä ¹ ¦ ÙÙ Ýã Ù ? Ý «ç½ ®¦ ò Ä Ä Ã®Ý Ù®¹¥? ½ à 㠮 ¥½ùÄÄ. De lange man nam een hap van zijn hotdog, knikte en liep weg, precies op het moment dat Elton met drie zware juten postzakken het gerechtsgebouw uit kwam. Drie postzakken. Dat was de bevestiging. Vandaag was de dag. Gewoonlijk kwam Elton terug met twee postzakken, of zelfs maar met één. Maar om de zes weken had hij drie zakken bij zich. Die extra postzak was precies waar Kane op had gewacht. Elton trok de achterdeuren van het busje open en gooide de eerste zak naar binnen. Kane liep langzaam naar hem toe, zijn rechterhand uitgestrekt. De tweede zak belandde naast de eerste in de bus. Op het moment dat Elton de derde zak vastpakte, kwam Kane op hem af. ‘Hé vriend, heb je misschien wat kleingeld voor me?’ ‘Nee,’ zei Elton terwijl hij de laatste zak in de bus gooide. Hij sloeg de rechterdeur dicht en pakte de hendel van de linkerdeur vast om ook die dicht te smijten. Timing was nu essentieel. Kane stak met een snelle beweging zijn hand uit, smekend om een paar dollar. De deur 11


van het busje sloeg met een klap tegen zijn hand en trok zijn arm mee. Kanes timing was perfect. Hij hoorde dat de metalen portierstijlen zich in zijn vlees boorden en zijn arm verpletterden. Hij greep naar zijn arm, liet zich met een schreeuw op zijn knieën vallen en zag dat Elton van schrik zijn handen naar zijn hoofd bracht, zijn ogen zo groot als schoteltjes, zijn mond wijd open. Gezien de kracht waarmee Elton de deur had dichtgesmeten, en het gewicht ervan, was er geen twijfel mogelijk dat Kanes arm gebroken was. Een vervelende breuk waarschijnlijk. Op meerdere plaatsen. Ernstig letsel. Maar Kane was bijzonder. Dat had zijn moeder altijd gezegd. Hij schreeuwde het opnieuw uit. Het leek hem belangrijk om zich flink uit te sloven: hij moest op zijn minst doen alsof hij pijn had. ‘Jezus, kijk uit! Ik wist niet dat je arm daar was... Je... Het spijt me,’ stamelde Elton. Hij knielde naast Kane en zei nogmaals sorry. ‘Ik denk dat-ie gebroken is,’ zei Kane, terwijl hij wist dat dat niet zo was. Tien jaar geleden was het bot grotendeels vervangen door stalen platen, pinnen en schroeven. Het weinige bot dat nog over was, was zwaar verstevigd. ‘Shit, shit shit...’ zei Elton. Hij speurde de straat af, wist niet wat hij moest doen. ‘Het was niet mijn schuld, maar ik kan een ambulance bellen.’ ‘Nee, die behandelen me niet. Ze brengen me naar de eerste hulp, waar ze me de hele nacht op een brancard laten creperen en me vervolgens wegsturen. Ik ben niet verzekerd. Hoogstens tien straten verderop is een medisch centrum. Daar behandelen ze daklozen. Breng me daar maar heen.’ ‘Dat kan niet,’ antwoordde Elton. ‘Hoezo niet?’ ‘Ik mag geen passagiers meenemen in de bus. Als iemand je voorin ziet zitten, kan ik mijn baan kwijtraken.’ Tot Kanes opluchting wilde Elton zich strikt aan de regels van het postbedrijf houden. Daar had hij op gerekend. ‘Dan ga ik wel achterin zitten. Daar ziet niemand me.’ Elton staarde naar de bus en de openstaande achterdeur. ‘Ik weet het niet...’ ‘Ik zal echt niks jatten, ik kan verdomme mijn arm niet eens bewegen,’ zei Kane, waarna hij kreunend naar zijn arm greep. 12


Na enige aarzeling zei Elton: ‘Oké. Als je maar uit de buurt van de postzakken blijft. Afgesproken?’ ‘Afgesproken.’ Hij kermde toen Elton hem overeind hielp, en schreeuwde het uit toen hij dacht dat Elton met zijn hand te dicht bij zijn gewonde arm kwam. Even later zat hij op de stalen vloer van de achterbak en kreunde en steunde bij elke hobbel terwijl de wagen in oostelijke richting reed. Het laadgedeelte was gescheiden van de cabine, dus Elton kon hem niet zien en waarschijnlijk ook niet horen, maar het leek Kane beter om voor de zekerheid goed te jammeren. Het enige licht kwam door een klein dakluik van gebobbeld glas. Ze hadden de buurt van het gerechtsgebouw nauwelijks verlaten of Kane had al een stanleymes uit zijn jaszak gepakt en de tiewraps waarmee de drie postzakken dichtzaten doorgesneden. De eerste zak bevatte niks bijzonders. Gewone enveloppen. De tweede zak ook. Bij de derde zak had hij beet. De enveloppen in deze zak waren allemaal hetzelfde, maar anders dan die in de twee eerste zakken. Langs de onderrand van de enveloppen liep een rode band waarop in witte letters te lezen stond: open deze brief

onmiddellijk. bevat een belangrijke oproep van de rechtbank. Kane opende er geen een. In plaats daarvan spreidde hij de enveloppen uit over de vloer, pikte de brieven die aan vrouwen waren geadresseerd eruit en stopte die terug in de zak. Een halve minuut later lagen er nog een stuk of zestig, zeventig enveloppen voor hem. Hij fotografeerde vijf enveloppen tegelijkertijd met een digitale camera, die hij vervolgens weer in zijn zak stak. Later zou hij op de foto’s inzoomen om de namen en adressen te lezen. Nu deze klus geklaard was, deed Kane alle brieven terug in de postzak en bond ze alle drie weer dicht met de tiewraps die hij had meegenomen. Die waren overal te krijgen, en de rechtbank en het postbedrijf gebruikten precies dezelfde. Nu hij wat tijd overhad, strekte Kane zijn benen voor zich uit en bekeek hij de foto’s van de enveloppen op het schermpje van zijn camera. Hiertussen zou hij de perfecte persoon vinden. Hij wist het zeker. Hij voelde het. Zijn hart begon sneller te kloppen van opwinding. Het was alsof er een elektrische schok van zijn voeten rechtstreeks naar zijn borst schoot. 13


Na het voortdurende afremmen en optrekken in het verkeer van Manhattan duurde het even voor Kane in de gaten had dat de bus tot stilstand was gekomen. Hij deed de camera in zijn zak. De achterdeuren werden opengetrokken. Kane ondersteunde zijn zogenaamd gewonde arm. Elton boog zich voorover en stak zijn hand naar hem uit. Met de hand van zijn goede arm greep Kane Eltons uitgestoken hand vast. Hij kwam overeind. Het zou gemakkelijk gaan, en snel. Hij hoefde zich alleen maar schrap te zetten en een goeie ruk te geven. Met een klein beetje kracht zou hij de postbode zo de bus in trekken. Het stanleymes zou in één vloeiende beweging door Eltons nek glijden en vervolgens langs zijn kaaklijn door de halsslagader. Elton hielp Kane uit de bus alsof hij van glas was en liep met hem mee het medisch centrum in. Het kwartje was op de muntzijde gevallen; Elton zou ongedeerd blijven. Kane bedankte zijn redder en keek hem na toen die vertrok. Na een paar minuten verliet Kane het medisch centrum en liep hij de straat op om te controleren of het busje niet was teruggereden om te checken hoe het met hem ging. Het was nergens te bekennen. Die avond verliet Elton in zijn hardloopoutfit zijn favoriete broodjeszaak met in zijn ene hand een half opgegeten cornedbeefsandwich en in de andere een bruine papieren tas met boodschappen. Plotseling stond er een lange, gladgeschoren, goedgeklede man voor hem die hem de weg versperde, zodat hij in het donker onder een kapotte straatlantaarn moest blijven staan. Joshua Kane genoot van de frisse avondlucht, van het gevoel van een goed kostuum en een schone nek. ‘Ik heb opnieuw een muntje opgegooid,’ zei hij. Kane schoot Elton in zijn gezicht, liep snel weg en verdween in een donkere steeg. Een snelle, gemakkelijke executie als deze gaf Kane geen genot. Liever had hij een paar dagen met Elton doorgebracht, maar daar was geen tijd voor. Hij had nog een hoop werk te doen.

14


Zes weken later

Maandag


1

Er zaten geen journalisten achter me in de rechtszaal. De publieke tribune was leeg. Geen bezorgde familieleden. Alleen ik, mijn cliënt, de openbaar aanklager, de rechter, een stenograaf en een griffier. O, en in de hoek een beveiliger die stiekem op zijn smartphone een wedstrijd van de Yankees volgde. Ik bevond me in het gerechtsgebouw van Manhattan op 100 Center Street, in een kleine rechtszaal op de achtste verdieping. Er was verder niemand aanwezig omdat de zaak niemand een barst kon schelen. De openbaar aanklager bekommerde zich er nauwelijks om en de rechter was al afgehaakt toen hij de aanklacht las: het bezit van drugs en drugsparafernalia. De aanklager, officier Norman Folkes, was een oudgediende binnen het Openbaar Ministerie. Norm zat een halfjaar voor zijn pensioen en dat was hem aan te zien. De bovenste knoop van zijn overhemd stond open, zijn pak stamde uit de tijd van het presidentschap van Reagan en de stoppelbaard van twee dagen was het enige aan hem wat schoon leek. Het gezicht van edelachtbare Cleveland Parks, de zittende rechter, had iets weg van een leeggelopen ballon. Hij liet zijn kin op zijn hand rusten en boog zich over zijn tafel. ‘Hoelang nog, meneer Folkes?’ vroeg rechter Parks. Norm keek op zijn horloge, haalde zijn schouders op en zei: ‘Excuses, edelachtbare, hij kan hier elk moment zijn.’ De vrouwelijke griffier rommelde wat met haar papieren. Stilte daalde weer neer over de zaal. ‘Voor de goede orde, meneer Folkes, ik neem aan dat u als zeer ervaren aanklager weet dat ik de pest heb aan te laat komen,’ zei de rechter. Norm knikte. Hij bood opnieuw zijn excuses aan en frunnikte aan de boord van zijn overhemd. Op de wangen van rechter Parks verschenen rode vlekken. Hoe langer Parks moest wachten, hoe roder hij 17


werd; dat was zo ongeveer het maximum aan zijn agitatie. Hij verhief nooit zijn stem en stak nooit beschuldigend zijn vinger in de lucht – hij zat daar alleen maar in stilte te koken van woede. Zijn haat voor laatkomers was berucht. Mijn cliënt, een voormalige prostituee van vijfenvijftig die Jean Marie heette, boog zich naar me toe en fluisterde: ‘Wat gebeurt er als die smeris niet komt opdagen, Eddie?’ ‘Hij komt echt wel,’ antwoordde ik. Ik wist het zeker. Zoals ik ook zeker had geweten dat hij te laat zou komen. Daar had ik namelijk zelf voor gezorgd. Het lukte me alleen met Norm als aanklager. Ik had de motie om de aanklacht te verwerpen twee dagen geleden ingediend, vlak voor vijven, toen de indelingsbeambte al naar huis was. Na jaren ervaring wist ik wel zo ongeveer hoe snel het kantoor documenten verwerkte en een hoorzitting belegde. Met de achterstand in de dossiers op het kantoor zou de zitting waarschijnlijk niet eerder dan vandaag plaatsvinden, en zouden ze met moeite een vrije rechtszaal vinden. Moties werden gewoonlijk ’s middags afgehandeld, rond tweeën, maar zowel de eisende als de verdedigende partij zou pas een paar uur van tevoren weten in welke rechtszaal we verwacht werden. Maar dat was geen probleem. Norm zou ’s morgens allerlei zaken omhanden hebben, voorgeleidingen, net als ik. Het was gebruikelijk om een bode te vragen op de computer na te kijken in welke rechtszaal de motie behandeld zou worden. Zodra de bode bevestigde waar dat was, zou de aanklager zijn mobiele telefoon pakken en de getuige bellen om de informatie door te geven. Zo niet Norm. Hij had geen mobiele telefoon, hij geloofde er niet in. Hij dacht dat ze schadelijke radiogolven verspreidden. Ik had Norm bij de voorgeleidingen eerder die ochtend expres alvast de locatie van de hoorzitting van vanmiddag laten weten. Norm zou ervan uitgaan dat zijn getuige het juiste zaalnummer zelf op het bord zou opzoeken. Dat bord bevindt zich in zaal 1000 van het gerechtsgebouw, het kantoor van de griffier. In het kantoor staat – behalve een hele rij mensen die boetes komen betalen – een whiteboard met een lijst van de zaken en moties die die dag behandeld worden. Het bord staat er zodat getuigen, agenten, openbaar aanklagers, rechtenstudenten, publiek en advocaten precies kunnen zien waar in het gebouw op welk moment 18


zaken worden behandeld. Een uur voordat mijn motie zou worden behandeld ging ik naar zaal 1000. Ik zocht mijn motie op het bord en met mijn rug naar de griffier wiste ik het zaalnummer uit en schreef er snel een ander nummer voor in de plaats. Een kleine kunstgreep. Niets vergeleken bij de ingewikkelde, riskante trucs die ik uithaalde in mijn tien jaar als oplichter. Sinds ik advocaat was, stond ik mezelf toe om zo nu en dan in mijn oude gewoonten te vervallen. Gezien het feit dat je hier altijd eeuwen op de lift moest wachten, wist ik zeker dat Norms getuige door mijn kleine afleidingsmanoeuvre een minuut of tien te laat zou komen. Rechercheur Mike Granger beende twintig minuten te laat de rechtszaal binnen. In eerste instantie keek ik niet om toen ik achter me de deuren hoorde opengaan. Ik luisterde naar Grangers voetstappen op de tegelvloer, hij liep bijna even snel als dat rechter Parks met zijn vingers op zijn bureau trommelde. Maar vervolgens hoorde ik nog meer voetstappen. Ik draaide me om. Granger werd gevolgd door een man van middelbare leeftijd in een duur uitziend pak. De man nam achter in de rechtszaal plaats. Ik herkende hem meteen; zijn blonde haardos, zijn stralende tv-sterachtige tanden en zijn bleke kantoorhuid. Rudy Carp was zo’n advocaat die maandenlang elke avond in rechtszaken op het journaal te zien was, op Court tv verscheen, met zijn kop op de covers van tijdschriften stond en ook nog eens steengoed in de rechtszaal was. Een officiële celebrityadvocaat. Ik had hem nog nooit ontmoet. We bewogen ons niet in dezelfde kringen. Rudy dineerde twee keer per jaar in het Witte Huis. Rechter Harry Ford en ik dronken eens per maand samen goedkope whisky. Er was een tijd dat de drank bij mij de overhand kreeg. Maar die tijd was voorbij. Eens per maand, niet meer dan twee glazen. Ik had het onder controle. Rudy wuifde in mijn richting. Ik draaide me om en zag dat de rechter naar rechercheur Granger staarde. Toen ik nog eens over mijn schouder keek, wuifde Rudy opnieuw. Pas toen besefte ik dat het voor mij bedoeld was. Ik zwaaide terug en probeerde me te concentreren. Ik had geen flauw benul wat die vent in mijn rechtszaal te zoeken had. ‘Mooi dat u erbij kunt zijn, rechercheur,’ zei rechter Parks. Mike Granger was het prototype van een doorgewinterde New Yorkse smeris. Hij liep met een bepaald air – hij legde zijn wapen af, 19


spuugde zijn kauwgom uit, plakte die tegen zijn heupholster en legde deze vervolgens onder de tafel van de aanklager. In de rechtszaal zijn geen wapens toegestaan. Mensen van de politie moeten zich op wapens laten controleren door de beveiligers. De parketwachters knijpen bij ervaren agenten meestal een oogje toe, maar zelfs die weten dat ze in de getuigenbank geen wapen behoren te dragen. Granger probeerde uit te leggen waarom hij te laat was. Rechter Parks schudde zijn hoofd om hem het zwijgen op te leggen. Bewaar je energie maar voor in de getuigenbank. Ik hoorde Jean Marie zuchten. Haar geblondeerde haar vertoonde zwarte uitgroei en haar vingers trilden toen ze ze naar haar mond bracht. ‘Maak je geen zorgen. Zoals ik al zei, je hoeft echt niet terug naar de gevangenis,’ zei ik. Ze droeg voor de zitting een nieuw zwart broekpak. Het stond haar goed – en het gaf haar wat meer zelfvertrouwen. Terwijl ik Jean probeerde gerust te stellen, zette Norm de show in gang en riep Granger als getuige op. Hij legde de eed af en Norm vatte in het kort samen waarom Jean was aangehouden. Toen hij die nacht over 37th Street en Lexington Avenue reed, had hij Jean voor een massagesalon zien staan met een tas in haar hand. Granger wist dat ze een strafblad had, ze had vroeger getippeld. Hij stopte, liep op haar af, stelde zich voor en liet zijn penning zien. Op dat moment zag hij dat er ‘drugsparafernalia’ in Jeans bruine papieren tas zaten. ‘Wat waren dat voor parafernalia?’ vroeg Norm. ‘Het was een rietje. Verslaafden gebruiken een rietje om drugs te snuiven. Ik zag het een heel eind uit haar tas steken,’ zei Granger. Rechter Parks was niet onder de indruk en rolde met zijn ogen. Geloof het of niet, maar in het afgelopen halfjaar had het New York City Police Department minstens vijf jonge Afro-Amerikaanse mannen voor het bezit van drugsparafernalia gearresteerd en vastgehouden omdat ze frisdrankrietjes bij zich hadden, die in de meeste gevallen uit een frisdrankbeker staken. ‘En wat deed u vervolgens?’ vroeg Norm. ‘Als ik zie dat iemand drugsparafernalia bij zich heeft, dan noem ik dat een redelijke verdenking. Omdat mevrouw Marie een verleden van drugsovertredingen heeft, heb ik haar tas doorzocht, waarin ik de drugs vond. Onderin lagen vijf zakjes marihuana. Daarom heb ik haar gearresteerd.’ 20


Het zag ernaar uit dat Jean de bak in zou draaien. De tweede drugsovertreding in één jaar tijd. Zonder proeftijd dit keer. Ze zou waarschijnlijk twee of drie jaar moeten brommen. Ik bedacht dat ze al even gezeten had voor deze overtreding. Na haar arrestatie had ze drie weken vastgezeten voordat ik een borgsteller voor haar had kunnen vinden. Ik had Jean ondervraagd over de arrestatie. Ze had me de waarheid verteld. Jean vertelde me altijd de waarheid. Rechercheur Granger was langs haar gereden in de auto, hij was uit op een gratis nummertje op de achterbank. Jean had gezegd dat ze niet meer werkte. Granger was uit zijn auto gestapt, had haar tas vastgegrepen en toen hij zag dat er wiet in zat, had hij het over een andere boeg gegooid: hij zei dat hij voortaan vijftien procent van haar winst wilde, of dat hij haar anders ter plekke zou arresteren. Jean antwoordde dat ze al tien procent afdroeg aan twee patrouilleagenten in het 17e District die blijkbaar niet deden waarvoor ze waren aangesteld. Die agenten kenden Jean en konden gemakkelijk de andere kant op kijken. Ondanks haar achtergrond was Jean een echte patriot. Haar wiet was honderd procent Amerikaans, rechtstreeks afkomstig van legale telers in Washington. Jeans klantenkring bestond voornamelijk uit ouderen die wiet rookten om hun artritis of glaucoom te verlichten. Het waren vaste klanten die geen problemen veroorzaakten. Jean had Granger te verstaan gegeven dat hij moest opdonderen, waarna hij haar arresteerde en een verhaal bij elkaar verzon. Natuurlijk kon ik dit in de rechtbank niet bewijzen. Ik zou het niet eens proberen. Toen Norm ging zitten, stond ik op. Ik schraapte mijn keel en trok mijn das recht. Ik zette mijn voeten een stukje uit elkaar, nam een slok water en rechtte mijn schouders. Ik probeerde de indruk te wekken dat ik me prima op mijn gemak voelde – dat ik me opmaakte om Granger minstens twee uur lang flink aan de tand te gaan voelen. Ik pakte een pagina uit het dossier op mijn tafel en stelde Granger mijn eerste vraag. ‘Rechercheur, u beweert in uw verklaring dat de beklaagde de tas in haar rechterhand had. We weten dat het om een grote bruine papieren tas gaat. Die zijn lastig om met één hand vast te houden. Ik neem aan dat ze de tas bij de hengsels vasthield?’ Granger keek me aan alsof ik zijn tijd verdeed met domme, banale vragen. Hij knikte en er verscheen een glimlachje om zijn mond. ‘Ja, ze had de tas bij de hengsels vast,’ antwoordde hij. Hij wierp een zelf21


verzekerde blik op de tafel van de aanklager om te laten zien dat hij alles onder controle had: ik wist zeker dat Norm en Granger het in de aanloop naar vandaag uitgebreid over het legale gebruik van rietjes hadden gehad. Granger was erop voorbereid. Hij verwachtte dat ik eindeloos met hem over het rietje in discussie zou gaan, over de vraag of het alleen gebruikt was voor frisdrank, blablabla. Zonder nog iets te zeggen, ging ik weer zitten. Mijn eerste vraag was tegelijk ook mijn laatste geweest. Granger keek me argwanend aan, alsof hij vermoedde dat zijn zakken zojuist waren gerold. Norm liet weten dat hij geen vragen meer had voor de getuige. Rechercheur Granger verliet de getuigenbank en ik vroeg Norm om me drie bewijsstukken te overhandigen. ‘Edelachtbare, bewijsstuk nummer één in deze zaak is de tas. Deze tas,’ zei ik terwijl ik een verzegelde, transparante zak omhooghield waarin een bruine papieren tas zat met het logo van McDonald’s erop. Ik boog me voorover, pakte een andere McDonald’s-tas en hield die ter vergelijking ook omhoog. ‘Deze tassen zijn precies even groot, namelijk vijftig centimeter diep. In deze tas kreeg ik vanmorgen mijn ontbijt mee,’ zei ik. Ik legde beide tassen neer en pakte het volgende bewijsstuk. ‘Dit is de inhoud van de tas die mijn cliënt op de avond van haar arrestatie is afgenomen. Bewijsstuk nummer twee.’ In de verzegelde zak zaten vijf zakjes marihuana. Bij elkaar amper een cornflakeskommetje vol. ‘Bewijsstuk nummer drie is een frisdrankrietje van McDonald’s. Dit rietje is twintig centimeter lang,’ zei ik terwijl ik het bewijsstuk in de lucht stak. ‘Zo’n zelfde rietje heb ik vanmorgen meegenomen.’ Ik hield mijn eigen rietje omhoog en legde het vervolgens op tafel. Ik deed de wiet in de McDonald’s-tas en hield die op voor de rechter. Vervolgens pakte ik het rietje en liet het verticaal in de tas vallen terwijl ik met mijn andere hand de tas bij de hengsels vasthield. Het rietje verdween in zijn geheel in de tas. Ik overhandigde de tas aan de rechter. Hij keek naar de tas, pakte het rietje eruit en liet het er weer in vallen. Hij herhaalde dit een paar keer en zette het rietje zelfs in de tas boven op de zakjes marihuana. Het rietje bleef ruim tien centimeter onder de rand van de tas. Dat wist ik, want ik had het zelf ook geprobeerd. ‘Edelachtbare, de stenograaf kan het precies herhalen, maar mijn 22


aantekening van rechercheur Grangers verklaring over het rietje is: “Ik zag het een heel eind uit haar tas steken.” Ik geloof best dat het mogelijk is dat het rietje zichtbaar zou zijn als de tas gekreukt is en in het midden wordt vastgehouden. Maar rechercheur Granger heeft verklaard dat mijn cliënt de tas bij de hengsels vasthield. Edelachtbare, zijn theorie is knudde met een rietje, om het zo maar te zeggen.’ Rechter Parks stak een hand op. Hij had genoeg gehoord. Hij wendde zich tot Norm. ‘Meneer Folkes, ik heb de tas bekeken, evenals het rietje en de verboden middelen die erin zitten. Ik ben niet overtuigd dat rechercheur Granger een rietje uit deze tas heeft zien steken. Omdat er geen gerede aanleiding was om de tas te doorzoeken, is het aldus verzamelde bewijsmateriaal ontoelaatbaar. Inclusief het rietje. Het baart mij zorgen, om het zacht uit te drukken, dat er de laatste tijd onder sommige agenten een trend lijkt te zijn om frisdrankrietjes en andere onbenullige zaken als drugsparafernalia te classificeren. U had in elk geval geen enkel bewijs om een arrestatie te rechtvaardigen. Ik wijs de aanklachten af. U hebt ongetwijfeld nog veel meer te zeggen, meneer Folkes, maar het is niet meer nodig – u bent helaas te laat.’ Jean sloeg haar armen om mijn nek, ze wurgde me bijna. Ik tikte op haar arm, en ze liet me los. Als ze mijn factuur ziet, piept ze wel anders. De rechter en zijn medewerkers stonden op en verlieten de rechtszaal. Granger ging er als een haas vandoor, maar niet voordat hij met zijn hand een schietgebaar naar me had gemaakt. Het liet me koud, ik was eraan gewend. ‘Wanneer kan ik je beroep tegemoetzien?’ vroeg ik Norm. ‘Van je lang zal ze leven niet,’ antwoordde hij. ‘Granger jaagt niet op kleine dealers zoals jouw cliënt. Er zit hoogstwaarschijnlijk iets achter deze arrestatie wat jij en ik nooit zullen weten.’ Norm pakte zijn spullen en volgde mijn cliënt de rechtszaal uit. Ik was nu alleen met Rudy Carp. Hij applaudisseerde met een, zo leek het, oprechte glimlach op zijn gezicht. Rudy ging staan en zei: ‘Gefeliciteerd, dat was... indrukwekkend. Ik heb vijf minuten van je tijd nodig.’ ‘Waarvoor?’ ‘Ik wil weten of je het ziet zitten om mijn secondant te zijn in de grootste moordzaak die deze stad ooit heeft gekend.’

23


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Leesfragment Dert13n van Steve Cavanagh by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu